Culturele uitwisseling Nederland-Indonesië

logo alfred birney Alfred Birney treedt op a.s. woensdagmiddag 27 juni in Felix Merites, Amsterdam, en neemt aansluitend deel aan de workshop Nederlandse cultuurmakers met Indonesische roots. Alle informatie is te vinden op de website van Dare2Connect: een centraal podium voor debat, kennisuitwisseling, ontmoeting, presentatie en netwerken op het gebied van het internationale cultuurbeleid en internationale cultuur- en kunstpresentaties.

*** de link naar dare2connect werkte niet meer en is weggehaald

Zo groen is groene energie

palmolie Toen ik de afgelopen middag mijn bed uit kwam en na een douche het balkon opging, voelde de buitenlucht tropisch aan. De lucht was onheilspellend. Ik berekende dat ik de hoosbui voor zou blijven als ik niet bleef dralen. Ik stapte op mijn fiets. Toen ik halverwege mijn dagelijkse rit regendruppels op mijn linnen colbertje zag vallen, schakelde ik een hogere versnelling in. Ik fietste als een idioot om de bui voor te kunnen blijven. Het wordt dus weer eens tijd om de racefiets te gaan pakken en die zware stadsfiets te laten staan. Rond een uur of zes besloot ik om eten te gaan halen, ik had geen zin in koken. Het begon al te regenen toen ik vertrok en ik dacht dat ik ook nu weer de regen voor zou blijven, maar nee: eenmaal in de toko bracht het noodweer los. Het had iets van een tropische regenbui in een milde vorm, maar voor Nederlandse begrippen spectaculair. Ik bleef schuilen en raakte in gesprek met de Indonesische tokohouder over het milieu. Hij vertelde me iets dat ongetwijfeld al veel mensen weten maar mij nog onbekend was: dat de kap van het regenwoud in Borneo onze groene stroom dient. Men laat er bomen kappen om plantages van klapperbomen aan te kunnen leggen. De palmolie wordt door ons gebruikt voor de productie van groene stroom. Zo krijgt het begrip groen een wel heel bedenkelijk karakter. Ik was nooit verder gekomen dan het idee van plaatselijke machthebbers, die hun onderdanen dwingen bossen te kappen voor de productie van hout en dat alleen. Het ligt dus ingewikkelder, veel ingewikkelder. Meer weten? Click maar op de banner.

Wat is nou gezond?

logo alfred birney Een test onder Nederlandse kinderen zegt dat ze te dik zijn, maar toch tevreden met zichzelf. Ze snoepen veel en bewegen weinig. Wat de test niet zegt is dat kinderen meer binnen dan buiten spelen tegenwoordig. Ik ga nu even uit van mijn eigen waarneming. Hoe zou het anders kunnen dat kinderen behalve hun overgewicht ook nog te maken hebben met pesten, muisarmen en ademhalingsproblemen. Wie wordt gepest, die blijft binnen. Wie binnen blijft, die pakt een muis en surft naar cybercontacten. Die kunnen je ook pesten, maar die click je sneller weg dan die vervelende treiterkous bij je in de klas. Enfin, de test is het begin van een landelijke gezondheidscampagne waar zo’n 1000 basisscholen aan meedoen. Fijn. Hoe snel lees je over “ademhalingsproblemen” heen. Mijn zoon klaagde afgelopen zondag over de lucht en dan fietsten we nog door de duinen met een fris briesje uit zee. Gisteren stond ik met dat rare warme weer voor april voor een dilemma. Fietsen voor mijn gezondheid of thuisblijven voor mijn gezondheid? Fietsen schijnt volgende de jongste onderzoeken ongezonder dan autorijden. Maar auto’s zijn juist voor het grootste deel debet aan de luchtverontreiniging. De antirooklobby danst hysterisch de horlepiep bij het idee aan rookvrije cafés, maar is te corrupt om de auto-industrie aan te pakken. Het is 800.000 jaar vliegen met het Amerikaanse ruimteveer voor een enkele reis naar de Planeet 581 C. En dan moet je nog maar zien of je daar wat lekkerder adem kunt halen dan hier bij ons.

Uit mijn boekenkast

logo alfred birney Ik heb nog altijd mijn boekenkast niet opgeruimd. Nog altijd = een jaar of 8. Wél heb ik een speciale plank voor vertaalde Japanse en Chinese literatuur. De schrijvers zijn wel door elkaar gehusseld, klassiek en modern. Ook immigrantenkinderen zitten erbij. Eén van hen heet Yoji Yamaguchi. Hij was volgens de flaptekst van uitgeverij Van Gennep (1996) redacteur bij de befaamde uitgeverij Hartcourt Brace. Hij is in 1963 geboren en voor de rest weet ik weinig van hem. Te oordelen naar de informatie die op het internet te vinden is (oppassen op naamgenoten hier, één van hen is bokser) is het bij die ene roman gebleven: Face of a Stranger (1995). Yoji Yamaguchi schreef nog een gids voor Japans-Amerikaanse genealogen en lijkt voornamelijk zijn kost te verdienen als editor, een beroep dat in Nederland nooit echt van de grond is gekomen.

Ik las de afgelopen week de Nederlandse vertaling Het gezicht van de foto. Het boek beviel me aanvankelijk zeer, maar gaandeweg begon de tragikomische toon me tegen te staan. Het aantal personen begon ook wel erg in de richting van een minder gewenst aantal uit een 19e eeuwse Russische roman te gaan. Het boek is het relaas van Japanse immigranten die aan het begin van de twintigste eeuw proberen een bestaan op te bouwen in Californië. Jongens vinden met enig geluk werk als huissloof bij oude wijven, meisjes worden zonder enig geluk onder valse beloften naar Amerika gelokt, want hun schip is de haven nog niet uit of ze zijn tot hoer gedegradeerd. De plaats van handeling in Californië is China Alley, een vieze wijk die al lang verlaten is door de Chinezen en zo troosteloos is dat geen Japanse immigrant zich geroepen voelt de naam te veranderen. Hier vindt een soap plaats tussen hoeren en de Japanse maffia.

Yoji Yamaguchi maakt van mannen suffe klunzen en van vrouwen intelligente opperwezens, geheel naar de trend van de jaren negentig maar wel wat ongeloofwaardig rond 1900. De enige interessante zin in het hele boek klinkt in een discussie tussen twee oudere Japanse immigranten, waarbij de ene zich afvraagt wat ‘innerlijke assimilatie’ in godsnaam is. Waarop de ander zegt: ‘De opvatting dat we ons niet alleen als Amerikanen moeten gedragen, maar ook hun manier van denken moeten overnemen.’ Dit, althans voor mij, uiterst belangrijke motief komt aldus zeer terloops ter sprake en sterft dan weer snel onder een melige ontwikkeling die Yoji Yamaguchi beter in een filmscript had kunnen stoppen. Dat krijg je ervan als redacteuren gaan schrijven.

Memory Lane (1)

hat logo meneer b Bij toeval (in zoverre: ongezocht) kwam ik Patrick Modiano weer op het spoor via een log onder de intrigerende titel Babelfish Bernlef vertaalt Modiano. De schrijfster van het weblog toont zich een zeldzame kenner van zijn werk. Ze noemt boektitels die ik helemaal niet ken. Ik verloor Modiano uit het oog na de roman Verdaagd verdriet, een vertaling uit 1990. Modiano zei eens in een interview dat hij moeite had een regelmatig leven te leiden, na een uur schrijven al moe was en dan ging lopen dolen door de stad. Zijn Nederlandse vertalingen zijn inmiddels ook gaan dolen, afgeschrikt door de ratels van de aan de beursgangziekte lijdende literaire uitgevers. Misschien dat ik hem daardoor uit het oog ben verloren.

Ik herlas zijn geïllustreerde novelle Memory Lane. Ik kreeg het 20 jaar terug voor mijn 35e verjaardag, een half jaar voor mijn debuut als romancier. Memory Lane is het lijfliedje van een groepje dat ooit uiteen zal vallen. Volgens de verteller ging het liedje over paarden die bij zonsopgang voorbijkomen maar niet terug zullen keren… De bladmuziek die ik ergens opsnorde, toont een tekst over een geliefde die niet terug zal keren. Wie weet had de Amerikaan een eigen versie van het liedje gemaakt? Hij heette Doug en zou worden getroffen door een hartaanval, waarna hij besloot terug te gaan naar zijn geboortestreek. Ik was hem allang vergeten. Maar nu ik weet wat een hartaanval is, zijn mijn ogen heel lang blijven hangen boven de zinnen die Modiano aan Doug wijdde.

Verse zalm

hat logo meneer b Sinds mijn hart een aanval te verduren heeft gekregen, is mijn lichaam veel gevoeliger voor allerlei veranderingen in de atmosfeer. Als een dweil rond het middaguur opgestaan. Plotselinge regen brengt veel zuurstof in de lucht, het zou me goed moeten doen, maar mijn lichaam acclimatiseert trager. Is Japan nog één van de weinige landen waar men een echte lente, zomer, herfst en winter kent? De geleidelijkheid der seizoenen lijkt me een weldaad. Of heeft ook daar de luchtverontreiniging het klimaat ziek gemaakt? Eigenaardig dat in een dichtbevolkt land als Japan, waar de luchtverontreiniging hoog is, de mensen zeer oud worden. Ligt het Japanse geheim in hun keuken? Medische hulp schijnt er op een hoog niveau te staan. Een correspondent van een Nederlandse krant werd er op een ochtend onwel tijdens het scheren. Hij belde de ambulance, die binnen twee minuten arriveerde. De behandeling begon al voordat hij op een brancard naar het ziekenhuis vervoerd werd. Ze lieten hem in geen geval een half jaar wachten voor ze hun klus afmaakten, zoals mij is overkomen. Het is een fabel dat dotteren van de kransslagader een mens in korte tijd weer opgewekt maakt. Misschien geldt dit voor patiënten bij wie vernauwingen aan het licht kwamen nog voordat het hart een tik kon krijgen. Toch heb ik op een slechte dag als deze vanmiddag nog wat kunnen krassen in een manuscript aan de keukentafel. Daarna ben ik gaan slapen, om in de avond voor mijn zoon en mij verse zalm te kunnen bereiden.

Raadsel uit de Maleise bellettrie

logo alfred birney Maya Sutedja – Liem, collega publicist in Archipel Magazine, mailde me naar aanleiding van mijn tweedelig artikel Goena-goena volgens P.A. Daum en Victor Ido in genoemd tijdschrift. Ter sprake komt onder andere een verhouding tussen de zoon van een Indonesische huishoudster en een blanke Europese vrouw, een kwestie waarop in de koloniale tijd een zwaar taboe rustte en waarover veelal slechts angstvallig werd geschreven. Maya kent een boek uit het Maleis, waarin het taboe-onderwerp vrijmoedig bij de kladden wordt genomen.

Het verhaal is getiteld Njai Isah en geschreven door een zekere Ferdinand Wiggers, een Indo-Europeaan die gewoonlijk in het Maleis publiceerde. Het verhaal verscheen aanvankelijk als feuilleton in een Maleise krant in 1903 en daarna in enkele boekdelen. Het gaat over een Nederlands meisje dat een verhouding krijgt met de zoon van hun Indonesische bediende en zwanger raakt. Om haar reputatie niet te schaden moeten man en kind worden weggemoffeld. Het meisje zelf ziet zich gedwongen een Nederlandse man te vinden om mee te trouwen, wat gepaard gaat met goena-goena en meer van die typische motieven uit de koloniale bellettrie.

Maya heeft slechts twee delen in een Leidse bibliotheek kunnen opsporen. Omdat het motief nogal spectaculair was voor die tijd vraagt zij zich af of het boek misschien geen vertaling is van een Nederlands verhaal. Ikzelf neem aan van niet, omdat de fatsoensrakkers eerder in Nederland dan in het voormalige Nederlands-Indië gezocht moesten worden. Het colofon in het boek geeft geen uitsluitsel, wat indertijd niet ongebruikelijk was. Als uitgever wordt genoemd de NV tot exploitatie van Mal. week- en andere bladen in Nederlandsch-Indië. Meer is niet bekend.

Over de schrijver heeft Maya het volgende kunnen achterhalen. Ferdinand Wiggers (1862-1912) was een zoon van de Nederlandse (?) Frederik Ernst Wiggers en de Indonesische Pela (of Helena?). Ferdinand Wiggers huwde eveneens een Indonesische vrouw, genaamd Tjanting (later genoemd Enerstina Hermina?). Van de vijf kinderen die uit dit huwelijk voortkwamen, bleven twee zonen in leven: Norbertus Petrus (1886 – ?) en Ernst Ferdinand (1890-?). Ferdinand Wiggers was redacteur bij verschillende Maleise dagbladen, waarin hij veel publiceerde, wat soms tot een boekuitgave leidde. Daarnaast vertaalde hij ook veel Europese romans naar het Maleis, waaronder Van slaaf tot vorst van Melati van Java.

Maya is bezig stukken uit Njai Isah te vertalen. Ze beoogt de uitgave van haar vertalingen van korte Maleise verhalen in het komende jaar en zit nu met de brandende kwestie: in welke brontaal is het verhaal geschreven: het Maleis of het Nederlands? Stuur even een mail als u Maya Sutedja – Liem kunt helpen.

Het leven is afschuwelijk

hat logo meneer b ‘De schoonste zege van de mens is niet het paard. Het is het dier dat, tot volle wasdom gekoesterd in de buidel der moederfabriek, niet hoeft te leren, onmiddellijk bereid staat tot alles in de wereld van het verkeer.’ – Zo opent Bordewijk zijn ultrakorte roman ‘Knorrende beesten’, dat verscheen in 1933, voorwaar geen gisteren. Ik houd niet van die schrijver, hij is slechts goed voor scholieren en beginnende schrijvers die willen zien wat strijden met stijl is. Toch moest ik aan hem als ziener denken toen ik afgelopen middag naar de stad fietste om er snel een broek te kopen. Ik koop eens per jaar een broek en wel omdat ik steeds een jaar nodig heb om ertoe over te gaan een broek te kopen. Broeken kopen is een bijzonder vervelende aangelegenheid, al heb ik een makkelijke maat en is er altijd wel iets te vinden in het jeans assortiment. Er is één winkel waar ik altijd slaag en onderweg op de fiets vielen mij voor een rood stoplicht die afschuwelijke knorrende beesten weer eens op, en nu vooral de inzittenden, die met geronk en gestink het milieu verzieken. Het is werkelijk afschuwelijk die vadsige mensen achter hun stuur gade te slaan, suffend in die moordwapens van ze. Afschuwelijker nog is het idee dat er mensen tussen zitten die jou wel zouden kunnen neermaaien als je toevallig een sigaret bij hen in de buurt opsteekt. ‘Het leven is vurrukkulluk’. Dat is toch wel de afschuwelijkste titel uit de Nederlandse letterkunde.

Sirenen

hat logo meneer b Mijn vriend had een vage uitnodiging op zak van een Nederlandse schilder die op drie kilometer van Sitía in de oostpunt van Kreta verbleef. Na het eten aan het haventje van Sitía wandelden we oostwaarts langs de ruwe kustweg. Het was laat in augustus, de avond was al gevallen toen we in het gehucht aankwamen. Ergens ging een raamluik open. Een oude vrouw met een zwarte hoofddoek liet ons weten dat de schilder er niet meer verbleef. De maan schitterde vol boven de zee, in de verte flikkerden de lichtjes van Sitía, de wandeling terug leek eindeloos. Ik dacht dat ik stemmen uit zee hoorde komen en vroeg mijn vriend om een bevestiging. Hij hoorde niets. Wat hij wel hoorde was een dierlijk gejank onder de massieve heuvelrug. Ik hoorde het ook, maar de stemmen uit zee waren sterker. Plotseling zagen we een schim ergens tussen schonkige bomen met een lantaarn slingeren. Mijn vriend vermoedde dat het om een maanziek persoon ging, die zich de nacht door huilde. De koorzang boven zee klonk hemels, ik wilde de weg verlaten en naar de kustlijn lopen. Mijn vriend hield me tegen en loodste me langs de maanzieke man, die ik jaren later zou terugvinden als hond in het gedicht ‘Spookje’ van J.C. van Schagen. Hij was de favoriete dichter van Christina, mijn levensgezellin, met wie ik Sitía opnieuw bezocht. Ik wilde haar de stemmen laten horen boven zee. We hoorden niets. Is ze er gaan dolen toen ze 12 jaar later stierf?

Het buigsyndroom

logo alfred birney Rudy Kousbroek merkte eens op dat veel frustraties van Europeanen ten opzichte van de Japanners terug te voeren waren, of zouden kunnen zijn, op een diepgeworteld racisme. Ik weet niet meer waar ik dat las, hoogstwaarschijnlijk in Het Oostindisch kampsyndroom (Amsterdam, Meulenhoff: 1992). Irritant tot zeer hinderlijk in de verhalen van Europeanen, en van Indo’s, was het aldoor weer moeten aanhoren hoe men telkens moest buigen wanneer er een ‘Jap’ voorbij kwam. Er is zelfs een Indische vereniging die er haar logo mee versiert.

‘Jap’ was in ‘Indië’ zoiets hier in ‘Holland’ ‘Mof’ was. De term ‘Jap’ heeft het tot de dag van vandaag uitgehouden, langer nog dan ‘Mof’. Zou dat nou komen doordat men hier niet voor de ‘Mof’ hoefde te buigen, maar hooguit had te salueren?

Anyway, vandaag is het 15 augustus: de dag waarop ‘Indisch Nederland’ de capitulatie van Japan herdenkt. Dat geschiedt jaarlijks bij het Indisch Monument bij de waterpartij in Den Haag. Ik ben er nooit bij geweest, ik houd niet van oude Indo’s in uniformen die als malloten nog altijd salueren voor Vorst en Vaderland. En zij houden niet van mij, want ik wordt door die ouwe lui voor zoiets als een ‘linkse Indo’ gehouden.

Er is altijd veel gedoe geweest over de precieze onafhankelijkheidsdatum van Indonesia. De Indonesiërs houden het op 17 augustus, dat doen ze al 60 jaar. Nu dan heeft onze minister van Buitenlandse Zaken in naam van Nederland ‘politiek en moreel’ de datum van 17 augustus 1945 geaccepteerd als de dag van de onafhankelijkheid. Gelul natuurlijk, want we hebben het hier over een onafhankelijkheidsverklaring. De grootste ellende moest toen nog gaan beginnen. Zoals: de oorlog van Nederland tegen Indonesia onder de noemer van ‘Politionele Acties’. Over de verschrikkelijke Bersiap zal ik het maar niet hebben, want dat zegt de gemiddelde Hollander toch geen moer. Die komen toch weinig verder dan hun Hongerwinter van 1944, waarin ze suikerbieten moesten vreten, als ze die al krijgen konden.

De onafhankelijkheidsdatum van Indonesia viel totnogtoe in Nederlandse ogen gelijk aan de soevereiniteitsoverdracht op 27 december 1949. Valt wat voor te zeggen natuurlijk. Ik bedoel een handtekening is een handtekening. Maar principieel hadden de Indonesiërs, althans in mijn ogen, gelijk. Zij waren gekoloniseerd geweest, hadden zich vrijgevochten, dus het was aan hen te bepalen welke dag zij als de dag van hun onafhankelijkheid beschouwden.

Dat hele gedoe, die discussie, heeft dus 60 jaar geduurd. Nu zo’n beetje alle Indische Nederlanders onder de groene zoden liggen, is het hier te lande allemaal wat eenvoudiger om als zijnde minister van BZ het laken alsnog recht te trekken. Maar… doe het dan goed.

Dat de minister himself in ‘Indië’ is geboren, doet er niet toe. Dat geeft hem niet méér recht een besluit als deze uit te voeren dan, zeg, een minister uit het Gooi. Hoe het met zijn kennis van de geschiedenis is gesteld zou ik niet weten, want de Haagsche Courant, waar ik momenteel mijn laatste weken als columnist doormaak, of moet doorstaan, vergeet soms ook maar om quotes af te sluiten. De HC, met de zeis van het AD voor het aangezicht, meldt op haar sterfbed:

De strijd in Nederlands-Indië tussen 1945 en 1949 heeft volgens schattingen aan 150.000 Indiërs en 6000 Nederlanders het leven gekost.

Wat zijn Indiërs? Weet u het? Die versleten term van een eeuw terug is door die sufkous van onze huidige Volksgeschiedschrijver Geert Mak van stal gehaald voor dat vod van zijn boek hem, getiteld De eeuw van mijn vader (Amsterdam, Atlas: 1999). Je moet er toch niet aan denken dat we het daar nog een eeuw mee moeten doen, wah? Enfin, onder Indiërs wordt verstaan Indo’s, als ik het allemaal wel heb, en onder Nederlanders wordt verstaan alles wat Nederlands onderdaan was, dus ook Indo’s.

Over de Romusha’s, Indonesische dwangarbeiders voor de Japanse bezetter, wordt al helemaal met geen woord gerept. Schattingen lopen uiteen van 200.000 tot liefst 2.000.000 slachtoffers onder deze arme jongens. En dan tellen we de gedode Indonesische vrijheidsstrijders nog maar even niet mee, want dat is hun pakkie an.

Het zal nooit wat worden met de geschiedschrijving van Nederland overzee. Nooit ofte nimmer. ‘Het wachten is nu op de Japanners’ (ook al kampioenen in het achterhouden van de feiten in hun schoolboeken). Deze hoop wordt althans gekoesterd door De Stichting Herdenking 15 augustus 1945, die vermoedt dat de tijd voor de Japanners nu ook wel begint te rijpen om met nieuwe spijtbetuigingen te komen inzake hun rol tijdens WO-II in de Archipel.

Niettemin blijft men een stok nodig hebben om een hond mee te kunnen slaan. De nieuwe honden in deze onzalige geschiedenis zijn de Koreanen. ‘Want die waren nog veel en veel erger dan de Japanners’, zo luidt het grote cliché van de laatste jaren. Dus ja, de Haagsche Courant gaat braaf daarin mee door op de voorpagina een spotprent af te drukken van een Koreaanse kampbewaker voor wie een blanke moeder met haar kind moet buigen. Raak je je oude vijand kwijt, dan vind je in no time wel weer een nieuwe.

Zie de mens.