Een Indische bladzijde

archipel Toen ik vanwege een blessure aan mijn linkerhand mijn carrière als gitarist vaarwel moest zeggen en me volledig aan het schrijven kon gaan wijden, hadden de bekendste namen van mijn aanstaande collega’s uit de Indische tak van de Nederlandse letteren hun debuten al het licht doen zien. Ik noem er enkele: Marion Bloem met Geen gewoon Indisch meisje, Frans Lopulalan met Onder de sneeuw een Indisch graf en Ernst Jansz met De overkant.

      Deze titels verschenen halverwege de jaren tachtig, een opvallende periode die bol stond van publicaties van Indische schrijvers van de zogenoemde Tweede Generatie. Marion Bloem thematiseerde het Indische identiteitsconflict, Frans Lopulalan portretteerde de Molukse vader en de Molukse gemeenschap in Nederland en Ernst Jansz componeerde een Vatersuche met een compilatie van brieven, anekdotes en een reisverslag.

      Had ik aan die boeken nog wat toe te voegen? Wellicht, maar ik was er nog niet aan toe. Je moet maar durven, zo openlijk over dergelijke thema’s te schrijven. En je moet maar willen.

      In zekere zin koesterde ik vooroordelen jegens mijn gekleurde generatiegenoten. Waren zij in staat om ook over iets anders te schrijven dan hun Indische achtergrond? Ik huldigde de kunstzinnige opvatting dat wil iemand schrijver zijn, hij of zij ook non-autobiografisch werk moest kunnen schrijven. Schrijven was immers een kunst, je moest desnoods een boeiend verhaal over een theelepeltje kunnen neerpennen.

      Met deze opvatting zette ik me feitelijk af tegen mijn eigen generatiegenoten, misschien wat eigenaardig omdat het gebruikelijker is je af te zetten tegen een voorgaande generatie.

      Ongetwijfeld zal ik indertijd onder de indruk zijn geweest van schrijvers die een ogenblik uit het leven van een mens kunnen opblazen tot een heel verhaal of boek, zoals Samuel Beckett, Patrick Modiano en Marguerite Duras. Schrijvers bij wie het er in eerste instantie niet om gaat een verhaal te vertellen maar om een al dan niet beredeneerde beleving uit te beelden. Mij trok dus zo ongeveer het tegenovergestelde van de Indische letteren, waarin juist de vertelkunst op de eerste plaats komt.

      Toen ik begon aan het boek dat later mijn debuut zou worden, Tamara’s lunapark uit 1987, had ik alleen een gevoelsmatig idee van wat het moest worden. Iemand hopeloos laten dolen in schemerige locaties met veel kunstlicht. Een zwartwit-film in de geest van Orson Welles, maar die achterwaarts verteld wordt. Ik slaagde er heel lang in om autobiografische elementen uit mijn leven verborgen te houden, totdat ik in het zesde hoofdstuk mijn held in een kindertehuis terecht liet komen. Hier faalde ik in mijn poging om puur non-autobiogafisch werk te schrijven. Maar goed, wat zou het, ik had toch maar mooi mijn Indische achtergrond onzichtbaar weten te houden.

      Mijn aanstaande uitgever vroeg me waarom ik mijn held geen Indische identiteit had meegegeven. Ik vond het niet ter zake doen, zei ik. Het boek had het helemaal niet nodig. Waarop hij zei dat ik met mijn achtergrond hoe dan ook Indisch was, en dat ik het daarom dus net zo goed wél had kunnen doen.

      Ik voelde nog niet dat er iets zinnigs zat in wat hij zei en ik zal hem wel meewarig hebben aangekeken.

      Mijn eerste boek werd behoorlijk goed ontvangen. Maar… waarom schrijf je niet over je Indische achtergrond? wilden journalisten weten. Want zo’n vraag lok je kennelijk uit met een foto van een Indo op de achterflap van een boek.

Waarom deed ik zo moeilijk over mijn Indische identiteit? Ik verzweeg dat ik mezelf niet wilde profileren als Indisch schrijver. Omdat dat een beperking in zou houden. Men zou voortaan alleen nog Indische boeken van me eisen. Bovendien dreigde het gevaar van onderschatting. De koloniale én de postkoloniale literatuur worden in Nederland nog altijd niet voor vol aangezien. Beroemde titels als Max Havelaar en De stille kracht staan op zichzelf, zoals alle meesterwerken, daar heb ik het niet over. Maar de Indische tak als geheel wordt in vrijwel elk belangrijk literatuuroverzicht genegeerd. Wie bedenkt dat de geschiedenis van Nederland, Indië en Indonesië pas in 2001 voor het eerst een verplicht eindexamenvak wordt op de middelbare scholen, die zal niet vreemd opkijken dat men wat betreft de aandacht voor de Indische literatuur hopeloos achterloopt.

      En dan bestaat er ook nog zoiets als een raciale – ik zeg niet racistische – manier van lezen. Wanneer een totok een Indisch boek schrijft, laten we zeggen Hella Haasse of F. Springer, dan kan zij of hij in een volgende boek naar believen het volgende boek een geheel andere achtergrond meegeven. Andersom ligt het anders. Een Indo die eerst schrijft over hoe ellendig het kan zijn om als gekleurde in een modderpoel als Nederland te moeten leven en opeens in een volgend boek juist over een boerenliefde in de polder gaat schrijven, wordt dan niet meer serieus genomen. De door de pers gewenste thematiek is dan immers verdwenen.

      Bent u een Indo? Schrijft u dan dáárover. Jullie de toko, wij het warenhuis. Totoks die toevallig in Indië hebben gezeten of er zijn geboren, stoppen we wel in het pleziervaartuig van de Nederlandse literatuur.

      Maar ik wenste van meet af aan de vrijheid die niet-Indische schrijvers ook hebben, dus elk thema te kunnen kiezen dat mij de moeite waard leek. Ik kreeg mijn zin, maar werd daarmee wél een moeilijk te plaatsen auteur. Ik hoorde immers niet thuis in de Indische toko, ook niet in het warenhuis, er waren géén kaartjes voor het pleziervaartuig voor mij weggelegd, dus ik moest maar eens een eindje gaan wandelen.

      Nou, met genoegen.

      In mijn tweede boek, Bewegingen van heimwee uit 1989 besloot ik om eens mijn tehuisverleden te gaan thematiseren, juist om van die zogenaamde pure fictie los te kunnen komen. Wat gebeurde er? Er sloop een Indische vader als bijfiguur in. Feitelijk beschreef ik mijn eigen vader. De bladzijden die ik aan hem wijdde bleken later de voorbode te zijn op Vogels rond een vrouw uit 1991, mijn derde roman.

      Toen ik aan dat boek begon, stond mij een speurtocht naar mijn onbekende Chinese grootmoeder voor ogen. Ik maakte er een reis voor naar Java. Eigenlijk wilde ik om mijn Indische vader heen, vanwege zijn oorlogsverleden, dat zo’n zware druk op het gezin had gelegd. Dat lukte niet en zo kregen uitgever en pers dan toch nog het boek waar zij zolang op had zitten wachten: een onvervalste Indische roman van een lid van de Tweede Generatie Indische schrijvers.

      Waarom schrijf je nu opeens over je Indische achtergrond? wilden journalisten weten. Dat deed je eerst toch ook niet? Ja, het is ook nooit goed.

      Opvallend was dat juist dit boek veel aandacht kreeg. De pers, de critici en overige beroepslezers konden nu eindelijk eens een verband leggen tussen de inhoud van het boek en het portret van de schrijver op de achterkant.

      Als ik dan daar was gekomen waar ik kennelijk moest zijn, dan was ik inhoudelijk toch niet bepaald tevreden met mijn derde boek. Er moest een aanvulling op komen met een andere, minder fraaie kant van de Indische vader, namelijk zijn oorlogsverleden tijdens de Politionele Acties en de Bersiap.

      Ik schreef nu zonder enig mededogen over mijn Indische vader. Ik schaamde me er eigenlijk voor en ik hoopte dat het boek, De onschuld van een vis uit 1995, geen succes zou worden. Ik kreeg alweer mijn zin: Adriaan van Dis was mij immers met dezelfde thematiek een paar maanden voor geweest, en had alle aandacht al opgeëist.

      Twee van zulke boeken in zo’n kort tijdsbestek zouden de gangbare Nederlandse thema’s wel erg overschaduwen, je zou bijna gaan denken dat ze bang zijn dat Nederland nog altijd niet zonder de kolonie Indië kan. Nederland kan zijn geschiedenis niet vertellen zonder hun 400-jarige aanwezigheid in de Oost, maar critici willen het niet weten. De oorlog met Duitsland krijgt altijd voorrang, daarover kan nog altijd niet genoeg verschijnen.

      Wat mijzelf betreft wilde ik terug naar de literaire bron van mijn schrijverschap, moe en innerlijk geradbraakt na het schrijven van zulke gevoelige zaken als het oorlogsverleden van mijn Indische vader. Ik kreeg heimwee naar mijn geliefde verteltechniek in kreeftgang, zoals ik dat in mijn debuutroman toepaste. Zo ontstond het poëtische Sonatine voor zes vrouwen uit 1996, een boek dat werd genegeerd door de recensenten van mijn Indische boeken, uitgezonderd de recensenten die uit België komen, waar ze minder enggeestig mijn boeken het predikaat ‘Nederlands’ of ‘Indisch’ meegeven.

Het kan lang duren eer je erachter komt wat je eigenlijk bezielt om te schrijven. Soms is het voor je ontwikkeling nodig om eens flink wat te gaan lezen, zodat je je plaats duidelijk kunt bepalen. Ik kampte toevallig met geldzorgen en mijn nieuwe uitgever zocht al even toevallig iemand die een bloemlezing Indische literatuur wilde samenstellen. Mijn uitgever kende geen idealisme, hij zag er louter brood in, want elk jaar was er wel een Indisch boek in de toptien te vinden. Van totoks overigens.

      Mijn uitgever bood me een bedrag waarvan ik de eerste maanden mijn huur en mijn eten kon betalen, maar het was mijn eer te na om maar even iets in elkaar te flansen. Een bloemlezing uit de Indische letteren moest dan wel een serieuze uitbreiding zijn van wat de nestor van de Indische letteren, Rob Nieuwenhuys, al een kwart eeuw eerder met zijn bloemlezingen had gepresenteerd. Ik haalde mijn boekenkast overhoop en het bleek dat ik met de jaren veel meer Indische literatuur had gelezen dan ik had gedacht. Er zaten namen bij die gemakkelijk konden toegevoegd worden aan wat Rob Nieuwenhuys eerder had gebloemleesd. Maar dat ging mij niet ver genoeg. Ik wilde iets anders.

      Ik raadpleegde zogenaamde kenners van de Indische literatuur en vroeg hen of de geschiedenis van de Indo al eens in kaart was gebracht. Nou, als je uit de honderden geschiedenisboeken er een handjevol kon halen, dan was je knap. En in de literatuur bestond er al helemaal niet zo’n overzicht.

      Dat verbaasde me. De geschiedenis van de Indo houdt immers niet op bij de onafhankelijkheid van Indonesië, nee, die gaat door tot de dag van vandaag, ín de herinnering én in de ervaring die Indo-kinderen van hun ouders hebben meegekregen.

      Ik ben teksten gaan selecteren op hun inhoud en heb de literaire toetsing ondergeschikt gemaakt aan wat ik wilde tonen. Dat werd een heikel punt voor de kenners onder de recensenten, die me nariepen waarom die en die en die niet in de bloemlezing stonden. Hun suffige artikelen irriteerden me dermate dat ik een fel naschrift schreef in de Pasarkrant van 1999. Het is een gratis te verkrijgen krant die tot in alle Indische uithoeken gelezen wordt, dus ook door die recensenten.

      Wat is Indische literatuur eigenlijk en wie behoren daartoe te worden gerekend? Dat was het thema van een lezingenmiddag die de Werkgroep Indisch-Nederlandse Letterkunde enkele maanden later in Leiden organiseerde naar aanleiding van ‘een aantal in de laatste jaren verschenen publicaties die grote verschillen van mening blootleggen…’

      Ik neem aan dat mijn eigenwijze bloemlezing Oost-Indische inkt uit 1998 ook tot die publicaties behoren. Immers twee panelleden op die lezingenmiddag hadden het boek voor Vrij Nederland en het NRC gerecenseerd en een derde lid, Bert Paasman, had me geholpen met het napluizen van biografische gegevens van enkele onbekende auteurs.

      Als schrijver speel ik een enigszins dubbele rol door met de publicatie van mijn bloemlezing enige richting te geven in de canonisering van de Indisch-Nederlandse, Nederlands-Indische, de koloniale, de postkoloniale… kortom: de Indische letteren. Eigenlijk zou je je als schrijver niet moeten bemoeien met literair-wetenschappelijke vraagstukken. Maar een vuurtje opstoken is weleens nodig.

      Je blijft toch wel gewoon boeken schrijven, hè?

      Jazeker.

      Maar zijn die boeken van jou nou Indisch of niet?

      Zijn ze het in feite niet altijd? Ja, ik geef het toe: ik heb er zelf óók lang over gedaan om dit antwoord te vinden.

* * *

Lezing geschreven voor de Conferentie 30 jaar Studie Nederlands, Universitas Jakarta, 2000

Het Yournael van Cyberney werd in april 2000 onder aanvoering van Alfred Birney gelanceerd en verscheen wekelijks tot aan de boekenweek in maart 2001. Ruim 60 afleverigen van Cyberney (Alfred Birney), Frans Lopulalan, Joyce Bloem, Maureen Birney, Widjajanti Dharmowijono, Guno Jones, Esther Captain en Anyes lieten zien dat er nog veel onbesproken was en is in de Nederlandse taal, juist door hen die een mengcultuur in zich dragen. Het Yournael van Cyberney & Co bracht artikelen en verhalen rond literatuur, kunst, cultuur, fotografie, emancipatie en uitgeverspolitiek in het labyrint van mengculturen in binnen- en buitenland. De bijdragen van Alfred Birney verschenen bewerkt en gebundeld met ander proza in een eenmalige uitgave als alternatief boekenweekgeschenk en tegelijk als feestbundel ter ere van het 25-jarig jubileum van Uitgeverij In de Knipscheer. Bestel het boek hier!

Apartheid in de literaire kritiek

Korte verhalen hebben hun geschiedenis. Wilde je halverwege de jaren zeventig schrijver worden, dan stonden de regels al vast. Ideaal was om met poëzie te beginnen, je vervolgens aan het korte verhaal te wijden en dan de sprong te maken naar de roman. Die route, zeiden ze, hadden de huidige arrivés bijna allemaal afgelegd. Poëzie als stijloefening, het korte verhaal als vingeroefening. Natuurlijk werd de poëzie hier heel braaf beschouwd als de hoogste vorm van literaire kunst, maar het waren vooral de romans waarover in de literaire salon werd gesproken. Tussen de genres in lag het niemandsland van het korte verhaal: speelplaats voor debutanten.

Als er één positief aspect aan de traditionele route van de schrijver kleefde, dan was het wel dat er bijzonder werd gelet op stijl. Helaas verstond men onder stijl voornamelijk een erudiete manier van schrijven. Wist je te suggereren dat je je klassieken goed kende, door middel van speelse verwijzingen bijvoorbeeld, dan zat je goed. Je bewees dan in elk geval dat je niet van de straat was. Uiteraard met de westerse klassieken in je bagage, de rest van de wereld telde niet mee.

Het was een tijd waarin men niet meer sprak over een kort verhaal maar over een tekst. Je leverde dus een tekst in bij een literair tijdschrift. De redacteuren van die tijdschriften, meestal zelf schrijvers, bekeken de tekst en retourneerden je die met een opmerking over je stijl, in het beste geval met de uitnodiging nog eens wat in te sturen. Een verhaal waarin iets verteld werd, heette anekdotisch, was een zonde en ging rechtstreeks naar de hel van de prullenbak. Pas met een verhaal waarin niets gebeurde, bewees je te kunnen schrijven, juist door niets te laten gebeuren.

Een debuut in een van de literair tijdschriften was belangrijk. Die werden immers uitgegeven door de grote uitgeverijen in Amsterdam. Daar konden ze dan je ontwikkeling als schrijver op de voet volgen en kijken of er al iets over je geschreven werd in de kranten en de invloedrijkste recensenten je misschien al in hun vizier hadden. Was dat het geval, dan kon je eens komen praten. Snel waren ze niet met publiceren. Jij was de wijn die in hun kelders moest rijpen. En wel zo, dat je je enigszins ontwikkelde naar hun normen. Immers: jij was voorbestemd tot hun stal, jou wachtte het keurmerk van hun label, jouw paspoort naar de literaire pers.

In die tijd zag je geen schrijvers uit minderheidsgroeperingen bij de gevestigde uitgeverijen debuteren. Die schrijvers spraken een ander soort Nederlands, en, wat erger was: zij hadden werkelijk iets te vertellen, vooral verhalen die men hier liever niet hoorde of die hen eenvoudig onverschillig liet. Deze schrijvers konden terecht bij de kleinere, idealistische uitgevers, die hen later op hun beurt weer zagen vertrekken naar de rijkere uitgevers, toen die eenmaal geld begonnen te ruiken.

In de jaren zeventig kon een roman of verhalenbundel zeven jaar op de schappen van de winkels liggen wachten om ontdekt worden door het publiek. Momenteel is dat zeven weken. Eerst daalde het proces naar twee jaar in de jaren tachtig, toen het literaire bedrijf big business begon te worden. Literaire tijdschriften werden voortaan doorgebladerd op korte verhalen. Voor de poëzie was dit een harde klap.

Kreeg daarmee het korte verhaal een herwaardering? Integendeel, want je hoefde er maar één schrijven, als een soort proefwerk. Eén goed kort verhaal was voldoende voor een contract en moest desnoods een hele bundel vol haastwerk en troep dragen. Zo’n debuut was meer dan ooit een sprong naar de roman: het genre waar het uiteindelijk om ging en waar het heden ten dage vrijwel alleen nog maar om draait.

Inmiddels heeft het korte verhaal als examenstuk of paspoort afgedaan. En schrijvers worden minder dan ooit beoordeeld op hun werk alleen: hun imago telt zwaar. Imago’s hebben een gezicht en kunnen het stellen met, als het moet, nog minder inhoud dan een literaire vingeroefening. De fusten in de kelders van de literaire tijdschriften zijn ernstig begonnen te rotten, uitgevers zijn achter hun redactiebureaus vandaangekomen en naar buiten gegaan om in jeugdhonken en universiteitskantines de vangnetten uit te werpen.

Op zich is het vreemd dat in het huidige tijdgewricht, waarin informatie met de dag toeneemt, en mensen ook steeds meer informatie uit verschillende kanalen tot zich willen nemen, dat juist nu het korte verhaal weinig serieus genomen wordt. Ik maak me sterk dat al die kopers van die lijvige megasellers, en al die recensenten die die boeken bespreken niet ook ‘s avonds naar de televisie kijken, een uurtje gaan surfen op het Internet, naar de kroeg gaan en concerten bezoeken, of musea, tentoonstellingen en wat er al niet bij een zogenaamd cultureel leven hoort. In zo’n manier van leven zou toch juist het genre van het korte verhaal uitstekend passen.

Het klinkt misschien vreemd, maar een lijvige roman kan zich sneller laten lezen dan een verhalenbundel, interpreterenderwijs welteverstaan, met wat geblader door de minder sterke pagina’s. Een verhalenbundel laat zich moeilijker veroveren: de lezer moet bij elk verhaal als het ware aan een nieuw boek beginnen. En een goed verhaal kent geen zinnen en als helemaal geen bladzijden die men kan overslaan.

Een bundeling van korte verhalen van één schrijver eist meer tijd, aandacht en kundigheid van de recensent om er iets zinnigs te kunnen zeggen. Een aanwijzing hiervoor is de grotere aandacht die anthologieën krijgen. De recensent pikt er een paar schrijvers uit en laat de rest voor wat het is. Mijn verhalenbundel Fantasia heeft na lezing door een recensent nog een aardig verhaal opgeleverd. Daarover straks meer.

Toen ik serieus begon te schrijven, dat wil zeggen, schrijven met het oog op publiceren, had ik een probleem. Het klinkt misschien wat dubbel, maar ik had een vrij groot arsenaal waaruit ik kon putten. Complex ook. Mijn vader was afkomstig uit het voormalige Nederlands-Indië, mijn moeder uit Nederland. Ze ontmoetten elkaar na de Tweede Wereldoorlog in Nederland en gaven mij daar het leven, of het leven mij, een vraag die onuitgesproken in mijn hele literaire werk doorklinkt.

Laat ik nog even bij mijn ouders blijven. In de meeste gevallen lag de verhouding als volgt waar het om een interraciaal huwelijk ging: de man was een Hollander, de vrouw een al dan niet gemengdbloedige uit Nederlands-Indië. Bij mijn ouders lag dat andersom. Mijn moeder werd als blanke vrouw met argusogen bekeken wanneer ze met haar bruine kroost over straat ging. En mijn vader werd beschouwd als een exotisch dier dat er eigenlijk maar beter aan deed naar zijn geboorteland op te krassen, en al helemaal met zijn tengels van een blanke vrouw af te blijven.

Dat hij als gemengdbloedige Indo-Europeaan reeds in Nederlands-Indië een Europees paspoort had en in zijn patriottistische hoedanigheid aan de kant van de Nederlanders had gevochten tijdens de vrijheidsstrijd van de Indonesiërs, daar wist men hier in Holland niets van af. Zij hadden de Duitse bezetting gehad en iedereen met een andere geschiedenis werd niet gehoord, en al helemaal niet als aan die geschiedenis iets ‘koloniaals’ kleefde. Dat Nederland haar welvaart voor een groot deel juist aan die voormalige kolonie Nederlands-Indië had te danken, werd voor het gemak maar even niet onderwezen op de scholen.

De oorlog in Nederlands-Indië – eerst de Japanse bezetting, daarna de Indonesische vrijheidsstrijd en ten slotte de uittocht van 300.000 Indo-Europeanen die de wijk naar Nederland namen – had mijn vader dermate getraumatiseerd dat het hem niet meer gegeven was zoiets als een normaal gezinsleven te leiden. Problemen in het Hollandse maatschappelijke leven, zo anders dan in zijn geboorteland, communicatieproblemen met zijn vrouw, al spraken ze dezelfde taal, racisme die ook zijn kinderen moesten ondergaan, en vooral de achtervolgingswaan die hem parten speelde, maakte hem bij tijd en wijlen onmogelijk om mee te leven.

Het idee dat een harde opvoeding zijn kinderen later weerbaar zou maken, dreef hij te ver door. Zijn rigide lijfstraffen pasten nauwelijks in de cultuur waarin hij terecht was gekomen. En zijn gekte al helemaal niet. Ik was dertien toen ons gezin uiteenviel en moest, met mijn twee broertjes en twee zusjes, mijn verdere jeugd in tehuizen doorbrengen.

Een nieuw leven, ver weg van de verhalen over de oorlog, die mijn vader dagelijks na het eten als dessert op onze borden had gekwakt. Een ander rumoer kwam er voor in de plaats: de hardheid binnen tehuismuren, waar ongeschreven wetten zwaarder telden dan geschreven wetten, waar je moest vechten voor je plaats temidden van twaalf jongens per afdeling, die door één groepsleider in toom gehouden moesten worden. Een ander bestaan, niet minder wereldvreemd dan het leven in het vroegere gemengd-culturele gezin, waarin cultuurbotsingen en verhuld racisme tussen echtelieden voor een kind nauwelijks te bevatten waren.

Op mijn achttiende jaar had ik dus mijn eigen beladen tehuisverleden en droeg ik ook nog dat van mijn ouders vroeger thuis en dat van mijn vaders oorlog in Nederlands-Indië met me mee.

Verder zag de wereld er ook nog eens lelijk uit. Ik was onderhand tenminste de bomen en de velden rond de muren van het tehuis gaan liefhebben. Nu zwierf ik van stad naar stad en verafschuwde ik elke plek waar ik terechtkwam. Het zou nog tien jaar duren eer ik de rust vond ergens langer dan een seizoen te wonen. En zo vond ik ook de rust te gaan schrijven, ik was dertig inmiddels, het werd eens tijd. Maar waarover moest ik nou gaan schrijven?

Een slechte jeugd is een goudmijn voor een schrijver, zeggen ze. Dat betekent niet dat je ermee kunt volstaan je handen aan het papier af te vegen. Voor wie zijn of haar levensverhaal wil vertellen, kan eventueel zonder veel liefde voor het schrijversambacht dat verhaal gratuit op papier smijten en er de loterij van de boekentoptien mee in. Daarvoor is de roman een uitstekend middel. Zeker in de huidige tijd, waarin een boek vooral dik, om niet te zeggen lijvig moet zijn.

Veel woorden over een catchy issue tegen een aantrekkelijke verkoopprijs. Zulke boeken zetten zelfs de meest vooraanstaande critici op het verkeerde been. Je vindt ze veel onder de huidige bestsellers. Sommige komen gelukkig van immigranten en immigrantenkinderen en worden bejubeld, niet zozeer vanwege de literaire waarde, waar men anders de mond vol van heeft, maar denkelijk vanwege de antipropaganda die zulke boeken impliciet bevatten.
Nederlandse critici zijn vrijwel allemaal blank en ik hoor ze zachtjes jubelen: zie je wat voor prachtig democratisch en openminded land wij zijn? Ze wijden hele krantenpagina’s aan één zo’n boek, waarmee ze zichzelf profileren als progressief dan wel als cultureel correct en gaan de volgende dag weer verder met hun geleuter in hun traditionele westerse denken en vooral hun voelen.

Natuurlijk worden er nog altijd verhalen gepubliceerd. Maar dan vooral verzamelde werken van nog levende romanciers die tussen de bedrijven door even hun vingers warm willen houden en liefdeloos hun metroproza voor kranten en weekbladen schrijven, verhalen die je als een hamburger tussen halte 1 en 3 even tot je neemt. Verhalen die naar niks smaken, maar waar althans een beroemde naam boven staat. Het zijn dikke bundels en worden in hardcover voor spotprijzen aangeboden onder titels die tot dan toe alleen verzamelde werken sierden. Het enige aardige is dat zo’n schrijver niet meer eerst hoeft dood te gaan voor er een dergelijk overzicht verschijnt. Minder prettig is, dat het verhaal bijkans alleen nog in honderdtallen gesleten kan worden. Als schrijvers en uitgevers zelf het korte verhaal niet echt meer serieus nemen, ja dan kunnen de recensenten moeilijk achterblijven.

Ik wil niet direct een lans breken voor de overdreven en veelal harkerige stijloefeningen die ooit veel van de literaire tijdschriften bijkans onleesbaar maakten. Woordkunst zonder een duidelijke verhaallijn kan boeiend zijn, maar dan vooral voor wie wil leren schrijven of voor wie intussen zo veel heeft gelezen dat alleen virtuositeit nog kan bekoren.

Toen ik mijn eerste verhalen begon te schrijven, hield ik me veel bezig met vorm en stijl. Die manier van werken bood me het grote voordeel om me niet met het verleden van mijzelf, mijn moeder of mijn vader en zijn plantersfamilie uit Nederlands-Indië bezig te hoeven houden, en al helemaal niet met zoiets als mijn huidskleur.

Ook ik heb geleerd een tekst te schrijven met een dédain voor het narratieve element. Ik heb er geen gewoonte van gemaakt, want ik wilde gaan vertellen, het moest eruit. Dus ben ik gaan zoeken naar een balans tussen vorm en inhoud. Zoek ik dan naar zoiets als het literaire midden? Nee, ik probeer talent en bagage te verenigen. Waarmee het volgende probleem in de receptie optreedt:

Recensenten lijken te beschikken over een linkeroog voor vorm en een rechteroog voor inhoud. Met het linkeroog bekijken ze de verhalen van ‘autochtone’ schrijvers. Met het rechteroog de verhalen van die men hier ‘allochtonen’ noemt (om niet het woord ‘immigrant’ of ‘immigrantenkinderen’ te hoeven gebruiken, wat kennelijk not done en wat mij betreft tamelijk schijnheilig is). Het linkeroog kent een literaire norm. Het rechteroog merkt de werken van immigranten uit niet westerse culturen op, herkent het nog niet en geeft het het voordeel van de twijfel. Zodra beide ogen samen moeten kijken naar het werk van schrijvers die, al is het in de tweede graad, een mengcultuur in zich dragen, gaan ze scheel zien.

Verhalen uit de Nederlandse literatuur die zich afspelen in de lage landen, zijn doorgaans saai. De thema’s verschillen nauwelijks van die uit de andere Europese literaturen. Op zich interessant, maar veel Nederlandse verhalen missen brille, hebben geen schwung, wel emotie maar geen gevoel. De koloniale letteren zijn lang zo saai niet. Het is niet toevallig dat de Nederlandse meesterwerken met de langste adem in Nederlands-Indië spelen. Het zijn de pijlers waarop de Nederlandse literatuur rust: boeken die een Europese vorm en perspectief paren aan een, zeg, exotische inhoud.

Over het leven aan de andere kant van de oceaan viel dan ook meer te vertellen. De kolonie verleidde de Nederlanders tot uitspattingen die in het moederland onacceptabel zouden zijn geweest. Je hoeft maar enkele verhalen uit de koloniale letteren te lezen en losbandigheid, zedeloosheid, corruptie, vrouwenhaat, moordzucht, machtswellust, tovenarij, racisme, seksisme, taalstrijd, spot en laster slaan je tegemoet.

Zijn dat nou de motieven die ze ook van een postkoloniale auteur verwachten? In zekere zin wil men er een vervolg op zien, maar dan wél het liefst in problematisch perspectief. Ben je van gemengde afkomst, dan moet je daar een probleem mee hebben. Zo niet, dan speel je niet mee.

Waarmee een bekend dilemma aan den dag treedt: representeer je een groep of jezelf? In mijn geval: representeer je de Indische groep van je vader, de Hollandse groep van je moeder of beide? Op grond van mijn uiterlijk is het eerste gewenst, niet direct het tweede.

Zo kom je op de vraag: als je beide groepen representeert, doe je jezelf en je kunstenaarschap dan daarmee vanzelfsprekend het meeste recht? Ik draai het liever om en zeg dat ik hoe dan ook beide groepen representeer, zo lang ik trouw blijf aan mezelf. Dat lijkt mij althans vanzelfsprekend.

Waarom geef jij je verhaal geen Indo-Europese achtergrond mee? Die vraag werd mij gesteld toen ik in een tijdschrift debuteerde waarin plaats was voor verhalen waarin ook nog iets verteld mocht worden. Mijn antwoord luidde dat er voor mij geen reden was het verhaal van een Indisch behang te voorzien. Omdat het verhaal dat niet nodig had, er niet om vroeg.

Toen ik daarna een verhaal over een roots-reis naar Indonesië in een krant publiceerde, luidde de vraag: waarom schrijf je nu over je Indo-schap? Dat deed je eerst toch ook niet? Kortom: zwijgen over mijn Indische achtergrond riep een kennelijk dwingende vraag op en het tegenovergestelde ook. Achter die vraag schuilt de eis dat je één van beide groepen vertegenwoordigt. Beide groepen tegelijk vertegenwoordigen wordt (onbewust?) gezien als vals spel, onduidelijk gedrag, op zijn ergst als verraad.

Elke lezer kent het fenomeen van zich willen verzetten wanneer je een verhaal begint te lezen. Dat is de gewone uitdaging van de lezer aan het verhaal: kom op, verover me maar. Hier gaat het om een ánder verzet. Ze willen niet veroverd worden, ze willen gewoonweg lezen wat ze van je willen lezen.

Voor mijn verhalenbundel Fantasia uitkwam had ik louter romans gepubliceerd. Afgaande op de receptie van mijn romans was één ding duidelijk geworden: er waren recensenten die alleen mijn ‘Nederlandse’ romans bespraken en er waren er die alleen voor mijn ‘Indische’, of ‘postkoloniale’ romans belangstelling hadden. Uitzonderingen op die apartheid zaten niet in Nederland maar in België, waar men dezelfde taal spreekt als hier maar althans niet zit opgezadeld met een koloniaal verleden in de Oost, om maar even te zwijgen over hun eigen koloniale verleden in Congo.

Recensenten die de vinger wisten te leggen op één overkoepelend thema dat in ál mijn verhalen en romans terugkeert, kwamen dus uit het buitenland. Zij noemen het eenvoudig ‘vervreemding’, een thema dat terug is te vinden in de hele wereldliteratuur. Dat thema kan verbonden worden met kwesties rond iemands afkomst, verleden, sekse, seksuele geaardheid, neurosen, fantasieën, gekte, kortom met alles wat je je maar kunt indenken. Vervreemding kent geen vasteland, vervreemding zoekt ernaar. En zolang het niet gevonden is, is de vervreemding het vasteland zelf.

Natuurlijk heeft de lezer het recht de vervreemding die mijn protagonisten beheerst, te kunnen plaatsen. Ik geef die lezer althans het vasteland van de taal en het verhaal. Maar de recensent, de beroepslezer, wil meer. Die wil op zijn beurt de lezer tonen dat hij de schrijver die hij bespreekt volledig begrijpt dan wel doorziet. Daarom zijn schrijvers die zich op welke manier dan ook duidelijk profileren voor hen gemakkelijker te bespreken dan zij wier werk een persoonlijke synthese ademen van diverse culturele invloeden die zij hebben ondergaan.

Wanneer ik een verhaal schrijf zonder een expliciet Indisch accent, dan is dat verhaal nog altijd geschreven door iemand die Indische accenten in zich draagt. Vanuit mijn achtergrond leg ik vanzelfsprekend andere accenten, ook zónder die achtergrond expliciet te berde te brengen. En dát is nu juist iets waar men geen oog voor heeft of wenst te hebben.

Ik vind niet dat ik, om maar wat te noemen, een spookverhaal tegen een Indische achtergrond hoef te plaatsen om het voor een Nederlandse lezer geloofwaardiger te maken. Een spookverhaal is in Indische kringen niets bijzonders, in Nederlandse kringen nog altijd wel. Daarom moeten spookverhalen bij voorkeur uit het buitenland komen. Of van een schrijver zoals ik, maar dan wél geplaatst in een Indisch kader. Dan kunnen ze je een plaats geven en vorm je verder geen bedreiging voor de ‘autochtone’ auteurs, die zo hun eigen thema’s hebben en die men kennelijk voor die groep gereserveerd wenst te houden. Wij de magie, zij de liefde.

In het hedendaagse Nederland, waar men de mond vol heeft van ‘multiculturele uitingen’, wordt een separatisme gehandhaafd die teruggaat tot ver in de koloniale geschiedenis van het land. Niet wenst men hier tot zoiets als wederzijdse beïnvloeding te komen. Nee, men wenst dat iedereen zijn eigen cultuur binnenskamers houdt. Men kan dat aflezen aan de boeken van, daar gaan we weer, ‘autochtone’ schrijvers, die in een periode waarin de discipline ‘filosofie’ mode was, bol stonden van de verwijzingen naar de meest uiteenlopende Westerse filosofen. Oosters gedachtegoed wordt in het beste geval beschouwd als een aardige uiting van een andere cultuur, passend bij ‘allochtone’ schrijvers. Zij mogen sprookjes vertellen, Hollandse rivieren verleggen en geesten over de Amsterdamse grachten laten zweven.
De ‘autochtone’ schrijver die dat doet, wordt gestraft dan wel overdreven bejubeld, vooral als hij of zij als blanke dat ‘goede oude Nederlands-Indië’ nog heeft meegemaakt en er nog maar eens, als de zoveelste in vier eeuwen letterkunde, de Eurocentrische blik over laat schijnen.

Ik vraag me af wat de recensenten zouden doen met een liefdesverhaal spelend in de Hollandse polder, geschreven door een Marokkaan. Misschien toch maar heel hard juichen omdat nu dan eindelijk die langverwachte multiculturele droom gestalte heeft gekregen in de Nederlandse letteren? Daar zullen ze dan toch zeker eerst een symposium over willen beleggen. Even elkaar besnuffelen om te zien of er geen luchtje van schaamte rond hun zetels hangt.

Als schrijver met een Indische achtergrond, geboren en getogen in Nederland, feitelijk ‘autochtoon’ noch ‘allochtoon’, ben ik belast met het erfgoed van mijn vader én dat van mijn moeder: een Indo uit het voormalige Nederlands-Indië en een schoenmakersdochter uit het zuiden van het land. Ik herinner me dat mijn Nederlandse grootvader mij als kind spijkertjes liet wegen in zijn schoenmakerij. Die werden voor 15 cent per zakje verkocht aan arme mensen die zelf hun schoenen moesten repareren.

Ik zie na twaalf jaar schrijversschap nog altijd geen noodzaak om een jongetje dat in de schoenmakerij van zijn grootvader spijkertjes staat te wegen, een Indische achtergrond mee te geven. Ik heb weliswaar de keus, afhankelijk van wat ik wil tonen. Maar elke keus houdt in het huidige tijdsgewricht een diskwalificatie in. Geef ik het jongetje een bruin gezicht, dan tel ik niet meer mee met de Nederlandse letteren. Geef ik het jongetje een wit gezicht, dan tel ik niet mee met de Indische of postkoloniale letteren.

Tot nog toe heb ik het meestal zó gedaan: mijn protagonisten géén gezicht meegegeven. Wat ik ze áltijd heb meegegeven is een gevoel van vervreemding, met de achterliggende vraag: wat doe ik hier?

Als schrijver wens ik uiteraard te worden beoordeeld op mijn kunstenaarschap en niet op mijn afkomst, die in vette letters in een flaptekst op mijn boeken komt te staan. Die behandeling geven ze blanke schrijvers ook niet wanneer ze eens zin hebben een verhaal in het voormalige Nederlands-Indië te situeren. Ja, hen wordt zoiets zonder meer toegestaan en daarna mogen ze weer overgaan tot de orde van de dag. Leest u die laatste vier woorden nog maar eens.

U heeft nog een verhaal van mij tegoed. Toen mijn verhalenbundel Fantasia op de markt kwam, bleven de recensies vrijwel uit. Dat overkomt wel meer schrijvers, verhalenbundels zijn niet populair bij recensenten, maar zo’n magere ontvangst was ik toch niet gewend.

In die periode maakte ik kennis met het Internet. Mijn broer bouwde een website voor me en er begonnen e-mails binnen te rollen. Op zekere dag meldde zich een recensent. Hij wilde alleen maar even zeggen dat hij mijn website zo mooi vond.

Nou, dank u wel.

Er ontwikkelde zich een correspondentie per e-mail en hij liet zich ontvallen dat hij binnenkort aan mijn verhalenbundel zou beginnen. Een tijdlang hoorde ik niets. Toen mailde hij me dat hij mijn verhalenbundel had gelezen, dat hij had genoten van de stijl maar dat hij zo gauw niet wist wat hij erover moest schrijven.

Waarom niet? Nou, hij had geen kapstok om de verhalen aan op te hangen. De recensent gaf me het advies om voortaan bij elke nieuwe uitgave met een persmap te komen, liefst met een review van mijn oudere werk waartegen het nieuwe werk geplaatst kon worden. Kortom hij vroeg me of ik voortaan niet zelf alvast de helft van zijn recensie wilde schrijven, dan maakte ik het hem een stuk eenvoudiger. Ik had het al vermoed, dat ze lui waren, die recensenten.

Ik heb de man, die overigens behoort tot de groep van recensenten die alleen mijn postkoloniale boeken bespreken, geen sleutel tot mijn verhalen gegeven. Dat was mijn eer te na. Een recensent moet mijn verhalen waardig zijn, behoort de kunst van het lezen te verstaan.

Wat is een goede lezer? Eén die niet alleen met de ogen maar ook met het gevoel leest. Ik vertrouw op mijn publiek. Dat kan mijn verhalen waarderen zonder verhaaltheoretische kennis, zelfs zonder kennis van de achtergronden van de mengcultuur die een schrijver indirect representeert. Kwestie van openstaan. Voor wat mijn recensenten aangaat, die mijn persoonlijke vervreemding alleen maar bevestigen, veronderstelt dat onderhand wel het aanleren van een andere manier van lezen. Waarmee de vraag blijft wie van de beroepslezers bereid is opnieuw te leren lezen.

Oorspronkelijk geschreven voor de Amerikaanse lezer naar aanleiding van de Sixth International Conference on the Short Story, october 2000, Iowa, USA.

* * *

alfred birney yournael van cyberney Het Yournael van Cyberney werd in april 2000 onder aanvoering van Alfred Birney gelanceerd en verscheen wekelijks tot aan de boekenweek in maart 2001. Ruim 60 afleverigen van Cyberney (Alfred Birney), Frans Lopulalan, Joyce Bloem, Maureen Birney, Widjajanti Dharmowijono, Guno Jones, Esther Captain en Anyes lieten zien dat er nog veel onbesproken was en is in de Nederlandse taal, juist door hen die een mengcultuur in zich dragen. Het Yournael van Cyberney & Co bracht artikelen en verhalen rond literatuur, kunst, cultuur, fotografie, emancipatie en uitgeverspolitiek in het labyrint van mengculturen in binnen- en buitenland. De bijdragen van Alfred Birney verschenen bewerkt en gebundeld met ander proza in een eenmalige uitgave als alternatief boekenweekgeschenk en tegelijk als feestbundel ter ere van het 25-jarig jubileum van Uitgeverij In de Knipscheer. Bestel het boek hier!

De boekhouders van de Indische letteren (7) – Uit het ghetto met Jacqueline Bel

Na de bijdragen van haar collega’s is het een verademing om die van Jacqueline Bel te lezen. Er is geen zin die je drie keer terug moet lezen en Bel blijft als enige van het boekhoudersgezelschap het dichtste bij het thema: de afbakening. Waar haar collega’s alinea’s menen te moeten vullen over de complexiteit van de materie, daar ramt Bel maar vast een stevige openingszin uit haar schrijfmachine: Wie een definitie wil geven van Indisch-Nederlandse literatuur komt gegarandeerd in de problemen. Dat klinkt helder en onthoudbaar. Haar bijdrage heet Indische letteren en het ghetto van de Nederlandse literatuur. Een betere titel vind je niet boven de andere bijdragen, al had ik in plaats van ghetto liever kampong zien staan.

Jacqueline Bel onderschrijft zonder omhaal het grote probleem in de verhouding tussen de Indische letteren en de Nederlandse literatuur. De toko van de Indische letteren ligt voor een habbekrats aan maandhuur in het ghetto, een achterafstraatje zonder uitzicht op de Amsterdamse grachten, terwijl het Nederlands Literaire Bastion een nieuwe locatie neemt met uitzicht op het IJ. Is dat erg? Ja, want zolang de Indische letteren in de marge blijft sukkelen, zal er van opname in de canon van de Nederlandse letteren geen sprake zijn. Dat althans schemert door in het betoog van Bel en daarmee is zij de enige van de hele ploeg die het belang onderkent van duidelijke stellingnames. Want alleen die vestigen de aandacht van de grootboekhouders. Om gekruidenier wordt toch gewoon gelachen, zelfs in Nederland.

Zonder de naam van Olf Praamstra te noemen, merkt Bel op dat de purist die alle Indische literatuur voor 1800 en na 1945 buiten beschouwing laat de boel te veel inperkt. En wie de pre- en postkoloniale perioden er wel bij betrekt, vervolgt Bel, lijkt weer anachronistisch bezig. Bert Paasman zou dus anachronistisch bezig zijn? Hier laat Bel de lezer voorlopig even raden naar haar bedoelingen, door te schrijven dat het zo lijkt.

Ze onderkent dat definities noodzakelijk zijn voor de algemene discussie maar dat te strakke definities ‘ghettovorming’ bevorderen. Een tolerante omschrijving van het begrip Indisch-Nederlandse literatuur lijkt haar het meest houdbaar. Dat hebben we vaker gehoord en hiermee wijkt ze nauwelijks af van de anderen, minus einzelgänger Praamstra. Bel memoreert nog maar even dat de Indische literatuur niet in de Nederlandse literatuurgeschiedenis terecht is gekomen en geeft als voorbeelden de grote handboeken van Knuvelder en Anbeek. Het is maar dat u het weet, ja. Ik meen me te herinneren dat Anbeek zelfs Hella Haasse uit zijn boek heeft gelaten, nou als de grote lieveling van het totokpubliek er al niet in staat, dan kan de rest het ook wel vergeten.

Bel brengt de weg in kaart die de Indische literatuur een eigen geschiedenis heeft gegeven. Die begint bij Broms Java in onze kunst (1931) en ontwikkelt zich via Du perron verder naar Rob Nieuwenhuys’ Oost-Indische Spiegel. Brom beoogde met dat boek trouwens geen literatuurgeschiedenis, Du Perron leefde te kort om zich er verder nog tegenaan te bemoeien en Nieuwenhuys had zijn boek eigenlijk helemaal niet als standaardwerk bedoeld, maar goed, Bel laat zien dat Nieuwenhuys niet zomaar uit de lucht is komen vallen. Het tijdschrift Indische Letteren is nu het voorlopige eindpunt, als we Beekman even vergeten.

Bel merkt ook nog fijntjes op dat de Indische literatuur weliswaar een marginaal imago heeft, maar dat zonder deze tak veel Indische boeken gewoonweg buiten beschouwing zou zijn gebleven en geheel zouden zijn vergeten. Hier raakt zij aan de botsing tussen de literaire opvattingen in de Indische toko en het Hollandse bastion. Alles bijeengenomen kun je rustig stellen dat de Indische literatuur bestaat door onverschilligheid bij de geleerden die wel even zullen uitmaken wat er onder schone letteren moet worden verstaan en wat niet. En ook dan stuit je op een consensus die leunt op een Hollandse dijk, waar de mist het zicht op de Overzeesche Gebiedsdeelen belemmert.

Net als Siegfried Huigen gaat ook Bel in op Edward Saids interpretaties en neemt als (bekend) voorbeeld Jane Austens Mansfield Park (1814). Het boek gaat over Engelse mensen, speelt zich uitsluitend af in Engeland en níet in de koloniën. Said noemt het boek niettemin koloniaal omdat de rijkdommen van de familie slechts in stand kunnen worden gehouden door de plantages die de familie heeft in de West. Verwijzingen naar die plantages zijn vrijwel niet te vinden in de roman, maar omdat Said juist de invalshoek kiest vanuit die enkele verwijzing die hier en daar opduikt, krijgt deze niet-koloniale roman opeens de classificatie van een koloniale roman.

Contrapuncties kun je in elke tekst zoeken. Boeken van bijvoorbeeld Bordewijk worden door iemand als Henk Maier als Indische roman aangeduid met de leestechniek die Said zoveel wetenschappers voor zich heeft doen winnen. Maar ja, op die manier kun je hele bakken met Nederlandse boeken als Indisch bestempelen. Jacqueline Bel geeft toe dat deze manier van lezen geen praktische bijdrage levert aan de afbakening van de Indische literatuur. Maar… de Indische literatuur kan door deze benadering uit de marginaliteit worden gehaald, zegt ze.

Een nieuwe leeshouding als poort naar de Indische literatuur. Dat lijkt me een utopie, maar de gedachte is interessant, in elk geval optimistisch. Er ademt ook wel een verlangen naar literaire integratie, zeg maar naar zoiets als de Nederlandstalige letteren.

Bel gaat als enige uitvoerig in op de literatuur van de Indische Nederlanders en komt met een opvallende afwijkende definitie op de proppen van wat Indisch-Nederlandse literatuur zou kunnen zijn: literatuur geschreven door Indische mensen. Kijk eens aan, wat een lef. Maar ze stuit al direct op een probleem: wie is Indisch? Want daarover lopen de meningen nogal uiteen, er wordt wat over afgezanikt, is het niet tussen de eerste en tweede en derde generaties, dan toch tussen blanke, lichtbruine en donkerbruine Indo’s. Als je doorgaat met etiketteren, dan blijven er uiteindelijk individuen over. Maar zo werkt dat helaas niet.

Indo’s hebben een ingewikkelde geschiedenis, vervolgt Bel. Zij zijn erfelijk verbonden met zowel de kolonisator als de Indonesiër en vormen dus een groep met een eigen identiteit. Dat op zich zou al een reden kunnen zijn om voor deze groep met een eigen literatuurgeschiedenis te komen, een standpunt dat al eerder door Edy Seriese is geopperd en door Bel wordt geciteerd. Bell zag dit idee ook doorschemeren in mijn bloemlezing Oost-Indische inkt.

Uit een nawoord van Liesbeth Dolk in het themanummer van Indische Letteren blijkt dat Jacqueline Bel het in kaart brengen van een literaire Indo-tak nog niet had geopperd of er kwam al een verontwaardigde reactie uit de zaal. Nou komt er eindelijk eens een wetenschapper met een werkbaar idee aandragen en ze wordt uitgefloten. Tja, dat krijg je als je weigert je te hullen in wetenschappelijke nevelen. Maar, moet Bel geantwoord hebben: een studie van de Indische literatuur vanuit dit perspectief zou een interessante, nieuwe bijdrage kunnen leveren.

Dat dacht ik ook.

Zonder direct persoonlijk stelling te nemen geeft Bell te kennen dat het hele complex teksten van prekoloniaal via koloniaal naar postkoloniaal het beste op zo veel mogelijk manieren moet worden bestudeerd. Hoe strakker de vraagstelling per deelonderzoek, hoe interessanter de resultaten. Een eigen invulling geeft Bel dus niet, ze wekt op de een of andere manier de indruk ietwat orakelend boven de materie te zweven.

Jacqueline Bels bijdrage is wellicht het meest optimistisch. Ze ziet, lijkt het wel, aankomen dat de boel zich gaat opsplitsen. Misschien bedoelt ze dát met haar opmerking dat het een anachronisme lijkt om de prekoloniale en postkoloniale perioden bij de koloniale periode te betrekken. Maar in het opdienen van die perioden zit niets anachronistisch, zeker niet met het nagerecht van de postkoloniale periode, want alleen de huidige Indische generaties die nu nog schrijven houden alles uiteindelijk nog levendig. Wordt er niets meer geschreven door Bloem, Ruebsamen, Van Dis of Lopulalan, om maar enkele schrijvers te noemen die enorm van elkaar verschillen, dan kunnen we wel een mausoleum inrichten voor de Indische letteren.

Door de Indisch-Nederlandse literatuur telkens in een andere context te plaatsen kunnen er telkens andere aspecten van die literatuur belicht worden. Zo blijft ze levend, zal ze niet gemarginaliseerd worden en kan ze niet meer buiten het ‘officiële verhaal’ worden gehouden , aldus Bel, die misschien ook wel beter wil wonen dan in haar ghetto. Opname van desnoods delen uit de Indische literatuur in de canon van de Nederlandse letteren kan broodnodig zijn. Maar misschien worden juist die hele Nederlandse letteren onderhand wel marginaal terwijl de Indische letteren op de multiculturele golven aansluiting vinden op het volgens Huigen zo belangwekkende internationale podium. Welaan, met de leestechniek van Edward Said zouden veel Nederlandse boeken inderdaad als koloniaal kunnen worden aangemerkt en zelfs op die manier aan de vergetelheid kunnen ontsnappen. Je zou bijna gaan denken dat het Nederlandse bastion die Indische toko nog gaat nodig hebben. Te laat natuurlijk, als het Nederlandstalige koopvaardijschip al zinkende is, de Amerikanen de Amsterdamse grachtengordel hebben bezet en de cirkel vanaf de VOC-tijd dan echt is gesloten.

Bron:

Indische letteren en het ghetto van de Nederlandse literatuur. Jacqueline Bel. Indische Letteren, veertiende jrg, nr 2, juni 1999

* * *

alfred birney yournael van cyberney Het Yournael van Cyberney werd in april 2000 onder aanvoering van Alfred Birney gelanceerd en verscheen wekelijks tot aan de boekenweek in maart 2001. Ruim 60 afleverigen van Cyberney (Alfred Birney), Frans Lopulalan, Joyce Bloem, Maureen Birney, Widjajanti Dharmowijono, Guno Jones, Esther Captain en Anyes lieten zien dat er nog veel onbesproken was en is in de Nederlandse taal, juist door hen die een mengcultuur in zich dragen. Het Yournael van Cyberney & Co bracht artikelen en verhalen rond literatuur, kunst, cultuur, fotografie, emancipatie en uitgeverspolitiek in het labyrint van mengculturen in binnen- en buitenland. De bijdragen van Alfred Birney verschenen bewerkt en gebundeld met ander proza in een eenmalige uitgave als alternatief boekenweekgeschenk en tegelijk als feestbundel ter ere van het 25-jarig jubileum van Uitgeverij In de Knipscheer. Bestel het boek hier!

De boekhouders van de Indische letteren (6) – De oeverloze Siegfried Huigen

Siegfried Huigen moet het geharrewar van zijn collega’s meewarig hebben gadegeslagen. Voor hem bestaan taal en literatuur als selectiecriteria niet meer. Het literair-esthetische criterium is kunstmatig en het taalcriterium al helemaal niet meer van toepassing sinds het internationale onderzoek naar culturele aspecten in de koloniale literaturen al zo’n hoge vlucht hebben genomen. Nederland kan volgens hem hierin moeilijk nog achterblijven. Aftasten van grenzen is er niet meer bij en daarom heet Huigens bijdrage dan ook Grensoverschrijdingen.

Voor wie zit te wachten op een nieuwe beschrijving van de Indische letterkunde, die moet niet bij Huigen zijn. Te veel onderzoeker, te weinig schrijver. Hij maant zijn collega’s om vooral mee te doen aan het internationale debat, want die dekselse lui achter de Engelstalige letterenstudies liggen lichtjaren op ons voor en wel zo, dat het lijkt alsof Nederland helemaal geen bijdrage heeft geleverd aan de koloniale tekstproductie.

Huigen begint zijn betoog met de vaststelling dat de meeste bekende werken uit de Indische letterkunde zijn geschreven, uitgegeven én gelezen in Nederland. Literatuur die in de kolonie werd geschreven, had veel minder te betekenen. Dat klinkt logisch, er zat maar een handjevol Nederlanders in de kolonie: nog geen 100.000 Europeanen rond 1900, van wie slechts veertig procent thuis of op het werk Nederlands sprak. De voertaal van kinderen onderling overigens was Maleis of Petjôh. Misschien dat Peter van Zonneveld in dit verband zou kunnen melden of er kinderboeken geheel in Petjôh zijn geschreven. Waarschijnlijk niet, maar je weet maar nooit: curiositeiten zijn immers niet vreemd in de Indische letterkunde.

Net als zijn collega’s gaat Huigen in op een van de meest omstreden subtitels uit de secundaire literatuur: Rob Nieuwenhuys’ Oost-Indische Spiegel . Die subtitel luidt namelijk: wat Nederlandse schrijvers en dichters over Indonesië hebben geschreven, vanaf de eerste jaren der compagnie tot op heden . Huigen stelt dat de naam ‘Indonesië’ natuurlijk een anachronisme is, omdat Indië het hele octrooigebied van de VOC tot 1800 dekte en niet alleen de huidige kaart van Indonesië. In die zin klinkt de opmerking van Bert Paasman hierover sympathieker: dat Nieuwenhuys de naam ‘Indonesië’ zal hebben gebruikt uit een vorm van correctheid naar de Indonesiërs toe.

Hoe dan ook: Huigen geeft Nieuwenhuys gelijk om de Indische literatuur als een Nederlands verschijnsel aan te merken. Ik hoor hem niet over de Indo’s onder die schrijvers – minstens 30 auteursnamen kunnen uit de losse pols op een rijtje worden gezet – maar ik neem aan dat Huigen deze groep ook wel onder dit Nederlands verschijnsel zou onderbrengen.

Huigen vindt wel dat Nieuwenhuys verwarring zaait door eigenaardigheden van de Indische letterkunde te verklaren uit culturele omstandigheden die in Indië heersten. Het ‘Indisch roddelcircuit’ zou het koren zijn waarvan de boekenbroden werden gebakken. Volgens Huigen wordt hiermee de suggestie gewekt dat de Indische letterkunde haar oorsprong vindt in de kolonie. Nou goed, als de Indische letterkunde haar bron dan niet heeft in de kolonie, dan toch zeker wel door de kolonie. Nieuwenhuys’ stokpaardje roddelpraat stoelt wel degelijk op culturele omstandigheden die in Indië heersten: het hele roddelcircuit is met de repatriëring gewoon mee naar Nederland genomen, waar tot op de dag van vandaag Indische coterietjes met elkaar ruziën, wat weer vérstrekkende gevolgen heeft voor het huidige algemene culturele Indische klimaat. Ik heb begrepen dat dat Indisch is, Huigen kennelijk niet, maar vooruit, laten we het daar dan maar even niet over hebben.

Huigen wenst duidelijk onderscheid te maken tussen representatie en gerepresenteerde werkelijkheid . Representatie staat voor literatuur; de gerepresenteerde werkelijkheid staat voor Indië. Volgens Huigen heeft Nieuwenhuys deze begrippen met elkaar verward. En omdat deze Godfather van de Indische letterkunde zo’n sterk stempel heeft gedrukt op de studie van die Indische letterkunde, worden ook nu nog de begrippen representatie en gerepresenteerde werkelijkheid met elkaar verward. Volgens mij is dat een dagelijkse verschijnsel, maar Huigen gelooft kennelijk niet in fictie. Hoewel de Indische geschriften overwegend van de koude grond afkomstig zijn, worden ze als exotische gerechten opgediend , schrijft hij ook nog. Klinkt leuk, maar misschien is het toch eerder zo dat Indische geschriften als exotische gerechten worden gezien .

Hoe kijkt Siegfried Huigen eigenlijk?

Huigen stelt een ander probleem aan de orde, een bekend probleem: de gedachte dat de Indische letterkunde een niet-literaire letterkunde zou zijn. Die gedachte vindt inderdaad zijn oorsprong bij Nieuwenhuys, waarmee de wegen van Rob Nieuwenhuys ook weleens ondoorgrondelijk kunnen worden. Immers: de nestor werpt zich in zijn Oost-Indische Spiegel herhaalde malen op als een soort criticus, die de literaire waarde van een boek weegt. Hij gaat zelfs zo ver om bijvoorbeeld zijn toch al belabberde bespreking van de boeken van een schrijver als Arnold Clerx in een latere editie er maar helemaal uit te schrappen. Misschien omdat Tjalie Robinson zich ooit heeft opgewonden over het verwerpelijke beeld dat deze schrijver van de Indo als type heeft neergezet in Schandaal op Poeloeh-Tampa (1941)? Tja, dat krijg je dan met die Indische jongens als Robbie en Tjalie onder elkaar. Kongsies, huh?

Huigen stelt terecht vast dat Nieuwenhuys in zijn literatuurgeschiedenis op twee gedachten hinkt: interesse in alles wat er over Nederlands-Indië is geschreven én een neerlandistische opvatting van wat literatuur is of zou moeten zijn. Nieuwenhuys’ oplossing voor dit probleem kwam te liggen in uitbreiding van het literaire domein. Huigen: Natuurwetenschappers, journaalhouders en geografen worden zo de literatuur binnengehaald, omdat ze goeie vertellers zouden zijn en en passant levert dit ook nog een mooie eigenaardigheid op voor de Indisch-Nederlandse letterkunde: in tegenstelling tot de Nederlandse letterkunde is deze literatuur immers erg onliterair.

Huigen doelt hier op schrijvers als Rumphius, Bontekoe, Valentijn en Junghuhn. Of al die lui onliterair schrijven, zou ik niet willen beweren. Ik begrijp toch al niet hoe de schoolmeesters van de Nederlandse letterkunde het bestaan om ons De klucht van de koe van Bredero door de strot te duwen in plaats ons het sappige scheepsjournaal van Bontekoe op te dienen. Enfin, Nieuwenhuys heeft met de presentatie van zijn prekoloniale auteurs het tijdvak met een slordige 200 jaar verruimd en daarmee een behoorlijke voorzet gegeven op het thans onder Indische mensen levende idee dat hun geschiedenis eigenlijk al is begonnen bij de 17e eeuwse Mestiezen.

Huigen acht het hoog tijd tot helderheid te komen over het studieterrein van de Indische letterkunde en hij zegt dat allereerst moet worden vastgesteld wat het literaire circuit in de kolonie behelsde. Omdat Huigen in het begin vaststelde dat de meeste bekende werken uit de Indische letterkunde zijn geschreven, uitgegeven én gelezen in Nederland , neem ik aan dat hij zijn collega Peter van Zonneveld de literaire kampong en desa in wil sturen om te kijken of er nog wat rondslingert dat aan de aandacht is ontsnapt. Huigen wil zijn studieterrein immers niet beperken tot literaire teksten.

Wanneer men onder Indische letterkunde verstaat wat Nederlandse schrijvers over Nederlands-Indië geschreven hebben, dan is het onderwerp van de teksten de samenbindende factor. Er is geen reden om daarbij ook de beperking te laten gelden dat die teksten literair moeten zijn.

Waarom niet?

Indische literatuur in al haar vormen is zeker tot aan het begin van de twintigste eeuw voornamelijk geografische literatuur die aan de inwoners van het moederland een beeld wilde geven van het leven in de verre kolonie. De esthetische functie stond niet voorop.

Als je die junkpile van geschriften op elkaar stapelt en daarnaast het stapeltje legt van schrijvers voor wie het esthetische wél voorop stond, dan is het inderdaad net alsof de esthetische functie niet voorop stond. Huigen wekt onbedoeld de indruk alsof er vrijwel geen schrijver was die zich serieus met de kunst van het schrijven bezighield. Ook heden te dage wordt vaak maar aangenomen dat werken van contemporaine Indische schrijvers louter steunen op het inhoudelijke en dat het dus wel geen literatuur zal zijn.

Het is moeilijk na te gaan wat schrijvers in Indië aan leesvoer tot hun beschikking hadden. Een beperkt aanbod van westerse literatuur is ook van invloed geweest op de literatuurkennis van die schrijvers en daardoor zouden veel boeken van ‘mindere literaire kwaliteit’ zijn. Deze achterstand zegt volgens mij niets over een veronachtzaamde esthetische functie bij die schrijvers.

Er is geen aparte literaire maatstaf aangelegd bij de beschrijving van de Indische literatuur. Nieuwenhuys heeft het geprobeerd door van het vertelde uit te gaan, waarmee hij in feite toch dichtbij de orale traditie zat, die stellig eeuwenlang sterk heeft geleefd in Indië. Beekman heeft het geprobeerd door van zijn geliefde scheepsjournalen uit te gaan, maar dwaalt gaandeweg af van dat uitgangspunt. Om dan nu maar géén maatstaf aan te leggen maakt de weg vrij voor ruimer onderzoek, maar ook dan zal bij de beschrijving van de literatuur of bellettrie of hoe je het maar wilt noemen eens het ogenblik komen waarop een maatstaf moet worden aangelegd en gehanteerd. Alle kritiek op Nieuwenhuys ten spijt: hij kon wél boeiend schrijven. En daarin ligt de magie die een hele horde lezers op het pad van de Indische letterkunde heeft gebracht.

Gerard Termorshuizens opmerking indachtig, waren er velen die zonder hun Indische ervaringen nooit de pen ter hand zouden hebben genomen. Daardoor hebben de pure schrijftalenten gezelschap gekregen van amateurs en misschien is het daarom dat de Indische literatuur niet serieus genomen wordt binnen de Nederlandse letterkunde. Je kunt je als wetenschapper van de Indische letterkunde wel met s.o.s.-berichten en krabbeltjes van zich vervelende bestuursambtenaren bezighouden, maar mij dunkt moet je die niet zomaar als belangwekkende teksten aan literatuurliefhebbers presenteren.

Huigen verwijst naar een receptieonderzoek gehouden door Jacqueline Bel: Nederlandse literatuur in het fin de siècle. Een receptie-historisch overzicht van het proza tussen 1885 en 1900 , een bijzonder leesbaar – op zich al zeldzaam – proefschrift uit 1993. Het viel Huigen op hoezeer literaire romans om niet-literaire redenen werden gelezen. Huigen geeft als voorbeeld Max Havelaar, een boek dat om literaire redenen kan worden gelezen maar om niet-literaire redenen destijds werd meegezeuld in de hutkoffers van ethische ambtenaren, juist vanwege de inhoud als navolgenswaardig model. Ik vraag me af of het Huigen ook, liever gezegd vooral, is opgevallen hoezeer niet-literaire romans om wel-literaire redenen werden gelezen en zo nagenoeg onbesproken de vergetelheid ingingen. Als hij dát nou naar voren had gebracht, dan was-ie wat helderder in zijn betoog geweest.

Ik vergeet nu even dat Huigen het helemaal niet heeft over de beschrijving van de Indische letterkunde. Hij heeft het over onderzoek en ik geef toe dat ik dat weleens dreig te vergeten. Tja, hoe zou dat nou komen? Nou, men zeurt maar aan over Rob Nieuwenhuys’ standaardwerk, zodat je de indruk krijgt dat men hunkert naar iets nieuws op dat gebied. Dat zij als het ware zitten te springen om tot een welhaast perfecte afbakening te komen, om dan desnoods dat nieuwe standaardwerk samen te schrijven.

Een tweede reden om literaire aspecten als selectiecriteria te vallen is uiteraard de wens tot verbreding van het aandachtsveld, zoals Paasman, Van Zonneveld en Termorshuizen die ook al uitten. Slechts Praamstra staat hierin alleen. De representatie was immers een Europese onderneming met bijvoorbeeld schrijvers als Rumphius en Junghuhn, die aanvankelijk in het Duits schreven. Dat deze schrijvers over zijn gegaan tot het schrijven in de Nederlandse taal kan Huigen even niks schelen. Een benadering die zich beperkt tot geschriften in de nationale taal is niet geschikt voor de bestudering van koloniale teksten in verschillende Europese talen die op allerlei manieren met elkaar verweven zijn.

Waar Gerard Termorshuizen ervoor pleit om die niet-Nederlandstalige teksten ‘in de buurt te houden’, daar gaat Huigen over tot het overschrijden van die grenzen. Zo’n man zal het dan vast ook wel best vinden een Engelstalige schrijver te komen laten vertellen over zijn land van herkomst in een boekenweekgeschenk uitgegeven door de CPNB, de Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek anno 2001, wanneer het hier in Holland wemelt van de Nederlandstalige schrijvers die van alles te melden hebben over hun land van herkomst. Tja, wie zoals Siegfried Huigen in Zuid-Afrika verblijft en dagelijks op straat Nederlands, Afrikaans en Engels door elkaar heen hoort praten, die stapt wat eerder over taalgrenzen heen.

Maar Huigens opvatting is natuurlijk niet zomaar willekeurig of louter stoelend op persoonlijke ervaring. Nee, hij is een wetenschapper en zal er wel voor waken een persoonlijke noot aan zijn betoog toe te voegen. Hij noemt de ‘westerse koloniale expansie’ het meest invloedrijke proces van de afgelopen vijf eeuwen, waarmee hij de eeuw van Portugese aanwezigheid van voor de Hollanders in Indië voor het gemak maar even meetelt. Of handeldrijven gelijk moet worden gesteld aan koloniale expansie, daarover wordt nog altijd druk gedebatteerd, maar goed, alles bijeengenomen heeft het geleid tot verplaatsing van mensen en ideeën en tot integratie van voorheen geïsoleerde gemeenschappen en economieën in een wereldomspannend geheel. Vergeleken daarmee is zoiets als de Tweede Wereldoorlog in Europa maar een oprisping.

Het klinkt wat cru en je moet er niet aan denken om de Japanse bezetting maar een oprisping te noemen, want je krijgt zo de hele eerste generatie Indo’s op je dak. Maar met de camera op de maan geplaatst snijdt Huigens boodschap wel hout, al laat hij de rol van de Oosterse volkeren hierin ook maar weer even voor wat het is. Huigen stelt vast dat historici traditioneel hoofdzakelijk aandacht hebben gehad voor de economische en politieke aspecten van de koloniale geschiedenis en de culturele voornamelijk hebben veronachtzaamd. Klopt, zelfs zo’n nieuw historisch werk van J.J.P. de Jong over ‘de Nederlanders in Azië en de Indonesische archipel’ staat bol van de economische beschouwingen en politieke verwikkelingen, al is De Jong wel zo modern om wat meer aandacht aan culturele aspecten te schenken dan vele voorgangers. Niet genoeg, dat niet, nee.

Nu komt Huigen tot een opvallende uitspraak. Hij zegt dat de koloniale expansie niet alleen een product is van kanonnen en begeerte naar winst, maar ook van representaties. Deze representaties stuurden in hoge mate het koloniale optreden. Hier onderschrijft hij dus de macht van het gedrukte woord. Verderop zegt hij dat van tevoren niet kan worden uitgemaakt of literaire teksten binnen het onderzoeksgebied belangwekkender zouden zijn dan niet literaire teksten. Kan wel zijn, maar als het tot een overzichtswerk komt, staat de Max Havelaar toch gewoon weer bovenaan de lijst. Huigen noemt die titel nota bene zelf gemakshalve maar weer in plaats van bij gelegenheid eens iets ánders te noemen.

Je krijgt bij het lezen van Huigens bijdrage geen ogenblik de indruk dat Huigen denkt aan zoiets als afbakening van het corpus. Zijn literatuursociologische benadering laat dat bijna niet toe. Huigens inspirator is de Amerikaanse Palestijn Edward Saïd, die met zijn baanbrekende essays een hele generatie wetenschappers ánders leerde lezen.

Saïds manier van lezen is erop gericht te achterhalen welke westerse vooronderstellingen dienden waarop representaties van het oosten zijn gebouwd. En hoe de gezaghebbende representatie de individuele schrijver dwingt tot aanpassing aan de heersende opvattingen en zodoende rechtvaardiging verschaft aan het optreden van de koloniale mogendheid. Deze manier van lezen van koloniale teksten is in de anglistiek de overheersende geworden en volgens Huigen ligt het grootste succes ervan in de geboden leeswijze. Uiteraard is de literaire kwaliteit dan niet meer van belang, maar gaat de aandacht als het ware uit naar de macht van een tekst en naar de verborgen spelonken waarin de historische rol die het speelde ligt opgeslagen.

Huigen noemt als voorbeeld Saïds boek Oriëntalism (1978), maar werkelijk aansprekend is Saïd wat mij betreft pas in Culture and imperialism (1993), wanneer hij uitgebreid ingaat op Jane Austen’s Mansfield Park . Niet omdat dat boek mij zo aanspreekt maar omdat het eenvoudig te vinden is en ik er niet voor naar de een of andere universiteitsbibliotheek voor moet, om daar te horen te krijgen dat Siegfried Huigen het nog op zijn tafel in Stellenbosch heeft liggen.

Als rechtgeaard wetenschapper hekelt Huigen wel de armoede van bronnenonderzoek in de meeste Engelstalige studies, wat volgens hem leidt tot generalisaties. Ook signaleert hij de neiging het Britse kolonialisme als exemplarisch voor het kolonialisme in het algemeen te beschouwen. Ongeveer zoals Wanda Boeke al signaleerde in een eerder journael, zegt ook hij nu: Op de achtergrond spelen Spanje en Frankrijk en vroegere eeuwen van koloniale expansie nog wel een rol, maar de niet onaanzienlijke Nederlandse bijdrage aan de koloniale tekstproductie is vrijwel onzichtbaar.

Uit eigen onderzoek naar koloniale teksten over Zuid-Afrika is Huigen gebleken dat de Nederlandse koloniale literatuur niet in een Brits keurslijf kan worden gewrongen. Resteert de vraag: hoe krijg je die Engelstalige onderzoekers zo ver al die Nederlandstalige werken te laten lezen? Misschien bedoelt Huigen slechts dat de internationale trend de weg is naar hoe men de Indisch-Nederlandse literatuur moet gaan benaderen? Huigen lijkt helder te denken, maar wat hij nou precies voorstaat ontgaat me in zijn artikel. Voor Huigen is er in elk geval alle reden om mee te doen aan het internationale debat. Voorwaarde is wel dat men het onderzoek aanpast en het ‘wankele onderscheid tussen literair en niet-literair’ laat vallen.

Nou, als je al moeite hebt de bekende Nederlandse koloniale werken voor het internationale voetlicht te brengen, hoe krijg je dan de brief in de fles van een koloniale schipbreukeling door de internationale wandelgangen gerold?

Iemand als Theo D’Haen blaast zijn partij al driftig mee op dat internationale podium en hij moet uit ervaring toegeven dat hij gemakshalve waardevolle teksten moet laten liggen. In zijn artikel Postmodernisms: From Fantastic to Magic Realist (1997) schrijft deze Theo D’Haen namelijk, na een opsomming van een hele zwik auteurs:

Obviously, the list could (and should) be expanded with writers in European languages other than English, and perhaps (but here I must confess ignorance) in non-European languages as well. For reasons of economy I will stay mainly with English language authors.

For reasons of economy dus. The same old song. Tja, wie zal hem dat gemak op het internationale podium kwalijk nemen? Internationalisering van de discussie over allerlei literaire kwesties leidt dus per definitie tot inkrimping van de lijst. De representatie mag dan internationaal zijn, de presentatie van de werkelijkheid behelst gewoon de Engelstalige gebieden of de gebieden die Engelstalige schrijvers als couleur locale hebben genomen.

Er zijn postkoloniale schrijvers die overgaan tot het herschrijven van koloniale romans vanuit het perspectief van de gekoloniseerde. Of een klassieker herscheppen in een ander werelddeel. Wuthering Heights kreeg een nieuw jasje in Maryse Condé’s La migration des coeurs , geplaatst onder een Antilliaanse hemel. Stukken van Shakespeare worden fijn in een andere cultuur geplaatst. Het nieuwste product komt van Craig Strete, die met een pueblo-Indiaanse versie van Macbeth de Schotse heidevelden doet verhuizen naar de weidse hoogvlakten van een zinderende woestijn, waar de bekende heksen de gedaanten van de elementen aannemen en de bloeddorstige Angelsaksische vorsten veranderen in trotse, strijdende pueblo-stammen. Als Marion Bloem nou eens Romeo and Julia een Indisch jasje geeft, dan kan zij wederom als baanbreker dienen voor onze generatie, maar dan op internationaal niveau. Frans Lopulalan stuurt vervolgens Captain Joro & Moby Dick naar de Banda-eilanden en ik plaats dan wel Der Prozess in een contemporaine Haags-Indische setting. Wij zullen het schijnimago van de literaire repatriant aannemen, in de wetenschap dat ook in de internationale postkoloniale arena ons geen echte gastvrijheid zal worden geboden.

Bronnen:

Grensoverschrijdingen. Siegfried Huigen. Indische Letteren, 14e jrg, nr 2, juni 1999

Postmodernisms: From Fantastic to Magic Realist. Theo D’Haen. In: Bertens, Hans and Douwe Fokkema, eds, International Postmodernism: Theory and Practice, A comparative history of literatures in European Languages Sponsored by the International Comparative Literature Association, Volume 11, Amsterdam/Philadelphia, 1997: John Benjamins B.V.

* * *

alfred birney yournael van cyberney Het Yournael van Cyberney werd in april 2000 onder aanvoering van Alfred Birney gelanceerd en verscheen wekelijks tot aan de boekenweek in maart 2001. Ruim 60 afleverigen van Cyberney (Alfred Birney), Frans Lopulalan, Joyce Bloem, Maureen Birney, Widjajanti Dharmowijono, Guno Jones, Esther Captain en Anyes lieten zien dat er nog veel onbesproken was en is in de Nederlandse taal, juist door hen die een mengcultuur in zich dragen. Het Yournael van Cyberney & Co bracht artikelen en verhalen rond literatuur, kunst, cultuur, fotografie, emancipatie en uitgeverspolitiek in het labyrint van mengculturen in binnen- en buitenland. De bijdragen van Alfred Birney verschenen bewerkt en gebundeld met ander proza in een eenmalige uitgave als alternatief boekenweekgeschenk en tegelijk als feestbundel ter ere van het 25-jarig jubileum van Uitgeverij In de Knipscheer. Bestel het boek hier!

Japanse oogst

De viering van 400 jaar Japans-Nederlandse betrekkingen is nog niet voorbij of Adriaan van Dis heeft zijn reisverslag al in de winkel. Zou hij zijn teksten van Tokio snel hebben doorgefaxt naar Amsterdam? Nou ja, wie op een eerlijke manier zijn geld wil verdienen, die mag dat. Zo heeft roem zijn voordelen. Je kunt ongestraft in hoog tempo de onbenulligste troep op de markt smijten, de lezers vreten het toch wel, vooral wanneer je met een hot issue komt. Een nadeel is dat zulke boeken niet meteen daarna de hoogovens ingaan, maar op de boekenlijsten van scholen en universiteiten terechtkomen, waar ze tot in lengte van jaren het voetnotenapparaat van brandstof blijven voorzien.

Iemand zegt dat iets goed is. Een tweede zegt hetzelfde tegen een volgende, een derde herhaalt het en als dat een poosje zo doorgaat, dan denkt iedereen dat je, om even iets te noemen, voor echt Indisch eten naar Restaurant Bogor in Den Haag moet gaan, zoals de moeder van Van Dis doet. Een beetje Indo wil gewoon ergens nasi goreng kunnen eten. Nou, die lui van Bogor maken een hoop tamtam over hun saté kambing of vis in pisangblad, maar nasi bakken ho maar. Adriaan van Dis ging er dus met zijn moeder eten, om nog even zijn tekst door te spreken die hij had geschreven ter voorbereiding van zijn bezoek aan Japan. Later in het boek zal er door zoonlief heel wat worden afgebogen. Hatelijk uiteraard. Zeker om zijn moeder en haar generatiegenoten te behagen.

Het zit zo: een familielid van Van Dis is door de Japanners om zeep geholpen en dat heeft hij zijn hele jeugd te horen gekregen. Van mijn eigen familie zijn er acht door de Japanners om zeep geholpen, maar daar zeik ik niet over. Hoe zit het met de overlevenden? Mijn tante Ella die bestond het toch maar om verliefd te worden op een Japanse officier. En ze baarde nog een kind van die Japanner ook, terwijl deze officier ergens op een pasar in het maandonker werd getjingtjengd door boze Indonesiërs, of Indo’s, of Belanda’s, of Totoks, of Chinezen – wie zal het zeggen. Het kind van deze Jap is mijn nicht, een Indo-Jap of een Japindo of hoe men zulke kinderen ook mag noemen. Tja, shame and scandal in the Indo-family. De Indische geschiedenis is geweldig gevarieerd, en vooral schrijvers wie die geschiedenis niet werkelijk interesseert kunnen daar al 100 jaar over meepraten. En hoe.

In zijn haastwerkje ‘Op oorlogspad in Japan’ beschrijft Van Dis wat Japan, Japans, Jap en Japanner betekenden bij hem thuis, toen hij nog een kleine jongen was. Hij vertelt onder meer hoe geweldig jaloers hij kon zijn op zijn Indische zusjes, omdat zij konden tellen in het Japans. ‘Bovendien waren ze bruin’. Hij zegt ook dat hij niet tot de Indische gemeenschap behoort, omdat hij niet, zoals zijn zusjes, ruim drie jaar van zijn jeugd achter matten en hekken heeft moeten doorbrengen. En: ‘Ik behoor maar voor de helft tot de zogenoemde “tweede generatie”.

Moet je in het kamp hebben gezeten om bij de Indische Gemeenschap te horen? Behoor je maar voor de helft tot de Tweede Generatie als je toevallig bruine zusjes hebt die van een andere vader zijn? Leg dat maar even uit, om te beginnen.

En dat moet dan naar Japan om er namens de slachtoffers van de Japanse bezetting te spreken. Daar heeft Van Dis het uiteraard moeilijk mee, hij zal zijn beperkingen ongetwijfeld kennen. Niet getreurd Adriaan, je bent de enige niet, maar om nou steeds weer op dat ironische toontje te blijven leunen is wel erg vrijblijvend. Moet je toch nog maar even gaan kijken bij je voorbeelden Couperus en Kawabata, over wie je zo de loftrompet blaast.

Want dat doet ie, Adriaan van Dis. Naast zijn levende collega’s, die hem deels op zijn Japanse tocht vergezellen (F. Springer, Arnon Grunberg en Ian Buruma), zijn dat de enige schrijvers naar wie hij veelvuldig verwijst. Couperus wordt opgevoerd als een van Neerlands grootste schrijvers en ‘een meesterlijk portrettist van de veranderende wereld rond 1900.’ Nou, dat hij een van grootste schrijvers was die ons land ooit voortbracht, is niet zo moeilijk te beweren. Wat Van Dis met zijn toevoeging bedoelt, is mij evenwel niet helemaal duidelijk. De wereld verandert constant, en ook weer niet. Hij zal wel hebben gehoord dat het toentertijd in Indië allemaal zo erg veranderde, dat tempo doeloe tempo doelloos werd, om maar even met Roy Piette te spreken. Hij suggereert in elk geval dat Couperus een scherp en gedetailleerd oog had voor Indië en je zou bijna gaan denken dat het volstaat Couperus te lezen als je een beeld van het Indië van rond 1900 wilt krijgen. Kun je toch beter bij Daum terecht, al schrijft die Schilderswijker dan als een krant.

Van Dis geeft als voorbeeld voor Couperus’ kunstenaarsschap diens bundel met een aantal Japanse legenden. Om een beeld te krijgen van Japan volstaat het uiteraard niet van deze legenden kennis te nemen. En ook niet de boeken van Kawabata, van wie bekend is dat hij zich strikt afzijdig hield van politiek. Van Dis verwijst naar deze schrijvers om zijn eigen naieviteit te onderstrepen en dat is meer dan koddig voor iemand die op reis gaat naar Japan om er debatten te gaat voeren over de rol van Japan en Nederland in het voormalige Indië. Zijn gedweep met deze schrijvers geeft een uiterst beperkt referentiekader weer. Dat op zich zij hem vergeven, een schrijver is maar een nar in de immer veranderende wereld. Maar wie een debat moet gaan bijwonen over ‘het beeld van onze expansiedrift in de Nederlandse, Indonesische en Japanse literatuur’, die moest zich schamen voor de onnozelheid waarmee hij de volgende zin noteert: ‘Gelukkig zijn er geleerden uitgenodigd die daar alles van weten.’

Zal wel weer ironisch bedoeld zijn. Lekker veilig, kun je alle kanten mee op.

Twintig bladzijden eerder heeft de schrijver ons dan al laten weten dat hij nauwelijks op de hoogte is van wat er in de koloniale en postkoloniale letteren geschreven wordt: ‘Wat weet ik eigenlijk van die oorlog? Ik ken alleen de verhalen van thuis – de achterafverhalen van na het grote zwijgen; de geschiedenis heb ik nooit willen lezen. Ook geen romans of verhalen die zich in Indië afspeelden. Du Perrons Land van herkomst? Niet gelezen en al die andere Indischgasten ook niet.’

Zijn we blij mee, met zo’n ambassadeur daar in Japan. ‘Het grote zwijgen’. Fijn weer, zo’n cliché. Er is helemaal niet gezwegen. Er is eenvoudig nooit geluisterd. Wat bedoelt ie trouwens met ‘Indischgasten’? Lekker toontje ook: ‘al die Indischgasten.’ Flikker maar op een hoop joh. Is toch allemaal hetzelfde, hè?

Zou Van Dis het hoofdstuk over Indië en daarna voor zichzelf willen reserveren in de toekomstige beschrijving van onze geleerden over de Nederlandstalige letteren? Hij is aardig op weg. Voor een lezer in Tokio is er weinig anders uit de hedendaagse literatuur te lezen dan een boek van Adriaan van Dis of F. Springer wanneer het over Indië gaat. Precies zoals Van Dis zelf ook weinig verder kijkt dan de Couperusstraat en het Kawabataplein wanneer het over het Verre Oosten gaat.

Van Dis is wel zo handig om een psychologische wending aan zijn leesluiheid te geven: ‘Alsof ik het me nooit toestond naar een andere stem dan die van mijn vader te luisteren.’ Tja, dat ís een excuus. Maar niet voor iemand die als een belangrijk schrijver wordt voorgesteld aan het Japanse publiek. Van Dis was al zo handig zichzelf als een ‘minder opgepoetste spreker’ voor te stellen in het voorwoord van zijn boek. Adriaan op schoolreis naar Japan, zo ongeveer moeten we zijn nieuwe boek lezen.

Zo, als ‘minder opgepoetste spreker’, met al zijn lichtvoetigheid, representeerde Adriaan van Dis ‘ons land’ op de boekenbeurs in Tokio, april 2000. Het was te verwachten met zo’n man. Dat krijg je als alleen celibrities als afgevaardigden de aardbol over worden gestuurd om als clown aan de debattafel plaats te laten nemen. Alweer wordt er gedaan alsof de oorlog in Indië alleen maar een zaak was van Japanners, Hollanders en Indonesiërs. Van Dis, met zijn onzichtbare Indische zusjes, staat aan de zijlijn. Hij is een toeschouwer, hij hoort nergens bij en is daar diep in zijn hart ook wel blij om. Alleen zij die nergens bijhoren kunnen grote schrijvers worden, nietwaar? Maar daar is toch wel wat meer voor nodig dan je lezers vertellen welke kleur schoenen je vandaag weer zal dragen, het motief van de Japanse beleefdheidsbuiging ad infinitum herhalen en steeds weer roepen hoe zeer je naar een gebakje verlangt als het je emotioneel allemaal te veel wordt. Het CPNB zal hem wel een uitnodiging sturen voor het schrijven van het boekenweekgeschenk, tegen de tijd dat Hella Haasse niet meer onder ons is. Of Rushdie, maar daar wil ik vanaf wezen.

* * *

Het Yournael van Cyberney werd in april 2000 onder aanvoering van Alfred Birney gelanceerd en verscheen wekelijks tot aan de boekenweek in maart 2001. Ruim 60 afleverigen van Cyberney (Alfred Birney), Frans Lopulalan, Joyce Bloem, Maureen Birney, Widjajanti Dharmowijono, Guno Jones, Esther Captain en Anyes lieten zien dat er nog veel onbesproken was en is in de Nederlandse taal, juist door hen die een mengcultuur in zich dragen. Het Yournael van Cyberney & Co bracht artikelen en verhalen rond literatuur, kunst, cultuur, fotografie, emancipatie en uitgeverspolitiek in het labyrint van mengculturen in binnen- en buitenland. De bijdragen van Alfred Birney verschenen bewerkt en gebundeld met ander proza in een eenmalige uitgave als alternatief boekenweekgeschenk en tegelijk als feestbundel ter ere van het 25-jarig jubileum van Uitgeverij In de Knipscheer. Bestel het boek hier!