Toen ik vanwege een blessure aan mijn linkerhand mijn carrière als gitarist vaarwel moest zeggen en me volledig aan het schrijven kon gaan wijden, hadden de bekendste namen van mijn aanstaande collega’s uit de Indische tak van de Nederlandse letteren hun debuten al het licht doen zien. Ik noem er enkele: Marion Bloem met Geen gewoon Indisch meisje, Frans Lopulalan met Onder de sneeuw een Indisch graf en Ernst Jansz met De overkant.
Deze titels verschenen halverwege de jaren tachtig, een opvallende periode die bol stond van publicaties van Indische schrijvers van de zogenoemde Tweede Generatie. Marion Bloem thematiseerde het Indische identiteitsconflict, Frans Lopulalan portretteerde de Molukse vader en de Molukse gemeenschap in Nederland en Ernst Jansz componeerde een Vatersuche met een compilatie van brieven, anekdotes en een reisverslag.
Had ik aan die boeken nog wat toe te voegen? Wellicht, maar ik was er nog niet aan toe. Je moet maar durven, zo openlijk over dergelijke thema’s te schrijven. En je moet maar willen.
In zekere zin koesterde ik vooroordelen jegens mijn gekleurde generatiegenoten. Waren zij in staat om ook over iets anders te schrijven dan hun Indische achtergrond? Ik huldigde de kunstzinnige opvatting dat wil iemand schrijver zijn, hij of zij ook non-autobiografisch werk moest kunnen schrijven. Schrijven was immers een kunst, je moest desnoods een boeiend verhaal over een theelepeltje kunnen neerpennen.
Met deze opvatting zette ik me feitelijk af tegen mijn eigen generatiegenoten, misschien wat eigenaardig omdat het gebruikelijker is je af te zetten tegen een voorgaande generatie.
Ongetwijfeld zal ik indertijd onder de indruk zijn geweest van schrijvers die een ogenblik uit het leven van een mens kunnen opblazen tot een heel verhaal of boek, zoals Samuel Beckett, Patrick Modiano en Marguerite Duras. Schrijvers bij wie het er in eerste instantie niet om gaat een verhaal te vertellen maar om een al dan niet beredeneerde beleving uit te beelden. Mij trok dus zo ongeveer het tegenovergestelde van de Indische letteren, waarin juist de vertelkunst op de eerste plaats komt.
Toen ik begon aan het boek dat later mijn debuut zou worden, Tamara’s lunapark uit 1987, had ik alleen een gevoelsmatig idee van wat het moest worden. Iemand hopeloos laten dolen in schemerige locaties met veel kunstlicht. Een zwartwit-film in de geest van Orson Welles, maar die achterwaarts verteld wordt. Ik slaagde er heel lang in om autobiografische elementen uit mijn leven verborgen te houden, totdat ik in het zesde hoofdstuk mijn held in een kindertehuis terecht liet komen. Hier faalde ik in mijn poging om puur non-autobiogafisch werk te schrijven. Maar goed, wat zou het, ik had toch maar mooi mijn Indische achtergrond onzichtbaar weten te houden.
Mijn aanstaande uitgever vroeg me waarom ik mijn held geen Indische identiteit had meegegeven. Ik vond het niet ter zake doen, zei ik. Het boek had het helemaal niet nodig. Waarop hij zei dat ik met mijn achtergrond hoe dan ook Indisch was, en dat ik het daarom dus net zo goed wél had kunnen doen.
Ik voelde nog niet dat er iets zinnigs zat in wat hij zei en ik zal hem wel meewarig hebben aangekeken.
Mijn eerste boek werd behoorlijk goed ontvangen. Maar… waarom schrijf je niet over je Indische achtergrond? wilden journalisten weten. Want zo’n vraag lok je kennelijk uit met een foto van een Indo op de achterflap van een boek.
Waarom deed ik zo moeilijk over mijn Indische identiteit? Ik verzweeg dat ik mezelf niet wilde profileren als Indisch schrijver. Omdat dat een beperking in zou houden. Men zou voortaan alleen nog Indische boeken van me eisen. Bovendien dreigde het gevaar van onderschatting. De koloniale én de postkoloniale literatuur worden in Nederland nog altijd niet voor vol aangezien. Beroemde titels als Max Havelaar en De stille kracht staan op zichzelf, zoals alle meesterwerken, daar heb ik het niet over. Maar de Indische tak als geheel wordt in vrijwel elk belangrijk literatuuroverzicht genegeerd. Wie bedenkt dat de geschiedenis van Nederland, Indië en Indonesië pas in 2001 voor het eerst een verplicht eindexamenvak wordt op de middelbare scholen, die zal niet vreemd opkijken dat men wat betreft de aandacht voor de Indische literatuur hopeloos achterloopt.
En dan bestaat er ook nog zoiets als een raciale – ik zeg niet racistische – manier van lezen. Wanneer een totok een Indisch boek schrijft, laten we zeggen Hella Haasse of F. Springer, dan kan zij of hij in een volgende boek naar believen het volgende boek een geheel andere achtergrond meegeven. Andersom ligt het anders. Een Indo die eerst schrijft over hoe ellendig het kan zijn om als gekleurde in een modderpoel als Nederland te moeten leven en opeens in een volgend boek juist over een boerenliefde in de polder gaat schrijven, wordt dan niet meer serieus genomen. De door de pers gewenste thematiek is dan immers verdwenen.
Bent u een Indo? Schrijft u dan dáárover. Jullie de toko, wij het warenhuis. Totoks die toevallig in Indië hebben gezeten of er zijn geboren, stoppen we wel in het pleziervaartuig van de Nederlandse literatuur.
Maar ik wenste van meet af aan de vrijheid die niet-Indische schrijvers ook hebben, dus elk thema te kunnen kiezen dat mij de moeite waard leek. Ik kreeg mijn zin, maar werd daarmee wél een moeilijk te plaatsen auteur. Ik hoorde immers niet thuis in de Indische toko, ook niet in het warenhuis, er waren géén kaartjes voor het pleziervaartuig voor mij weggelegd, dus ik moest maar eens een eindje gaan wandelen.
Nou, met genoegen.
In mijn tweede boek, Bewegingen van heimwee uit 1989 besloot ik om eens mijn tehuisverleden te gaan thematiseren, juist om van die zogenaamde pure fictie los te kunnen komen. Wat gebeurde er? Er sloop een Indische vader als bijfiguur in. Feitelijk beschreef ik mijn eigen vader. De bladzijden die ik aan hem wijdde bleken later de voorbode te zijn op Vogels rond een vrouw uit 1991, mijn derde roman.
Toen ik aan dat boek begon, stond mij een speurtocht naar mijn onbekende Chinese grootmoeder voor ogen. Ik maakte er een reis voor naar Java. Eigenlijk wilde ik om mijn Indische vader heen, vanwege zijn oorlogsverleden, dat zo’n zware druk op het gezin had gelegd. Dat lukte niet en zo kregen uitgever en pers dan toch nog het boek waar zij zolang op had zitten wachten: een onvervalste Indische roman van een lid van de Tweede Generatie Indische schrijvers.
Waarom schrijf je nu opeens over je Indische achtergrond? wilden journalisten weten. Dat deed je eerst toch ook niet? Ja, het is ook nooit goed.
Opvallend was dat juist dit boek veel aandacht kreeg. De pers, de critici en overige beroepslezers konden nu eindelijk eens een verband leggen tussen de inhoud van het boek en het portret van de schrijver op de achterkant.
Als ik dan daar was gekomen waar ik kennelijk moest zijn, dan was ik inhoudelijk toch niet bepaald tevreden met mijn derde boek. Er moest een aanvulling op komen met een andere, minder fraaie kant van de Indische vader, namelijk zijn oorlogsverleden tijdens de Politionele Acties en de Bersiap.
Ik schreef nu zonder enig mededogen over mijn Indische vader. Ik schaamde me er eigenlijk voor en ik hoopte dat het boek, De onschuld van een vis uit 1995, geen succes zou worden. Ik kreeg alweer mijn zin: Adriaan van Dis was mij immers met dezelfde thematiek een paar maanden voor geweest, en had alle aandacht al opgeëist.
Twee van zulke boeken in zo’n kort tijdsbestek zouden de gangbare Nederlandse thema’s wel erg overschaduwen, je zou bijna gaan denken dat ze bang zijn dat Nederland nog altijd niet zonder de kolonie Indië kan. Nederland kan zijn geschiedenis niet vertellen zonder hun 400-jarige aanwezigheid in de Oost, maar critici willen het niet weten. De oorlog met Duitsland krijgt altijd voorrang, daarover kan nog altijd niet genoeg verschijnen.
Wat mijzelf betreft wilde ik terug naar de literaire bron van mijn schrijverschap, moe en innerlijk geradbraakt na het schrijven van zulke gevoelige zaken als het oorlogsverleden van mijn Indische vader. Ik kreeg heimwee naar mijn geliefde verteltechniek in kreeftgang, zoals ik dat in mijn debuutroman toepaste. Zo ontstond het poëtische Sonatine voor zes vrouwen uit 1996, een boek dat werd genegeerd door de recensenten van mijn Indische boeken, uitgezonderd de recensenten die uit België komen, waar ze minder enggeestig mijn boeken het predikaat ‘Nederlands’ of ‘Indisch’ meegeven.
Het kan lang duren eer je erachter komt wat je eigenlijk bezielt om te schrijven. Soms is het voor je ontwikkeling nodig om eens flink wat te gaan lezen, zodat je je plaats duidelijk kunt bepalen. Ik kampte toevallig met geldzorgen en mijn nieuwe uitgever zocht al even toevallig iemand die een bloemlezing Indische literatuur wilde samenstellen. Mijn uitgever kende geen idealisme, hij zag er louter brood in, want elk jaar was er wel een Indisch boek in de toptien te vinden. Van totoks overigens.
Mijn uitgever bood me een bedrag waarvan ik de eerste maanden mijn huur en mijn eten kon betalen, maar het was mijn eer te na om maar even iets in elkaar te flansen. Een bloemlezing uit de Indische letteren moest dan wel een serieuze uitbreiding zijn van wat de nestor van de Indische letteren, Rob Nieuwenhuys, al een kwart eeuw eerder met zijn bloemlezingen had gepresenteerd. Ik haalde mijn boekenkast overhoop en het bleek dat ik met de jaren veel meer Indische literatuur had gelezen dan ik had gedacht. Er zaten namen bij die gemakkelijk konden toegevoegd worden aan wat Rob Nieuwenhuys eerder had gebloemleesd. Maar dat ging mij niet ver genoeg. Ik wilde iets anders.
Ik raadpleegde zogenaamde kenners van de Indische literatuur en vroeg hen of de geschiedenis van de Indo al eens in kaart was gebracht. Nou, als je uit de honderden geschiedenisboeken er een handjevol kon halen, dan was je knap. En in de literatuur bestond er al helemaal niet zo’n overzicht.
Dat verbaasde me. De geschiedenis van de Indo houdt immers niet op bij de onafhankelijkheid van Indonesië, nee, die gaat door tot de dag van vandaag, ín de herinnering én in de ervaring die Indo-kinderen van hun ouders hebben meegekregen.
Ik ben teksten gaan selecteren op hun inhoud en heb de literaire toetsing ondergeschikt gemaakt aan wat ik wilde tonen. Dat werd een heikel punt voor de kenners onder de recensenten, die me nariepen waarom die en die en die niet in de bloemlezing stonden. Hun suffige artikelen irriteerden me dermate dat ik een fel naschrift schreef in de Pasarkrant van 1999. Het is een gratis te verkrijgen krant die tot in alle Indische uithoeken gelezen wordt, dus ook door die recensenten.
Wat is Indische literatuur eigenlijk en wie behoren daartoe te worden gerekend? Dat was het thema van een lezingenmiddag die de Werkgroep Indisch-Nederlandse Letterkunde enkele maanden later in Leiden organiseerde naar aanleiding van ‘een aantal in de laatste jaren verschenen publicaties die grote verschillen van mening blootleggen…’
Ik neem aan dat mijn eigenwijze bloemlezing Oost-Indische inkt uit 1998 ook tot die publicaties behoren. Immers twee panelleden op die lezingenmiddag hadden het boek voor Vrij Nederland en het NRC gerecenseerd en een derde lid, Bert Paasman, had me geholpen met het napluizen van biografische gegevens van enkele onbekende auteurs.
Als schrijver speel ik een enigszins dubbele rol door met de publicatie van mijn bloemlezing enige richting te geven in de canonisering van de Indisch-Nederlandse, Nederlands-Indische, de koloniale, de postkoloniale… kortom: de Indische letteren. Eigenlijk zou je je als schrijver niet moeten bemoeien met literair-wetenschappelijke vraagstukken. Maar een vuurtje opstoken is weleens nodig.
Je blijft toch wel gewoon boeken schrijven, hè?
Jazeker.
Maar zijn die boeken van jou nou Indisch of niet?
Zijn ze het in feite niet altijd? Ja, ik geef het toe: ik heb er zelf óók lang over gedaan om dit antwoord te vinden.
Lezing geschreven voor de Conferentie 30 jaar Studie Nederlands, Universitas Jakarta, 2000
Het Yournael van Cyberney werd in april 2000 onder aanvoering van Alfred Birney gelanceerd en verscheen wekelijks tot aan de boekenweek in maart 2001. Ruim 60 afleverigen van Cyberney (Alfred Birney), Frans Lopulalan, Joyce Bloem, Maureen Birney, Widjajanti Dharmowijono, Guno Jones, Esther Captain en Anyes lieten zien dat er nog veel onbesproken was en is in de Nederlandse taal, juist door hen die een mengcultuur in zich dragen. Het Yournael van Cyberney & Co bracht artikelen en verhalen rond literatuur, kunst, cultuur, fotografie, emancipatie en uitgeverspolitiek in het labyrint van mengculturen in binnen- en buitenland. De bijdragen van Alfred Birney verschenen bewerkt en gebundeld met ander proza in een eenmalige uitgave als alternatief boekenweekgeschenk en tegelijk als feestbundel ter ere van het 25-jarig jubileum van Uitgeverij In de Knipscheer. Bestel het boek hier!
Het Yournael van Cyberney werd in april 2000 onder aanvoering van Alfred Birney gelanceerd en verscheen wekelijks tot aan de boekenweek in maart 2001. Ruim 60 afleverigen van Cyberney (Alfred Birney), Frans Lopulalan, Joyce Bloem, Maureen Birney, Widjajanti Dharmowijono, Guno Jones, Esther Captain en Anyes lieten zien dat er nog veel onbesproken was en is in de Nederlandse taal, juist door hen die een mengcultuur in zich dragen. Het Yournael van Cyberney & Co bracht artikelen en verhalen rond literatuur, kunst, cultuur, fotografie, emancipatie en uitgeverspolitiek in het labyrint van mengculturen in binnen- en buitenland. De bijdragen van Alfred Birney verschenen bewerkt en gebundeld met ander proza in een eenmalige uitgave als alternatief boekenweekgeschenk en tegelijk als feestbundel ter ere van het 25-jarig jubileum van Uitgeverij In de Knipscheer.