Mijn vader A. Birnie/Birney links op de foto, zonder gitaar +/- 1948

Op gevoel (1) Een gitaar gesneuveld
Als jongeman zag mijn vader in Soerabaja de Vliegende Sigaren van de Japanse luchtmacht zijn ouderlijk huis aan puin bombarderen, hij zag Japanse soldaten burgers onthoofden, hij werd gemarteld wegens sabotage in dienst van het zogenoemde Vernielingskorps en in een ijzeren kist onder de brandende zon te smoren gelegd, hij zag Japanse soldaten Australische krijgsgevangenen in open bamboekisten aan de haaien voeren, hij zag Punjabi-soldaten in Engelse dienst Japanse soldaten besluipen en ze de strot doorsnijden, hij hoorde over de dood van een neef aan de Birma-spoorlijn, hij hoorde hoe zijn lievelingsoom door Japanse soldaten was doodgemarteld op het landgoed van zijn vaders familie, hij verraadde de Japanse vriend van zijn zuster, die als animeermeisje aan de kost kwam, hij wees de geallieerden de weg in de hitte van de Javaanse Oosthoek, waar opstandige Indonesiërs ondersteboven hangend aan de enkels werden verhoord terwijl hij optrad als tolk en de schrijfmachine hanteerde, hij hielp de geallieerden met het platbranden van desa’s, hij zag brandende opstandige jongelingen schreeuwend van de pijn hun eenvoudige huisjes uit rennen en overhoop geschoten worden, hij leerde schieten en doorzeefde op een treinstation een vrouw en zuigeling, achter wie een Javaanse vrijheidsstrijder zich had verscholen, hij kreeg als hoofd van de afdeling Verhoor van Gevangenen in Djember de hardnekkigste zwijgers aan het praten, hij reed met een pantserwagen op een landmijn en stortte tachtig meter een ravijn in, hij kreeg het bevel van een Hollandse adjudant om het transport te begeleiden van 100 gevangenen van de stadsgevangenis van Djember naar het station Wonokromo en mocht aan het einde van de veertien uur durende rit 46 lijken van gestikte mensen uit de goederentrein slepen, hij vond een Indo-vriend terug die zichzelf voor zijn kop had geschoten nadat hij had ontdekt dat zijn meisje met een Hollandse soldaat het bed had gedeeld, hij maakte tijdens de Bersiap-tijd jongens af met wie hij nog een appeltje te schillen had, maar het ergst van alles vond hij dat tijdens de Eerste Politionele Actie de hals van zijn gitaar brak.
Het gebeurde tijdens het passeren van twee elkaar tegemoetkomende convooien. Iemand hield de loop van zijn mitrailleur niet binnenboord en hij de hals van zijn gitaar niet. De mitrailleur was van onbekende makelij, de gitaar een originele Amerikaanse Gibson, de droom van elke Indo, een instrument waar alle grootheden op speelden, een juweel waarvoor je zelfs het mooiste meisje uit de stad zou inruilen.
De gitaar had hem en zijn kornuiten vergezeld en zo lang zij leefde, leek de oorlog op een gezellig schoolreisje: beetje rondlopen, beetje keten, beetje kanen, lekker krontjongen in de desa en gluren naar de vrouwen die zich wassen in de rivier, al die schelmenverhalen die ik als kleine jongen avond na avond van hem moest aanhoren. Maar als die gitaar nou niet was gesneuveld, had ze dan mensenlevens kunnen sparen?
Ik bedoel: je verhoort een gevangene en je ziet hem aldoor gluren naar je gitaar. Dan vraag je hem wat te spelen en hij speelt de sterren van de hemel. Martel je zo’n jongen dan nog het leven uit?
Fragment uit het verhaal “Op gevoel”
Copyright © 2006 Alfred Birney
Meulenhoff, 2006: Indisch leven in Nederland (red. Annemarie Cottaar)
Op het moment van dit schrijven vindt er een Oeroeg-hype plaats in de Modderpoel van West-Europa. De filmversie van het boek wordt op de televisie uitgezonden. Er vinden talloze lezingenavonden plaats met medewerking van wetenschappers die onnadenkend de literaire canon dichtmetselen tegen aanvallen van buitenaf. Als klap op de vuurpijl doedelzakt er een speciale voorleestrein op het traject Amsterdam – Den Haag vol BN’ers die geen idee hebben van de koloniale onnozelheid waarvan Oeroeg doortrokken is. Het hele circus schijnt bedoeld om een discussie aan te wakkeren. Maar obligaat gezemel houdt geen miljoen door de CPNB verspreide exemplaren van het beroerdste boek rond de vrijheidsstrijd van Indonesië tegen. Welk thema moet de discussie eigenlijk dienen? De tragiek in tijden van oorlog of het ‘tragische’ einde van Neerlands koloniale heerschappij?
Ik hoorde ooit een lied en ben het altijd blijven zoeken. Misschien hoorde ik het op een van die avonden nadat mijn grootvader was vertrokken, ik weet het niet. De laatste keer dat hij scheep ging was aan de vooravond van 1960, in een vreemd huis ergens in de buurt van de haven. We logeerden er rond de jaarwisseling, maar mijn ouders waren uitgegaan. Mijn grootouders hielden de gastheer en gastvrouw beneden gezelschap en ik lag onder een wollen deken op een divan in een halfduistere kamer met om me heen de spookachtige silhouetten van voorwerpen die bij oude mensen hoorden.
Ik heb eergisteren een verhaal ingeleverd bij Archipel Magazine. En geen bevestiging van ontvangst gehad, want schrijvers krijgen aldoor minder respect, wat waarschijnlijk het gevolg is van het feit dat er momenteel zo ongelooflijk veel mensen schrijven. Redacteuren worden blasé. Ik geloof dat er in Nederland alleen al een miljoen mensen rondlopen met het idee schrijver te worden. Er zitten veel bloggers bij. Uitgevers struinen dagelijks blogs van jonge mensen af, op zoek naar nieuw talent. Waar moet je aan voldoen om in aanmerking te komen voor een gesprek met een uitgever? Ten eerste moet je iets bijzonders te vertellen hebben. Dus als je een blog hebt over je kat, dan is dat op zich niets bijzonders, integendeel, je bent de zoveelste die over zijn of haar kat blogt, maar… als jij dat op zo’n originele wijze doet, of verschrikkelijk virtuoos schrijft, ja dan nemen ze zeker je weblog onder de loep. Zie je er een beetje goed uit? Is wel handig in verband met je televisieoptredens, want zonder televisie breng je je boek niet aan de man. Maar ik dwaal af. Ik zei dat ik eergisteren een verhaal heb ingeleverd bij Archipel Magazine. Gisteren kon ik weinig anders doen dan bami maken voor mijn zoon, die naar de sportschool moest, en vandaag sliep ik bijna het klokje rond. Het schrijven van het verhaal duurde vijf dagen, een eerdere versie was twee jaar oud, in één keer op de harde schijf geramd om er niet meer naar om te kijken. Het is een verhaal over huiselijk geweld als gevolg van oorlog, gezien door de ogen van een achtjarige jongen. Vrouwenmishandeling, kindermishandeling. Ik schreef hier eerder over in een boek dat in 1995 uitkwam: De onschuld van een vis. In de afgelopen jaren is het motief me weer komen bezoeken. Mijn schrijfstrategie is wel veranderd. Het belevend perspectief heb ik verruild voor een meer beschouwende toon. Toch put het schrijven me uit. Ik registreer herinneringen, noteer beelden, zet ze op hun plaats, verschuif ze, vervorm ze, werp er hier en daar voor de fijnproevers een korte, oppervlakkig aandoende overpeinzing tussen en zorg dat het verhaal recht overeind staat en ook zo blijft staan. Een verhaal over mishandeling heeft altijd een beul en een slachtoffer nodig. De beul in mijn verhaal is op zijn beurt slachtoffer van een oorlog. Via hem krijgt oorlog iets abstracts. De echo is huiselijk geweld. Voor een kind is dat onbegrijpelijk. Wat begrepen wordt, hoeft niet te worden beschreven.
Zou Tjalie Robinson nou echt “de enige Indo-schrijver van Nederland” zijn geweest? Flauwekul natuurlijk. Toch meldt de website van de uitgever het. De flaptekst is op het boek intussen gewijzigd, maar de oorspronkelijke versie gaat vrolijk het internet over. Wim Willems is wél de enige echte biograaf van deze kleurrijke figuur. Geen flauwekul. Tjalie was ooit een gevierd schrijver maar is onderhand vergeten buiten Indische en Indonesische kringen. Zijn naam komt niet voor op de boekenlijsten van middelbare scholen. Hoe is dat mogelijk? Willems opent zijn boek fraai met de begrafenis van het fenomeen, het lijkt wel of je een roman leest. Helaas houdt de schrijver deze verteltrant niet vol. Volgt een degelijk en minutieus verslag van het leven van het “kind tussen Oost en West”. Eigenlijk zijn het drie levens in één: dat van Jan Boon, zoon van een Nederlandse vader en een Indische moeder, dat van Tjalie Robinson, de schrijvende activist, en dat van Vincent Mahieu, de literator. Drie maanden na zijn geboorte in Nederland vertrok hij al naar Nederlands-Indië, ging er later het onderwijs in, werd gevangene van de Japanners in de oorlog, keerde uit Indonesië terug, probeerde in Amsterdam te aarden en oogstte er als schrijver lof in literaire kringen. Vanuit Den Haag bestierde hij een eigen tijdschrift. Hij wilde zijn Indische lotgenoten “porren tot grotere daden” dan zo geruisloos mogelijk in de Nederlandse samenleving opgaan. Hij verwaarloosde zijn schrijverschap en stortte zich als voorman van de Indische gemeenschap in vele avonturen, liep zichzelf voorbij en pleegde roofbouw op zijn gezondheid, onder andere door een avontuur in Amerika in zijn rusteloze zoektocht naar een cultuur die beter aansloot bij de Indische dan die in Nederland. De levensloop van Tjalie brengt een belangrijk weggemoffeld deel van de Nederlandse geschiedenis terug voor het voetlicht. Als biograaf is Willems nergens hinderlijk dweepziek. Hij kan kritisch naar zijn idool kijken en hem met tegenstand van Indo-schrijvers als Beb Vuyk en Rob Nieuwenhuys confronteren. Voor zijn literair-wetenschappelijke analyses leunt Willems wel erg op E.M. Beekman, wiens hoogdravende theorieën hoogstwaarschijnlijk door Tjalie zouden zijn weggewuifd. Verbazingwekkend is het dat Willems, met zijn brede kennis van Nederlands koloniale verleden, de termen “Indo”, “Indisch”, “Indo-Europees”, “Indischman” en zelfs “Indischgast” inconsequent door elkaar gebruikt. In zijn nawoord trekt hij idealistisch de “transnationale gedachte” van Tjalie door naar nieuwe migranten in Nederland, maar laat die potentiële lezers zonder inleidende toelichtingen op genoemde begrippen in het duister tasten. Voorwaar een gemiste kans. Laat onverlet dat geen serieuze Neerlandicus het zich nu nog kan veroorloven deze Indo-schrijver te negeren. De biografie vraagt indirect om een bredere algemene nationale geschiedschrijving. Mocht dat er niet van komen, dan vind je de verklaring daarvoor in de geschriften van Tjalie Robinson himself.
Het nieuws wordt niet bijzonder breed uitgemeten. De NCRV komt met een reportage, maar het NOS journaal wordt niet gehaald. Googles standaard nieuwspagina maakt er ook geen gewag van. Uiteraard niet: Google filtert en displayed het meest gelezen nieuws. Het is ook geen goed idee om Googles standaard nieuwspagina als krant te gebruiken. Dit terzijde.
Het zuiden van Nederland was nog niet bevrijd door de geallieerden of de slogan Indië verloren, rampspoed geboren galmde als een mantra in de Haagse regeringsgebouwen. De eerste scheepsladingen met mariniers, gerekruteerd in Brabant en Limburg, bleken niet voldoende en na een grondwetswijziging waren dienstplichtigen de klos. Onder die jongens bevond zich mijn oom Jan. ‘Ons Jan’, zo genoemd in het Helmondse, kwam tegen zijn zin als soldaat in de zelfgeproclameerde republiek Indonesië terecht, wendde direct na aankomst buikkrampen voor, misselijkheid, hoofdpijnen en een volslagen afkeer van de tropische hitte.