De Dubieuzen

alfred birney alfred birney de dubieuzenAlfred Birney
De dubieuzen
Essay
Haarlem, Knipscheer Publishers, 2012
Ingenaaid, met flappen, 224 blz
Cover Aafke de Jong
ISBN 978-90-6265-695-0
Prijs: €18,50
Bestellen

Nadat Alfred Birney in 1998 zijn veelbesproken bloemlezing Oost-Indische inkt; 400 jaar Indië in de Nederlandse letteren had gepubliceerd, dook de schrijver nog dieper in de boeken. Dat resulteerde in Yournael van Cyberney (2001), waarin hij onder meer de maakbaarheid van de literaire canon onder de loep neemt. Nu brengt hij in De dubieuzen (2012) enkele opzienbarende boeken van vergeten schrijvers onder de aandacht. Het multiculturele leven in het voormalige Nederlands-Indië wordt daarin heel anders beschreven dan in boeken van beroemde schrijvers als Couperus en Multatuli. In dit diepgravend maar levendig geschreven essay over onze koloniale literatuur worden opvallende en verrassende parallellen met ons huidige anti-multiculturele klimaat getrokken, waarin racisme, vreemdelingenhaat en religieuze uitingen tegenstellingen uitlokken en leiden tot fel debat.

De pers:

Het is heerlijk weer eens een essay te lezen waarbij de schrijver geen blad voor de mond neemt maar keihard zegt en schrijft wat hij vindt. Vooral omdat hij niet alleen de vergeten Indische literatuur maar ook de nog amper gelezen Nederlandse klassiekers tevoorschijn haalt, er het stof vanaf blaast en er nieuw leven aan geeft.. Literatuurplein

Birney’s felle polemiek laat zien dat de canon van de Nederlandse literatuur getuigt van ‘blanke arrogantie’ jegens de Indo. – NRC

Alfred Birney is milder geworden. Maar juist daarom is hij gezaghebbender dan hij ooit geweest is. Indisch Anders

Eerder…

alfred birney de dubieuzen aafke de jong glenn pennock

Op vrijdag 20 april wordt in Mondiaal Centrum Haarlem het nieuwe boek De dubieuzen van Alfred Birney gezellig ten doop gehouden.

Presentatie & Receptie

van 20.30 – 22.00 uur
(zaal open 20:00 uur)

Programma

Glenn Pennock speelt gitaar, Alfred Birney wordt geïnterviewd door Peter de Rijk en Aafke de Jong treedt op met een Balinese solodans. Tot slot signeert de schrijver zijn boek. Speciale gast is Marjolein van Asdonck, hoofdredacteur van maandblad Moesson. De toegang is gratis.

Locatie
MCH [Mondiaal Centrum Haarlem]

Lange Herenvest 122
2011 BX Haarlem
023 – 542 3540

U bent allen van harte uitgenodigd hierbij aanwezig te zijn.
Reserveren vooraf is wenselijk, maar niet noodzakelijk voor late beslissers: indeknipscheer@planet.nl

Exclusief en alleen op 20 April, ter gelegenheid van de lancering van Alfred Birney’s boek: De Dubieuzen. Een CD met 3 dubieuze nummers van het multitalent Glenn Pennock:

glenn pennock

XTRA!

3 dubieuze gitaarnummers van Glenn Pennock voor Alfred Birney’s boek De dubieuzen… Scroll omlaag voor downloadlink.

glenn pennock dubieuzen muziek

HIER DOWNLOADEN

Shot Aafke de Jong tijdens presentatie

aafke de jong tijdens presentatie de dubieuzen alfred birney 2012

Rivier de IJssel

Alfred Birney Rivier de IJssel
Rivier de IJssel
Novelle
Haarlem, Knipscheer Publishers, 2010
Hardcover, ingenaaid, met flappen, 112 blz
Cover Sabrina Luthjens
Bestel: online of bij de reguliere boekhandel.
ISBN 978-90-6265-650-9
Prijs: €16,50

Een muzikant hoopt op een wilde nacht met een zangeres die hij moet begeleiden. Maar er is een derde in het spel: een dubbelganger die hem een vervreemdend gevoel geeft over zijn afkomst en een grote kennis van het Nederlands koloniale geschiedenis aan de dag legt. De muzikant krijgt het idee te moeten kiezen tussen de liefde en zijn zucht naar historische kennis. Wellicht zal hij zijn vaders motieven leren doorgronden: een politiek vluchteling onder de vlag van Nederland anno 1950. Met dit boek toont de schrijver dat migratie geen eenrichtingsverkeer is en dat racisme overal op de loer ligt. Rivier de IJssel is geschreven door iemand die weet hoe het voelt te leven in een land waar de mensen jou vertrouwd zijn maar jij hun niet.

Rivier de IJssel is Alfred Birney’s follow up van het geroemde Rivier de Lossie, maar kan ook zelfstandig, of in omgekeerde volgorde gelezen worden.

Schitterend geschreven novelle… Arnhem aan Zee.

Chapeau voor de auteur die zijn familiegeschiedenis weet te overstijgen en een universeel verhaal neerzet. Den Haag Centraal.

Birney heeft een heldere stijl van schrijven die erg plezierig aandoet. – NBD/Biblion.

East Magazine herfst 2011

east magazine EAST is de voortzetting van Archipel Magazine. De (postkoloniale) Indische cultuur heeft het loodje moeten leggen en daar ben ik niet bijzonder blij mee. Ik mocht immers elk kwartaal een postkoloniaal verhaal schrijven en ik was helemaal vrij in de keuze van mijn thema’s. Het enige Indische tijdschrift dat er nu nog toe doet is Moesson, ’s wereld grootste Indische magazine overigens, dat in 37 landen wordt gelezen. Onlangs mocht ik er een verhaal in publiceren en het kan zijn dat dat nog wel een paar keer gaat gebeuren.

Wat heeft EAST dat Archipel niet heeft? Om kort te gaan: het bestreken gebied is flink uitgebreid met China, Japan, Taiwan, Thailand, Cambodja, Birma, Laos, Vietnam en de Filippijnen. Indonesië blijft de kern, met Maleisië. Wat een uitstapje naar Hawaii, de 50e staat van de VS, in het herfstnummer doet, valt nu even buiten mijn begripsvermogen. Als ik het voor het zeggen had, dan volgde ik gewoon de oude scheepvaartroutes van de Hollanders en richtte ik me op alle landen die met het koloniale verleden van de Hollanders te maken hebben gehad. Dus ook Zuid-Afrika, en natuurlijk de Cariben. Dán maak je een statement. Dán geef je geschiedenisles, wat zo broodnodig in deze tijden van armoedig cultuurbesef, vreemdelingenhaat, racisme en wat al niet meer.

Maar ik blijf nog wel verbonden aan EAST, hoewel niet actief want mijn terrein is de (postkoloniale) literatuur, al vind ik nu en dan iemand een interview afnemen ook wel uitdagend, maar dan moet het wel om een bijzonder persoon gaan. Ik wacht gewoon op een opdracht, want ja, ik ben al sinds 2004 niet in Indonesië geweest en de Nederlands-Indische geschiedenis vind ik interessanter dan het huidige Indonesië, waar de hele wereld zo’n beetje aandacht aan besteedt, tot en met CNN en BBC World News.

Voor het herfstnummer van EAST heb ik het romandebuut Oog van de naald van Griselda Molemans besproken. Het stuk staat er mooi in, over twee volle bladzijden. Voor meer informatie over de inhoud van het blad, surf naar: EAST.

Het Indische meisje in de Nederlandstalige populaire muziek

In de jaren vijftig en zestig was het Engels nog niet zo dominant als nu in de populaire muziek. Het was heel gewoon dat artiesten hun liedjes in verschillende talen zongen. Ook werden er veel liedjes vertaald. Muziekuitgevers floreerden met het uitgeven van bundels voor orkestjes die in de weekends in allerlei gelegenheden speelden. Kopieerapparaten waren onbekend, muziek werd levend gebracht en de jukebox was voor ranzige cafés, waar het nette publiek niet kwam.

Jaren geleden gaf een muziekleraar de brui aan zijn beroep en liet me zijn enorme verzameling bladmuziek na. Het was zo’n ouderwetse muziekleraar, die les gaf in verschillende instrumenten: gitaar, piano, accordeon, viool, saxofoon etc.

De stapels bladmuziek waren vergeeld, het doorspelen van de partituren zou me jaren kosten en me al net zo lang de ene na de andere aha-ervaring geven. Want als kind zat ik veel bij de radio – ik schreef er Het verloren lied over – nauwelijks in staat al die teksten te verstaan, terwijl de melodieën zich diep in mijn herinnering nestelden.

Het liedje van de Zangeres Zonder Naam in de vorige post – Hij was maar een neger – was een origineel Hollands product dat ik, tot voor kort, nog nooit had gehoord. Ik herinnerde me vaag een dergelijk nummer over een Indisch meisje en vond het terug in de stapel antieke bladmuziek van de oude muziekleraar. Het nummer heet Klein Indisch meisje en staat in een bundel met het volgende opschrift:

MOLEN MUZIEK HOLLAND
PRESENTEERT:

De Grote Successen

1 Kus-kus-polka
2 Als vreemde klokken luiden
3 Waar ga je heen, clochard?
4 Klein Indisch meisje
5 Tabé ouwe reus
6 Moeders mooiste (ben je niet)
7 Ze hebben van de week (m’n hoed gegapt)
8 Paramaribo-wals
9 Geef mij een liedje en een lach
10 Evelien-Josefien-Carolien
11 Geef mij een knipoog (vertaling)
12 Een liedje uit Cuba (vertaling)
13 Laat het geld maar rollen

Nou, kostelijke titels uit een wat minder haastige tijd, waaruit toch vooral een openheid spreekt voor andere culturen en verschoppelingen of pechvogels. Muziek uit Amerika was wel sterk in opkomst, maar de molenmuziek hield nog stand.

Indertijd woonden er nog altijd Indische Nederlanders in het onafhankelijk geworden Indonesië. Maar op 5 december 1957, ook wel bekend als Zwarte Sinterklaas, verklaarde de Indonesische regering alle Nederlanders staatsgevaarlijk. Er zat al een grote groep Indische Nederlanders in Holland en de overheid was er niet onverdeeld blij mee. Uiteraard waren er mensen die zich het lot van die groep aantrokken. Dat moest natuurlijk worden bezongen.

oude bladmuziek klein indisch meisje

Click op het plaatje voor een vergroting en je ziet aan het begin van de partituur staan: Krontjong tango. Nou weet ik wel het een en ander van muziek, maar van een krontjong tango heb ik nog nooit gehoord. Ik moet er dan ook wel erg om lachen. Het lied is een origineel Hollands product – hoe kan het ook anders wanneer het om een Indisch meisje gaat – en is geschreven door het inmiddels vergeten duo Aat Daale (tekst) en Pierre Biersma (muziek).

Als we de muziek even laten voor wat het was en de tekst doorlezen, dan zien we behoorlijke verschillen met de tekst van Hij was maar een neger.

Klein Indisch meisje

Er kwam weer een schip uit de tropen vandaan,
Een meisje dat staart voor zich heen.
Ik zie in haar donkere ogen een traan,
Zij voelt zich hier vreemd en alleen.

Klein Indisch meisje, ik zie je daar staan,
Hunk’rend naar liefde en troost.
’t Is je zo vreemd dat je weg bent gegaan,
Ginds uit dat land in de oost.
Daar was het warm en scheen altijd de zon,
Daar stond je ouderlijk huis.
Klein Indisch meisje, toe wees niet bedroefd,
Ook hier is voor jou weer een thuis!

Het lot bracht je hier in dit drassige land,
Met sneeuw en met regen en kou.
Maar hier is het veilig en vind je de band
Die ’t vaderland ook heeft met jou!

Klein Indisch meisje… (etc)

© World-Copyright 1958 by “MOLEN-MUZIEK-HOLLAND” Amsterdam
Voor België, Koloniën en Luxemburg “METROPOLIS” Antwerpen

*Let even op de “Koloniën” in de copyrights notice. Dit is, om zo te zeggen, ‘historisch materiaal’.

Het liedje verscheen zeven jaar voor Hij was maar een neger. Je zou makkelijk kunnen denken dat in die zeven jaar Holland racistischer is geworden. Dat lijkt me niet, al is het wel zo dat binnen het kader van racisme en seksisme voortdurend accentverschuivingen plaatsvinden. Het maakte nogal verschil of je een ‘Indisch meisje’ was of een ‘neger’. Over beiden werden wilde verhalen rond gefluisterd. Indische meisjes zouden gewilliger en lekkerder zijn dan Hollandse meisjes. En negers zouden topsporters zijn bij het liefdesspel. Het is niet moeilijk te raden wie de aantrekkelijkste was en voor wie werd gevreesd.

Racisme en de Zangeres Zonder Naam

Het internet heeft geen plaats voor ironie. Ik weet niet waar dat aan ligt. Er zou geen verschil moeten zijn tussen een tekst op papier en een tekst in een blog die je op je beeldscherm leest. Maar dat verschil diende zich al snel aan toen het e-mailen rond de eeuwwisseling een enorme vlucht nam. Je moest leren schrijven met emoticons, wilde je goed begrepen worden. De smiley is het bekendste voorbeeld. Vergeet je die achter een ironische zin te plaatsen, dan kan je in de problemen komen en soms woedende reacties oproepen. Overigens is ironie in boeken of aan de kletstafel al veel langer een struikelblok voor minder fijnzinnige geesten.

Onlangs hing ik rond op Facebook. Uit balorigheid begon ik oude Hollandse liedjes te posten. Zuiderzeeballade van Sylvain Poons. Cimeroni van Anneke Grönloh. Kleine schooier van De Trekvogels. Twee reebruine ogen van De Selvera’s. Melige liedjes van Rijk de Gooyer. Surfend op YouTube stuitte ik op een oud liedje van de Zangeres Zonder Naam. De titel:

Hij was maar een neger

Het bleek dat weinig mensen mijn balorigheid in de gaten hadden. Dat was zo erg niet. Maar toen ik met dit nummer kwam, was de boot aan. Terwijl ik in een deuk lag van het lachen om de tijdgeest van de jaren zestig, raakten enkele mensen echt in verwarring. De tekst van het lied luidt:

‘t Liep tegen Kerstmis, hij zocht in de stad
Of iemand voor hem soms een kamer nog had
Maar waar hij ook kwam, even keek men hem aan
Dan schudde men ‘nee’, en dan kon-ie weer gaan

Hij was maar ‘n neger, zo’n zwarte
Zoiets haal je niet in je huis
Omdat je ‘t noodlot dan tartte
Want die zwarten zijn immers niet pluis

Hij zag door de ramen de kerstbomen staan
Met glinst’rende bellen en lichtjes eraan
Hij hoorde gezang, ozo vroom en devoot
Terwijl men voor hem alle deuren goed sloot

Hij was maar ‘n neger, zo’n zwarte (etc)

In ‘t kerkje dat noodde, daar knielde hij neer
Bij ‘t ruw-houten kribje, van ons Lieve Heer
Toen vroeg-ie zich af of dat kindje zo klein
Alleen maar voor blanken geboren zou zijn

Hij was maar ‘n neger, zo’n zwarte (etc)

Gesneden koek voor mij. Immers in de jaren zestig werd ons geleerd om medelijden met ‘negers’ te hebben. Vooral die in Amerika hadden het zwaar. Tijdschriften als De Panorama stonden bol van fotoreportages van ‘negers’ die in getto’s door politieagenten overhoop werden geschoten. Martin Luther King was een man voor wie je ontzag moest hebben.

Intussen liepen er in Nederland nauwelijks ‘negers’ op straat. Je zag voornamelijk Hollanders, wat Indo’s, een paar Ambonezen, Italianen en dat was het dan wel zo’n beetje. De ‘neger’ dook pas op na de onafhankelijkheid van Suriname, toen de helft van Paramaribo het vliegtuig nam naar Holland. Dat was tien jaar na verschijning van het lied Hij was maar een neger, geschreven door Johnny Hoes in 1965.

Het lied had een provocerende boodschap, want het werd gebracht rond de kerst. De tekst is een variant op Jozef en Maria, die rond de kerst ook nergens welkom waren. Zo beschrijft de tekstdichter in het derde couplet het lot van de neger die van deelneming aan het kerstfeest wordt uitgesloten.

Als jochie van 14 begreep ik die tekst onmiddellijk, en ik zou tien jaar later zelfs persoonlijk in dergelijke situaties verzeild raken bij het zoeken naar kamers. Maar nu, in een tijd waarin racisme niet meer wordt verhuld door schijnheiligheid, is dit liedje voer voor veel onbegrip.

Iemand op Facebook schreef: “Toen ik dit lied voor ‘t eerst hoorde kon ik het ook niet plaatsen…heel raar lied…” Een ander schreef: “Volgens mij komt dit uit de hoed van Robbie Muntz.” Weer een ander: “Ik denk dat het rare van dit lied is, dat het niet overkomt als ‘aanklacht’, je weet dat ze wil aantonen hoe jan-en-alleman denkt, maar je wordt toch in vertwijfeling gebracht…”

Inderdaad. Die Robbie Muntz nam het nummer in 1998 opnieuw op; het werd op een cd gratis verspreid bij de VPRO-Gids. Het plaatje werd door vrijwel alle radiostations geboycot, kennelijk Muntz’ bedoeling. Zijn kompaan Paul Jan de Wint lichtte toe in Muziekmagazine FRET, maart/april 2010: “Het nummer werd in de jaren zestig niet verkeerd begrepen, maar in de jaren negentig dus wel. Uiteindelijk had het goede bedoelingen en konden we heel goed aantonen hoe verward de tijd was waarin we dit nummer opnieuw uitbrachten.”

Als je wilt weten hoeveel verwarring er nu nog rond dat liedje bestaat, moet je het internet maar eens afzoeken. De ene blogger brengt het als een schandaal, de andere blogger legt de boel fijntjes uit, de schreeuwende racisten laat ik maar even voor wie ze zijn.

De Zangeres Zonder Naam nam het in haar levensliederen altijd op voor de underdog, ik dacht toch dat dat bekend was onder het volk: reden waarom ze aan het eind van haar carrière zo populair was in gay-kringen.

Racisme leefde een halve eeuw terug niet minder dan nu. In het huidige tijdsgewricht is het, vooral door de digitale revolutie, alleen maar duidelijk aan de oppervlakte gekomen. Racisme was in de jaren zestig iets wat Nederland niet direct raakte. Met een sociale woningbeleid van één Indische familie in elke straat en ‘negers’ die ver weg in Amerika of in Suriname zaten, kon racisme hier in Nederland eenvoudig worden ontkend. Nu is het een probleem waar de gemiddelde Hollander direct mee te maken heeft en moeilijk raad mee weet. Zelfs de Zangeres Zonder Naam, met haar eenvoudige teksten, wordt opeens door sommigen als dubieus beschouwt. Je zou bijna gaan denken dat ze bang zijn voor hun eigen onderbuikgevoelens.

Racisme is een ervaring. Ik zeg niet dat je het dan zult begrijpen. Racisme is een levenslang thema voor me, maar ik snap er nog altijd helemaal niets van.

Doch er is een drawback – 7

George Birnie en Conrad Busken Huet maken zich op om in september 1875 samen met hun gezinnen naar Europa terug te keren. Om een of andere reden gaat de gezamenlijke reis niet door. De dood van Potgieter snijdt, zoals Anne aan Sophie schrijft, bovendien de laatste fysieke band door die Busken Huet nog met Nederland heeft. De vriendschap tussen George Birnie en Busken Huet is een goeddeels zakelijke en de scheiding van het tweetal is nauwelijks pijnlijk te noemen. Busken Huet komt uiteindelijk in Parijs terecht, waar hij de laatste tien jaar van zijn leven zal slijten.

George Birnie heeft zijn huis in Batavia verkocht, gelegen aan de westkant van het Koningsplein, waar ook de familie Couperus, onder wie de latere schrijver Louis nog als jochie, van 1872 – 1878 woont. Het beheer van de onderneming in Djember wordt aan neef Gerhard David overgedragen en George vertrekt, dus zonder de Busken Huets, met Rabina naar Europa.

Om Rabina aan die andere wereld te laten wennen, trekken ze eerst naar Napels. Ze logeren er een maand of negen in Hotel de Russie aan de Corso Vittoria Emanuela nr. 8. De kinderen zitten, neem ik aan, dan bij hun tantes in Deventer.

‘Zeg Rabina,’ vraagt George op een dag, ‘wil je vanavond niet meegaan naar de Opera?’

‘Opera, opera, watte geven? Faust? Ouwe man met dikke boek (buik). Dank je hartelijk.’

George schreef in één van zijn brieven dat het bijna niet mogelijk is zich straffeloos te onttrekken aan het milieu waarin men geboren is, of waarin men later meer dan een halven menschenleeftijd heeft doorgebracht.

Het liefst was hij vanuit Italië linea recta terug naar Djember gegaan, maar het leek hem onvermijdelijk de familieonderneming vanuit Nederland te moeten gaan leiden. Uiteraard zag hij al voor zich dat hij een probleem zou krijgen met zijn vrouw in Nederland. De vraag waardóór dat probleem kon bestaan, hoeft onderhand niet meer gesteld worden. Racisme is natuurlijk niet langer incidenteel te noemen. Zo veel zijn we de laatste honderd jaar wel opgeschoten.

In de zomer van 1876 krijgt de bijna 32-jarige Rabina eindelijk het moederland van haar man te zien. Aanvankelijk wonen ze in Velp. In 1880 betrekken ze een door George aangekocht familiehuis aan de Brink te Deventer.

Zoals George met zijn baard een opvallende verschijning was in Djember, zo was Rabina dat nu in het Overijsselse. Bij een wandeling op De Brink in Deventer riep een straatjongen naar haar: ‘O, wat ben jij vies!’

‘Ik heb bruine huid,’ antwoordde Rabina, ‘maar heb gewassen. Ik niet vies, jij niet gewassen, jij vies.’

Een dergelijke scène zou niet hebben misstaan in het proza van Dé-lilah. Helaas heb ik zelfs in haar proza, dat 2000 bladzijden telt, geen voorbeeld kunnen vinden van hoe Javaanse vrouwen zich bewogen in burgerkringen in Nederland. En als je het al niet bij de volkomen onterecht vergeten Dé-lilah kunt vinden, dan vind je het waarschijnlijk verder nergens.

* * *

Bronnen:
Joop van den Berg: Dé-lilah, een vergeten schrijfster van ruim 2000 pagina’s Indisch proza. Amsterdam: Uitgeverij De Buitenkant; Uitgelezen boeken, katern voor boekverkopers en boekenkopers, jrg. 6 nr. 2, juni 1996. Of, verkort, in Indische Letteren, 12e jaargang, nummer 2, juni 1997: Dé-lilah, een vergeten schrijfster van ruim 2000 pagina’s Indisch proza.

Elisabeth Birnie. De Birnies. Twello, 1992 (eigen beheer)

J.J.P. de Jong. De waaier van het fortuin. Den Haag, SDU: 1998

Olf Praamstra. Gezond verstand en goede smaak, de kritieken van Conrad Busken Huet. Amstelveen: 1991. Bij het ter perse gaan van dit nummer beschikte ik nog niet over de jongste biografie van Olf Praamstra over Conrad Busken Huet en ik kon dus nog niet nagaan of hij de onderhavige brief van Anne Busken Huet misschien (in zijn geheel) heeft geciteerd, wat overigens het geval is. De brief van Anne Busken Huet ontving ik in 2001 per e-mail van Olf Praamstra, de biograaf van Conrad Busken Huet.

* * *

© Dit artikel verscheen eerder in De Gids van mei 2007

Obama is niet zwart, hij is café-au-lait

Bij de inauguratie van mijn nieuwe website wil ik even opmerken dat de 44e president van Amerika niet zwart is. Zijn vader was zwart, zijn moeder blank, dus Obama is multi-etnisch. Zulke mensen heten mulatten in Amerika, maar misschien is dat onderhand wel net zo ouderwets als halfbloed in Holland. Indo’s wensten zo niet langer genoemd te worden maar gezien de vele raciale kruisbestuivingen noemen veel multi-etnische kids zich tegenwoordig gewoon halfbloedje. Klinkt meer als een koosnaam dan halfbloed. Dit terzijde.

Gezien Obama’s levensloop (Hawaï, Indonesië, Noord-Amerika) en zijn aanraking met verschillende culturen, talen en godsdiensten, is Obama ook nog multicultureel te noemen. Multiculturaliteit is geen logisch gevolg van multi-etniciteit. Je kunt bijvoorbeeld als gemengd Kaapverdisch-Nederlands geboren worden maar een puur Hollandse opvoeding krijgen (ja, die bestaat nog). Misschien kun je Barack Hussein Obama II het best een kosmopoliet noemen. Hij is geboren onder het zodiakteken Leeuw, dat ben ik ook, dus dat zit wel goed (smile). Zijn Chinese teken is Os, dat is toevallig mijn reisgezel (ik ben geboren in het uur van de Os – second smile). Alsof de hemel een wil heeft, staan we aan de vooravond van het jaar van de Os. Dat begint aanstaande maandag op 26 januari 2009. Volgens Theodora Lau krijgt de Os een goed jaar, al zullen zijn plannen wat vertraging kunnen ondervinden (Uit: Chinese astrologie; het handboek – Theodora Lau; Kosmos-Z&K Uitgevers, Utrecht: 1981/1999). Mij lijkt dan ook niet dat Obama wel even de chaos die zijn voorganger buytengaets heeft gesticht, zal kunnen opruimen.

Het valt te hopen dat Obama niet door de een of andere idioot overhoop geschoten wordt. Een politicus die zó mateloos populair is, die loopt per definitie dat gevaar. Ik schrijf dit op het moment waarop Obama zo vermetel is zijn limousine uit te stappen en zwaaiend naar de menigte een stukje gaat wandelen, zijn vrouw naast zich. De CNN-verslaggevers houden de adem in. Dat is nog gevaarlijker dan wat Kennedy deed: rijden in een open auto, toen hij in Dallas doodgeschoten werd. Dat was in 1963, het jaar van het vredelievende Konijn nota bene (ik val onder dat Chinese teken – third and last smile).

Opvallend is dat niet alleen blanken maar doorgaan met roepen dat Obama zwart is. Nee, hiermee lijken de zwarten zelfs voorop te lopen. Vooruit dan, Obama oogt zwart, dus voor de zwarte gemeenteschap is het kennelijk makkelijker zichzelf in deze charismatische leider te herkennen. Racisme begint uiteindelijk bij het uiterlijk, daarna volgt de rest van de beeldvorming en de clichés die daaruit voortkomen. Maar nogmaals, Obama is niet zwart. Natuurlijk hebben zowel zwarten als blanken er baat bij hem zwart te noemen. Beide groepen hebben wat in te halen. Zwarten willen gelijkwaardigheid, die er, ondanks Obama’s verkiezing, nog lang niet is. En blanken willen van hun schuldgevoel af, waar ze nog wel even mee bezig zijn.

Een cynicus zou ook nog kunnen zeggen dat het voor blanken makkelijker is een zwarte af te poeieren dan een blanke-zwarte als hij zijn werk niet goed doet. Door zijn deels blanke afkomst eenvoudig te negeren, hoeven ze zelf niet in de spiegel te kijken. Maar: negeren ze die blanke afkomst eigenlijk wel? Het is wel heel opvallend hoeveel blanke Amerikanen met vlaggetjes staan te zwaaien, al zijn het vooral de vrouwelijke kiezers die de man in het zadel hebben geholpen.

Hoe dan ook: de mulatten lopen fijn de kans mis om eens in de schijnwerpers te staan. Ik voel natuurlijk met ze mee, want ik ben ook een etnisch en culturele mix. Zodra de mensen, met de massamedia voorop, ergens geen duidelijk etiket op kunnen plakken, wordt het allemaal te moeilijk voor ze. Toch wordt het allemaal café au lait in de toekomst. Obama is het al.

Meelezen (2)

hat logo meneer b Ik heb Het dwaallicht (1946) van Elsschot ook maar herlezen. Er was weinig over van de magische bekoring van weleer. Ik herinner me dat ik vroeger bijna als een aap op de rug van de verteller had gezeten op zijn dwaaltocht door de havenstad. Nu bekeek ik de tekst met distantie. De tekst moest me weer opnieuw zien te veroveren. Ik ben onderhand zo’n verwende lezer, dat ik gemakkelijk iets beters uit de kast kan trekken. Maar ik lees nu mee met mijn zoon. Van Elsschot werd ooit gezegd dat zijn Nederlands vlekkeloos was. Nou valt dat wel mee. Maar hij schrijft wel fraaie zinnen soms, die ogenschijnlijk eenvoudig zijn neergepend maar waar waarschijnlijk lang over is nagedacht. Er zijn ook schrijvers die zinnen typen waaraan je kunt zien dat er flink aan is geschaafd. Dat idee krijg je bij Elsschot nergens. Het dwaallicht is een goed voorbeeld voor wie iets in de onvoltooid tegenwoordige tijd wil schrijven. In de meeste gevallen mislukt dat. In enkele gevallen krijg je iets heel goeds. Het dwaallicht heeft iets kleinburgerlijks en zuinigs, maar de betwijfelde Jezusfiguur in het geloof van de christelijke hoofdpersoon en het medelijden dat hij krijgt van de islamitische Afghaanse zeelui maken de novelle weer actueel. Het racisme van toen had overigens weinig consequenties. In de novelle kwamen de Afghanen maar even passagieren aan wal, op zoek naar een vrouw, om vervolgens te vertrekken. Nu blijven ze liever en krijgen ze niet alleen spot over zich, zoals weleer, maar haat.

Bokito en neokolonialisme

logo alfred birney Mijn bevriende collega Frans Lopulalan belde voor een social talk. Hij vroeg me of ik nog op tijd was geweest met de deadline die Archipel Magazine nogal laat had gesteld. Nee, ik had geen tijd meer gehad om een nieuw stuk te schrijven maar kon gelukkigerwijs nog met een voorpublicatie komen uit mijn nieuwste boek Rivier de Lossie, dat in het najaar verschijnt. Frans Lopulalan zelf blijkt een column te hebben gewijd aan de beroemdste gorilla van deze nog jonge eeuw: Bokito. Hij brengt het gedrag van de vrouw in verband met koloniale neerbuigendheid. Ik moest lachen toen hij me dat vertelde. Als je lang bezig bent met fenomenen als macht, seksisme, racisme en kolonialisme, dan zie je in elk geval snel de link tussen (neo-)kolonialisme en de vrouw die zo geobsedeerd was door Bokito. Sla je de wereldliteratuur met de leestechnieken van Edward Said (1935 – 2003) op kolonialisme na (zie bijvoorbeeld: Culture and imperialism, 1993), dan slaat de schrik je om het hart. Blijf je in Edward Said’s voetspoor volgen, dan kun je gemakkelijk teleurgesteld raken over het volslagen gebrek aan zelfinzicht en zelfkritiek bij degenen die de zogenaamde ‘juiste’ boeken canoniseren voor ons nageslacht. De hoofdredacteur van Archipel Magazine krijgt onderhand wel grijze haren van de giftige columns van Frans Lopulalan, maar blijft ze toch plaatsen. Ik vroeg mijn collega hoe het intussen met zijn weblog is, waar hij al ruim een jaar terug aan begonnen is. Wanneer kom je eens met wat nieuws joh? ‘Morgen,’ zei hij.

Omtrent racisme

logo alfred birney Een vloedgolf van discussies over racisme naar aanleiding van de moord op meer dan 30 studenten en een leraar op de Virginia Tech university kon niet uitblijven toen bekend werd dat de dader van Zuid-Koreaanse komaf was. Op een willekeurig weblog (dode link) van een studente komt een stoorzender langs met, vrijuit vertaald, het volgende:

“Wat een zielig stelletje zijn jullie, om van te kotsen. Ik heb in Korea en Japan gewoond en die landen zijn zo’n beetje de meest racistische waar ik ooit was. Kinderen die half Koreaans zijn worden als honden behandeld en zijn de eersten die van school getrapt worden. In Amerika heb ik vaak genoeg Koreaanse kinderen horen roepen naar Filippino’s dat zij de ‘nikkers van Azië’ zijn. Wij zijn de besten en de rest sucks. Dat is toch echt een cultuur die racisme en haat uitbroedt.”

Hij heeft een punt, deze woesteling, maar ook niet meer dan dat. Racisme is inderdaad niet voorbehouden aan blanken, het komt zo’n beetje overal ter wereld voor. Een weldenkende Koreaan die dat toegeeft is niet moeilijk te vinden. Het begrip racisme kent overigens vele in- en uitgangen, zoals ‘vooroordelen’, ‘vreemdelingenhaat’ enzovoort. Ikzelf heb in Indonesië gezien dat Chinezen van de 7e (zevende!) generatie nog aparte bewijzen moeten overleggen bij diverse officiële loketten, waar Javanen dat helemaal niet hoeven. Dit gedoe bestond al tijdens de kolonisatie van de Nederlanders, die ooit apartheid in wetten waren gaan vastleggen. Nou kun je minderheden over de hele wereld wel verwijten dat ze lange tenen hebben en zelf ook discrimineren, maar intussen hebben blanken de luxe nooit en masse in de verdediging te worden gedwongen. Hoe zou dát nou komen?