Ik had een onderhoud met een Indo-publiciste die binnenkort met een boek komt over onder meer het Indische, het Indoschap en de resten van onze koloniale geschiedenis. Ze voerde tot mijn aangename verassing een pleidooi dat sterk leek op wat ik onlangs schreef in dat nawoord van mijn essay: je moet de geschiedenis van Nederland op zijn breedst weergeven. Volg maar met je vinger op de kaart de scheepsroutes van weleer. Suriname en de Antillen en Zuid-Afrika lagen allemaal op de route naar Indië en werden aangedaan door schepen die uit de koers raakten of door lieden die scheepbreuk leden dan wel kwamen bunkeren (Mozambique).
Hier in Nederland wordt alles in vakjes opgedeeld, in deelgeschiedenissen. De geschiedenis van Amsterdam, de geschiedenis van de joden, de geschiedenis van Suriname, de wereldoorlog in… Nederland en ja, de geschiedenis van… Nederlands-Indië… Elk deelvak heeft zijn specialisten, hun bekwaamheden even daargelaten. Nu is het zo, dat specialisten zich heel snel in hun eer voelen aangetast. Dus als ik met mijn boek Yournael van Cyberney die zogenaamde specialisten te lijf ga – dus het uitgewerkte boek en niet die losse stukken die je hier op mijn weblog kunt lezen – dan krijg ik bijna per definitie die zogeheten specialisten tegenover me. Ik begeef me namelijk op hun vakgebied en daar moet ik wegblijven, ik moet maar gewoon romans schrijven. Daar komt het grof gezegd op neer. De non-specialisten weten niks en scharen zich domweg achter de specialisten. Zo kom je voor een enorme vesting te staan.
Wie veel naar televisie kijkt, ziet ze ook in rap tempo verschijnen en weer verdwijnen: de Irak-specialist, de Amerika-deskundige, de Eskimo-kenner en ga zo maar door. En halen ze iemand voor de camera die overal wel wat van afweet, dan is het weer zo’n idiote clown die blasé met de handjes wapperend stelt dat het allemaal wel meevalt. Die zou zeggen: “Ach, jullie Indo’s en Surinamers zijn toch allang geassimileerd?” De zogenaamde specialisten van de koloniale geschiedenis zijn nooit Surinamer of Indo, nee het zijn Hollanders (= blanke Nederlanders) die tegen de materie aankijken en vaak de grootste onzin verkondigen. Publiekslieveling Geert Mak – amateur-historicus maar met het gezag van de “specialist” – heeft het in zijn megaseller De eeuw van mijn vader (2000) steevast te praten over Indiërs, waar hij Indo-Europeanen bedoelt. Bedoelt hij echt geen mensen uit India? Nee. Dan is dat toch een aperte fout? Ja. Maar geen haan die ernaar kraait. Aardige man, ja. Zo’n lekkere Hollandse lobbes. Scheelt ook een slok op een borrel. Aardig zijn, of lijken, doet wonderen in Nederland. Dan nog iemand als Kester Freriks. In Jakarta geboren, dweepziek als de hel met het Indische verleden en toch bestaat deze schrijver het om in de NRC de njai een Indisch meisje te noemen. Dat is zoiets als een rasechte Scheveningse een “halfbloedje” noemen. En hij komt ermee weg, want geen hond bij de redactie van Nederlands beste kwaliteitskrant kent het verschil tussen Indisch, Indo en Indonesisch.
Vanwaar die grenzenloze onwetendheid?
In Frankrijk, Engeland en zelfs in Duitsland wordt de koloniale geschiedenis nou juist niet losgekoppeld van de “gewone eigen” geschiedenis. De koloniale geschiedenis is eenvoudig onderdeel van het geheel. Elke Engelsman weet van de geschiedenis van India en de kruisbestuivingen tussen beide landen. Dat is hier in Nederland helemaal niet het geval. De gemiddelde Hollander weet nauwelijks iets over de geschiedenis van Indonesië, hij weet waar Bali ligt, dat een van de zeven wereldwonderen – de Borobudur – op Java ligt, maar volgens hem vindt de pindasaus haar oorsprong in de snackcar van Jan om de hoek.
Het is mijn wens, en die van de Indo-publiciste – haar boek verschijnt aan het einde van de maand – dat de geschiedenis van Nederland in een zo breed mogelijk kader wordt geplaatst. Dat dus de geschiedenisleraar op de middelbare school niet de WO-II vertelt alleen zoals die zich in Europa afspeelde. Maar dat in Indonesië die oorlog ook speelde plus nog eens vier jaar verder ging toen hier de vrede al was getekend. De gemiddelde Hollander weet niet dat Nederland na de WO-II in eigen land een enorm leger naar Indonesië stuurde onder de leugenachtige naam van de “Politionele Acties”. Nederland was zogenaamd bankroet maar oorlog voeren konden ze nog wel. Waarom staat dat niet met zoveel woorden permanent in onze geschiedenisboeken geschreven?
Het Nederlandse kolonialisme in Suriname en de geschiedenis van Zuid-Afrika stonden natuurlijk in direct verband met de zeevaartroute naar Indië/Nederlands-Indië/Indonesië. Het heeft nauwelijks nog zin om die dingen los van elkaar te zien en te behandelen. Als je kolonialisme en landjepik niet langer afdoet als iets waarvoor Nederland zich zodanig moet schamen dat er maar beter alleen door “specialisten” over kan worden gesproken en als je dat hele fenomeen met al zijn goede en slechte kanten als basis neemt voor de rest van de geschiedenis van Nederland, dan kun je de multiculturele samenleving in Nederland natuurlijk niet meer als “mislukt” afdoen of als iets dat “ons Hollanders” zomaar overkomen is. En krijg je een veel realistischer idee achter het huidige straatbeeld in de grote steden.
Ik plaats de boel in multicultureel (en –etnisch) perspectief. Waarom? Omdat het er nu toch niet meer toe of je Indo bent, Molukker, Surinamer, Turk, of wat dan ook. Je bent gewoon bruin, je bent niet-blank. Je bent een “allochtoon”, voor jou wordt een speciaal hoekje geschapen met specialisten die voor mevrouw en meneer de Indo of Molukker of zoiets het woord voeren. Zo zit het. Er is weinig fantasie voor nodig dat de aanwezigheid van Indo’s, Surinamers, Turken en tal van andere minderheden in veel gevallen het gevolg zijn van Nederlands koloniale en neokoloniale politiek. Ik zeg bewust neokoloniale politiek, ik boycot het begrip mondialisering. Dat mooie woord is een farce. Het is platweg neokolonialisme. Maar dan zonder de oorlogen tussen de Portugezen, Engelsen en Hollanders. Die werken nu fijn samen, met de Amerikanen.
Nu kun je vragen: waarom kom je dan straks nog met een boek over de tussenpositie van de Indo van een eeuw terug? Antwoord: dat doe ik in de hoop dat het literaire onderwijs wordt aangepast, gelijk met het geschiedenisonderwijs. Ik toon met voorbeelden uit de romankunst aan dat multi-etnische mensen over het algemeen een genuanceerder beeld hebben dan de groepen waartussen zij zich moeten bewegen. En dat er in een eeuw helemaal niets is veranderd en dat er nu net zo beroerd gelezen wordt als toen. Plus dat Europeanen in den vreemde altijd de grootste smoel hadden, een veel grotere smoel dan die vervelende Marokkanen waar Nederland thans zo’n overdreven heisa over maakt.
Nu een vraag aan de lezer: Denk je, bij je volste bewustzijn, dat de gemiddelde Hollander – de specialisten uitgezonderd – graag zo’n boek zouden willen lezen?
Deze post is geschreven naar aanleiding van een levendige discussie met een serieuze bezoeker van mijn weblog. Of ik hiermee haar laatste vragen echt beantwoord, weet ik niet, maar dit past beter in een nieuwe posting dan in een commentaarvakje. Bovendien voer ik hier een kwestie aan die in het postkoloniale debat al wel wordt gevoerd maar onder veel Indo’s wellicht als nieuw wordt ervaren.
Ik heb de afgelopen tijd aan een essay gewerkt, naar de aanwijzingen van een ervaren eindredacteur. De afgelopen dagen stonden in het licht van een naschrift, dat nu wel ongeveer klaar lijkt, maar het kan zijn dat er overbodige dingen in staan die er morgen uit moeten. De stof voor het essay vergaarde ik al tien jaar geleden, toen ik de koloniale Indische bellettrie in dook. Het boek heeft verschillende vormen gekend. Aanvankelijk was het een uit de hand gelopen en onvoltooide synthese tussen fictie, essay en literatuurgeschiedenis, een gedrocht dat, als ik verbeten doorging, zeker 250.000 woorden zou hebben geteld. Een uitgever vond het interessant, maar dan wel voor een clubje van honderd schriftgeleerden. Later hakte ik de boel in drie stukken. Een deel vormde de basis van een roman, een ander deel vindt zijn weg in verhalen en artikelen in tijdschriften en het derde deel ligt nu bijna voor me. Op 1 september stuur ik het naar mijn proeflezers, met de mededeling dat ik er absoluut niets meer aan zal doen. Dit is het product van overpeinzingen waar ik tien jaar mee heb gelopen en nu wil gaan vergeten. Het boek is overigens een studie naar beeldvorming van de Indo in drie boeken van drie beroemde Nederlandse auteurs – Multatuli, Couperus en Daum – en drie vergelijkbare werken van drie vergeten Indische schrijvers. Verder is het een pleidooi voor herziening van de Nederlandse literaire canon. Die strijd ga ik natuurlijk verliezen, maar dat geeft niet: het moest gezegd.
Toen ik opstond hoorde ik aan het gekletter van raampjes en het fluiten van de wind dat het weer nog altijd vlagerig is. Ik herinnerde me dat ik behoorlijk vlagerig had gedroomd. Ik ontbeet nogal vlagerig en vroeg me af hoe ik die vlagerige dag door moest komen met allerlei vlagerige gedachten in mijn hoofd. Moest ik naar de muziekwinkel om voor de derde keer te gaan vragen of de door mijn bestelde gitaar al was gearriveerd? Stel je voor, dat dat ding was aangekomen… ik zag de koffer al gegrepen worden door de wind en mijn instrument over de daken van de stad zeilen. Nee, dan maar schrijven. Televisie aan op de Olympische Spelen, anders merk je te erg dat je zit te schrijven. Ik werk aan de derde versie van de vijfde versie van de derde versie van een essay. Zoiets. Zo zou mijn uitgever zaliger Jos Knipscheer het hebben genoemd, die klus die ik op mijn bureau heb liggen. Alles bijeen genomen ben ik er al tien jaar mee bezig. Ik werk er bij vlagen aan. Er steekt een pleidooi in om binnen de Nederlandstalige literatuur een plek in te ruimen voor de koloniale en postkoloniale literatuur, gedreven door de wens de Nederlandse geschiedenis in haar ruimste vorm onderwezen te zien. Vrijwel hopeloze onderneming natuurlijk, maar het moet gezegd, snapt u? Nee? Ga dan weg hier, ik wil u niet als lezer. Blijft u desondanks, dan klaag ik u aan wegens verspreiding van hopeloosheid. Ja. Alles kan.
Ik ben geboren in een tijd waarin men het nog niet had over vlagerigheden. Men sprak van een bevlogen persoon of van vlagen wind bij hondenweer, maar niet van vlagerig weer. Nou dacht ik dat alleen populaire online weerstations zich bedienden van dat vlagerige taalgebruik, maar vandaag zag ik dat het deftige KNMI het ook al had over vlagerig weer. Was hun tekstschrijver op vakantie en zat er een werkstudent zich vlagerig uit te leven in de kunst van het copy and paste, zeg het metselwerk van het internet? Het weer was werkelijk onstuimig, zeg dat wel, de temperatuur was zeer aangenaam en toch was het niet senang toeven op dat vlagerige balkon van me. Gelukkig speelde het Nederlands dameshockeyteam een partij op de Olympische Spelen van Beijing (wij zeiden vroeger Peking) en dartelde mijn favoriete nummer 11, Maartje Goderie, over het veld. De perfecte Nederlandse hockeyspeelster is lichtblond en draagt een staartje. Het dameshockeyteam ziet er het best uit van een afstandje, bijvoorbeeld op een klein scherm op je pc. Je ziet dan van die oranje poppetjes met staartjes arabesken op kunstgras beschrijven. Volgens de commentator was de wedstrijd wat vlagerig. Zal men straks terugkijken op een nogal vlagerige zomer? Terugblikkend zou ik mijn leven ook wel vlagerig kunnen noemen. Een weekje het nieuws volgen geeft ook wel een nogal vlagerig beeld van een vlagerige wereld. Aan de basis van het leven, beste mensen, staat de wind. En daarom moeten wij God voortaan Wind noemen. Bij vlagen is hij zichtbaar, een bevlogen entiteit, werkelijk. Je moet natuurlijk geen ruzie met hem krijgen, dat begrijpt u zeker wel.
Dat ook vertalers niet alles begrijpen wat ze lezen, blijkt wel uit een voetnoot van Ivan Morris, die Het hoofdkussenboek van Sei Shōnagon uit het Japans naar het Engels vertaalde. De Nederlandse vertaling is helaas een vertaling uit het Engels. Men kan de Japanse schrijfster van duizend jaar terug niet minder onrecht doen dan haar werk op zo’n manier te laten verkrachten. Er zullen ongetwijfeld veel nuances uit de oorspronkelijke tekst verloren zijn gegaan, maar er is nog altijd genoeg over om van te genieten. Ik herlees het boek meestal in de zomermaanden, in de zon op mijn balkon, wanneer er tenminste geen knalharde muziek van buren door de straat galmt. (Wanneer richt men eens een audiopolitie op, die zulke lawaaischoppers hun apparaat afnemen na één of twee waarschuwingen? Ik dacht dat in Amsterdam al zoiets bestond, maar zeker weten doe ik dat niet.) Sei Shōnagon schrijft in haar 31e notitie dat in de zevende maand er vaak een harde wind staat en er zware stortbuien vallen. Quote: Als het zulk weer is, knap ik graag een uiltje nadat ik me heb toegedekt met kleren die vagelijk naar zweet ruiken. De vertaler laat in een voetnoot weten dat hij dat een merkwaardige opmerking vindt in het licht van Shōnagons gewoonlijke kieskeurigheid. Een logische verklaring is volgens hem niet voorhanden. Begrijpt hij dan niet dat tijdens zulke weersomstandigheden het moeilijker is voor minnaars om langs te komen en dat Sei Shōnagon zich daarom troost met de herinnering die in haar kleding is gaan zitten?
Ik heb Het dwaallicht (1946) van Elsschot ook maar herlezen. Er was weinig over van de magische bekoring van weleer. Ik herinner me dat ik vroeger bijna als een aap op de rug van de verteller had gezeten op zijn dwaaltocht door de havenstad. Nu bekeek ik de tekst met distantie. De tekst moest me weer opnieuw zien te veroveren. Ik ben onderhand zo’n verwende lezer, dat ik gemakkelijk iets beters uit de kast kan trekken. Maar ik lees nu mee met mijn zoon. Van Elsschot werd ooit gezegd dat zijn Nederlands vlekkeloos was. Nou valt dat wel mee. Maar hij schrijft wel fraaie zinnen soms, die ogenschijnlijk eenvoudig zijn neergepend maar waar waarschijnlijk lang over is nagedacht. Er zijn ook schrijvers die zinnen typen waaraan je kunt zien dat er flink aan is geschaafd. Dat idee krijg je bij Elsschot nergens. Het dwaallicht is een goed voorbeeld voor wie iets in de onvoltooid tegenwoordige tijd wil schrijven. In de meeste gevallen mislukt dat. In enkele gevallen krijg je iets heel goeds. Het dwaallicht heeft iets kleinburgerlijks en zuinigs, maar de betwijfelde Jezusfiguur in het geloof van de christelijke hoofdpersoon en het medelijden dat hij krijgt van de islamitische Afghaanse zeelui maken de novelle weer actueel. Het racisme van toen had overigens weinig consequenties. In de novelle kwamen de Afghanen maar even passagieren aan wal, op zoek naar een vrouw, om vervolgens te vertrekken. Nu blijven ze liever en krijgen ze niet alleen spot over zich, zoals weleer, maar haat.