De Gids, een van de oudste literaire en algemeen culturele tijdschriften ter wereld, bereidt een themanummer voor over Indische schrijfsters. Mij is om een bijdrage gevraagd, maar mijn hoofd staat er momenteel niet naar om met bijvoorbeeld een giftig essay te komen in de richting van een schrijfster als Augusta de Wit, van wie haar novelle Orpheus in de dessa (1903) meer dan een halve eeuw de boekenlijsten op de middelbare scholen ontsierde door ongehinderd de Indo als uiterst verdacht creatuur af te schilderen, wat tot talloze vooroordelen onder jonge lezers heeft geleid, met alle gevolgen van dien. Wetenschapper Olf Praamstra deed enkele jaren terug nog een stompzinnige poging om dit verachtelijke boek op de lijsten terug te krijgen, maar zelfs de brandstapel heeft geen interesse. Dezelfde wetenschapper speelde me ooit een brief toe, die hij vond tijdens zijn werkzaamheden aan zijn proefschrift over Conrad Busken Huet. Het is een brief uit Nederlands-Indië van de vrouw van Busken Huet aan de zuster van Potgieter… mede oprichter van De Gids in 1837. De brief is geschreven in 1875, denkelijk vlak na de dood van Potgieter. Pikant in de brief is een roddel van Anne Busken Huet aan Sophie Potgieter over mijn overgrootmoeder Rabina, een Oost-Javaanse vrouw, die in dat jaar naar Nederland zou komen. De toon balanceert op de grens van racisme en algemeen dédain. Als achterkleinzoon grijp ik mijn kans en bezorg de brief in een artikel voor een tijdschrift, waar het een eeuw geleden ongetwijfeld de open haard zou hebben gevonden. Ik leg de brief nu in een bedje van biografische en historische confetti en neem de tijd tot eind van deze maand, waar de deadline ligt.
Tagarchief: racisme
Oprotkretologie
Ha, een interview met de minister voor vreemdelingenbeleid en integratie! Nieuw ministerie, interessant! Even de pic van zijne excellentie bekijken. Hm, zeker afgetest voor Hollywood. Maar heeft-ie tekst? Jazeker! Hij steekt van wal met een citaat van Pim Fortuyn. Ziezo, niks mis met de bijbelvastheid van zijne excellentie. Volgt zijn prioriteitentoptien. Onderwijs, gezondheidszorg en veiligheid vindt zijne excellentie belangrijk, maar bovenaan prijken toch ‘immigratie en integratie’. Waarmee hij impliciet erkent dat Nederland dus tóch een immigratieland is. Maar dan wel graag met het strengste vreemdelingenbeleid van Europa! Illegaliteit moet strafbaar worden gesteld! Lekker slim, dan heb je helemaal een tekort aan gevangenissen. Algemene identificatieplicht! Ben je lekker mee als je net onder de zonnebank vandaan komt en swingend de zebra oversteekt. Toegelaten vreemdelingen die strafbare feiten plegen, moeten teruggestuurd! Ontspoorde Marokkaanse jongeren moeten worden uitgewezen, ook al hebben ze een Nederlands paspoort! En zo gaat zijne excellentie maar door met zijn stigmatiserend geraas en gebral. Je zou bijna gaan geloven dat autochtonen niet slaan, niet stelen, niet moorden, behalve dan die vermeende die zijn pistool leegschoot op de man aan wie zijne excellentie zijn portefeuille te danken heeft. Toch is zijne excellentie een redelijk mens. Hij zegt dat racisme en discriminatie steviger moeten worden aangepakt. Dat wordt dan een enkele reis naar de Noordpool voor Hilbrand Nawijn. Kan-ie even afkoelen.
Haagsche Courant, maandag 26 augustus 2002
Indische gezichten
Alfred Birney
Indische gezichten
twee romans
Uitgeverij In de Knipscheer
Haarlem 2002
Reprise paperback 330 blz. 13 x 20 cm
omslagontwerp Kilian Anders
ISBN 90 6265 479 7
Bestel
Alfred Birney’s bekendste Indische romans Vogels rond een vrouw en De onschuld van een vis in één band. Tot in Indonesië geprezen en gelezen!
Indische gezichten verenigt Alfred Birney’s meest uitgesproken Indische romans Vogels rond een vrouw en De onschuld van een vis in één band. Beide boeken geven een beeld van de Indische vader, inmiddels een bijna klassieke figuur in de Nederlandse postkoloniale letteren. In het eerste boek wordt hij geschetst als slachtoffer van, in het tweede boek als schuldige aan zijn eigen oorlogsverleden.
Door deze verhaallijnen heen weeft de schrijver de lotgevallen van zijn eigen tweede generatie Indische jongens en meisjes. Bijzonder is dat hij de spanning tussen de Indische en Hollandse cultuur niet zozeer buiten maar veeleer binnen het huisgezin plaatst. Bovendien weet hij de lezer te boeien met een gevarieerde verteltrant vol verwijzingen naar klassieke motieven uit de Indische literatuur, zoals goena goena, racisme en heimwee.
Birneys relaas schittert als een eenzame heldere ster aan de hemel van
de Indische letterkunde. – Trouw
Birney’s Indo-romans leveren een zeer waardevolle bijdrage aan de Indisch-Nederlandse literatuur – Tydskrif vir Nederlands & Afrikaans
De heldere verteltrant, zuivere compositie en goede sfeer- en karaktertekeningen maken beide, goed opgebouwde romans, waarin heden en verleden samenvloeien, tot de laatste bladzijde boeiend. – Biblion
Apartheid in de literaire kritiek
Korte verhalen hebben hun geschiedenis. Wilde je halverwege de jaren zeventig schrijver worden, dan stonden de regels al vast. Ideaal was om met poëzie te beginnen, je vervolgens aan het korte verhaal te wijden en dan de sprong te maken naar de roman. Die route, zeiden ze, hadden de huidige arrivés bijna allemaal afgelegd. Poëzie als stijloefening, het korte verhaal als vingeroefening. Natuurlijk werd de poëzie hier heel braaf beschouwd als de hoogste vorm van literaire kunst, maar het waren vooral de romans waarover in de literaire salon werd gesproken. Tussen de genres in lag het niemandsland van het korte verhaal: speelplaats voor debutanten.
Als er één positief aspect aan de traditionele route van de schrijver kleefde, dan was het wel dat er bijzonder werd gelet op stijl. Helaas verstond men onder stijl voornamelijk een erudiete manier van schrijven. Wist je te suggereren dat je je klassieken goed kende, door middel van speelse verwijzingen bijvoorbeeld, dan zat je goed. Je bewees dan in elk geval dat je niet van de straat was. Uiteraard met de westerse klassieken in je bagage, de rest van de wereld telde niet mee.
Het was een tijd waarin men niet meer sprak over een kort verhaal maar over een tekst. Je leverde dus een tekst in bij een literair tijdschrift. De redacteuren van die tijdschriften, meestal zelf schrijvers, bekeken de tekst en retourneerden je die met een opmerking over je stijl, in het beste geval met de uitnodiging nog eens wat in te sturen. Een verhaal waarin iets verteld werd, heette anekdotisch, was een zonde en ging rechtstreeks naar de hel van de prullenbak. Pas met een verhaal waarin niets gebeurde, bewees je te kunnen schrijven, juist door niets te laten gebeuren.
Een debuut in een van de literair tijdschriften was belangrijk. Die werden immers uitgegeven door de grote uitgeverijen in Amsterdam. Daar konden ze dan je ontwikkeling als schrijver op de voet volgen en kijken of er al iets over je geschreven werd in de kranten en de invloedrijkste recensenten je misschien al in hun vizier hadden. Was dat het geval, dan kon je eens komen praten. Snel waren ze niet met publiceren. Jij was de wijn die in hun kelders moest rijpen. En wel zo, dat je je enigszins ontwikkelde naar hun normen. Immers: jij was voorbestemd tot hun stal, jou wachtte het keurmerk van hun label, jouw paspoort naar de literaire pers.
In die tijd zag je geen schrijvers uit minderheidsgroeperingen bij de gevestigde uitgeverijen debuteren. Die schrijvers spraken een ander soort Nederlands, en, wat erger was: zij hadden werkelijk iets te vertellen, vooral verhalen die men hier liever niet hoorde of die hen eenvoudig onverschillig liet. Deze schrijvers konden terecht bij de kleinere, idealistische uitgevers, die hen later op hun beurt weer zagen vertrekken naar de rijkere uitgevers, toen die eenmaal geld begonnen te ruiken.
In de jaren zeventig kon een roman of verhalenbundel zeven jaar op de schappen van de winkels liggen wachten om ontdekt worden door het publiek. Momenteel is dat zeven weken. Eerst daalde het proces naar twee jaar in de jaren tachtig, toen het literaire bedrijf big business begon te worden. Literaire tijdschriften werden voortaan doorgebladerd op korte verhalen. Voor de poëzie was dit een harde klap.
Kreeg daarmee het korte verhaal een herwaardering? Integendeel, want je hoefde er maar één schrijven, als een soort proefwerk. Eén goed kort verhaal was voldoende voor een contract en moest desnoods een hele bundel vol haastwerk en troep dragen. Zo’n debuut was meer dan ooit een sprong naar de roman: het genre waar het uiteindelijk om ging en waar het heden ten dage vrijwel alleen nog maar om draait.
Inmiddels heeft het korte verhaal als examenstuk of paspoort afgedaan. En schrijvers worden minder dan ooit beoordeeld op hun werk alleen: hun imago telt zwaar. Imago’s hebben een gezicht en kunnen het stellen met, als het moet, nog minder inhoud dan een literaire vingeroefening. De fusten in de kelders van de literaire tijdschriften zijn ernstig begonnen te rotten, uitgevers zijn achter hun redactiebureaus vandaangekomen en naar buiten gegaan om in jeugdhonken en universiteitskantines de vangnetten uit te werpen.
Op zich is het vreemd dat in het huidige tijdgewricht, waarin informatie met de dag toeneemt, en mensen ook steeds meer informatie uit verschillende kanalen tot zich willen nemen, dat juist nu het korte verhaal weinig serieus genomen wordt. Ik maak me sterk dat al die kopers van die lijvige megasellers, en al die recensenten die die boeken bespreken niet ook ‘s avonds naar de televisie kijken, een uurtje gaan surfen op het Internet, naar de kroeg gaan en concerten bezoeken, of musea, tentoonstellingen en wat er al niet bij een zogenaamd cultureel leven hoort. In zo’n manier van leven zou toch juist het genre van het korte verhaal uitstekend passen.
Het klinkt misschien vreemd, maar een lijvige roman kan zich sneller laten lezen dan een verhalenbundel, interpreterenderwijs welteverstaan, met wat geblader door de minder sterke pagina’s. Een verhalenbundel laat zich moeilijker veroveren: de lezer moet bij elk verhaal als het ware aan een nieuw boek beginnen. En een goed verhaal kent geen zinnen en als helemaal geen bladzijden die men kan overslaan.
Een bundeling van korte verhalen van één schrijver eist meer tijd, aandacht en kundigheid van de recensent om er iets zinnigs te kunnen zeggen. Een aanwijzing hiervoor is de grotere aandacht die anthologieën krijgen. De recensent pikt er een paar schrijvers uit en laat de rest voor wat het is. Mijn verhalenbundel Fantasia heeft na lezing door een recensent nog een aardig verhaal opgeleverd. Daarover straks meer.
Toen ik serieus begon te schrijven, dat wil zeggen, schrijven met het oog op publiceren, had ik een probleem. Het klinkt misschien wat dubbel, maar ik had een vrij groot arsenaal waaruit ik kon putten. Complex ook. Mijn vader was afkomstig uit het voormalige Nederlands-Indië, mijn moeder uit Nederland. Ze ontmoetten elkaar na de Tweede Wereldoorlog in Nederland en gaven mij daar het leven, of het leven mij, een vraag die onuitgesproken in mijn hele literaire werk doorklinkt.
Laat ik nog even bij mijn ouders blijven. In de meeste gevallen lag de verhouding als volgt waar het om een interraciaal huwelijk ging: de man was een Hollander, de vrouw een al dan niet gemengdbloedige uit Nederlands-Indië. Bij mijn ouders lag dat andersom. Mijn moeder werd als blanke vrouw met argusogen bekeken wanneer ze met haar bruine kroost over straat ging. En mijn vader werd beschouwd als een exotisch dier dat er eigenlijk maar beter aan deed naar zijn geboorteland op te krassen, en al helemaal met zijn tengels van een blanke vrouw af te blijven.
Dat hij als gemengdbloedige Indo-Europeaan reeds in Nederlands-Indië een Europees paspoort had en in zijn patriottistische hoedanigheid aan de kant van de Nederlanders had gevochten tijdens de vrijheidsstrijd van de Indonesiërs, daar wist men hier in Holland niets van af. Zij hadden de Duitse bezetting gehad en iedereen met een andere geschiedenis werd niet gehoord, en al helemaal niet als aan die geschiedenis iets ‘koloniaals’ kleefde. Dat Nederland haar welvaart voor een groot deel juist aan die voormalige kolonie Nederlands-Indië had te danken, werd voor het gemak maar even niet onderwezen op de scholen.
De oorlog in Nederlands-Indië – eerst de Japanse bezetting, daarna de Indonesische vrijheidsstrijd en ten slotte de uittocht van 300.000 Indo-Europeanen die de wijk naar Nederland namen – had mijn vader dermate getraumatiseerd dat het hem niet meer gegeven was zoiets als een normaal gezinsleven te leiden. Problemen in het Hollandse maatschappelijke leven, zo anders dan in zijn geboorteland, communicatieproblemen met zijn vrouw, al spraken ze dezelfde taal, racisme die ook zijn kinderen moesten ondergaan, en vooral de achtervolgingswaan die hem parten speelde, maakte hem bij tijd en wijlen onmogelijk om mee te leven.
Het idee dat een harde opvoeding zijn kinderen later weerbaar zou maken, dreef hij te ver door. Zijn rigide lijfstraffen pasten nauwelijks in de cultuur waarin hij terecht was gekomen. En zijn gekte al helemaal niet. Ik was dertien toen ons gezin uiteenviel en moest, met mijn twee broertjes en twee zusjes, mijn verdere jeugd in tehuizen doorbrengen.
Een nieuw leven, ver weg van de verhalen over de oorlog, die mijn vader dagelijks na het eten als dessert op onze borden had gekwakt. Een ander rumoer kwam er voor in de plaats: de hardheid binnen tehuismuren, waar ongeschreven wetten zwaarder telden dan geschreven wetten, waar je moest vechten voor je plaats temidden van twaalf jongens per afdeling, die door één groepsleider in toom gehouden moesten worden. Een ander bestaan, niet minder wereldvreemd dan het leven in het vroegere gemengd-culturele gezin, waarin cultuurbotsingen en verhuld racisme tussen echtelieden voor een kind nauwelijks te bevatten waren.
Op mijn achttiende jaar had ik dus mijn eigen beladen tehuisverleden en droeg ik ook nog dat van mijn ouders vroeger thuis en dat van mijn vaders oorlog in Nederlands-Indië met me mee.
Verder zag de wereld er ook nog eens lelijk uit. Ik was onderhand tenminste de bomen en de velden rond de muren van het tehuis gaan liefhebben. Nu zwierf ik van stad naar stad en verafschuwde ik elke plek waar ik terechtkwam. Het zou nog tien jaar duren eer ik de rust vond ergens langer dan een seizoen te wonen. En zo vond ik ook de rust te gaan schrijven, ik was dertig inmiddels, het werd eens tijd. Maar waarover moest ik nou gaan schrijven?
Een slechte jeugd is een goudmijn voor een schrijver, zeggen ze. Dat betekent niet dat je ermee kunt volstaan je handen aan het papier af te vegen. Voor wie zijn of haar levensverhaal wil vertellen, kan eventueel zonder veel liefde voor het schrijversambacht dat verhaal gratuit op papier smijten en er de loterij van de boekentoptien mee in. Daarvoor is de roman een uitstekend middel. Zeker in de huidige tijd, waarin een boek vooral dik, om niet te zeggen lijvig moet zijn.
Veel woorden over een catchy issue tegen een aantrekkelijke verkoopprijs. Zulke boeken zetten zelfs de meest vooraanstaande critici op het verkeerde been. Je vindt ze veel onder de huidige bestsellers. Sommige komen gelukkig van immigranten en immigrantenkinderen en worden bejubeld, niet zozeer vanwege de literaire waarde, waar men anders de mond vol van heeft, maar denkelijk vanwege de antipropaganda die zulke boeken impliciet bevatten.
Nederlandse critici zijn vrijwel allemaal blank en ik hoor ze zachtjes jubelen: zie je wat voor prachtig democratisch en openminded land wij zijn? Ze wijden hele krantenpagina’s aan één zo’n boek, waarmee ze zichzelf profileren als progressief dan wel als cultureel correct en gaan de volgende dag weer verder met hun geleuter in hun traditionele westerse denken en vooral hun voelen.
Natuurlijk worden er nog altijd verhalen gepubliceerd. Maar dan vooral verzamelde werken van nog levende romanciers die tussen de bedrijven door even hun vingers warm willen houden en liefdeloos hun metroproza voor kranten en weekbladen schrijven, verhalen die je als een hamburger tussen halte 1 en 3 even tot je neemt. Verhalen die naar niks smaken, maar waar althans een beroemde naam boven staat. Het zijn dikke bundels en worden in hardcover voor spotprijzen aangeboden onder titels die tot dan toe alleen verzamelde werken sierden. Het enige aardige is dat zo’n schrijver niet meer eerst hoeft dood te gaan voor er een dergelijk overzicht verschijnt. Minder prettig is, dat het verhaal bijkans alleen nog in honderdtallen gesleten kan worden. Als schrijvers en uitgevers zelf het korte verhaal niet echt meer serieus nemen, ja dan kunnen de recensenten moeilijk achterblijven.
Ik wil niet direct een lans breken voor de overdreven en veelal harkerige stijloefeningen die ooit veel van de literaire tijdschriften bijkans onleesbaar maakten. Woordkunst zonder een duidelijke verhaallijn kan boeiend zijn, maar dan vooral voor wie wil leren schrijven of voor wie intussen zo veel heeft gelezen dat alleen virtuositeit nog kan bekoren.
Toen ik mijn eerste verhalen begon te schrijven, hield ik me veel bezig met vorm en stijl. Die manier van werken bood me het grote voordeel om me niet met het verleden van mijzelf, mijn moeder of mijn vader en zijn plantersfamilie uit Nederlands-Indië bezig te hoeven houden, en al helemaal niet met zoiets als mijn huidskleur.
Ook ik heb geleerd een tekst te schrijven met een dédain voor het narratieve element. Ik heb er geen gewoonte van gemaakt, want ik wilde gaan vertellen, het moest eruit. Dus ben ik gaan zoeken naar een balans tussen vorm en inhoud. Zoek ik dan naar zoiets als het literaire midden? Nee, ik probeer talent en bagage te verenigen. Waarmee het volgende probleem in de receptie optreedt:
Recensenten lijken te beschikken over een linkeroog voor vorm en een rechteroog voor inhoud. Met het linkeroog bekijken ze de verhalen van ‘autochtone’ schrijvers. Met het rechteroog de verhalen van die men hier ‘allochtonen’ noemt (om niet het woord ‘immigrant’ of ‘immigrantenkinderen’ te hoeven gebruiken, wat kennelijk not done en wat mij betreft tamelijk schijnheilig is). Het linkeroog kent een literaire norm. Het rechteroog merkt de werken van immigranten uit niet westerse culturen op, herkent het nog niet en geeft het het voordeel van de twijfel. Zodra beide ogen samen moeten kijken naar het werk van schrijvers die, al is het in de tweede graad, een mengcultuur in zich dragen, gaan ze scheel zien.
Verhalen uit de Nederlandse literatuur die zich afspelen in de lage landen, zijn doorgaans saai. De thema’s verschillen nauwelijks van die uit de andere Europese literaturen. Op zich interessant, maar veel Nederlandse verhalen missen brille, hebben geen schwung, wel emotie maar geen gevoel. De koloniale letteren zijn lang zo saai niet. Het is niet toevallig dat de Nederlandse meesterwerken met de langste adem in Nederlands-Indië spelen. Het zijn de pijlers waarop de Nederlandse literatuur rust: boeken die een Europese vorm en perspectief paren aan een, zeg, exotische inhoud.
Over het leven aan de andere kant van de oceaan viel dan ook meer te vertellen. De kolonie verleidde de Nederlanders tot uitspattingen die in het moederland onacceptabel zouden zijn geweest. Je hoeft maar enkele verhalen uit de koloniale letteren te lezen en losbandigheid, zedeloosheid, corruptie, vrouwenhaat, moordzucht, machtswellust, tovenarij, racisme, seksisme, taalstrijd, spot en laster slaan je tegemoet.
Zijn dat nou de motieven die ze ook van een postkoloniale auteur verwachten? In zekere zin wil men er een vervolg op zien, maar dan wél het liefst in problematisch perspectief. Ben je van gemengde afkomst, dan moet je daar een probleem mee hebben. Zo niet, dan speel je niet mee.
Waarmee een bekend dilemma aan den dag treedt: representeer je een groep of jezelf? In mijn geval: representeer je de Indische groep van je vader, de Hollandse groep van je moeder of beide? Op grond van mijn uiterlijk is het eerste gewenst, niet direct het tweede.
Zo kom je op de vraag: als je beide groepen representeert, doe je jezelf en je kunstenaarschap dan daarmee vanzelfsprekend het meeste recht? Ik draai het liever om en zeg dat ik hoe dan ook beide groepen representeer, zo lang ik trouw blijf aan mezelf. Dat lijkt mij althans vanzelfsprekend.
Waarom geef jij je verhaal geen Indo-Europese achtergrond mee? Die vraag werd mij gesteld toen ik in een tijdschrift debuteerde waarin plaats was voor verhalen waarin ook nog iets verteld mocht worden. Mijn antwoord luidde dat er voor mij geen reden was het verhaal van een Indisch behang te voorzien. Omdat het verhaal dat niet nodig had, er niet om vroeg.
Toen ik daarna een verhaal over een roots-reis naar Indonesië in een krant publiceerde, luidde de vraag: waarom schrijf je nu over je Indo-schap? Dat deed je eerst toch ook niet? Kortom: zwijgen over mijn Indische achtergrond riep een kennelijk dwingende vraag op en het tegenovergestelde ook. Achter die vraag schuilt de eis dat je één van beide groepen vertegenwoordigt. Beide groepen tegelijk vertegenwoordigen wordt (onbewust?) gezien als vals spel, onduidelijk gedrag, op zijn ergst als verraad.
Elke lezer kent het fenomeen van zich willen verzetten wanneer je een verhaal begint te lezen. Dat is de gewone uitdaging van de lezer aan het verhaal: kom op, verover me maar. Hier gaat het om een ánder verzet. Ze willen niet veroverd worden, ze willen gewoonweg lezen wat ze van je willen lezen.
Voor mijn verhalenbundel Fantasia uitkwam had ik louter romans gepubliceerd. Afgaande op de receptie van mijn romans was één ding duidelijk geworden: er waren recensenten die alleen mijn ‘Nederlandse’ romans bespraken en er waren er die alleen voor mijn ‘Indische’, of ‘postkoloniale’ romans belangstelling hadden. Uitzonderingen op die apartheid zaten niet in Nederland maar in België, waar men dezelfde taal spreekt als hier maar althans niet zit opgezadeld met een koloniaal verleden in de Oost, om maar even te zwijgen over hun eigen koloniale verleden in Congo.
Recensenten die de vinger wisten te leggen op één overkoepelend thema dat in ál mijn verhalen en romans terugkeert, kwamen dus uit het buitenland. Zij noemen het eenvoudig ‘vervreemding’, een thema dat terug is te vinden in de hele wereldliteratuur. Dat thema kan verbonden worden met kwesties rond iemands afkomst, verleden, sekse, seksuele geaardheid, neurosen, fantasieën, gekte, kortom met alles wat je je maar kunt indenken. Vervreemding kent geen vasteland, vervreemding zoekt ernaar. En zolang het niet gevonden is, is de vervreemding het vasteland zelf.
Natuurlijk heeft de lezer het recht de vervreemding die mijn protagonisten beheerst, te kunnen plaatsen. Ik geef die lezer althans het vasteland van de taal en het verhaal. Maar de recensent, de beroepslezer, wil meer. Die wil op zijn beurt de lezer tonen dat hij de schrijver die hij bespreekt volledig begrijpt dan wel doorziet. Daarom zijn schrijvers die zich op welke manier dan ook duidelijk profileren voor hen gemakkelijker te bespreken dan zij wier werk een persoonlijke synthese ademen van diverse culturele invloeden die zij hebben ondergaan.
Wanneer ik een verhaal schrijf zonder een expliciet Indisch accent, dan is dat verhaal nog altijd geschreven door iemand die Indische accenten in zich draagt. Vanuit mijn achtergrond leg ik vanzelfsprekend andere accenten, ook zónder die achtergrond expliciet te berde te brengen. En dát is nu juist iets waar men geen oog voor heeft of wenst te hebben.
Ik vind niet dat ik, om maar wat te noemen, een spookverhaal tegen een Indische achtergrond hoef te plaatsen om het voor een Nederlandse lezer geloofwaardiger te maken. Een spookverhaal is in Indische kringen niets bijzonders, in Nederlandse kringen nog altijd wel. Daarom moeten spookverhalen bij voorkeur uit het buitenland komen. Of van een schrijver zoals ik, maar dan wél geplaatst in een Indisch kader. Dan kunnen ze je een plaats geven en vorm je verder geen bedreiging voor de ‘autochtone’ auteurs, die zo hun eigen thema’s hebben en die men kennelijk voor die groep gereserveerd wenst te houden. Wij de magie, zij de liefde.
In het hedendaagse Nederland, waar men de mond vol heeft van ‘multiculturele uitingen’, wordt een separatisme gehandhaafd die teruggaat tot ver in de koloniale geschiedenis van het land. Niet wenst men hier tot zoiets als wederzijdse beïnvloeding te komen. Nee, men wenst dat iedereen zijn eigen cultuur binnenskamers houdt. Men kan dat aflezen aan de boeken van, daar gaan we weer, ‘autochtone’ schrijvers, die in een periode waarin de discipline ‘filosofie’ mode was, bol stonden van de verwijzingen naar de meest uiteenlopende Westerse filosofen. Oosters gedachtegoed wordt in het beste geval beschouwd als een aardige uiting van een andere cultuur, passend bij ‘allochtone’ schrijvers. Zij mogen sprookjes vertellen, Hollandse rivieren verleggen en geesten over de Amsterdamse grachten laten zweven.
De ‘autochtone’ schrijver die dat doet, wordt gestraft dan wel overdreven bejubeld, vooral als hij of zij als blanke dat ‘goede oude Nederlands-Indië’ nog heeft meegemaakt en er nog maar eens, als de zoveelste in vier eeuwen letterkunde, de Eurocentrische blik over laat schijnen.
Ik vraag me af wat de recensenten zouden doen met een liefdesverhaal spelend in de Hollandse polder, geschreven door een Marokkaan. Misschien toch maar heel hard juichen omdat nu dan eindelijk die langverwachte multiculturele droom gestalte heeft gekregen in de Nederlandse letteren? Daar zullen ze dan toch zeker eerst een symposium over willen beleggen. Even elkaar besnuffelen om te zien of er geen luchtje van schaamte rond hun zetels hangt.
Als schrijver met een Indische achtergrond, geboren en getogen in Nederland, feitelijk ‘autochtoon’ noch ‘allochtoon’, ben ik belast met het erfgoed van mijn vader én dat van mijn moeder: een Indo uit het voormalige Nederlands-Indië en een schoenmakersdochter uit het zuiden van het land. Ik herinner me dat mijn Nederlandse grootvader mij als kind spijkertjes liet wegen in zijn schoenmakerij. Die werden voor 15 cent per zakje verkocht aan arme mensen die zelf hun schoenen moesten repareren.
Ik zie na twaalf jaar schrijversschap nog altijd geen noodzaak om een jongetje dat in de schoenmakerij van zijn grootvader spijkertjes staat te wegen, een Indische achtergrond mee te geven. Ik heb weliswaar de keus, afhankelijk van wat ik wil tonen. Maar elke keus houdt in het huidige tijdsgewricht een diskwalificatie in. Geef ik het jongetje een bruin gezicht, dan tel ik niet meer mee met de Nederlandse letteren. Geef ik het jongetje een wit gezicht, dan tel ik niet mee met de Indische of postkoloniale letteren.
Tot nog toe heb ik het meestal zó gedaan: mijn protagonisten géén gezicht meegegeven. Wat ik ze áltijd heb meegegeven is een gevoel van vervreemding, met de achterliggende vraag: wat doe ik hier?
Als schrijver wens ik uiteraard te worden beoordeeld op mijn kunstenaarschap en niet op mijn afkomst, die in vette letters in een flaptekst op mijn boeken komt te staan. Die behandeling geven ze blanke schrijvers ook niet wanneer ze eens zin hebben een verhaal in het voormalige Nederlands-Indië te situeren. Ja, hen wordt zoiets zonder meer toegestaan en daarna mogen ze weer overgaan tot de orde van de dag. Leest u die laatste vier woorden nog maar eens.
U heeft nog een verhaal van mij tegoed. Toen mijn verhalenbundel Fantasia op de markt kwam, bleven de recensies vrijwel uit. Dat overkomt wel meer schrijvers, verhalenbundels zijn niet populair bij recensenten, maar zo’n magere ontvangst was ik toch niet gewend.
In die periode maakte ik kennis met het Internet. Mijn broer bouwde een website voor me en er begonnen e-mails binnen te rollen. Op zekere dag meldde zich een recensent. Hij wilde alleen maar even zeggen dat hij mijn website zo mooi vond.
Nou, dank u wel.
Er ontwikkelde zich een correspondentie per e-mail en hij liet zich ontvallen dat hij binnenkort aan mijn verhalenbundel zou beginnen. Een tijdlang hoorde ik niets. Toen mailde hij me dat hij mijn verhalenbundel had gelezen, dat hij had genoten van de stijl maar dat hij zo gauw niet wist wat hij erover moest schrijven.
Waarom niet? Nou, hij had geen kapstok om de verhalen aan op te hangen. De recensent gaf me het advies om voortaan bij elke nieuwe uitgave met een persmap te komen, liefst met een review van mijn oudere werk waartegen het nieuwe werk geplaatst kon worden. Kortom hij vroeg me of ik voortaan niet zelf alvast de helft van zijn recensie wilde schrijven, dan maakte ik het hem een stuk eenvoudiger. Ik had het al vermoed, dat ze lui waren, die recensenten.
Ik heb de man, die overigens behoort tot de groep van recensenten die alleen mijn postkoloniale boeken bespreken, geen sleutel tot mijn verhalen gegeven. Dat was mijn eer te na. Een recensent moet mijn verhalen waardig zijn, behoort de kunst van het lezen te verstaan.
Wat is een goede lezer? Eén die niet alleen met de ogen maar ook met het gevoel leest. Ik vertrouw op mijn publiek. Dat kan mijn verhalen waarderen zonder verhaaltheoretische kennis, zelfs zonder kennis van de achtergronden van de mengcultuur die een schrijver indirect representeert. Kwestie van openstaan. Voor wat mijn recensenten aangaat, die mijn persoonlijke vervreemding alleen maar bevestigen, veronderstelt dat onderhand wel het aanleren van een andere manier van lezen. Waarmee de vraag blijft wie van de beroepslezers bereid is opnieuw te leren lezen.
Oorspronkelijk geschreven voor de Amerikaanse lezer naar aanleiding van de Sixth International Conference on the Short Story, october 2000, Iowa, USA.
Het Yournael van Cyberney werd in april 2000 onder aanvoering van Alfred Birney gelanceerd en verscheen wekelijks tot aan de boekenweek in maart 2001. Ruim 60 afleverigen van Cyberney (Alfred Birney), Frans Lopulalan, Joyce Bloem, Maureen Birney, Widjajanti Dharmowijono, Guno Jones, Esther Captain en Anyes lieten zien dat er nog veel onbesproken was en is in de Nederlandse taal, juist door hen die een mengcultuur in zich dragen. Het Yournael van Cyberney & Co bracht artikelen en verhalen rond literatuur, kunst, cultuur, fotografie, emancipatie en uitgeverspolitiek in het labyrint van mengculturen in binnen- en buitenland. De bijdragen van Alfred Birney verschenen bewerkt en gebundeld met ander proza in een eenmalige uitgave als alternatief boekenweekgeschenk en tegelijk als feestbundel ter ere van het 25-jarig jubileum van Uitgeverij In de Knipscheer. Bestel het boek hier!