Kijk eens hoe ze opkwamen in de jaren vijftig. Gesoigneerd, er gaat nog net geen gordijn open. De zanger en sologitarist kruisen elkaar voor het lied wordt ingezet. Terwijl de zanger zich met een toen nog straffeloze macho mime tot een denkbeeldige schone dame wendt, tovert de sologitarist de brutaalste riedels uit zijn gitaar. Het is vooral hij die mijn aandacht trekt. Hij speelt zo gemakkelijk dat ik er bijna om moet lachen. Als deze muziek door de radio klonk, dan kreeg mijn vader heimwee naar een land waar hij nooit geweest was: Mexico. Hoe hij zich daar het leven voorstelde, weet ik niet. De zon scheen altijd, dat was genoeg voor hem. Ik zag dit trio nooit op de Nederlandse televisie, ik weet zelfs niet of ik ze ooit wel op de radio hoorde, zoals mijn romanheld in Het verloren lied. Het moet haast wel. Ik begroet de heren met een glimlach van herkenning. Zijn ze dood nu? Of heel erg oud? Negen gedaantenverwisselingen onderging het trio in zijn roemruchte bestaan.
Tagarchief: radio
Wat voor gitaar heb je?
Op gevoel (4) Wat voor gitaar heb je?
Veel foto’s van gitaarspelende mensen uit de jaren vijftig en zestig verraden aan het kennersoog goedkope klankkasten van triplex, kromgetrokken halzen en snaren die pas werden vervangen wanneer ze braken. De snarenfabricage had nog niet die fijnzinnigheid van nu, je kon ze nog niet in verschillende maten kopen, ze waren stug en door de slechte gitaarhalzen lagen ze vaak hoog boven de toets. Gitaar leren spelen had iets van atletiek, je moest krachtige vingers kweken wilde je ooit in staat zijn een barré-akkoord te pakken, dat wil zeggen met een gestrekte wijsvinger zes snaren tegelijk indrukken. Wie dát kon, wie dát liet zien, was in ieders ogen bijkans virtuoos.
Gitaren hingen tuttig met een koord rond iemands nek, soms gewoon met een stuk padvinderstouw, die striemen achterliet in de hals van de gitarist. Amateurisme lees je af aan hoe de vingers van de rechterhand over de kast werden gelegd, soms met de vingertoppen rond de zijkant gekromd. Toch klonk de muziek goed, als mijn herinnering me niet bedriegt.
De zelfbewuste gitarist liet zijn gitaar klinken vanuit elke houding, bij voorkeur nonchalant met een blasé smoelwerk achteroverhangend in een luie stoel. Dat waren de vingervlugge jongens naar wie je bijna niet durfde te kijken, zó goed speelden ze vergeleken met al die andere Indo’s, die zonder uitzondering gitaar speelden of voordeden dat ze het konden.
Waar mijn broertje en ik op letten wanneer we een foto zagen van een Indo met gitaar: speelt hij de akkoorden alleen bovenaan bij de kop van de gitaar of laat hij zijn vingers ook in de hoogste regionen dicht bij de klankkast jongleren? Dat laatste was toen een teken van virtuositeit. Wanneer Indo’s met de gitaar op de foto gingen, zorgden de showbinken ervoor dat ze hun vingers hoog onderin lieten dansen, een beetje wegkijkend van de camera, de gedachten elders om elke schijn te mijden dat hier werd geposeerd.
De besten speelden jazz. Die grepen akkoorden die vreemd waren en duister klonken. Dat deden de oudere Indo’s, die zich het liefst stilletjes in een achterkamer met alleen hun gitaar terugtrokken.
De radio liet op de zondagochtenden dixieland uit de polder horen. Het was moeilijk een buitenlandse zender te vinden waarop je de gitaar in haar volle glorie kon horen. Mijn vader klaagde erover. Hij sprak niet alleen van krontjong, maar bovenal van Hawaiian-muziek. Ze schenen ook in Den Haag te zitten, een paar van die Hawaiian-orkestjes, waarin vaak vrouwen een vooraanstaande rol opeisten, de gitaar plat op schoot, de snaren beroerend met een lipstickkoker als ze geen flessenhals of metalen bar hadden. Ik kreeg ze nooit live te zien, maar wanneer ik eens een Hawaiian-nummer op de radio hoorde, viel mijn mond open om al het moois dat je met een gitaar kon doen.
Terwijl vriendjes en kennissen in gevecht waren met hun instrumenten, toonde mijn vader weinig oog voor hun geploeter. Hij had een gitaar en droomde van Amerika. Ik had een speelgoedauto met een afgebroken wiel en droomde van een gitaar.
Fragment uit het verhaal “Op gevoel”
Copyright © 2006 Alfred Birney
Meulenhoff, 2006: Indisch leven in Nederland (red. Annemarie Cottaar)
Alfred Birney op AmsterdamFm Kunst en Cultuur
Op donderdagmiddag 28 mei 2009 is Alfred Birney te horen op AmsterdamFm tussen 14:00 – 15:00 uur in het programma Kunst en Cultuur. De radio-uitzending is tot twee maanden na uitzending te beluisteren op Salto Omroep Amsterdam. Klik op StadsFM Streaming OnDemand en verder via het kalendertje.
Het verloren lied 15
Toen grootmoeder vertrokken was, kwam het licht terug in onze woning. En in de hoofden en benen van mijn ouders. Ze konden dansen, die twee, op lakschoenen en in pantalon met krijtstreep, op hoge hakken en in kousen met een naad, zomaar in de huiskamer of in de gang op een liedje uit de radio:
Que Sera Sera
Whatever will be will be
The future’s not ours to see
Que Sera Sera
What will be will be…
Meer lezen over de jaren zestig volgens Alfred Birney?
Lees het komende fragment.
Of bestel het boek hier.
Het verloren lied 10
Grootmoeder sliep op een opklapbed in de huiskamer. Haar aanwezigheid maakte de atmosfeer oud. Het luidsprekerdoek voor de radio, met de houtgesneden tierelantijnen, leek een muffe geur te verspreiden, de ivoren knoppen voor volume en afstemming voelden plotseling vettig aan.
De avonden waren bedrukt en vol raadselachtige gesprekken. Het sleutelgat was een koele ster in de duisternis van de gang, de kokosloper een pijnbank onder mijn knieën: de drie-eenheid werd allengs hechter, een spookachtig front als op de reusachtige beschilderde borden van de bioscopen in de stad: streken van zwarte, diepblauwe en rode verf in golven langs de omtrekken van hun hoofden. Mijn moeder maakte beweging, soms, gaf iets lichts aan haar gebaren. Ze zit dan op de rand van de sofa, de rug gehold, en is minutenlang bezig haar lange blonde haar op te steken. Bedreven trekt ze een voor een de haarspelden tussen haar lippen weg.
`Ze is niet bij de les,’ hoorde ik grootmoeder zeggen, `het interesseert haar allemaal niets, Richard. Zet haar op een schip, laat haar zingen in een bruin café of haar laarzen verkopen in wijk 7 en ze keert nooit weerom.’
Zulk venijn deed me heel snel wegsluipen van het sleutelgat voor mijn moeder gepikeerd de huiskamer ontvluchtte naar de keuken.
Meer lezen over de jaren zestig?
Lees het komende fragment.
Of bestel het boek
Het verloren lied 7
Er klonk geen radiomuziek maar onderdrukt gesmoes die dagen in de huiskamer, onverstaanbaar en geheimzinnig.
Meer lezen over de jaren zestig?
Lees het komende fragment.
Of bestel het boek
Het verloren lied 6
Op een avond in het voorjaar werd ik wakker van de deurbel. Er waren boodschappers aan de deur, ze klonken bezorgd. Ik hoorde mijn ouders haastig vertrekken, ze vergaten zelfs een blik in mijn kamer te werpen om te kijken of ik wel sliep. Ik ging uit bed en gluurde door de gordijnen naar beneden. Grootvader had een zwarte Citroën, een Traction Avant, maar hij zat niet achter het stuur. Vreemd: twee mannen met witte hoeden lieten mijn ouders alleen voorin stappen en spraken ze nog even toe door de raampjes. Het zag er geheimzinnig uit.
De mannen namen hun witte hoeden af en keken de zwarte Citroën na, die zij eerder hadden bestuurd. Het drong tot me door dat het de leden van grootvaders trio waren. Ik herkende ze opeens van de showfoto bij mijn grootmoeder thuis op het dressoir.
Ze staken de weg over naar de telefooncel bij de kruising. De wind speelde met hun open regenjassen. Ze droegen hun artiestenkostuums, zo te zien. De eerste, een blonde man, ging de telefooncel binnen. De tweede, een donkere man met een snor, bleef buiten wachten en ik zag hem aldoor turen in de richting van ons huiskamerraam. Zag hij mij gluren?
Toen de blonde man weer naar buiten kwam zochten ze een plek uit de wind. Ze zetten hun hoeden weer op, plantten elk een schouder tegen de glazen zijwand en rookten een sigaret in het vale licht van de telefooncel, de hoofden samenzweerderig gebogen bijeen. Even later reden ze weg in een taxi, die hen kwam oppikken, een zwarte Mercedes.
Ik kroop terug in bed en maakte me klein, gespitst op de radio in de huiskamer. Ik dacht geruis te horen, de klank van een verlaten radioweg ergens in de lucht.
Terwijl het grote gordijnoog me aan bed gekluisterd hield, liet de druppelende kraan in de keuken de tijd met een verlammende traagheid verstrijken. De avond liet mijn kamer stilaan uitdijen, de gang werd een lange tunnel met de huiskamer oneindig ver weg. Het huis, al te lang verlaten, vulde zich met de onzichtbaren van de nacht. Toen begon onverwachts de radio te spelen.
Er klonk een knarsend intro van violen en zachte blazers, een klein dwalend orkest dat eindelijk een halte had gevonden. Het bracht een zangeres met een lied, haar stem klonk hoopvol en droevig tegelijk. Ze klonk zo alleen, toch was haar lied oneindig mooier dan een psalm of gezang uit de zuivere kelen van een voltallig kerkkoor. Ik vouwde mijn handen en sloot mijn ogen om me te laten vertellen dat alles goed was. Ergens anders was het goed.
Maar iets deed haar stem beven en ze werd weggetrokken door een machtige hand, heel diep de radio in. Een zenuwachtig morsesignaal probeerde de muziek te verjagen en het lied dreigde helemaal weg te golven in een zee van ruis. De stem werd weggedrongen, het begeleidingsorkest stribbelde tegen en kwam sterk naar voren. Er waren uithalen van zachte blazers hoorbaar, de stem kwam terug maar zonder te willen strijden, gelaten voor wie of wat haar wilde wegjagen. En plotseling was ze helemaal terug, zo helder alsof ze in levenden lijve in de huiskamer stond te zingen.
Ik sprong uit bed en snelde de gang door naar de radio. Ik legde mijn oor tegen de luidspreker en moest aldoor mijn hand aan de zenderknop houden om het lied niet te laten ontsnappen. Zolang de zangeres er was kon mij niets gebeuren, want ze omsloot alles om me heen, het huis, de straat, het park, de hele wereld, alles wat ver en tegelijk zo dichtbij was en zich niet liet grijpen in de zwaarte van de nacht.
Het lied verdween, tegelijk met de dwaalzender. De radio liet weer een zacht geruis horen. De zenderplaat met al die toverachtige namen van buitenlandse radiostations verspreidde zijn warme gele licht. De afstemwijzer hing in de buurt van Radio Monte Carlo. Ik liet hem daar en bleef ineengedoken in grootvaders lievelingsstoel zitten wachten op de thuiskomst van mijn ouders.
Ik staarde naar buiten, over de boomtoppen van het Zuiderpark, en stelde me de zangeres voor op een wolk. Ze stond er met uitgebreide armen, haar voeten in de iriserende randen, de kin geheven naar het oneindige. Eén, twee frasen had ik onthouden en als ik ze neuriede kreeg ik heimwee, niet naar het lied van die oudejaarsavond maar naar dat andere op de bodem van mijn herinnering.
Ik neuriede voor me uit tot ik grootvaders zwarte Citroën terug zag komen. Mijn vader zat achter het stuur, mijn moeder had plaats moeten maken naast hem voor grootmoeder. De zwarte Citroën werd beneden geparkeerd en zou er nog heel lang blijven staan.
Meer lezen over de jaren zestig?
Lees het komende fragment.
Of bestel het boek
Het verloren lied 5
Mijn vader was uit Duitsland teruggekomen, ik hoorde avonden lang gekibbel in de huiskamer en begreep dat hij met ruzie uit het variétéorkest was gezet. Mijn moeder bestookte hem met verwijten, hij plaagde haar omdat zij nu het geld moest gaan verdienen: `Ga jij maar werken in de stad…’
Bij haar afwezigheid spookt mijn vader tot laat op de avond door het huis, zet de radio aan, rookt een sigaret, kijkt naar buiten. Hij leest geen krant, mijn vader leest niet, hij haalt het nieuws van de radio terwijl hij onbestemde deuntjes tussen zijn tanden fluit.
Mijn moeder, op haar beurt, voelt zich nooit alleen als hij weg is. Ze laat de radio soms avonden lang uit en leest haar Duitse weekbladen in bed, dat ze dan helemaal in beslag neemt.
Zijn ze allebei van huis, dan hangt de schaduw van mijn grootmoeder over de radio. Ze houdt niet van populaire muziek, ook niet van de jazz die haar reizende echtgenoot speelt. Ze heeft alleen oor voor de grote klassieke componisten. ‘s Avonds laat luistert ze naar de nieuwsberichten van de BBC. De nieuwslezer laat lange stiltes vallen, waarin ik haar kan horen praten. Ze lijkt met hem in geheimzinnig gesprek. Later zal ik ontdekken dat de dingen die ze zegt helemaal niets met het nieuws te maken hebben.
Meer lezen over de jaren zestig?
Lees het komende fragment.
Of bestel het boek
Het verloren lied 3
Het is een tijd waarin de radio dagelijks marsen, walsen en hoorspelen uitzendt en het laatste nieuws besluit met het volkslied. Als de radio in de huiskamer zwijgt, wordt de avond intens, vol van schaduwen, en staar ik uit mijn bed naar het lichtspleetje dat de straatlantaarn tussen de gordijnen tovert. Het kan zich verwijden en verdichten, glimlachen en vals kijken, naar gelang de wind waait. Bij windstilte is ook het gordijnoog stil, zonder enig wenken, en ik staar naar het grote oog van de wereld buiten. Ik durf niet met mijn ogen te knipperen, tel de stofdeeltjes die op mijn netvlies neerdalen en hoop dat ze zijn vergeten de radio in de huiskamer uit te zetten. Dan kan een zwerfzender zich opeens laten horen, eentje die ‘s nachts pas de lucht in gaat aan de andere kant van de aarde.
Meer lezen over de jaren zestig?
Lees het komende fragment.
Of bestel het boek
Het verloren lied 2
Ze hadden al vroeg in mijn bestaan de radio aangezet als ze ‘s avonds uitgingen. Een vriend die zachtjes spelend de geluiden in en rond het huis verjoeg. Hij klonk ver weg en ik was nog te onbewust om te weten wat hij precies uitzond. Toch waakte hij over me, want als hij zweeg, dan wilde ik roepen. Ik denk niet dat ik ooit om iemand heb geroepen. Met koorts misschien, maar alleen dan.
Meer lezen over de jaren zestig?
Lees het komende fragment.
Of bestel het boek