Verwacht

alfred birney de dubieuzen

Nadat Alfred Birney in 1998 zijn veelbesproken bloemlezing Oost-Indische inkt; 400 jaar Indië in de Nederlandse letteren had gepubliceerd, dook de schrijver nog dieper in de boeken. Dat resulteerde in Yournael van Cyberney (2001), waarin hij onder meer de maakbaarheid van de literaire canon onder de loep neemt. Nu brengt hij in De dubieuzen (2012) enkele opzienbarende boeken van vergeten schrijvers onder de aandacht. Het multiculturele leven in het voormalige Nederlands-Indië wordt daarin heel anders beschreven dan in boeken van beroemde schrijvers als Couperus en Multatuli. In dit diepgravend maar levendig geschreven essay over onze koloniale literatuur worden opvallende en verrassende parallellen met ons huidige anti-multiculturele klimaat getrokken, waarin racisme, vreemdelingenhaat en religieuze uitingen tegenstellingen uitlokken en leiden tot fel debat.

Het boek wordt verwacht in april

Trilogie


Rivier de Lossie     rivier de ijssel     rivier de brantas

Met het onlangs verschenen boek Rivier de Brantas voltooit Alfred Birney een trilogie waarin de echo van de koloniale geschiedenis van Nederland doorklinkt: een zeer interessante episode die in de vergetelheid dreigt te raken. Voor Alfred Birney, een Nederlandse schrijver van gemengde afkomst, spelen drie landen een rol in zijn zoektocht naar sporen uit het verleden: Schotland in Rivier de Lossie (2009), Nederland in Rivier de IJssel (2010) en Indonesië in Rivier de Brantas (2011).

Alfred Birney is als chroniqueur van Nederlands-Indië uitstekend in staat om in deze drie novellen drie werelden (de Schots-Nederlandse, de Chinees-Nederlandse en Indonesisch-Nederlandse) naadloos met elkaar te verbinden. De trilogie begint omstreeks 1750 en eindigt 250 jaar later. Als in een film proef je de sfeer en de plekken die worden beschreven, met zelfs een uitstapje naar de 9e eeuw toen de Scoten en de Picten elkaar bevochten. Iedere novelle is te lezen als een afgerond verhaal.

Rivier de Lossie

Hoe komen drie benen op een wapenschild terecht en meer dan duizend jaar later op het etiket van een ketjapfles? Waardoor worden mensen soms dagenlang achtervolgd door hetzelfde lied? Waarom zijn het zo vaak onbekenden die ons heel anders naar de dingen laten kijken? Vragen uit de sfeervolle novelle Rivier de Lossie, die zich afspeelt in Schotland in de beginjaren negentig van de vorige eeuw. Een Nederlandse folkgitarist is er op zoek naar zijn Schots-Aziatische voorgeschiedenis. Tegen het decor van leisteen en voortspoedend water ontmoet hij een betoverende vrouw die hij uit een ballade uit zijn vroegere repertoire meent te herkennen. Maar wie is zij in werkelijkheid? Rond hun kortstondige samenzijn spelen thema’s die altijd actueel zijn: oorlog, migratie, afkomst, de fascinatie voor het onbekende en het noodlot. Bestel de betoverende novelle Rivier de Lossie!

Rivier de IJssel

Een muzikant hoopt op een wilde nacht met een zangeres die hij moet begeleiden. Maar er is een derde in het spel: een dubbelganger die hem een vervreemdend gevoel geeft over zijn afkomst en een grote kennis van het Nederlands koloniale geschiedenis aan de dag legt. De muzikant krijgt het idee te moeten kiezen tussen de liefde en zijn zucht naar historische kennis. Wellicht zal hij zijn vaders motieven leren doorgronden: een politiek vluchteling onder de vlag van Nederland anno 1950. Met dit boek toont de schrijver dat migratie geen eenrichtingsverkeer is en dat racisme overal op de loer ligt. Rivier de IJssel is geschreven door iemand die weet hoe het voelt te leven in een land waar de mensen jou vertrouwd zijn maar jij hun niet. Bestel de schitterende novelle Rivier de IJssel zonder verzendkosten!

Rivier de Brantas

Rivier de Brantas is het verhaal rond een gitarist, die bij het graf van zijn grootmoeder op Java een vloek wil bezweren die op zijn familie zou rusten. In het boek, vol tempowisselingen en vertellingen, passeert de Nederlandse koloniale geschiedenis de revue via de sporen en de portretten van een roemruchte en kleurrijke plantersfamilie, terwijl je de intrigerende belevenissen van de hoofdpersoon, een reizende gitarist, op de voet volgt. Bestel de magische novelle Rivier de Brantas zonder verzendkosten!

Meewarig neokoloniaal proza van de eerste generatie

leugens en lotgenoten Je hoeft geen Indo te zijn om een Indisch verleden te hebben. Toch bestaat een wezenlijk verschil tussen verhalend proza van Indo-schrijvers en totok-schrijvers, al wordt dat niet altijd gezien. Tjalie Robinson schrijft vanuit de Indo en Hella Haasse kijkt náár de Indo, om maar een pikant voorbeeld te noemen.

Jan Willem Smeets is van de generatie van Yvonne Keuls, F. Springer, Helga Ruebsamen en Paula Gomes. Zijn eerste twee romans verschenen 20 jaar geleden; beeldende kunst is zogezegd zijn hoofdvak. De flaptekst van zijn roman Leugens en lotgenoten (2010) vermeldt dat hij over een “groot stilistisch vermogen” beschikt, maar op de eerste bladzijde bewijst de schrijver al het tegendeel: Hotsebotsend reed ik verder en hield stil voor het huisje van ooit eens gebeitste… Hardleers als deze stilist is, kwakt hij gaandeweg het boek nog meer van dergelijk kinderproza op papier: Hilde dekte rats-boem-knal de tafel

Uitgeverij Ailantus lijkt te bezuinigen op goede redacteuren. Op bladzijde 29 is een niet te missen doublure gewoon blijven staan. Zes bladzijden verder breekt de schrijver impliciet een lans voor verhalend proza als tegenwicht tegen de enorme hoeveelheid non-fictie die over Nederlands-Indië is geschreven. Daar ben ik heel blij mee. Maar meer dan wat clichés over de Hollandse kou, de verdachtenhoek van mensen met een koloniale achtergrond en een strenge opvoeding komt er niet tevoorschijn.

Smeets’ wat meewarige, nonchalante stijl doet soms aan het proza van John Fante denken, maar werkt niet in zijn roman, dat drie hoofdstukken telt, waarin hij aandacht vraagt voor de lotgevallen van totoks. Zijn helden leiden een weinig interessant leven, of ze nou wel of niet in het “jappenkamp” hebben gezeten. Nou hoeven je romanhelden niet direct een spannend leven te leiden, mits je goed schrijft. F. van den Bosch heeft dat stijlvol in zijn kleine oeuvre laten zien.

Het tweede hoofdstuk maakt wel wat goed. Er ontspint zich namelijk gaandeweg een schandaleus verhaal rond een moederfiguur. Jammer genoeg mist de schrijver het vakmanschap van F. Springer om het verhaal werkelijk boeiend te maken. Waar hij wel goed in is, dat zijn de eigen valkuilen die hij in zijn babbelproza graaft. Een voorbeeld:

…maar toen ik merkte dat ik er in hun ogen alleen maar nog vreemder door werd, was ik uiteindelijk maar gaan verwijzen naar Couperus, Dermoût, Du Perron, Székely-Lulofs enzovoort die, zei ik dan, het allemaal heel wat beter hadden beschreven dan ik zou kunnen.

Wat bedoelt de schrijver met “zei ik dan”? Dat hij inmiddels wél zo ver is dat hij zich kan meten met de namen die hij noemt? Stel dat het in verhaaltechnisch en stilistisch opzicht zo zou zijn geweest, dan nog had ik mijn twijfels gehad over de mentaliteit van de verteller van het verhaal. Zijn houding ten opzichte van Indonesiërs is niet bijster sympathiek: “roomservice” blijft “roomservice”, want Smeets is eenvoudigweg te beroerd om van bedienend personeel mensen van vlees en bloed te maken. Op dat punt kan hij zich intussen wel meten met iemand als Székely-Lulofs, die daar ook een handje van had. Kortom, Smeets is wat dat betreft nooit verder gekomen dan zijn kinderjaren, toen Székely-Lulofs op het toppunt van haar roem was. Onbegrijpelijk dat dit soort neokoloniale romans nog wordt uitgegeven.

© 2010 Alfred Birney. Verscheen eerder in Archipel Magazine, jaargang 12, winternummer 2010

Het postkoloniale Indische debat

logo alfred birney weblog Het probleem met het postkoloniale debat in Nederland is dat er geen postkoloniaal debat is. Nou klinkt dit wat flauw, dus ik zal het wat genuanceerder zeggen: het postkoloniale debat in Nederland is afhankelijk van incidentele oprispingen bij de aandacht voor de Indische, Surinaamse en Caribische literatuur en, breder getrokken, voor boeken afkomstig van immigranten en hun nazaten. Wie wil weten wat koloniale en postkoloniale literatuur behelst, moet lezen Europa Buitengaats; koloniale en postkoloniale literaturen in Europese talen onder redactie van Theo D’Haen.

Onlangs trok een nieuw Indisch boek de aandacht van recensenten, onder wie er velen zaten die dachten dat het wiel was uitgevonden. Het boek is van Eveline Stoel, getiteld Asta’s ogen. Het is een documentair geschreven boek dat toevallig zijn weg vindt naar het grote publiek. Ik zeg toevallig, omdat er jaarlijks tientallen van dergelijke boeken verschijnen, al decennia lang. De meeste van die boeken belanden in de prullenbakken van de redactielokalen, een enkele titel vindt zijn weg.

Boeken als Asta’s ogen hebben als voordeel dat de Indische geschiedenis weer even levend wordt. Ik zeg: even. Want die geschiedenis wordt niet werkelijk levend gehouden, althans niet in de officiële canon. Onze beroepslezers hebben beroerd geschiedenisonderwijs genoten en in het kielzog daarvan dus net zulk beroerd literatuurgeschiedenis. Ze hebben geen helder zicht op de verschillen in perspectief tussen blanke en niet-blanke schrijvers uit Nederlands-Indië en de Cariben. Vanzelfsprekend geven zij hun beperkte kennis van de (post)koloniale literatuur door aan hun studenten, die op hun beurt doodleuk boeken als Orpheus in de desa en Oeroeg hoogtepunten noemen in de Indische literatuurgeschiedenis.

Let wel: het gaat hier niet over smaak, maar over perspectief. Een voorbeeld hiervan is de kritiek van Tjalie Robinson op Oeroeg, een stuk geschreven in 1948. Dit stuk, vol met sterke argumenten, heeft nooit enige invloed gekregen op de smaakmakers van de Nederlandse literatuur. Hoe komt dat?

Dit soort vraagstukken behoren bekend te zijn bij deelnemers aan een postkoloniaal debat. Anders weet je niet waarover het gaat. Afgelopen zaterdag werd er een dergelijk debat gevoerd in Nijmegen, er werd althans een poging ondernomen.

Op het podium nemen plaats Wim Willems, Eveline Stoel, Lizzy van Leeuwen en ik. Gespreksleider is Wim Brandts.

Wim Willems zit al 30 jaar met zijn neus in de materie, is biograaf van Tjalie Robinson en ziet soms door de vele bomen het bos niet meer. Eveline Stoel is een nieuwkomer die het zich kan permitteren onbevangen en ongehinderd door een veelheid aan kennis haar zegje te doen. Lizzy van Leeuwen doolt rond in het niemandsland tussen wetenschap en essayistiek en heeft de neiging het gesprek al te technisch voor de toehoorders te maken. Ikzelf doe vooral aan het begin van zo’n debat niets anders dan iedereen maar meteen in de rede vallen omdat ik denk dat ik het allemaal beter weet. Mij word herhaaldelijk door Wim Brandts ingefluisterd dat ik even mijn mond moet houden en dan gedraag ik me wel. Diezelfde Wim Brandts is een journalist (en dichter) met veel ervaring op het gebied van postkoloniale en etnische literatuur. Hij leidt het debat in strakke banen, omdat het anders een gekijf van jewelste wordt.

Dat een dergelijk debat nooit een bevredigend einde krijgt, dat weet je van te voren, al is het maar omdat meer dan de helft van de gesprekstijd opgaat aan het uitleggen van waar het nou eigenlijk allemaal om gaat. Toch zijn dit soort gesprekken zinvol. Want er zijn altijd mensen in de zaal die ermee aan de gang gaan, erover gaan nadenken, ook al hebben ze de helft maar begrepen.

Mijn punt is dat het postkoloniale debat een vanzelfsprekend onderdeel zou moeten zijn van het algehele literaire debat. Dat de postkoloniale geschiedenis als een wezenlijk en onlosmakelijk onderdeel zou moeten worden gepresenteerd van de algemene Nederlandse geschiedschrijving.

Maar ja… ís er überhaupt wel een literair debat? En wordt de canon van de Nederlandse geschiedenis wel écht vernieuwd met dat beetje VOC-gelul dat eraan is toegevoegd? Wanneer zijn we zover dat we vanuit verschillende perspectieven naar onze eigen (literatuur)geschiedenis kunnen kijken?

Wim Willems brak aan het einde van het debat, voor een volle zaal, een lans voor de Turkse schrijver Sadik Yemni, die klaagde dat hij als Turk alleen maar om zo te zeggen over kamelen mag schrijven. Dat vond Wim Brandts wel aardig om de avond mee af te sluiten. Nieuw is de klacht van Yemni natuurlijk niet. Ik schreef het al tien jaar geleden in mijn Yournael van Cyberney, een e-zine dat ik later herschreef en in boekvorm liet uitgeven. Dit zeg ik niet uit gelijkhebberigheid. Maar om te illustreren dat conclusies die ooit door schrijvende immigrantenkinderen worden getrokken niet direct door blanke Nederlanders worden overgenomen. Nee, die nemen ook nog eens tien jaar de tijd om tot dezelfde conclusie te komen. En als het even kan brengen ze het alsof het zelf hebben bedacht. Het komt er uiteindelijk toch steeds weer op neer dat je pas wordt geloofd zodra je een heel blank peloton achter je hebt. Een van de weinigen die dat tot dusver voor elkaar kreeg was Salman Rushdie. Maar daarvoor moest ie wel eerst een fatwa over zich heen krijgen. En zo ben ik weer terug bij af bij mijn eerste aflevering van Yournael van Cyberney, tien jaar geleden.

In Nijmegen Door Omstandigheden

poster eveline stoel, alfred birney, wim willems, lizzy van leeuwen

Het Bandoeng Project maakt onderdeel uit van het Wintertuinfestival in Nijmegen. Er zijn enkele speciale posters van het Bandoeng project gemaakt, die op bepaalde lokaties, de Centrale Bibliotheek en Indische organisaties als Pelita, worden opgehangen. Je zou kunnen zeggen dat de Indische of postkoloniale discussie traditioneel een apart podium krijgt. Uiteraard moet de oorzaak daarvan worden gezocht in het geschiedenisonderwijs op de middelbare scholen, waar te veel wordt ingezoomd op WO-II achter de duinen en niet in Nederlands-Indië, waar de oorlog veel langer duurde en veel complexer was. Deze geschiedenis is nooit vanzelfsprekend ingebed in de zogenaamde Nederlandse geschiedenis en daarom spreken sommige Indo’s met oog op het komende festival alweer gekscherend van In Nijmegen Door Omstandigheden.

Die eeuwige oorlog

logo alfred birney weblog Nu de meerderheid van de eerste generatie Indische mensen van de aardbodem is verdwenen, beginnen hun nazaten zich roeren in (veelal zelfuitgegeven) memoires en geschriften. Er zitten flink wat mensen bij die een (blanke) vader hadden, die al de oorlog in werden ingestuurd (de zogenoemde Politionele Acties in Indonesië: “Een mooi woord voor oorlog” volgens Ad van Liempt) voordat Nederland helemaal bevrijd was geworden door de geallieerden.

Soms neemt iemand contact met me op, met de vraag of ik kan helpen bij het uitrafelen van allerlei oorlogstoestanden in Indië/ Indonesië. De laatste tijd reageer ik veelal narrig dat ik niets meer met die vervloekte oorlog te maken wil hebben. Ikzelf ben, of liever gezegd was, meer geïnteresseerd in de ervaringen van kinderen van ouders met een oorlogstrauma: de gekte die kinderen overgedragen kregen. Het beste voorbeeld daarvan is mijn roman De onschuld van een vis (1995), herdrukt in Indische gezichten.

Fictie is voor mij een bevredigender manier om de nasleep van een oorlog te tonen dan non-fictie. Ik geloof niet zo in non-fictie. Ik geloof dat zodra je de pen oppakt je de geschiedenis al begint te kleuren. Er zijn acht familieleden van mij door de Japanse bezetters de dood ingejaagd. Als fictieschrijver zoek ik naar de kern van oorlog en volg dan liever één persoon die de dood in wordt gejaagd dan acht personen. Mijn vader schreef zijn oorlogservaringen neer gedurende de dertien jaar waarin ik met hem leefde. Ik hoorde elke avond die ratelende schrijfmachine. Eenmaal uit huis weggehaald door de kinderbescherming en geplaatst in een internaat hoorde ik die dominante schrijfmachine niet meer. De oorlog in Indië raakte op de achtergrond.

Later, toen ik een grote jongen was en ik mijn vader regelmatig bezocht, vroeg ik om verhalen over zijn jeugd van vóór de oorlog. Kortom: de Tjalie Robinson stuff. Dan begonnen de verhalen over de jacht, goena-goena en mooie Chinese meisjes, maar die mooie vertellingen gingen naadloos en in no time over in die afschuwelijke verhalen over de oorlog. En weer later kreeg ik te maken met Indische instanties die zich via allerlei invalshoeken met de oorlog bezighielden. Toen mijn vader stierf in 2005 kreeg ik een klap. Er viel iets weg. Ik donderde in een gat. Ik moest me opeens met iets anders gaan bezighouden dan met die vervloekte oorlog. Ik begon de oorlog te haten, als ik dat al niet deed, en probeerde de oorlog af te zweren. Evenwel, oorlog komt altijd wel terug in mijn boeken (mijn postkoloniale werk, niet in de rest van mijn proza), eenvoudig omdat oorlog bij de wereldgeschiedenis hoort en omdat mensen nu eenmaal jaloers, egoïstisch en oorlogszuchtig zijn.

In mijn novelle Rivier de Lossie (2009) speelt de herinnering aan een hele verre oorlog, tussen de Scoten en de Picten. Dat is in de negende eeuw na Christus. Er komt ook een flits van de oorlog in Nederlands-Indië voorbij. Maar het eigenlijk verhaal gaat heel ergens anders over. Zo ook in Rivier de IJssel (2010). Oorlog speelt wel op de achtergrond, maar de koloniale geschiedenis, de handelsgeest van de Hollanders en racisme staan veel meer op de voorgrond. Maar dan… Ergens schrijf ik het volgende in Rivier de IJssel:

Alexander bleef niet lang in Batavia en trad in dienst als controleur bij het Binnenlandse Bestuur. Hij begon zijn ambtelijke loopbaan in Blitar, een plaatsje in de buurt van Kediri op Oost-Java.
     Blitar… Die naam deed me denken aan een wonderlijk verhaal van mijn vader. In dat kleine plaatsje had hij zijn eerste levensjaren bij familie van zijn moeder doorgebracht. Ze had hem erheen gestuurd vanwege een zweer achter het oor. Als die niet zou genezen, was hij ten dode opgeschreven. Een oom heeft hem met kruiden uit de jungle behandeld. Zo stond het in zijn memoires geschreven.
     Maar laat Blitar nou juist dát ene plaatsje zijn waar hij twintig jaar later als jongeman tijdens de oorlog met een troep Nederlandse mariniers met vlammenwerpers mensen uit hun huizen heeft gebrand!
     Wie snapt zoiets?

Verwarring, vragen waar geen antwoord op komt, rusteloos zoeken naar zoiets als waarheden, hopeloos constateren dat racisme mijn overgrootmoeder al overkwam in 1870 in Deventer. Maar ook: de liefde, de muziek, onvergetelijke ontmoetingen, rivieren die blijven stromen terwijl mensen komen en gaan. Ik verwerk allerlei motieven in een novelle en hoop dat er een juweel tevoorschijn komt. De herinnering aan mijn vaders oorlog laat ik allengs achter me. Het was zijn oorlog. Het is verdomme mijn oorlog helemaal niet.

Maar dan… Archipel Magazine komt uit. Zomaar een zomernummer rond Bali. Toerisme, toch? Stuit ik zowaar op een artikel met de titel: De getuigenissen van FX Harsono (zie de vorige post op dit weblog). Midden op de tweede bladzijde prijkt een vetgedrukte quote:

‘Op beide doeken staan familieleden afgebeeld naast in 1951 door zijn vader gefotografeerde doodshoofden, die in de buurt van Blitar voor herbegrafenis uit Chinese massagraven waren opgegraven.’

Wacht eens even. Mijn vader is daar als een beest tekeer gegaan, heeft er kampongs platgebrand en locals overhoop geschoten, als ik zijn memoires moet geloven. Stel dat dat echt zo was? Zijn moeder was een Chinese. Zijn oom was een Chinees. Het wemelde kennelijk van de Chinezen in Blitar. Volgens het artikel zijn er 191 Chinezen tijdens de vrijheidsstrijd in 1947 en 1948 vermoord door Indonesische vrijheidsstrijders, die de Chinezen als medestanders van de Nederlanders zagen.

Begin ik nu stilaan iets te begrijpen wat een mens helemaal niet zou moeten begrijpen? Dat mijn vaders afgrijselijke wandaden met een stel Nederlandse mariniers een persoonlijke wraakoefening was? Kijk, je kunt de oorlog wel achter je willen laten, of die van je vader, maar je blijft er toch je hele leven aan herinnerd worden. Dit soort geschiedenissen krijgen geen plek in de Nederlandse geschiedenisboeken. Ze krijgen een plek in de beeldende kunst van een kunstenaar die ik niet ken, en in de boeken van een schrijver die hij niet kent.

Archipel Magazine Bali Special

archipel magazine lente 2010 Archipel Magazine’s zomernummer is een Bali Special. Voor deze gelegenheid heb ik een rol als interviewer. Ik neem zelden interviews af. Als ik het doe, dan is het nooit een opdracht maar een voorstel van mezelf. In een grijs verleden interviewde ik eens twee gitaristen: Ted Oberg van Livin’ Blues en Ton van Bergeyk, indertijd uitgeroepen tot ’s werelds beste fingerpicker. Ik interviewde ook eens een ouderwetse zetter, die handmatig partituren stempelde in een tijd waarin computers nog als UFO’s werden gezien. In deze eeuw interviewde ik Bjørn Aris, een martial artist die zich aan de kunst van het Japanse zwaardvechten wijdt. En dan nu de vijfde in een rij met enorme intervallen: Aafke de Jong, een kameleontische danser die zich beweegt tussen de werelden van Balinese en moderne westerse dans. Ze staat er mooi in. Een 5 uur durende bandopname heb ik teruggebracht tot twee pagina’s tekst. Het was leuk en leerzaam om te doen.

In het nummer staan verder artikelen over Balinese plekken waar alles nog ongerept is, voor zover dat al mogelijk is. Mooi is het stuk over een Nederlandse vrouw die een weeshuis heeft opgericht. Een ander stuk gaat over een Nederlandse vrouw die trouwt met een Balinees en zo vanzelf Balinees wordt. Er wordt dan ook van haar verwacht dat ze meedoet aan offers maken met onder meer klapperbladeren. Ze weet al bijna 14 jaar lang uitvluchten te verzinnen om zich niet met dat ingewikkelde gepruts bezig te hoeven houden. Hoezo aanpassen?

Emma Kwee, de beste columnist sinds het vertrek van de Indische columnisten, komt wat minder lichtvoetig uit de hoek dan ik van haar gewend ben. Ze beschrijft de verschrikkelijke armoede van mensen die ’s nachts onder fly-overs slapen en overdag op kruispunten hun hand ophouden. Er schijnen zelfs mensen te zijn die ledematen laten amputeren om er nog meer als een hulpbehoevende uit te zien. Haar relaas komt overigens uit Bandung.

Nico Vrielink is een Nederlandse kunstenaar die met zijn vrouw op Bali woont en mooie werken maakt. Zijn verhaal sluit goed aan op mijn vertaling van het Engelstalig essay van de Jakartaanse kunstpaus Richard Oh, die de Indonesische overheid aanvalt op een gebrek aan aandacht voor de eigen cultuur.

Een andere kunstenaar is FX Harsono, een Indonesische Chinees die in 1948 in Blitar is geboren. Op twee van zijn doeken staan familieleden van hem afgebeeld naast in 1951 door zijn vader gefotografeerde doodshoofden, die in de buurt van Blitar voor herbegrafenis uit Chinese massagraven waren opgegraven. Ik kom hier spoedig in een volgende posting op terug.

Het ligt in de bedoeling van de hoofdredactie dat Archipel Magazine het Indische element laat varen en dat het tijdschrift zich volledig gaat richten op de Indonesische archipel en omstreken. Die overgang moet geleidelijk gaan, want er staan nog altijd flinke stukken in met een directe link naar Nederlands-Indië. Rudy Kousbroek wordt, terecht, herdacht door Kees Schepel. Het stuk van Kester Freriks over zijn vader als telegrafist bij de luchtvaart, waarin een lus wordt gemaakt naar de boeken van Madelon Lulofs, valt ook niet direct binnen de nieuwe opzet van het blad. En het verslag over Indisch 3.0 op de Tong Tong Fair al helemaal niet. Het gedoe tussen de Pasar Malam Indonesia en de Tong Tong Fair, voorheen de Pasar Malam Besar, waar veel mensen helemaal niets van snappen, past weer wél in de nieuwe opzet maar laat meteen zien dat de scheiding tussen Indonesië en Nederlands-Indië in het Nederlandse taalgebied gewoonweg moeilijk te maken is. Dat zie je ook aan een blad als Moesson, waarin allengs meer aandacht komt voor Indonesië, al ligt het accent daar duidelijk op “tempo doeloe”.

Het grootste verschil tussen de oude en de nieuwe opzet ligt tot dusver in de keuze van de columnisten. Alleen Emma Kwee en Hans Vervoort zijn overgebleven. De eerste richt zich zonder meer op Indonesië. De tweede neemt een kijkje in New York en Amsterdam voor een vergelijkend onderzoek naar corruptie in westerse en oosterse landen. De nieuwe opzet is dus nog niet duidelijk zichtbaar. Archipel Magazine is nog altijd Archipel Magazine. Zeer leesbaar, uitstekende artikelen, maar nog niet los van het Indische verleden.

Naast het genoemde staat er natuurlijk veel meer in het blad; de culinaire rubriek, allerlei nieuws, gesignaleerde boeken etc. Veel plezier met het lezen van Archipel Magazine. Het blad is verkrijgbaar bij de stationskiosken.

Javaans Vuurwerk in Reisgids Indonesië Oorlogsplekken 1942-1949

reisgids indonesie Ik schreef een roadshowverhaal onder de titel Javaans Vuurwerk voor De Reisgids Indonesië – Oorlogsplekken 1942-1949. Het boek, met belangrijke historische informatie, maakt de reiziger letterlijk en figuurlijk wegwijs in de oorlogsjaren van 1942 tot 1949, van de Japanse bezetting van Nederlands-Indië tot aan de soevereiniteitsoverdracht aan Indonesië. Een zoektocht naar de sporen van dit verleden: interneringskampen, begraafplaatsen, musea, monumenten en andere plekken van herinnering. Een gids met historische achtergronden én actuele beschrijvingen en leestips. Een gids die ooggetuigen,
en zeker ook kinderen en kleinkinderen inzicht geeft in de jaren van toen binnen de context van het postkoloniale heden.

De Reisgids Indonesië – Oorlogsplekken 1942-1949 is een praktische gids bovendien, die de reiziger ter plekke de weg wijst met informatie over bijvoorbeeld hoe de, soms moeilijk traceerbare, locaties te vinden, over logies en eten en drinken. Fraaie (detail)kaarten helpen daarbij.

Een uitbreiding van de gids is te vinden op de website: www.reisgidsindonesië.com. Via de website wordt de informatie van de gids actueel gehouden en worden objecten ontsloten waarvoor in de gids geen plaats was of waarover de informatie gebrekkig. Bezoekers aan de site kunnen nieuwe of gewijzigde informatie aandragen.

Redactie: M.C.A. van Bijnen, Noes Lautier, S.J. van Schuppen

Auteurs: Hans van den Akker, Alfred Birney, Ferry Bounin & Paulien van der Geest, Esther Captain en Wim Manuhutu.

Uitgeverij Open Kaart: 2010
ISBN: 978-90-75437-41-6
300 blz. €29,95.

De gids is te bestellen bij o.a. Bol.com en in de reguliere boekhandel.

Deze uitgave en de daarbij behorende website zijn tot stand gekomen in het kader van het programma Erfgoed van de Oorlog van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS).

Archipel lente 2010

archipel magazine lente 2010 Een voorpublicatie van mijn novelle Rivier de IJssel staat afgedrukt in de nieuwe Archipel Magazine. Mooie opmaak, met de snoet van een leuk meisje erbij, dat in het geheel niet lijkt op de heldin Susie uit het boek, maar dat geeft natuurlijk niet. Archipel Magazine heeft zijn eigen stijl. Plus een eigen formule, maar die gaat veranderen. De verrekijker gaat meer richting Indonesië en omringende landen. Het Indische accent zal verdwijnen. Wél blijft er aandacht bestaan voor oosterse invloeden in ons land, maar dan breder. De koersverandering zal geleidelijk worden doorgevoerd. Laten we het nummer eens doorbladeren:

Het blad opent met de gebruikelijke korte berichten, over de naderende Tong Tong Fair en een lezersreis naar Bali, maar begint daarna direct met een flink reisverslag van Ed Caffin over het nog ongerepte Lombok. Kirsten Vos neemt afscheid van haar lezers in haar column en het blad gaat verder met een verslag van Wouter Muller over zijn Roots ’n Music-lezersreis. Dan een zeer Indisch interview met de nieuwe directeur Yvonne Agnes van het Indisch Herinneringscentrum Bronbeek in Arnhem. Ik haat afkortingen, men spreekt al van het IHCB. Als ze er nou ook nog de A van Arnhem en de G van Gelderland aan vastplakken, dan krijg je bijna iets uitspreekbaars: de IHCBAG (de IHC Bag = een Indische rugzak of zo). De directeur ziet er vriendelijk uit en zegt onder meer dat ze uitziet naar de reisgids Sporen van Oorlog. Dat doe ikzelf ook, want ik mocht er een verhaal voor schrijven. Het boek zal worden gelanceerd op maandag 17 mei ergens in Amsterdam, zo staat in mijn agenda genoteerd. Nadere gegevens volgen op deze site.

Wulan Mei Lina is een fotografe die voor Indonesische begrippen zeer gewaagde foto’s maakt en die in boeken onder de toonbank door laat verspreiden. Ze komt uit een Surabaya’s multireligieus gezin; haar vader was een toegewijd moslim en haar moeder een christen. De zus van Wulan Mei Lina is zo streng christelijk, dat ze zelfs niet met mannen omgaat. Ja, zo kan het ook aan de overkant, dat christenen nog fanatieker dan moslims. Is u dat bekend misschien, heren Pauw en Witteman en overige teeveelui?

Hans Vervoort blijft lichtvoetig, zoals we van hem gewend zijn. Interessant is dat hij aantoont dat de projectontwikkelaars in Thailand en Maleisië zo gek nog niet zijn, vergeleken met die op Bali. Thailand bijvoorbeeld beschikt over zeer goede ziekenhuizen en trekt dus hordes van de gepensioneerden onder de Grijze Golf naar zich toe. Na zijn column een verslag van een feest in Yogya. Is Archipel al zo Indonesisch? Gaat wel, want er volgt een artikel over Advocaat Johannes van den Brand, de Multatuli van Deli. Mooi dat zulke figuren toch nog herdacht worden.

Frans Lopulalan is de minst lichtvoetige columnist van Archipel. Ik ben benieuwd of hij kan blijven. Misschien alleen als hij over Molukse zaken ter plekke schrijft? We zullen zien. En hoe zal de boekenrubriek eruit gaan zien straks? Nu staan er nog allerlei boeken over Nederlands-Indië vermeld, zoals de herdruk van mijn bloemlezing Oost-Indische inkt.

Garuda Indonesia gaat na vijf jaar afwezigheid weer vliegen op Nederland. Ze beginnen met een Airbus, die vliegt via Dubai, waar veel Indonesiërs werken. Er komt ook een grotere Airbus voor een directe lijn naar Amsterdam. Kijk, daar zit ik nou net op te wachten. Als je dan toch in zo’n afschuwelijk vliegtuig moet, dan maar liever in één ruk van 15 uur door naar Jakarta, dan heb je dat in elk geval gehad. Alhoewel, de benen strekken in Dubai is misschien ook wel lekker.

Een artikel over een spiritueel rustoord op Bali. Emma Kwee die haar column buitengewoon lollig afsluit. Zij behandelt Indonesische zaken, dus ik neem aan dat ze blijft. Ikzelf ben overigens bezig aan een vertaling van een stuk van een Indonesische schrijver en cineast… Voor in het nieuwe nummer.

En dan de eerste tekenen van het nieuwe concept van Archipel: een verslag van Hollandse sporen op Taiwan. Er is officieel Nederlands DNA vastgesteld op dat eiland. Tja, die Hollanders veranderden van koeienmelkers in love machines in de VOC-tijd, toch?

Keep Schepel eindigt, neem ik aan, zijn kritische reeks stukken over het gedoe rond het Indisch Huis. Voer voor insiders. Snapt geen love machine wat van. Ik helaas wel.

Wie is Paul Agusta? Dat is een van de vele filmmakers uit Indonesië, die een enorme drukke filmindustrie kent, waar men in het zuinige Nederland gewoonweg geen idee van heeft. Zijn schokkendste uitspraak is wel: ‘Waarom zou je kwaliteitsfilms maken als shit sells?’ Maar wanneer je het artikel leest, blijkt gelukkig dat hij het niet over zichzelf heeft.

Na mijn voorpublicatie over twee bladzijden volgt tot slot de gastronomische rubriek. Benieuwd of er gaat worden ingezoomd op Indonesisch eten in de toekomst en niet op Indisch eten. Wat de verschillen zijn? Tja, daarvoor moet je eerst bij Indische mensen in Nederland gaan eten (niet in een restaurant) en dan bij Indonesische mensen op Java of zo. Probeer daar maar eens om sambal badjak te vragen. Om maar wat te noemen. De geheimen van de Indische keuken nemen de mensen van de eerste generatie mee in hun graf. Sommige van hun kinderen benaderen de kwaliteit behoorlijk. Maar die koken thuis.

Veel plezier met het lezen van Archipel Magazine!

Donald Duck en Max Havelaar

radio-antenne Dit jaar is het 150 jaar geleden dat het overgewaardeerde boek Max Havelaar van Multatuli verscheen. E.M. Beekman schonk overdreven veel literatuurhistorische aandacht aan dat boek in zijn Paradijzen van weleer. Koloniale literatuur uit Nederlands-Indië, 1600-1950 (een stompzinnige neokoloniale vertaling van Troubled Pleasures. Dutch Colonial Literature from the East Indies, 1600-1950). Tevens is het 100 jaar geleden dat het Multatuli Genootschap werd opgericht. Naar aanleiding hiervan organiseert het Genootschap dit jaar vele activiteiten, zowel in Nederland als in België.

De hertaling voor analfabeten van DE Max Havelaar door Gijsbert van Es is inmiddels in iedere goede boekhandel verkrijgbaar en in enkele kranten fijn afgekraakt. Het is een paperback, 319 pagina’s en de prijs is € 10,00.

Bovendien wordt ter gelegenheid van 150 jaar Max Havelaar een bijzondere munt geslagen, die half mei in omloop zal worden gebracht. Er komt een verzilverde munt van € 5,00 die via de postkantoren en de agentschappen verkrijgbaar zal zijn. Voor de verzamelaars komt er een zilveren munt van € 5,00 in cassette ad € 32,95. Tenslotte komt er een gouden munt van € 10,00, die in een cassette € 277,95 moet gaan kosten.

Hier krijg ik toch even meêlij met Eduard Douwes Dekker, die zo arm was als de hel maar aan wie uitgevers miljoenen hebben verdiend.

2010 wordt een bijzonder jaar, nog afschuwelijker dan het Mozart-jaar, gerelateerd aan een afschuwelijk boek van een hysterische en narcistische schrijver. Als u nodig meer informatie wilt, dan verwijs ik u ongraag naar de website multatuli right now. Donald Duck heeft evenwel ook een eigen domein.