Dreiging sluiting Museum Nusantara

east magazine Museum Nusantara is nog maar net bekomen van een ingrijpende en geslaagde verbouwing, of de monsters van het kabinet hebben het al in het sloopzuchtige vizier. Het kent maar één mantra: “Het zijn zoals bekend economisch zware tijden en hierin is geen plaats voor de culturele sector. Alles wat niet direct zichtbaar zakken met geld oplevert, moet sneuvelen. Gemeenten moeten drastisch op hun budgetten worden gekort, want zij geven alleen maar geld uit en bieden ons daar niets voor terug.”

Dit is het beleid van de Generatie Nix, die met Nix is opgegroeid, die Nix had om naar uit te zien, die Nix uit de handen liet komen en thans aan de macht is en denkt dat de wereld beter af is met Nix. De geschiedenis begint volgens deze imbecielen in het jaar 2000, en alles wat eerder plaatsvond heeft geen enkele betekenis, een enkele oorlog daargelaten. Dit heeft in Delft tot direct gevolg dat Erfgoed Delft, het overkoepelende orgaan waar museum Nusantara onder valt, ook moet bezuinigen. En hoe!

De directie van Erfgoed Delft dreigt met ingang van 1 januari 2013 Museum Nusantara haar deuren te laten sluiten. De reden is dat het aantal bezoekers te laag is waardoor het museum niet rendabel zou zijn. Hiermee wordt volslagen gedachteloos een zoveelste poging ondernomen om het belangrijkste hoofdstuk van de Nederlandse geschiedenis, die van de VOC, het kolonialisme, de dekolonisatie en de eeuwenoude banden met Indonesië onder de zoden te stoppen.

En nu komt het… Het gebouw zal een jaar later weer voor het publiek open gaan met een presentatie rond Delfts Blauw Aardewerk.

Welnu, wat is Delfts Blauw en hoe en waardoor is het ontstaan?

Aan het einde van de 16e eeuw introduceerden de Portugezen Chinees porselein, met zijn kenmerkende blauwe beschildering, in Nederland. Dat is kort voor voordat de Hollanders op de gestolen zeevaartkaarten van Jan Huygen van Linschoten de zeilen hesen en richting Indië voeren, waardoor al gauw de VOC werd opgericht – Dit geïmporteerde Chinees porselein was fijn en sierlijk en onmiddellijk zeer gewild. Later kwam het via de Hollanders en Zeeuwen met de VOC-schepen naar Amsterdam.

Alleen de zeer rijken konden zich Chinees porselein permitteren. De Delftse majolicabakkers, die nog geen echt porselein konden maken, begonnen toen met veel succes imitaties te maken. Delfts Blauw is dus in het geheel niet los te zien van de geschiedenis van de VOC, en uiteraard is de geschiedenis van de VOC niet los te zien van Neerlands koloniale geschiedenis en ook niet van de oorlog die Nederland voerde in Indonesië, nadat het zelf was bevrijd van de Duitsers.

Een Delfts Blauw Museum betekent dus: een museum rond namaak Chinees porselein. Ik spreek niet tegen dat Delfts Blauw in een latere periode zelfs roem in China zou oogsten. Dat is het punt niet. Ik zeg: een Delfts Blauw Museum in de plaats van Museum Nusantara is een museum dat liegt, een museum dat de oorspronkelijke geschiedenis verknipt.

Concreet betekenen de plannen van de rücksichtslose overheid het einde van Nusantara als internationaal uniek museum voor Indonesisch cultureel erfgoed. De collectie blijft weliswaar in Delft – die wordt nog net niet in zee gedumpt – maar zal een slapend bestaan gaan leiden.

Zijn musea gedoemd om hun voortbestaan op lekkende zolderetages voort te zetten of zoiets?

Uiteraard strijd de conservator voor het behoud van Museum Nusantara. Maar zo’n strijd kan je niet alleen voeren. Neem deze weblogpost dan ook over, als je Museum Nusantara een warm hart toedraagt. Zet er je eigen reactie bij, of bewerk de tekst naar eigen inzicht en stuur het verder de wereld in (weblog, Facebook, Hyves, link hierna toe op Twitter etc.)

Alleen dán kan de conservator, Amy Wassing, gesterkt door alle reacties, opnieuw een dialoog aangaan met de directie in de hoop een zekere toekomst voor Nusantara te bewerkstelligen.

* * *

Bij de heropening van Museum Nusantara op 11 maart jongstleden:

This Balinese court dance was performed by DwiBhumi – Centre for Balinese Dance and Culture in The Netherlands, during the opening ceremony of Museum Nusantara, March 11th, 2011. Title of the dance: Legong Keraton Lasem. Dancers: Febrina Tanoewidjaja, Mirah Ayu Supriyono and Aafke de Jong. See also: Balinese Dans

Trilogie


Rivier de Lossie     rivier de ijssel     rivier de brantas

Met het onlangs verschenen boek Rivier de Brantas voltooit Alfred Birney een trilogie waarin de echo van de koloniale geschiedenis van Nederland doorklinkt: een zeer interessante episode die in de vergetelheid dreigt te raken. Voor Alfred Birney, een Nederlandse schrijver van gemengde afkomst, spelen drie landen een rol in zijn zoektocht naar sporen uit het verleden: Schotland in Rivier de Lossie (2009), Nederland in Rivier de IJssel (2010) en Indonesië in Rivier de Brantas (2011).

Alfred Birney is als chroniqueur van Nederlands-Indië uitstekend in staat om in deze drie novellen drie werelden (de Schots-Nederlandse, de Chinees-Nederlandse en Indonesisch-Nederlandse) naadloos met elkaar te verbinden. De trilogie begint omstreeks 1750 en eindigt 250 jaar later. Als in een film proef je de sfeer en de plekken die worden beschreven, met zelfs een uitstapje naar de 9e eeuw toen de Scoten en de Picten elkaar bevochten. Iedere novelle is te lezen als een afgerond verhaal.

Rivier de Lossie

Hoe komen drie benen op een wapenschild terecht en meer dan duizend jaar later op het etiket van een ketjapfles? Waardoor worden mensen soms dagenlang achtervolgd door hetzelfde lied? Waarom zijn het zo vaak onbekenden die ons heel anders naar de dingen laten kijken? Vragen uit de sfeervolle novelle Rivier de Lossie, die zich afspeelt in Schotland in de beginjaren negentig van de vorige eeuw. Een Nederlandse folkgitarist is er op zoek naar zijn Schots-Aziatische voorgeschiedenis. Tegen het decor van leisteen en voortspoedend water ontmoet hij een betoverende vrouw die hij uit een ballade uit zijn vroegere repertoire meent te herkennen. Maar wie is zij in werkelijkheid? Rond hun kortstondige samenzijn spelen thema’s die altijd actueel zijn: oorlog, migratie, afkomst, de fascinatie voor het onbekende en het noodlot. Bestel de betoverende novelle Rivier de Lossie!

Rivier de IJssel

Een muzikant hoopt op een wilde nacht met een zangeres die hij moet begeleiden. Maar er is een derde in het spel: een dubbelganger die hem een vervreemdend gevoel geeft over zijn afkomst en een grote kennis van het Nederlands koloniale geschiedenis aan de dag legt. De muzikant krijgt het idee te moeten kiezen tussen de liefde en zijn zucht naar historische kennis. Wellicht zal hij zijn vaders motieven leren doorgronden: een politiek vluchteling onder de vlag van Nederland anno 1950. Met dit boek toont de schrijver dat migratie geen eenrichtingsverkeer is en dat racisme overal op de loer ligt. Rivier de IJssel is geschreven door iemand die weet hoe het voelt te leven in een land waar de mensen jou vertrouwd zijn maar jij hun niet. Bestel de schitterende novelle Rivier de IJssel zonder verzendkosten!

Rivier de Brantas

Rivier de Brantas is het verhaal rond een gitarist, die bij het graf van zijn grootmoeder op Java een vloek wil bezweren die op zijn familie zou rusten. In het boek, vol tempowisselingen en vertellingen, passeert de Nederlandse koloniale geschiedenis de revue via de sporen en de portretten van een roemruchte en kleurrijke plantersfamilie, terwijl je de intrigerende belevenissen van de hoofdpersoon, een reizende gitarist, op de voet volgt. Bestel de magische novelle Rivier de Brantas zonder verzendkosten!

Ibu Bhumi van Gerard Morsterd

Ik bezocht vanvond de voorstelling Ibu Bhumi van Gerard Mosterd in Theater de Regentes. Een mix van Nederlandse dansers en Indonesische dansers met een pencak silat-achtergrond gaf een enorme dynamiek. Het stuk staat gepland op de Tong Tong Fair op donderdag 21 mei op het onzalige tijdstip van half één in de middag. maar Gerard Mosterd verdient toch eerder de spot om acht uur in de avond.

Het verloren lied 1

radio-antenne Ik hoorde ooit een lied en ben het altijd blijven zoeken. Misschien hoorde ik het op een van die avonden nadat mijn grootvader was vertrokken, ik weet het niet. De laatste keer dat hij scheep ging was aan de vooravond van 1960, in een vreemd huis ergens in de buurt van de haven. We logeerden er rond de jaarwisseling, maar mijn ouders waren uitgegaan. Mijn grootouders hielden de gastheer en gastvrouw beneden gezelschap en ik lag onder een wollen deken op een divan in een halfduistere kamer met om me heen de spookachtige silhouetten van voorwerpen die bij oude mensen hoorden.
     
Een buizenradio verspreidde zijn zachte gele licht. Zijn geruis herinnerde aan een Nederlandse zender die met een sluitingsmelodie van verontrustend eentonige carillonklanken de ether had verlaten. De glazen zenderplaat met zijn toverachtige muizentrappen vol namen van grote radiostations lokte me, maar ik durfde de divan niet af in de vreemde kamer. Ten slotte kwam mijn grootvader boven kijken en zag dat ik nog wakker lag.
     
De man reikte me zijn oude, gebruinde hand en leidde me naar een rookstoel bij het raam. Hij ontstak het schemerlampje op de radio en liet me bij zich op de brede stoelleuning zitten. Achterover geleund fluisterde hij dat ik de laatste uren voor middernacht beslist wakend moest meemaken.
     
Het licht van de radio legde de groeven in zijn gezicht bloot. Men zei dat je kon zien dat hij vaak in de tropen was geweest. De pianist was aan wal geweest, had thuis in Den Haag verlof gevierd, maar hij miste de deining alweer van de zee, de geur van de danszalen op de schepen, het applaus van de passagiers en misschien miste hij nog meer, heel ver overzee.
     
Hij neuriede wat en begon met de knoppen en de toetsen in de grote houten lijst van het radiotoestel te spelen. Ik volgde de kalme bewegingen van zijn tanige vingers. Zijn vingertoppen streelden de ivoren toetsen van de golfbanden met hun confetti van namen en getallen, en hij begon zachtjes te praten. De lange golf noemde hij een lege balzaal, de korte golf een eng doolhof. Ik moest maar op de middengolf zoeken, de brede boulevard. Daar werd het `s avonds druk en spannend en kon je op de zwakste zenders gaan jagen: die waren eigenwijs en brachten je vaak de mooiste muziek. De Nederlandse zenders moest ik overslaan, de buitenlandse waren beter. Als mijn vader eens een wereldontvanger op de kop tikte, wie weet vond ik dan ooit een zender uit een land waar hij, grootvader, toevallig verbleef.
     
Hij zou teruggaan naar Indonesië, voor de laatste keer, al was het land niet meer als toen. Sinds de oorlog was het Indië niet meer, zei hij, de mensen waren niet meer zo gastvrij. Maar hij zou nog één keer gaan, op uitnodiging, en dan nooit meer. Als hij terugkwam zou hij zijn oude koffer vol bladmuziek met tango’s openmaken en er Scheveningen mee gaan veroveren.
     
Hij, grootvader Langenacht, hield van Indië maar droomde van Argentinië. Mocht ik eens een tango op de radio horen, dan moest ik maar aan hem denken.
     
Ik knikte.
     
En wilde ik hem beloven later piano te gaan spelen?
     
Ik knikte weer maar voelde me vreemd ongerust.
     
‘Maak je geen zorgen,’ zei hij, ‘als muzikant ben je nooit alleen, zul jij nooit alleen zijn later. Maar bij de radio kan een mens beter wel alleen zijn.’
     
Hij kwam uit de rookstoel en deed iets wat hij nooit gedaan had: hij kuste me op mijn voorhoofd. Toen ging hij weer naar beneden.
     
Ik voelde me een ingewijde en begon omzichtig met de toetsen te spelen, liet bijna vroom de zenderstaaf dwalen langs de zenderschaal. Soms, tussen twee grote zenders weggedrukt, klonk een lied vol heimwee. Dan bewoog ik de afstemwijzer zachtjes heen en weer om te voorkomen dat de muziek wegstierf en vroeg me af hoe dat lied van toen ook weer had geklonken.
     
Ik was het liefst de hele nacht in de rookstoel blijven zitten, met de geur van grootvader om me heen, maar ik werd weggeroepen van de radio door mijn teruggekeerde ouders van beneden aan de trap.
     
Het grote licht in de huiskamer deed me pijn aan de ogen. Mijn ouders, grootmoeder en de heer en mevrouw des huizes vormden een kring rond de salontafel om te proosten op het nieuwe decennium, de jaren zestig, een getal dat een geheimzinnig aanlokkende klank voor me had.
     
De klok sloeg twaalf en de lucht werd versierd boven de daken van IJmuiden. Een lichtkogel trok een streep tussen de kleurige anemonen en hoepelrokken hoog boven de haven.
     
Ze vroegen me of ik het mooi vond, het geknal en gekanonneer in de verte. Ik knikte maar vroeg me aldoor af of grootvader werkelijk naar bed was gegaan, zoals ze hadden gezegd. Misschien zat hij met zijn oor bij de radio en zou hij dat de hele nacht blijven doen.

Meer lezen over de jaren zestig?
Lees het komende fragment.
Of bestel het boek

Een vergeten schrijver

jo otten bed en wereld.jpg Of een vergeten boek, dat weet ik even niet. Als je zoekt naar informatie over de schrijver Jo Otten (1901 – 1940), dan valt direct de behoorlijke lijst van boektitels op. Het zijn er een stuk of twintig. Zijn novelle Bed en wereld verscheen in 1932 en was een klein succes, ook wel wat geruchtmakend, waarschijnlijk door de vrijmoedigheid waarmee de schrijver seksualiteit thematiseerde. Nou was dat helemaal niets vergeleken met de meer scabreuze Indische pulpfictie van dertig, veertig jaar eerder, maar goed: Nederland is er altijd een kampioen in geweest schandaaltjes in de koloniën te situeren en ze daar ook te laten, zelfs meer dan een halve eeuw na de dekolonisatie van Indonesië. Plus, het moet gezegd, er was waarschijnlijk geen hond in de koloniën die zo goed schreef als Jo Otten. Des te opvallender is het dat Jo Otten nooit opviel in de officiële canon van de Nederlandstalige literatuur. Hij debuteerde op de perfecte leeftijd van 27 jaar, daar kan het niet aan hebben gelegen. Met méér dan boektitel per jaar kon hij ook moeilijk een luiwammes worden genoemd. Hing hij misschien te veel rond in Den Haag en Parijs en meed hij Amsterdam te veel naar de smaak van de literaire smaakmakers? Who knows. Hij zou de eerste niet zijn. Louis Couperus had ook een broertje dood aan Amsterdam, zijn roem kreeg pas werkelijk gestalte na zijn dood.

Terug naar Jo Otten. Kan een schrijver op grond van één boektitel worden bijgezet in de eregalerij van literatoren? Zeker. Wat te denken van Marcellus Emants met zijn Een nagelaten bekentenis. Gerard Reve met De avonden. Ik zie de revianen al van protest de tanden knarsen, maar geloof me: de rest van Reves werk zal echt worden vergeten. Het overkomt wel meer schrijvers, ze mogen nog van geluk spreken als er maar één werk in de herinnering van toekomstige generaties blijft hangen. Een groter compliment dan een personage scheppen die boven jezelf uitstijgt, sterker, die jouw naam doet verbleken, is er gewoon niet. Moby Dick, Robinson Crusoe, Don Quichot enzovoort. Helaas zien we dergelijke bijkans onsterfelijken nauwelijks terug in de Nederlandstalige letteren. Nou goed, Max Havelaar dan, ik zeg het met tegenzin want ik heb een hekel aan Multatuli. Vraag me nu niet waarom. Wie me kent, die weet het. Multatuli, u is groot! Wat u presteerde, daar kon Jo Otten nauwelijks van dromen! Die Otten was nog te beroerd om ook maar een verzonnen personage in elkaar te flansen in zijn novelle Bed en wereld. Of was hij gewoon wat bescheidener dan u?

De ik-figuur in de fraai uitgevoerde novelle ligt in zijn bed, kan de slaap niet vatten en maakt in gedachten een reis door heel Europa. Hij heeft weinig op met de Amerikanen met hun afschuwelijke elektrische stoel, geilt op mulattinnen, gaat café in en café uit, moppert op apothekers omdat ze verdommen hem voldoende slaappillen te geven, dat moet allemaal op recept, ja ook toen al. Jo Otten beschrijft het leven als een hel waarin hij zich niettemin kan overgeven aan hemelse verlangens, die uiteraard niet worden ingelost, want de ik-figuur ligt op bed, blijft op bed liggen en de lezer zal hem niet zien opstaan. Bijzonder aan de novelle is, dat het maar enkele alinea’s kent. Ze is jonger dan James Joyce’s Ulysses, dus het kan zijn dat Jo Otten de monoloog interieur van zijn Ierse tijdgenoot heeft afgekeken, of misschien toch van Marcel Proust, van wie de ik-figuur weinig moet hebben. Jo Otten hanteert mijn geliefde associatieve manier van schrijven die mij dunkt wel als voorbeeld kan dienen voor wie met schrijversaspiraties rondloopt. Een sterke beeldende kracht toont Jo Otten ook, hij, de gekwelde, die er niet aan denken moest om zijn aantrekkelijkheid te verliezen, ziek te worden en weg te moeten teren tot die afschuwelijke dood hem kwam halen. Zijn wens werd ingewilligd, in real life. Een verdwaalde Duitse bom trof zijn huis en de 39-jarige schrijver lag begraven onder het puin. Sommige critici noemen hem daarom een ongeluksvogel. U ziet het: ze snappen er weer geen jota van. Veel leesplezier!

Quote

De niet altijd geweldig interessante smaak van de massa (hoe zeg je het vriendelijk) is dominant geworden.

Een aardige observatie uit Nieuwe Rederijkers van Carel Peeters, een column in Vrij Nederland (nr 50/51, 13 dec 2008 – 7 jan 2009, jrg 69), waarin de gewezen godfather van de Nederlandse letteren in een tamelijk harkerige stijl een weinig intelligente poging doet Dirk van Weelden’s pamflet Literair overleven (uitgeverij Augustus, 2008) enig zinvol commentaar mee te geven.

Megapolis

De eerste serieuze lentedag van dit jaar hield me thuis. Te lui om te gaan fietsen, ben ik op balkon gaan zitten lezen in Welkom in Megapolis. Non-fictie, pas verschenen, ik was op de boekpresentatie, die angstvallig werd gemeden door jonge lezers. De Nederlandse filosoof en publicist Jan-Hendrik Bakker laat zijn gedachten gaan over verstedelijking, wonen, de gevolgen van het internet voor ons beeld op de wereld enzovoort. Zijn referentiekader doet soms wonderlijk aan, maar er zitten voldoende eyeopeners in zijn tekst die het boek behoed voor de prullenbak. Lezen in de zon op het balkon is wel lekker na zo’n kil voorjaar met glimlachvreemde mensen op straat. Ghana Waves Radio speelt op Winamp. De mens is een associatief wezen.

Teruggevonden

Dit lied van Richie Havens stond aan het eind van een mziekcasette dat Craig altijd draaide in zijn Volkswagenbusje. Craig was een uit het Amerikaanse leger ontslagen dienstplichtige, die voor een tijdje zijn toevlucht in Nederland had gezocht. Zijn standplaats was ergens in Duitsland geweest. Hij beweerde dat hij er achter DE KNOP had gezeten, waarmee WO-III kon worden ontketend. Dag in dag uit had hij dat éne telefoontje van zijn commandant gevreesd. Craig droeg een baard, net als Richie Havens. Hij reed nooit harder dan 80 kilometer per uur over de Nederlandse snelwegen. Het waren vaak doelloze ritten die we maakten. Martin was erbij. Hij en Craig discussieerden meestal over de zin van het leven. Begin jaren zeventig. We hadden alleen die ene muziekcasette en als Follow was geweest sloeg de recorder af en staarden we zwijgend naar het asfalt dat onder de wielen voortgleed.

Van oude gewoonten, de verwarring die niet voorbijgaat

alfred birney op podium

De Stichting Internationale Culturele Activiteiten (SICA) heeft een auto gestuurd om mij van huis te halen en weer terug te brengen. Mijn chauffeuse ziet er goed uit, rijdt swingend en is een onderhoudend gesprekspartner. Ze oriënteert zich als antropologe op de gevolgen voor Nederlandse soldaten buitengaats die een kameraad verliezen. Maakt dat verlies ze terughoudender of juist wraakzuchtig? Interessante vraag. Ik maak haar attent op mijn roman De onschuld van een vis (1995), die de verregaande gevolgen beschrijft van de oorlog die Nederland in Indonesië voerde.

Ik bereid me niet meer voor op lezingen. Ik beklim het podium en zie wel. Mijn leerschool kreeg ik in Indonesië tijdens mijn promotournees, waartussen onverwachte gastcolleges en optredens werden gewurmd. Er is wel een groot verschil tussen de podia daar en hier. Aan de overkant heeft het publiek een helderder beeld van de koloniale geschiedenis dan hier. Dat is niet verwonderlijk, want het waren de Nederlanders die kwamen, zagen, overwonnen, verloren en weer gingen.

Jonge Indonesiërs zeggen graag dat ze niet weten waar Nederland ligt en dat het hun ook helemaal niet interesseert, maar ze kennen wél allemaal de speelfilms waarin de vrijheidsstrijd jegens de ‘belanda’s’ wordt opgerakeld, zoals Nederlanders die kennen met hun wrok jegens de ‘moffen’. Suffe Nederlandse toeristen krijgen soms te horen dat het leven in de koloniale tijd beter was en dat Indonesiërs zelfs zouden wensen dat ze weer terugkwamen. Het is bespottelijk dat er nu nog Nederlanders zijn die deze beleefdheidsuiting serieus nemen. Ik trof er zelfs eentje tijdens de workshop in Felix Merites, Amsterdam, waar de chauffeuse me had afgezet.

Ik moest er een discussie inluiden met voorlezen uit eigen werk. Ik was het podium nog niet af of ik kreeg in de gaten dat er drie partijen waren en ik mijn positie als Indo weer eens moest gaan verdedigen in een zaal waarin het wemelde van mensen die een of andere gesubsidieerde club vertegenwoordigen en dus meer belang dan belangstelling hebben.

Onder het motto dare2connect was een dag georganiseerd die in het teken stond van culturele uitwisselingen tussen Nederland en Indonesië. Nou is dat een hels karwei – je zou er een volle week voor moeten uittrekken -vooral als je zo volledig mogelijk wilt zijn. Literatuur, film, architectuur, godsdienst, de koloniale geschiedenis… bijna alles wat je kunt bedenken kwam in drie simultane workshops aan de orde.

Ikzelf was ingedeeld bij de workshop Nederlandse cultuurmakers met Indonesische roots. Uiteraard mag je dan een flink percentage Indo’s in de zaal verwachten. Hetgeen een Nederlander deed verzuchten waarom de Indo weer zo nodig centraal moest worden gesteld. Ja, dat krijg je als je een Indo de workshop laat openen met een verhaal over Indisch leven in Nederland. De klacht van de man amuseerde me wel, het is immers altijd zo dat Nederlanders en Indonesiërs centraal worden gesteld en de Indo er maar tussen bengelt.

Op een vraag van de gespreksleidster leek het me interessant te melden dat ik als schrijver vóór 9/11 geen scepsis ontmoette in Indonesië. Na die vervloekte datum werd ik argwanender tegemoet getreden, er was een mondiale godsdienstoorlog uitgebarsten en ik werd de kant van de christenen op geduwd.

Een Nederlander ervoer mijn relaas als een aanval op de Indonesiërs en meende voor hen in de bres te moeten springen. Kan het neokolonialer? Hij verklaarde dat de Indonesiërs na de aardbeving verleden jaar heel vriendelijk waren toen hij met een stel collega’s in Yogyakarta, waar ze op tournee waren, als vrijwilliger meehielp een provisorische brug te bouwen. Ik vond die anekdote zo onnozel dat ik hem dat liet voelen. Gelukkig deed hij het verdere uur zijn mond niet meer open. Dat kwam niet alleen door mij. Een Indonesisch kunstenaar verklaarde namelijk ijskoud dat Indonesiërs slechts geïnteresseerd zijn in landen waar ze kunnen studeren, werken of hun kunsten kunnen vertonen. Duitsland, België en Frankrijk stellen zich gastvrijer op dan Nederland.

Ondanks allerlei goedbedoelde pogingen een brug te slaan tussen Nederland en Indonesië, al is het maar cultureel, lijkt de afstand tussen beide landen alleen maar groter te worden. Dat ligt in de eerste plaats aan de beroerde kennis van de gemiddelde Nederlander van zijn koloniale geschiedenis en zijn visie erop. Als een halve eeuw na de dekolonisatie nog altijd de termen Indisch, Indo en Indonesisch door elkaar worden gehaald, weet men dan eigenlijk wel waarover het gaat? In het verslag van dare2connect word ik bijvoorbeeld een Indonesiër met gemengd bloed genoemd. Toegegeven, zo Indonesisch als op de foto van die dag heb ik er inderdaad nooit eerder uitgezien.

© 2007 Alfred Birney
Archipel Magazine, herfstnummer 2007

Notities van Tanja

logo alfred birney De ontboezemingen van de Nederlandse guerillastrijdster Tanja Nijmeijer worden verslonden door de lezers in Colombia. De dagboeken van de 29-jarige vrouw, die de naam Ellen of Eillen als schuilnaam gebruikt, zijn gevonden in een veroverd guerrillakamp en gepubliceerd in de Colombiaanse krant El Tiempo. De dagboeken bieden een nogal ontluisterende blik in het leven bij de FARC, een marxistische rebellenbeweging. Op de website van de NOS vind je een vertaling uit delen van haar dagboeken. Even los van je eventuele mening over haar keuze om de wapens op te pakken, maakt haar tekst voor mij in elk geval duidelijk dat er geen weblog gaat boven de intimiteit van het dagboek, dat niet is geschreven om door de hele wereld gelezen te worden. De notities van Tanja maken vrijwel elk weblog plat. Alleen het boek kan webijveren met dergelijke intieme teksten.