Archipel lente 2010

archipel magazine lente 2010 Een voorpublicatie van mijn novelle Rivier de IJssel staat afgedrukt in de nieuwe Archipel Magazine. Mooie opmaak, met de snoet van een leuk meisje erbij, dat in het geheel niet lijkt op de heldin Susie uit het boek, maar dat geeft natuurlijk niet. Archipel Magazine heeft zijn eigen stijl. Plus een eigen formule, maar die gaat veranderen. De verrekijker gaat meer richting Indonesië en omringende landen. Het Indische accent zal verdwijnen. Wél blijft er aandacht bestaan voor oosterse invloeden in ons land, maar dan breder. De koersverandering zal geleidelijk worden doorgevoerd. Laten we het nummer eens doorbladeren:

Het blad opent met de gebruikelijke korte berichten, over de naderende Tong Tong Fair en een lezersreis naar Bali, maar begint daarna direct met een flink reisverslag van Ed Caffin over het nog ongerepte Lombok. Kirsten Vos neemt afscheid van haar lezers in haar column en het blad gaat verder met een verslag van Wouter Muller over zijn Roots ’n Music-lezersreis. Dan een zeer Indisch interview met de nieuwe directeur Yvonne Agnes van het Indisch Herinneringscentrum Bronbeek in Arnhem. Ik haat afkortingen, men spreekt al van het IHCB. Als ze er nou ook nog de A van Arnhem en de G van Gelderland aan vastplakken, dan krijg je bijna iets uitspreekbaars: de IHCBAG (de IHC Bag = een Indische rugzak of zo). De directeur ziet er vriendelijk uit en zegt onder meer dat ze uitziet naar de reisgids Sporen van Oorlog. Dat doe ikzelf ook, want ik mocht er een verhaal voor schrijven. Het boek zal worden gelanceerd op maandag 17 mei ergens in Amsterdam, zo staat in mijn agenda genoteerd. Nadere gegevens volgen op deze site.

Wulan Mei Lina is een fotografe die voor Indonesische begrippen zeer gewaagde foto’s maakt en die in boeken onder de toonbank door laat verspreiden. Ze komt uit een Surabaya’s multireligieus gezin; haar vader was een toegewijd moslim en haar moeder een christen. De zus van Wulan Mei Lina is zo streng christelijk, dat ze zelfs niet met mannen omgaat. Ja, zo kan het ook aan de overkant, dat christenen nog fanatieker dan moslims. Is u dat bekend misschien, heren Pauw en Witteman en overige teeveelui?

Hans Vervoort blijft lichtvoetig, zoals we van hem gewend zijn. Interessant is dat hij aantoont dat de projectontwikkelaars in Thailand en Maleisië zo gek nog niet zijn, vergeleken met die op Bali. Thailand bijvoorbeeld beschikt over zeer goede ziekenhuizen en trekt dus hordes van de gepensioneerden onder de Grijze Golf naar zich toe. Na zijn column een verslag van een feest in Yogya. Is Archipel al zo Indonesisch? Gaat wel, want er volgt een artikel over Advocaat Johannes van den Brand, de Multatuli van Deli. Mooi dat zulke figuren toch nog herdacht worden.

Frans Lopulalan is de minst lichtvoetige columnist van Archipel. Ik ben benieuwd of hij kan blijven. Misschien alleen als hij over Molukse zaken ter plekke schrijft? We zullen zien. En hoe zal de boekenrubriek eruit gaan zien straks? Nu staan er nog allerlei boeken over Nederlands-Indië vermeld, zoals de herdruk van mijn bloemlezing Oost-Indische inkt.

Garuda Indonesia gaat na vijf jaar afwezigheid weer vliegen op Nederland. Ze beginnen met een Airbus, die vliegt via Dubai, waar veel Indonesiërs werken. Er komt ook een grotere Airbus voor een directe lijn naar Amsterdam. Kijk, daar zit ik nou net op te wachten. Als je dan toch in zo’n afschuwelijk vliegtuig moet, dan maar liever in één ruk van 15 uur door naar Jakarta, dan heb je dat in elk geval gehad. Alhoewel, de benen strekken in Dubai is misschien ook wel lekker.

Een artikel over een spiritueel rustoord op Bali. Emma Kwee die haar column buitengewoon lollig afsluit. Zij behandelt Indonesische zaken, dus ik neem aan dat ze blijft. Ikzelf ben overigens bezig aan een vertaling van een stuk van een Indonesische schrijver en cineast… Voor in het nieuwe nummer.

En dan de eerste tekenen van het nieuwe concept van Archipel: een verslag van Hollandse sporen op Taiwan. Er is officieel Nederlands DNA vastgesteld op dat eiland. Tja, die Hollanders veranderden van koeienmelkers in love machines in de VOC-tijd, toch?

Keep Schepel eindigt, neem ik aan, zijn kritische reeks stukken over het gedoe rond het Indisch Huis. Voer voor insiders. Snapt geen love machine wat van. Ik helaas wel.

Wie is Paul Agusta? Dat is een van de vele filmmakers uit Indonesië, die een enorme drukke filmindustrie kent, waar men in het zuinige Nederland gewoonweg geen idee van heeft. Zijn schokkendste uitspraak is wel: ‘Waarom zou je kwaliteitsfilms maken als shit sells?’ Maar wanneer je het artikel leest, blijkt gelukkig dat hij het niet over zichzelf heeft.

Na mijn voorpublicatie over twee bladzijden volgt tot slot de gastronomische rubriek. Benieuwd of er gaat worden ingezoomd op Indonesisch eten in de toekomst en niet op Indisch eten. Wat de verschillen zijn? Tja, daarvoor moet je eerst bij Indische mensen in Nederland gaan eten (niet in een restaurant) en dan bij Indonesische mensen op Java of zo. Probeer daar maar eens om sambal badjak te vragen. Om maar wat te noemen. De geheimen van de Indische keuken nemen de mensen van de eerste generatie mee in hun graf. Sommige van hun kinderen benaderen de kwaliteit behoorlijk. Maar die koken thuis.

Veel plezier met het lezen van Archipel Magazine!

Eerste correcties Rivier de IJssel

De eerste correcties van mijn nieuwe novelle Rivier de IJssel heb ik verwerkt. Het manuscript gaat komende week naar een tweede corrector. Als alles meezit – gezondheid, geen gedoe aan mijn hoofd, onvoorziene toestanden rond uitgever en drukker – moet het boek half maart in productie kunnen. Presentaties beginnen dan een maand later: medio april. Locaties zijn nog niet bekend. Ik denk aan Amsterdam, Deventer en Den Haag.

Laatste etappe Rivier de IJssel

Mijn nieuwe novelle Rivier de IJssel nadert de voltooiing. De opmerkingen van de redacteur zijn door mij verwerkt en gisteren kreeg ik de eerste correcties binnen. Ik werk met twee correctoren. De eerste bekijkt de tekst binnen de context, de tweede legt hem onder een vergrootglas. Ik heb nog twaalf dagen. Dat wordt hard werken. Hier is het voorlopige omslag. De ontwerpster stoeit nog wat met de kleurdiepte en de tinten.

omslag rivier de ijssel alfred birney

De (na)smaak van Indië

Op zondagmiddag a.s., 14 februari, 15:00 u, voer ik in Boekhandel van Pampus te Amsterdam met Lizzy van Leeuwen een tweegesprek over postkoloniaal Nederland, vanuit verschillende perspectieven. Leidraad vormen mijn bloemlezing Oost-Indische inkt (1998), mijn postkoloniale polemische bundel Yournael van Cyberney (2001) en Lizzy van Leeuwens geschiedenis van zestig jaar Indisch Nederland: Ons Indisch erfgoed (2008).

Vanwege drukke werkzaamheden aan een nieuw boek heb ik wat laat mijn toezegging gedaan en mijn enige probleem van die dag zal waarschijnlijk dan ook zijn of ik wel op tijd mijn nest uit kan komen. Ik schrijf namelijk ’s nachts tot vroeg in de ochtend en slaap dan een gat in de dag, want de wintermaanden zijn voor mij toch het aanzien niet waard.



Grotere kaart weergeven

Ik sta dus (nog) niet aangekondigd op de site van Boekhandel van Pampus, waar als thema van de middag is gekozen de “Nasmaak van Indië”, naar aanleiding van de uitgave van de moderne vertaling van Multatuli’s Max Havelaar (maart 2010), overigens niet bepaald een van mijn favoriete literaire werken.

Lizzy van Leeuwen en ik zullen beginnen bij de koloniale literatuur en via Hella Haasses novelle Oeroeg (1948) en Tjalie Robinsons ongezouten kritiek op dat boek een link leggen naar de postkoloniale ontwikkelingen in Nederland. Uiteraard is er gelegenheid tot het stellen van vragen.

Aan Indisch 3.0 is gevraagd een korte bloemlezing te geven over wat de jongere generatie Indische Nederlanders bezighoudt. Ook zal Ed Caffin namens Indisch 3.0 een lezing geven.

Het programma is gevarieerd, met film, muziek, hapjes en signeersessies.

Programma

15.00 u Tweegesprek Lizzy van Leeuwen met Alfred Birney
16.30 u Film: Contractpensions – Djangan Loepah! Aansluitend een gesprek met regisseur Hetty Naaijkens-Retel Helmrich.
18.00 u Kalangkang, Sundanese muziek
18:30 u Bijdrage door Ed Caffin, van weblog Indisch 3.0
19.00u Einde

Nasmaak van Indië, 14 februari 2010, 15.00 – 19.00 uur.
Toegang, inclusief snacks: € 5.
Locatie: Boekhandel van Pampus, KNSM Laan 303, Amsterdam

Het polderproza van Oeroeg

Naar aanleiding van mijn column Postkoloniaal naschrift in De Republikein stuurde August Hans den Boef me een artikel over Hella Haasses “koloniale overgangsnovelle” Oeroeg.


oeroeg

Kritische artikelen over dat boek zijn zeldzaam; de blik van de gemiddelde Hollandse recensent reikt nauwelijks verder dan de duinen. Een enkeling ziet nog vaag de schimmen van uitzeilende VOC-schepen in de mist verdwijnen, maar dat is het dan wel. Weinig literatoren nemen de moeite zich echt te verdiepen in de koloniale literatuur. Zo begint Elsbeth Etty doodleuk een column over Oeroeg met de volgende zin:

Om Oeroeg te begrijpen is het niet nodig de context te kennen, het Nederlandse koloniale verleden en de Indonesische revolutie.

Het probleem, dat zij maar even voor het gemak omzeilt, is dat zij die de context wél kennen het boek niet anders dan een miskleun ervaren. Wie dat doen, vormen een groep van zogenaamde ‘kenners’, onder wie het overigens lastig zoeken is naar kritische onafhankelijke geesten, want elkaar napraten zit nu eenmaal bij de mens ingebakken.

Vervelend is dat Oeroeg (1948) zo lang op de boekenlijsten blijft staan. Het boek is, wat dat betreft, te vergelijken met Orpeus in de desa (1900) van Augusta de Wit. Even dacht ik dat deze van Indo-haat doortrokken novelle nu wel voor altijd de boekenlijsten was afgemept. Maar nee, het wordt gewoon weer gecanoniseerd. Zo krijgt die Olf Praamstra toch nog zijn zin. Hij bepleitte namelijk eens in een aflevering van Indische Letteren de terugkeer van die novelle op de boekenlijsten van de middelbare scholen.

Maar of er nou werkelijk goed over zo’n lijst nagedacht wordt, dat trek ik liever in twijfel. Volgens mij doen ze maar wat. Een beetje Indië, een beetje Suriname, een beetje Allochtonië, een paar Vlamingen, wat oud spul uit de eigen vrieskist, veel ‘tijdloze’ titels en dan nog wat nieuw spul, anders is het net alsof er in deze eeuw niets fatsoenlijks meer geproduceerd is. Maar gekruidenier werkt helemaal niet bij zoiets als canonisering. Niet als canonisering een serieuze aangelegenheid is (wat ik sterk betwijfel in een land waar verkoopcijfers, hypes en misplaatste verafgoderij – Hella Haasse is zo’n aardig, lief oud mens – tellen boven kwaliteit en waarachtigheid).

Een boekenlijst zou chronologisch moeten worden gepresenteerd. Dan krijgen de leerlingen tegelijkertijd een historisch overzicht mee. Dus:

Van den Vos Reynaerde (13e eeuw)
Anna Bijns: Refereinen (1528-1567)
Joost van den Vondel: Gijsbrecht van Amstel (1637)
Willem Ysbrants Bontekoe: Iovrnael ofte gedenckwaerdige beschrijvinghe (etc) (1646)
Betje Wolff & Aagje Deken: De Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart (1782)

Etcetera.

Geschiedenis en literatuurgeschiedenis moeten niet zo afzonderlijk worden gedoceerd dat de leerlingen eigenlijk geen weet hebben van de achtergronden waartegen de boeken spelen. Het is wel aardig om Helmans De stille plantage (1931) weer terug te halen, maar zet dan ook een later boek van Edgar Caïro op de lijst. Uiteraard in een chronologisch overzicht en niet, zoals u twee postings terug kunt zien, in een droge opsomming van, voor hedendaagse scholieren, nietszeggende namen. Zelfs Hella Haasses Oeroeg zou dan minder betwijfeld kunnen worden, omdat de novelle dan duidelijk in een heftig historisch tijdsgewricht zou worden gepositioneerd.

De kolonisering van gebiedsdelen in de Oost en de West is een meer dan belangrijk hoofdstuk in de geschiedenis van Nederland. Nou wordt dat niet direct ontkend. Maar met het overwegend opblazen van de Tweede Wereldoorlog (in Nederland en niet in Nederlands-Indië / Indonesië) trekt Nederland liever het slachtofferkleed aan dan de hand in eigen boezem te steken en eens flink te verhalen van de moordpartijen die onze jongens overzee begingen met als doel via de handel de eigen kas te spekken. Mijn bloemlezing Oost-Indische inkt (1998) is verre van perfect, maar laat wel zien dat er wel meer te lezen valt dan Augusta de Wit, E. Du Perron en Hella Haasse. Dat beetje Indië op de boekenlijsten wordt geregeerd door de macht der gewoonte.

Weliswaar zie ik de namen van Maria Dermout en Vincent Mahieu aan de kim verschijnen, maar een contrapunt van Lin Scholte op Hella Haasse is er niet. Een contrapunt op Adriaan van Dis, zoals Theodor Holmans Tjon (2007) zie ik al evenmin. De leeslijsten kennen geen dynamiek, ze laten alleen wat onnadenkend gekruidenier zien. Een Marokkaanse schrijver wordt ingewisseld voor een Iraniër. Helga Ruebsamens roman Het lied en de waarheid moet plaatsmaken voor een stichtelijk verhalenbundeltje van haar hand. Harry Mulisch’ oeuvre wordt overdreven opgeblazen, waardoor Armando’s De straat en het struikgewas (1988) helemaal van de lijst verdwijnt, enzovoort. Ja, ik brainstorm maar wat. Maar wel serieus. Niet omdat de een of andere vergadering over een half uur is afgelopen en ik naar een sigaretje snak of nog even snel de stad in moet.

Terug naar de aanleiding van dit stuk: August Hans den Boefs artikel De dubbelzinnigheid van een koloniale overgangsnovelle. Het verscheen in De Groene Amsterdammer van 9 juni 1993. Het bewijst dat Oeroeg steeds weer discussies doet oplaaien. Dat is voor een schijver natuurlijk koren op de molen. Hella Haasse hoeft alleen maar nu en dan haar debuut te verdedigen, en dát is nu juist waar August Hans den Boef op in zoomt.

Aanleiding van zijn stuk is de verfilming van het boek en waarschijnlijk is die film ook aanleiding geweest tot de rel tussen Rudy Kousbroek en Siem Boon later in dat jaar. August Hans den Boef begint zijn, overigens genuanceerd, stuk met de vraag of het boek wel in al zijn facetten te verfilmen is. Het boek is ‘lekker dun’, dus makkelijk leesvoer voor scholieren, maar welke kant zal het opgaan onder de handen van de regisseur?

Zal de sfeer ten prooi vallen aan tempo doeloe-nostalgie en de islam aan political correctness? […] Ook wanneer de scenarist en regisseur zich trouw aan de tekst houden, blijven er onoplosbare problemen omdat de tekst niet altijd ondubbelzinnig is.

Hierover straks meer. Interessant is dat het niet Tjalie Robinson was die als eerste kritische kanttekeningen bij het boek plaatste. In het Indische blad Oriëntatie was het redacteur Dirk de Vries, die zich in een eerste recensie kritsch over het boek uitliet.

Ten eerste leek het slot hem onwaarschijnlijk. Dit is de meest gehoorde klacht over het boek en niet eens zo interessant.

Verder stoorde hij zich aan de incorrecte schrijfwijze van Soendanese en Indonesische woorden en aan het klakkeloos overnemen van enige gefingeerde nationalistische organisaties uit het boek Buiten het gareel van Soewarsih Djojospoespito (in latere drukken is aan deze kritiek tegenmoet gekomen).

Tjalie Robinson vond deze kritiek te zwak en kwam pas een maand later met zijn felle kritiek, die hier te lezen is. Ik schonk er aandacht aan in deze posting, een afdruk van mijn artikel Nederland leest niet uit Archipel Magazine (herfstnummer 2009). De belangrijkste quotes zijn ook door August Hans den Boef in zijn stuk gebruikt.

Dirk de Vries stelde verder wat droogjes:

dat de novelle elck wat wils brengt: de groei van Oeroeg tot Indonesische nationalist moet naar het hart van zijn Nederlandse progressieven, terwijl de Rijkseenheid in de haveloze Oeroeg aan het slot eigen theorieën bevestigd zal menen.

Met andere woorden (August Hans den Boef):

niemand kan er zich een buil aan vallen.

Overigens wordt Tjalie Robinson ook niet helemaal gespaard in de bespreking van August Hans den Boef. Dat hij Oeroeg “politiek gevaarlijk” noemt, blijft bijvoorbeeld een onduidelijkheid in zijn aanval op Oeroeg. Belangrijk is te weten dat Tjalie Robinson niet bedoelde om Hella Haasse aan te vallen. Ook ikzelf vind haar een bijzonder aardig mens, maar daar gaat het helemaal niet om. Als je een canon laat afhangen van wie er al dan niet aardig zijn onder de schrijverscolonne, dan zou je een wel heel vreemde lijst krijgen. Met uiteraard een tegencanon van de grootste hufters van de Nederlandstalige letteren.

Een vergeten stem in de discussie over Oeroeg is Margaretha Ferguson. August Hans den Boef laat die stem wel in zijn stuk spreken. Ferguson constateerde dat de ik-figuur aan het slot alleen maar de schade beschrijft die is toegebracht aan Nederlandse eigendommen. Gezwegen wordt over de verwoestingen die de Nederlanders hebben aangericht (en dan laten we de andere partijen in die buitengewoon gecompliceerde oorlog nog maar even buiten beeld). Verder wees Margaretha Ferguson erop dat Oeroeg een intelligent mens is en dat Lida, de blanke verpleegster, die verindischt is, niet de eerste blanke was die zich verbonden voelde met de vrijheidsdrift van de Indonesiërs (“inlanders”). Dus waarom heeft de ik-verteller dan het gevoel dat hun houding onecht en door anderen ingefluisterd is? Ook Ron Nieuwenhuys met zijn Oost-Indische Spiegel (1972), een boek dat al twee generaties onderzoekers aan het werk houdt, plaatste kritische kanttekeningen bij het boek.

Haasses verdedigingen van haar eersteling bracht haar tot verschillende uitspraken door de tijd heen. Ten eerste wijt ze veel van haar onwetendheid aan de opvoeding van haar ouders, die het opkomende nationalisme van de Indonesiërs zoveel mogelijk buiten de kletstafel hielden. Zelf herinner ik me een uitspraak van haar, waarin ze zegt dat ze er als meisje evenvoudigweg niet over nadacht waarom er gescheiden zwembaden waren voor blanken en “inlanders”. Deze naïveteit maakt haar enerzijds onnozel en anderzijds sympathiek. Want waarom zou een schrijver niet met een volkomen argeloze houding mogen verhalen?

De vraag blijft: hoe argeloos was ze? Toen Oeroeg verscheen was Haasse dertig, dus geen meisje van achttien meer. Ze liet zich er ook voorstaan dat ze graag de boeken van Ter Braak en Du Perron las, terwijl die laatste nota bene het nationalisme van de Indonesiërs volkomen steunde.

Uiteindelijk wilde Haasse in eerste instantie het landschap van haar jeugd oproepen. Wie kan daar bezwaar tegen hebben? Ze wilde ook een pleidooi houden voor wederzijds begrip tussen mensen, wat blijkt uit haar dankwoordbij het onthullen van haar naam als auteur van Oeroeg. (In die tijd leverden auteurs hun manuscripten voor het jaarlijks boekenweekgeschenk onder motto in.) Typisch voor de schrijfster is dat ze een voorzichtig standpunt blijft innemen rond Nederlands kolonialisme en de Indonesische vrijheidsstrijd. Totdat uiteindelijk haar roman Heren van de thee in 1992 verschijnt.

August Hans den Boef:

De […] roman lijkt eerder een hommage ‘aan alles wat ooit in of voor Indië door Nederlanders aan verdienstelijks werd verricht.’ Want als de jonge hoofdpersoon zijn opwachting maakt bij familie in Indië, ontmoet hij daar geen op geld beluste koloniale racisten, maar planters die de islamitische gewoonten van hun employés overnemen, moskeeën en islamitische scholen stichten, met een Chinese vrouw zijn gehuwd, gamelan spelen, Oud-Soendanese manuscripten lezen, mordicus tegen de Atjeh-oorlog zijn, als ideaal een beschermd wildreservaat koesteren, de republikeinse beginselen aanhangen, niet naar de kerk gaan en nog veel meer ethisch en verheffends aan de dag leggen. En dat allemaal in de negentiende eeuw!

Je zou bijna denken dat Haasse opeens komt met kritiek op de kolonialen. Alleen haar voorbeeld is wat slecht gekozen. Een oude “inheemse” vrouw onthult een vloek die de nazaten van de patriot Daendels achtervolgt.

August Hans den Boef:

de Grote Heer van de Postweg heeft immers zoveel ellende van het volk van Java op zijn geweten. Tot je je realiseert dat Daendels tijdens de Franse bezetting heeft laten aanleggen. Uit alle schurken die zich in Indië hebben verrijkt en die de bevolking hebben gekneveld kiest Haasse uitgerekend een collabo!

Aan het eind van zijn artikel doet August Hans den Boef een voorstel om Oeroeg te lezen als een koloniale overgangsnovelle. Dat klinkt anders dan waarmee Elsbeth Etty haar pleidooi voor Oeroeg begint. Misschien is het ook wat veel gevraagd van het argeloze leespubliek én van de boekbesprekers, onder wie niemand een wanklank heeft laten horen (Lizzy van Leeuwen telde 70 besprekingen na de gratis verspreiding van de novelle door de CPNB, waaronder geen enkele kritisch geluid, en is toen maar opgehouden met tellen.)

Om Oeroeg werkelijk goed te kunnen lezen, moet je uitstekend op de hoogte zijn van de koloniale letteren enerzijds en Nederlands koloniale verleden anderzijds. Daarvoor is nodig kennis van de Nederlandse koloniale geschiedenis. En juist dan erger je je groen en geel aan dat drakerige proza dat onlangs wederom als onkruid door de CPNB werd verspreid. Indonesiërs zien er alleen maar de verheerlijking in van Nederlands kolonialisme. De Indonesische vertaling en Haasses tournee waren dan ook niet bedoeld voor de Indonesiërs, maar voor de Nederlandse expats, die het net zo goed in het Nederlands hadden kunnen lezen. En die nauwelijks beseffen dat hun stijl van leven daar nog altijd zo koloniaal is als die van Haasse, Kousbroek en consorten.

Runnin gag in Rivier de Lossie

Dit is de runnin’gag in mijn recente novelle Rivier de Lossie. Het nummer is opgenomen in 1966 en op een bootleg (illegale LP) verspreid. Er was één exemplaar verkrijgbaar in Den Haag. Ik kocht het op 1 september 1973 (ik noteerde destijds datums aan de binnenkant van grammofoonplatenhoezen. Het nummer The Ferryman’s Daughter is het enige dat de moeite waard was op de hele langspeelplaat. Het bleef mij in elk geval zo lang bij dat het lied een plaats kreeg in een boek van me.

Waar werk je aan?

Iemand mailde me laatst met de vraag waar ik momenteel aan werk. Ik dacht een ogenblik dat ik helemaal niets te doen had, ik zat immers veelvuldig op mijn balcon in de zon. Maar nu ik alles even op een rijtje zet, krijg je dit:

1. Schrijven aan een novelle (deadline 1 november)
2. Werken een een artikel voor een tijdschrift (deadline 1 augustus)
3. Afronden van een verhaal voor in een reisgids (deadline 1 augustus)

Er gebeuren natuurlijk ook allerlei dingen omheen in de – zo noemt men dat – privésfeer. Fun & Stress. Verder ben ik druk bezig achterstallige administratie weg te werken. En al e-mail ik gemiddeld twee uur per dag, toch loop ik daarmee achter, het zijn slechts enkele dagen maar toch… Soms besluit ik om enkele mails maar helemaal niet beantwoorden, zo erg is dat niet, het overkomt mij ook weleens dat ik geen antwoord krijg, vooral wanneer iemand mij iets schuldig is of iets idioots onderneemt.

Ik voer ook nog een huishouden. Als ik een beroemd schrijver was, dan had ik uiteraard een secretaresse, een literair agent, een kok en een huishoudster die alle zooi van me overnamen. Ik zou contracten ondertekenen en vette voorschotten innen op boeken die ik beloof te zullen schrijven maar die nooit zullen komen.

Enfin, het artikel… Dat zal gaan over Nederland leest, editie 4. Boven mijn stuk staat geschreven: Nederland leest niet. Got it?

Familietitels

Even kijken… Theodor Holman kwam in 1992 met zijn novelle Familiefeest. Marion Bloem volgde in 1999 met Ver van Familie. Adriaan van Dis tilde de familietitelvariant over de decenniumwisseling heen met Familieziek in 2002. Kent iemand nog meer varianten uit de Indische literatuur? Het boek mag ook honderd jaar oud zijn.

Boek in productie

logo alfred birney weblog Afgelopen zaterdag – of zondag, dat weet ik even niet meer – was ik een uurtje bij de ontwerpster voor mijn nieuwe boek. Het is mijn tiende boek, de bloemlezing meegerekend. Dat schijnt te moeten, al tel ik dat boek liever niet mee, een bloemlezing schrijf je niet, je stelt haar samen. Kan wel zijn, zegt men dan: een bloemlezing is een boek. (Maar dan schreef ik er nog meer…)

Whatever, mijn aanstaande boek is het eerste stuk proza sinds het jaar 2000, toen Het verloren lied verscheen. In 2001 verscheen een voor niet-ingewijden bijkans onbegrijpelijk postmodern-postkoloniaal journaal in de traditie van de Indische letterkunde en in 2002 een heruitgave van mijn meest uitgesproken “Indische romans”. Daarna was het vier, vijf jaar columns schrijven, recensies, verhalen en allerlei schrijfsels op het web die me ver deden afdwalen van de zogeheten fictie. Op afdwalen volgt verdwalen ofwel het spoor bijster raken. Dat heb ik teruggevonden. Nogal een ervaring.

Het omslag van Rivier de Lossie ziet er schitterend uit. Het boek (een novelle of een korte roman, dat weet ik niet precies) wordt overigens een non-crisisuitgave: een genaaid en gebonden uitgave (hard zwart kaft met zilveren opdruk op de rug) met een stofomslag. Een dezer dagen gaan zetsel en omslagontwerp naar de drukker. Het kan ook zijn dat de boel er al ligt. Kortom: het boek is in productie. Ik heb nog geen precieze datum van uitgave. Het boek zal in elk geval niet later dan 1 mei verschijnen. Meer informatie volgt spoedig.

De eerste zin

logo alfred birney weblog Iedereen kent de beroemde beginzin Mijn vrouw is dood en al begraven van Marcellus Emants uit Een nagelaten bekentenis (1894). Een voortreffelijke eerste zin is nooit weg, maar staat niet garant voor een voortreffelijk boek. De tweede zin moet namelijk de verwachting van de eerste inlossen. De derde die van de voorgaande zinnen, enzovoort. Als je 2500 zinnen in een zinvolle volgorde achter elkaar hebt gezet, dan heb je een geslaagde novelle of korte roman geschreven. En niet als de eerste zin schittert en de rest bagger is.

Ik heb het eigenlijk altijd obligaat geneuzel gevonden, dat inzoomen op de eerste zin van een literair boek. Het was echt voer voor gemankeerde schrijvers, pseudo-literatoren en meer van dat snobberig volk. Toch heeft dat geleuter over de eerste zin me nooit werkelijk koud gelaten, uiteraard, het hoort nu eenmaal bij het schrijversvak. Schrijven is namelijk een vak. Dat wist u natuurlijk al, al zou je het niet zeggen. Het gros van de boeken dat wordt verkocht is namelijk rotzooi. Bagger. Meuk. Zooi. Crap. Driemaal niks. Mijn zoon wordt intussen echt vrolijk van slechte zinnen. Ik geef hem namelijk bijles door slechte teksten en beroerde zinnen voor te lezen en die met hem te ontleden.

Ik was u nog een anekdote schuldig. Dus begin ik eerst maar over die obligate eerste zin te leuteren. Ik ben namelijk een zeikerd. Dat wist u natuurlijk al, dat hoort immers bij het schrijversvak. Weet u, eh… ik val zo min mogelijk mensen lastig met hinderlijke correcties. Zo’n zeikerd ben ik ook weer niet. Dus als iemand zegt “hoeveel kost dat”, dan verbeter ik die persoon niet. Ook niet als iemand schrijft dat “iets groter is als dat”. Of als iemand roept: “daar irriteer ik me aan”. Ze doen maar. Wat kan mij het schelen. Maar mijn zoon krijgt wél mijn gezeik over zich heen. Ja, figuurlijk, ik ben Reynaert niet hey. U denkt nu vast dat hij ook schrijver wil worden. Nou nee. Zo idioot is hij natuurlijk niet. Het vak Nederlands interesseert hem weinig. Tenzij ik de spot drijf met wat er allemaal gezegd en geschreven wordt. Dan ziet hij dat zijn eigen taalgebruik nog zo beroerd niet is.

We zitten aan de keukentafel en wachten totdat ik iets uit de oven kan halen. Of we hebben net gegeten. Zoiets. Het gebeurt altijd aan de keukentafel. Dáár wordt het meest geschaterd. Er liggen vaak wat boeken in de vensterbank. Recensie-exemplaren die ik opgestuurd krijg. Mijn zoon vraagt dan of “ze een beetje kunnen schrijven”. Dan pak ik een nieuw boek, waar ik nog geen blik in heb geworpen, en lees de eerste zin voor:

Heimwee en hoop, de klanken en etensgeuren van thuis, veel meer kan een migrant niet meenemen.

Mijn zoon laat de zin zwijgend tot zich doordringen. Om hem wat te helpen vraag ik:

“Heb jij weleens een klank van thuis meegenomen?”

Mijn zoon schiet in de lach.

“Heb jij ooit een etensgeur van thuis meegenomen, in je broekzak gestopt misschien?”

Mijn zoon lacht nog harder.

“Wat denk je: neem jij later heimwee mee als je op reis gaat, of krijg je dat heimwee gratis op de plaats van bestemming?”

Mijn zoon klapt dubbel van de lach.

“En die hoop… Nou, goed dan. Laten we die dan maar straks van thuis meenemen, zodat we niet samen onder de tram komen.”

Mijn zoon kronkelt over de vloer van het lachen. En blijft er bijna in wanneer ik zeg dat deze zin niet van een beginner komt, maar van iemand die al een waslijst aan publicaties op zijn naam heeft staan. Dat de tekst ongetwijfeld door een handvol proeflezers is bekeken, door een redacteur is nagezien en door een corrector is nagelopen. Helaas, de vaklui staan op straat. Ik hoef maar een boek te pakken, de eerste zin op te dreunen en er vervolgens met het ontleedmes langs te gaan. Het gaat er niet om wat je schrijft, zelfs niet hoe je schrijft, maar de boel moet wél kloppen.

Plotseling vraagt mijn zoon me: “Zeg, hoe staat het eigenlijk met jouw eerste zin in je nieuwe boek?”

“Eh… watte?”

Ik pak de drukproeven er even bij en lees de eerste zin voor. Die klopt. Maar hij is te lang, besluiten we. Amechtig bovendien, vind ik. Als ik hem in tweeën knip gaat hij er al een stuk op vooruit. Evenwel, de daaropvolgende zinnen kun je niet echt volgers noemen. Het tweede deel van de afgekeurde zin moet naar het einde van de alinea, dan heb je meteen een spanningsveld. Mee eens? Mijn zoon knikt. Zo moet het. En dan zit ik al in de slotfase: het boek gaat weldra in productie. Conclusie: niet de eerste zin moet goed zijn, maar de eerste alinea. En vervolgens… u weet wel.

Mijn zoon houdt zich de laatste tijd opmerkelijk intensief met eerste zinnen bezig. Hij kent er zelfs al eentje, ongevraagd, uit zijn hoofd:

Mijn vader stierf in de armen van mijn driejarige dochter.

Kijk, daar kun je mee aankomen. Deze zin is net zo eenvoudig als die beroemde van Marcellus Emants, maar dubbelzinniger. De informatie die je krijgt is duidelijk en wonderlijk tegelijk. Je wilt meteen weten wat er aan de hand is. Aan u de vraag: welk boek of welke novelle uit de moderne Nederlandstalige literatuur begint met deze zin?