Affiche Association franco-indonésienne

Association franco-indonésienne Pasar Malam
Association culturelle pour l’amitié entre les peuples français et indonésien
14 rue du Cardinal Lemoine – 75005 Paris
Tél. 33-(0)1 56 24 94 53
afi.pasar-malam@wanadoo.fr

http://pasarmalam.free.fr


logo pasar malam franco-indonesienne paris

From the Private Sphere to the Public Arena: “Auto-Fiction” or a True “Self’ Revisited”? An examination of the role of autobiography in literature

Third conference in a biennial series promoting cultural and literary exchange among noted French and Indonesian scholars and literary figures. The theme of this year’s conference series is an examination of the transitional space between the private sphere and the public arena, with a focus on the concept of the “Self” as presented in a variety of literary forms.The programme will feature speeches, roundtable sessions and a film hosted by acclaimed scholars and literary figures as include a dinner buffet. With Vincent Bardet, Bernard Chambaz, Anda Djoehana Wiradikarta, Gilbert Hamonic, Christine Jordis, Etienne Naveau, Richard Oh, Laksmi Pamuntjak, Ilse Peralta, Sitor Situmorang.

Maison des Cultures du Monde
101 boulevard Raspail, 75006 Paris (metro Notre Dame des Champs, Rennes, St Placide)
Sunday, December 7, 2008, 13h00 – 23h00
Information : afi.pasar-malam@wanadoo.fr, Tel. : 33 (0)1 56 24 94 53

Partners : Maison des Cultures du Monde, Ambassade d’Indonésie, Centre national du Livre, Conseil régional Régional d’Ile de France, Direction Régionale des Affaires Culturelles d’Ile de France, Éditions du Pacifique, Dora Gruner, Saritaksu Editions and Willem

Indisch Den Haag

In de vijfde aflevering van de serie Plekken van Herinnering gaat stadshistoricus Wim Willems op zoek naar sporen van Oost-Indie in Den Haag. Hij start bij het voormalig werkhuis van Tjalie Robinson, de oprichter van de tegenwoordige Pasar Malam Besar, die volgend jaar haar 50-jarig bestaan zal vieren. In deze uitzending praat Wim Willems met Tjalie Robinsons kleindochter Siem Boon over de Indische cultuur, haar grootvader Tjalie en de geschiedenis van het festival. Er worden unieke beelden getoond van Tjalie Robinson uit de privé collectie van Siem Boon. In het tweede gedeelte van de uitzending bezoekt Wim Willems de roemruchte Haagse Toko Toet aan de Haagse Beeklaan. Hier komen regelmatig Indische Hagenaars langs om de kruiden en geuren uit hun vaderland te proeven. Wim Willems ontmoet er de schrijver Alfred Birney. Onder het genot van de Indische maaltijd gaat hun gesprek o.a. over Indo-rock, Indisch eten en thema’s uit de Indische literatuur. Spectaculaire beelden van de vooruitstrevende Tielman Brothers verlevendigen dit deel.

(Vrij naar de omroepgegevens van TV West.)

Muziek en letteren

Het was vroeg op de zaterdagavond. Ik deelde het podium met gespreksleidster Esther Wils, pianist en antropoloog Henk Mak van Dijk en neerlandicus en biograaf Frank Okker. Plaats van handeling: Pasar Malam Besar, Bibit Theater. Het tijdstip werkte niet in ons voordeel – 19:00 uur, dan zit de meute nog te eten – maar optreden voor de echte diehards is altijd bevredigend. Henk Mak van Dijk, Frank Okker en ik droegen elk ons steentje bij aan de jongste special van De Gids: Indische schrijfsters. Nogal lollig dat er uitgerekend nu geen vrouw op het podium zat, de gesprekleidster uitgezonderd.

Over mijn bijdrage aan De Gids, de roddelachtige brief over mijn overgrootmoeder van Anne Busken Huet aan Sophie Potgieter, heb ik het eerder gehad in Dood aan de deadline! en De Gids met Indische schrijfsters. Mij werd gevraagd of ik de brief wilde voorlezen. Ik had me daarop voorbereid, maar was mijn leesbril vergeten. Ik gebruik +0,5. Dat is een sterkte die vrijwel geen hond gebruikt. Er zat niemand in het publiek met een leesbril van die sterkte. Ik vroeg het publiek om +1.0. Weer niemand. Turend, spotlights op je gezicht, ook dat nog, ben ik de brief dan maar zonder bril gaan voorlezen. Ging nogal, hoewel niet echt swingend. Frank Okker moest ook een brief voorlezen en ik was aangenaam verrast toen ik hoorde hoe Madelon Székely-Lulofs geen spaan heel liet van die door mij zo verfoeide Augusta de Wit.

Het is jammer dat dit soort ongelooflijke kattige brieven pas 100 jaar later boven water komen, want dat vileine boek Orpheus in de desa uit 1900 heeft toch ruim 80 jaar op de boekenlijsten van de middelbare scholen gestaan, met alle kwalijke gevolgen van dien voor met name de beeldvorming van de Indo, die door die hoogdravende Augusta de Wit als méér dan verdacht wordt opgevoerd. (Ik schreef er ooit een column over voor het tijdschrift Moesson en hoorde dat er lezers waren die naar aanleiding van die column het boek opnieuw gingen lezen.) De ironie wilde zaterdagavond dat de brief die ik voorlas mij nota bene was aangereikt door Olf Praamstra, de biograaf van Busken Huet, die op zijn beurt de echtgenoot was van de brievenschrijfster. Deze meneer Praamstra wilde enkele jaren terug namelijk nog een lans breken voor Augusta de Wits Orpheus in de desa. Ik was wat moe van gepolemiseer en liet hem maar brallen in het tijdschrift Indische letteren. Ze maakte toch geen kans meer, anders dan Hella Haasse met haar Oeroeg, dat ik eens kraakte in mijn Yournael van Cyberney, reden waarom Hella Haasse en Rudy Kousbroek met mij in debat wensten te gaan.


debat birney kousbroek haasse

Hoewel de foto het niet doet vermoeden is het uiteindelijk toch nog een gezellige avond geworden. Het is al vijf jaar geleden (Indisch Huis, 21 maart 2002). Hella Haasse en Rudy Kousbroek zijn beiden nog in leven, maar je zal ze niet meer zo gauw op de Pasar Malam Besar aantreffen. Jammer dat ze gisteren niet in de zaal zaten, toen Henk Mak van Dijk de gezellige podiumbabbel afrondde met zijn verhaal over Linda Bardara (1881-1960) én een stuk muziek liet horen van deze in Nederlands-Indië geboren, en vergeten, componiste die Europese en Javaanse muziek met elkaar wist te combineren. Dat is dus lang, ja heel lang voordat Peter Schat dat probeerde (hij vertelde mij in 1987 persoonlijk over zijn plannen in die richting). Henk Mak van Dijks biografie over deze componiste, Linda Bardara, mét muziek-cd, zal dit jaar nog verschijnen bij het KITLV. Bij leven en welzijn zullen zowel Hella Haasse als Rudy Kousbroek onder de indruk zijn. Een piano waarin de gamelan doorklinkt. Een sopraan zweeft erboven, met haar hart ergens tussen hemel en aarde in.

Telefictie

logo alfred birney Televisie is het leukst als het live gaat, maar dat durft men zelden aan, er kan veel fout gaan. Ook voorgebakken uitzendingen zijn zelden vlekkeloos, je ziet het al aankomen wanneer je je gaat melden op de plaats van afspraak. In mijn geval was dat heden middag om 16:45 uur bij Toko Toet aan de Beeklaan numero 376A te Den Haag. Met mijn geweldige timing kwam ik precies om kwart voor vijf aan fietsen. Dan moet, vind ik, de televisieploeg van de betreffende lokale zender natuurlijk meteen een shot nemen van hoe de schrijver aan komt fietsen op zijn blauwe Union en in zijn linnen jasje. Ik bedoel: als je zo te werk gaat, dan bespaar je tijd en kun je weer snel naar huis, of lekker naar de zee. (Ja, ik was liever naar de zee gegaan.)

Er stond natuurlijk helemaal geen filmploeg op me te wachten. Die televisielui werken net als uitgevers. Dit wil zeggen dat zij zichzelf een ruime vrijheid veroorloven in het overschrijden van tijdslimieten. Meantime moet jij natuurlijk wél op tijd zijn, anders kunnen zij de tijdlimiet niet overschrijden. Is that clear? Onthoud dit nou goed voor later, voor als u ook eens op de televisie moet. Enfin, ik sta daar zo’n beetje te hangen in de deuropening. Zegt een ander, hangende tegen een muurtje verderop (het was lekker warm buiten): ‘Zeg, ben je van TV West?’ Ik zeg: ‘Ja, maar voor heel even.’ De man kijkt me aan alsof hij kiespijn heeft en inderdaad, wanneer we aan de praat zijn geraakt blijkt hij onder een enorme kiespijn gebukt te gaan. Mijn gsm gaat af en de joviale meid die mij enkele malen eerder in de week van mijn fiets belde (ja dat kan, wordt straks duidelijk) meldde dat het team later zou komen.

‘O, maar waar ben jij dan?’ vraag ik.
‘Ik zit op kantoor,’ zegt ze.
‘O, dus wij zien elkaar helemaal niet!’ roep ik eh… teleurgesteld uit.
‘Nee!’
‘Ja, maar ik kom voor jou! Je denkt toch niet dat ik hier voor die sukkels met dat cameraatje ben gekomen.’
‘Ja nee ja eh ha ha ha! Zeg, maar ze komen er aan hoor, over een kwartiertje zijn ze er!’
‘Nou, dat wordt dan drie kwartier.’
‘Nee hoor, ze rijden net weg.’
‘Weet je het zeker? Rijden ze net weg?’
‘Ja, ze zeiden dat ze net weg reden.’
‘Ja, kijk, dat bedoel ik dus: ze zeiden dat…’
‘Okay, ja maar…’
‘Hoorde jij dat ze de wagen startten dan?’
‘Nee, het is een fluisterstille wagen.’
‘En waar stonden ze toen ze wegreden? Stonden ze in de parkeergarage, reden ze net de parkeergarage uit of tuften ze net de weg op?’
‘Ik neem aan dat ze net de weg op reden.’
‘Nou, dat wordt dan veertig minuten, maar dat maakt niet uit joh. Waar moeten ze vandaan komen?’
‘Van de Pasar Malam, daar hebben ze net met Siem Boon gesproken.’
‘O, ik dacht dat ze hier zouden beginnen en dan naar de Pasar Malam zouden gaan. Het is dus andersom! Wise people, het eten is veel beter hier.’

De man met kiespijn stelt me voor aan een man zonder kiespijn maar met zorgen aan zijn hoofd. Toko Toet is namelijk van hem. Hij zit nog net niet tegen een burn out aan, maar hij is wel erg capeh, moe dus, erg moe, hij is zo verschrikkelijk moe, hij zou wel eh… niet moe willen zijn. Ik geef hem een aantal tips, maar in korte vakanties gelooft hij niet. Het lijkt hem het beste om maar te gaan sporten. Dat vind ik ook en eh, zeg nu ik jou toch spreek: Toko Toet lag vroeger toch aan de Leyweg, is het niet zo? Ik moet dat weten, anders kraam ik straks allerlei onzin uit op de televisie. En je weet hoe Indische mensen zijn: die pakken dan pen en papier en sturen je ellenlange epistels met hoe het volgens hun ooit was. In koloniaal handschrift, je weet wel: met veel krullen en tierelantijnen.

Terwijl de vermoeide man me vertelt hoe het allemaal zat, gaat mijn gsm weer af.

‘Halloooooooooooo!’
‘Hey, hi there, hallo, hoe gaat ie achter je peeceetje?’
‘O goed hoor, zeg je begrijpt het wel hè?’
‘Yo ya hoor ik begrijp het, zeg hoe lang moet jij nog (hoe oud ben je, wat ga je vanavond doen, heb je een vriend, gaat ie vreemd die klootzak, hey ben je lekker) eigenlijk?’
‘Pffffff ik zit hier nog de hele avond joh, teevee hè? Maar ze komen eraan hoor, over een kwartiertje.’
‘Okay, over een kwartiertje, maar dat zei je net ook al (baby).’
‘Ja, ik bedoel ze komen over tien minuten, echt, tien minuten, nou goed laten het er elf zijn dan.’
‘All right (baby), don’t worry (baby), ik sta hier lekker te keuvelen met (een paar lekkere babes, ben je nou jaloers?) eh…’
‘Nou joh, anders neem je toch alvast wat.’
‘Welja joh, mooi weer toch?’
‘Ja, nou ik zit hier wel te puffen achter die pc maar ik mag niet klagen hoor, voor hetzelfde geld eh…’
‘Nou?’
‘Eh, o niks joh, ha ha ha! Het is goed joh, hey en zij is ook aardig hoor, echt ze is heel aardig, sorry dat ik er niet bij kan zijn, maar ze is echt aardig hoor.’
‘En wie zijn er nog meer bij dan?’
‘Nou zij dus, en dan de cameraman en Wim Willems.’
‘Okay, en wat doet Wim Willems?’
‘Wim Willems doet de presentatie.’
‘En zij dan?’
‘Zij voert de regie.’
‘En jij?’
‘Ik? Ik bel de hele dag in het rond, wel leuk hoor, ik had net nog een boer aan de lijn die ik niet, dus helemaal niet verstond, ha ha!’
‘Zat ie op de tractor of zo? Zoals ik steeds op de fiets zat als je belde?’
‘Nou, het was wél een soort tractorgeluid maar dat kwam toch écht uit zijn mond, ha ha.’
‘Hey, leuk baantje heb je (baby, zeg ik kap er nou mee hoor, melig gedoe, leidt toch nergens toe, je bent ook veel te jong voor me joh, ik wil trouwens onderhand wel het klooster in, er schijnen aardige in Thailand te staan, met massagekamers en zo, huh huh), echt, leuk baantje heb je, hey keep going hè, toedeloe!’
‘Joehoe! Toedels!’

Drie kwartier na het afgesproken tijdstip komt een busje aangereden. Iemand van de crew slingert zonder te kijken het portier open en een fietser weet het nog maar net te ontwijken. De fietser heeft geen zin om te stoppen om zijn verhaal te gaan halen, hij is wijs en ongetwijfeld blij dat hij nog leeft. Het drietal dat uit het busje komt gestrompeld, ziet eruit alsof ze door de gehaktmolen van de AIVD gehaald is, en anders wel onder een stapel flauwgevallen bejaarde Indo’s uit Australië op de Pasar Malam Besar vandaan heeft moeten kruipen. Moet dát mij komen interviewen? Is ick soo ende diep gesonck?

Nu komt het, let vooral op, in het bijzonder als u wel eens, of vaak, of altijd, televisie kijkt. Ik ga niet zeggen dat de televisie liegt, ik zeg alleen dat de dingen die u op de buis ziet niet altijd de dingen zijn zoals ze zijn. Dat wist u ongetwijfeld al en daarom kijkt u televisie, gewoon omdat u van fictie houdt. Okay, dus u begrijpt dat het mogelijk is dat straks op de televisie de presentator op MIJN fiets aan komt rijden terwijl IK in de toko zit te wachten. Dat shotje moest trouwens één of twee keer over. Wim Willems deed mijn fietsslot niet handig genoeg op slot, het was hem, kortom, aan te zien dat hij al een jaar of twintig niet op een fiets had gezeten. Zijn introbabbel was ook niet al te sterk, uitgeknepen als ie al was van een rondje over de Pasar Malam Besar. Ik vond zijn tweede opkomst sterk genoeg, voor zo ver ik dat kon beoordelen, ik zat namelijk binnen, maar wel dicht bij de open deur. Bij het mislukte shot was ik nog blijven zitten toen hij de toko binnenkwam en wij elkaar begroetten, maar nu dacht ik: kom ik sta eens op, dan maken we er even een real nice entrance van en dan kan die regisseur niet meer zeuren.

Ze bleek geen zeur en ondanks haar vermoeidheid was ze nog alert genoeg om de presentator tijdig af te kappen (regisseurs denken in blokjes, professoren als Wim Willems in colleges) en de boel zo te organiseren dat de sateh kambing op driekwart van de opnametijd werd geserveerd door een levensecht Indisch meisje uit het begin van de vorige eeuw (geen idee hoe ze dat voor elkaar kregen bij Toko Toet) enzovoort. Waar het nou eigenlijk allemaal over ging, dat ben ik onderhand al bijna vergeten. Ja, dat moet. Anders zie je later jezelf terug en zeg je aldoor: ‘Ja, nee hoor, laten ze dít staan en hebben ze dát eruit geknipt!’ Overigens wist ik niet eens waar het allemaal over zou gaan toen ik op de fiets aan was komen rijden. Die joviale meid aan de telefoon had gezegd dat ik één van mijn onvolprezen columns mee moest nemen, wat ik had gedaan, maar ter plekke zei de presentator dat het over mijn boeken moest gaan. Ik had dus mijn boeken mee moeten nemen. Maar als ik mijn boeken mee had genomen, dan zouden ze natuurlijk hebben gevraagd waarom ik mijn gitaar niet had meegenomen.

Enfin, uitzending aanstaande dinsdag. De boel gaat Google Video op, u hoort wel wanneer. Ik ga nu schrijven. Off line. The real stuff.

Indisch Anders

logo alfred birney De jaarlijkse Pasar Malam Besar is op handen, ik zie het aan de bedrijvigheid in de keuken van mijn achterburen een straat verderop. Ze hebben de keuken in een uitbouw achter één van de huizen, die al langer dan een eeuw meegaan. Ooit woonde een familielid van me in die straat. Verder terug in de tijd liet de romanschrijfster Dé-lilah in haar debuutroman Gecompromitteerd (1897) haar heldin er een poosje bivakkeren. Men hield er toen nog huisbedienden op na. Thans zijn de huizen veelal opgesplitst in appartementen. Ik denk dat men toen alle parterres van een uitbouw is gaan voorzien, zeker weten doe ik dat niet. Ze zien er uit als veredelde schuren, er zijn mensen die erin slapen. Maar mijn Chinees-Indische buren gebruiken de uitbouw alleen om te koken, en dan éénmaal per jaar gedurende enkele weken. Dat gaat dag en nacht door en ik weet na acht, negen jaar niet altijd niet wat er nou precies gebakken wordt. Dat het voor een toko op de Pasar Malam Besar is, staat buiten kijf. In het begin slenterde er nog een oude man rond, die om de haverklap door zijn vrouw met de mattenklopper naar binnen werd gejaagd. Toen hij was verdwenen had ze het rijk voor zich alleen, maar ik zie haar nu ook niet meer, misschien ligt ze op sterven of is ze al dood. Het gaat nu heel hard met de Indische mensen van het eerste uur, het lijkt wel alsof ze het leven uit rennen. Inmiddels doet onze – tweede – generatie nog haar best de Indische cultuur dynamisch te houden, zoals met het uitbrengen van de jaarlijkse boekenkrant Indisch Anders. Ik bespreek hierin Theodor Holmans nieuwste roman Tjon. De krant is gratis in toko’s, kiosks en dergelijke verkrijgbaar.

Afwezig

hat logo meneer b De Association Franco-Indonésienne Pasar Malam organiseert vandaag een conferentie over Indonesische literatuur in Parijs met medewerking van de Ambassade de France, de Ambassade d’Indonésie, de Ambassade du Royaume des Pays-Bas, het Centre National du Livre, het DRAC-Ile de France, het Institut Néerlandais, het NLPVF, het Société des Gens de Lettres en de Maison des Cultures du Monde. Nogal een mondvol, maar het gaat om een zit van 10 uur met Seno Gumira Ajidarma, Christiane Chaulet Achour, Claude Hagège, Tewfik Hakem, Fouad Laroui, Waruno Mahdi, Etienne Naveau, Philippe Noble, Brigitte Ouvry-Vial, Nourredine Saadi, Jérôme Samuel, Ayu Utami en Monique Zaini-Lajoubert. Ik hoefde zelf niet aan de conferentie deel te nemen, maar sta op de lijst der eregasten. Ik had de organisatrice graag ontmoet; ze vertaalde eens een verhaal van me, speelt essays van mij door naar andere vertalers en stuurt me soms fijnzinnige mails over literaire kwesties. Ik durfde de reis nog niet aan, al is die kort met de TGV. Mijn herstel komt net te laat voor zo’n enorm lange dag, waar ook nog een diner aan vast geplakt zit. Conferenties hebben als nadeel dat je vaak moet luisteren naar mensen die zichzelf graag horen praten. Een voordeel is dat je er mensen ontmoet naar wie je dolgraag wilt luisteren. Netwerken doe je en passant. Ik miste dit jaar al eerder een conferentie in Portugal. Ik hoorde dat het de mooiste was in de reeks van de Short Story Conferences. Treuren doe ik niet. Ik leef, heb een hartinfarct afgeslagen.

De liefde en de dood

hat logo meneer b F. van den Bosch schrijft in zijn laatste verhalenbundel Aan de oever van ooit en nooit meer hoe een Zweeds familielid van hem samen met mijn grootvader de bankiers van Surabaya voor de gek hielden door hen een goudmijn voor te spiegelen ergens op Borneo. Mijn grootvader nam mooie vrouwen mee op zijn schip tussen Java en Borneo, waar hij en zijn compagnon niet meer dan een baggerschuit hadden liggen… We hebben er hard om moeten lachen, toen het nog niet op papier stond en we elkaar ontmoetten op een feestje, – een bejaarde kwajongen genaamd Frits ploft naast me neer op de sofa, kruipt samenzweerderig dicht tegen me aan en vraagt me of mijn grootvader soms Willem heette. We wisselen lacherig schelmenverhalen uit. Frits houdt zichzelf wakker door de askegel van zijn sigaret als een soort zandloper tussen zijn nicotinevingers te houden. Later ontdek ik Oom James als een steeds terugkerende figuur in zijn verhalenbundels. Oom James wil niet slapen in zijn bed, hij verkiest de sofa, bang voor oorlogstaferelen in zijn nachtmerries. Op een avond wordt hij onwel. Frits en een nichtje van Oom James brengen hem naar zijn bed, waarin hij sterft, terwijl zij de liefde bedrijven op de sofa tussen blauwe kussens met oranje vogels. Wanneer ik op de Pasar Malam Besar in de rol van interviewer op het podium de schrijver F. van den Bosch aan die scène herinner, begint hij te huilen. Anders dan Oom James stierf hij niet in bed. Hij lag ernaast.

Pays-Bas : nouveau membre!




L’association franco-indonésienne
Pasar Malam
souhaite la bienvenue
à


Alfred Alfred Birney Seine Paris 1977 Birney

Quelle prémonition chez le jeune Alfred ! Dès 1977, la première et seule fois qu’il se trouva à Paris, il songeait déjà à devenir membre de Pasar Malam sur le pont de la Tournelle, celui même qui prolonge la rue du Cardinal Lemoine
vers l’Ile Saint Louis …
Savait-il qu’il lui faudrait encore de longues années de gestation, 24 années ?
Voyez la silhouette d’adolescent, blouson en jeans, cheveux longs,
mains posées nonchalamment sur les hanches.
Le doute n’est plus permis !
On voit un Alfred Birney rêver de consacrer une vie entière à la musique,
de devenir un grand joueur de guitare,
un rocker, une star.

Mais le destin s’en est mêlé,
un doigt cassé et la guitare fut professionnellement rangée.

Un écrivain est né.
Alfred Birney fait partie de ceux qui viennent d’ailleurs, quelle que soit la destination. Né dans une famille de planteurs, de père indo-néerlando-chinois, de mère hollandaise, né et élevé aux Pays-Bas, il n’est d’ici, il n’est de là.
Il va donc conquérir un pays qui sera le sien.

Alfred (se) recrée et occupe aujourd’hui une place unique dans le monde littéraire.
Ses thèmes récurrents sont l’aliénation émotionnelle des liens de famille,
l’énigme de ces liens complexes,
l’impossible identification d’une patrie (les Pays-Bas),
d’une métropole (l’Indonésie).

Alfred nous a écrit :
“En ce moment précis, je ne sais pas très bien
que raconter sur moi-même.
Tous ce que je trouve à dire c’est que je suis très heureux de me joindre
aux membres de l’association franco-indonésienne Pasar Malam
parce que je crois que les “Indos”, où qu’ils soient dans le monde,
ont un rôle important à tenir :
ils savent, dans leur chair, ce que c’est que de faire partie
de différents groupes ethniques.
Le métissage sera une question majeure dans l’avenir
et l’histoire du métissage dans les Indes Néerlandaises n’en finit pas.
Beaucoup a été écrit sur ce sujet,
insuffisamment néanmoins, du point de vue eurasien.
Aussi suis-je très content qu’une organisation française ait pu créer des liens avec l’Indonésie, avec l’Asie,
avec des pays ex colonisateurs comme le furent les Pays-Bas.
Sincèrement,
Alfred”

Si vous lisez le néerlandais ou l’indonésien, voyagez avec
Vogels rond een Vrouw – Lalu Ada Burung (Des oiseaux autour d’une femme)
De Onschuld van een Vis – Ikan Tanpa Salah (L’innocence d’un poisson)
Ed. In de Knipscheer – Galang Press

association franco-indonésienne Pasar Malam
association Loi 1901 pour l’amitié entre les peuples français et indonésien
14 rue du Cardinal Lemoine – 75005 Paris
01 56 24 94 53
afi.pasar-malam@wanadoo.fr
Pasar Malam l’Association Franco-Indonesienne

Uitnodiging

logo alfred birney Een mailtje van de krantenredactie. Een zekere meneer, wiens naam ik vast wel ken (nou, niet dus) wil graag mijn telefoonnummer om mij te polsen over deelname aan een forum. Ik mail de redactie terug dat die meneer mij maar een mailtje moet sturen. Het voordeel van e-mail is dat je meteen ziet wat men van je moet. Aan de telefoon moet je vaak een half uur naar iemands gezwets luisteren eer men ter zake komt. Maar meneer heeft zijn paladijnen. Ik krijg iemand van een mij bekende stichting aan de lijn: of een zekere meneer mij mag bellen over deelname aan een forum op de Pasar Malam Besar. ‘O, de Pasar! Goed, zeg die meneer maar dat hij mij kan mailen.’ ‘Meneer houdt niet erg van mailen,’ zegt de stem: ‘hij praat liever.’ Nou, ik zie het al voor me: een inleiding van een uur op een podium, ik mag in twee minuten mijn zegje doen, de anderen idem, er komt wat gelul uit de zaal en je kunt weer naar huis. ‘Zeg meneer maar dat ik niet van telefoneren houd en dat hij mij kan mailen. Mijn e-mailadres is…’ Weken later ontvang ik een mail via mijn mailprovider, die zo vriendelijk is geweest de punt nl achter mijn domeinnaam om te zetten in punt info, want die meneer die zo goed is aan de telefoon denkt dat de hele Nederlandse schrijverswereld een punt nl achter zijn naam heeft staan. Punt nl is voor boeren, meneer! Maar goed, uw mail toont dat u een volhouder bent, u overlaadt mij met maar liefst twee telefoonnummers plus vier websiteadressen, dus u kent het internet wel hè? Moet ik op het podium straks gaan uitleggen ‘hoe Indische kunstenaars binnen het kunstenveld integreren?’ Zegt u mij dat het forum bestaat uit ’intermediairs’ en dat u hoopt ‘nog enkele kunstenaars te vinden die een bijdrage kunnen leveren? Met name als een auteur die zijn Indische achtergrond prominent benoemt en erin is geslaagd zijn naam te vestigen?’ Watte? Hoe bedoelt u: prominent benoemen? Alles goed en wel, maar u rept met geen woord over een honorarium, mijn beste meneer! Eerst dát maar regelen? Okay? Tot later ja? Doei! Hey hoi, bent u daar weer? Watte? Een voorgesprek in Utrecht? Houdt daar de beschaving niet op? Hoe kom ik daar? Met de trein? Kost dat nou joh? Hoezo voorbespreking? Dacht u soms dat ik te voorprogrammeren was? Hey, wie denk je wel niet wie je voor je hebt joh, zakkenwasser! Ik ben toch een gevestigde naam, volgens u? Nou dan. Huldigt u soms de opvatting dat musici, artiesten, de kantinejuf, de portier en uzelf wel betaald moeten worden, maar schrijvers niet? Hallo bent u daar weer, meneer? Als ik het niet dacht! U bericht mij dat ‘niet kan worden voorzien in een honorarium, dit wegens budgettaire omstandigheden…’ Nou joh, dan kan ik toch beter maar een column gaan schrijven. In uw jargon heet dat: integreren binnen het mediaveld. Niet dat ze daar weten wát je waard bent. Maar wel dát je wat waard bent. Lees anders deze column voor joh. Is betaald.

Haagsche Courant, vrijdag 28 mei 2004