Ik hoorde ooit een lied en ben het altijd blijven zoeken. Misschien hoorde ik het op een van die avonden nadat mijn grootvader was vertrokken, ik weet het niet. De laatste keer dat hij scheep ging was aan de vooravond van 1960, in een vreemd huis ergens in de buurt van de haven. We logeerden er rond de jaarwisseling, maar mijn ouders waren uitgegaan. Mijn grootouders hielden de gastheer en gastvrouw beneden gezelschap en ik lag onder een wollen deken op een divan in een halfduistere kamer met om me heen de spookachtige silhouetten van voorwerpen die bij oude mensen hoorden.
Een buizenradio verspreidde zijn zachte gele licht. Zijn geruis herinnerde aan een Nederlandse zender die met een sluitingsmelodie van verontrustend eentonige carillonklanken de ether had verlaten. De glazen zenderplaat met zijn toverachtige muizentrappen vol namen van grote radiostations lokte me, maar ik durfde de divan niet af in de vreemde kamer. Ten slotte kwam mijn grootvader boven kijken en zag dat ik nog wakker lag.
De man reikte me zijn oude, gebruinde hand en leidde me naar een rookstoel bij het raam. Hij ontstak het schemerlampje op de radio en liet me bij zich op de brede stoelleuning zitten. Achterover geleund fluisterde hij dat ik de laatste uren voor middernacht beslist wakend moest meemaken.
Het licht van de radio legde de groeven in zijn gezicht bloot. Men zei dat je kon zien dat hij vaak in de tropen was geweest. De pianist was aan wal geweest, had thuis in Den Haag verlof gevierd, maar hij miste de deining alweer van de zee, de geur van de danszalen op de schepen, het applaus van de passagiers en misschien miste hij nog meer, heel ver overzee.
Hij neuriede wat en begon met de knoppen en de toetsen in de grote houten lijst van het radiotoestel te spelen. Ik volgde de kalme bewegingen van zijn tanige vingers. Zijn vingertoppen streelden de ivoren toetsen van de golfbanden met hun confetti van namen en getallen, en hij begon zachtjes te praten. De lange golf noemde hij een lege balzaal, de korte golf een eng doolhof. Ik moest maar op de middengolf zoeken, de brede boulevard. Daar werd het `s avonds druk en spannend en kon je op de zwakste zenders gaan jagen: die waren eigenwijs en brachten je vaak de mooiste muziek. De Nederlandse zenders moest ik overslaan, de buitenlandse waren beter. Als mijn vader eens een wereldontvanger op de kop tikte, wie weet vond ik dan ooit een zender uit een land waar hij, grootvader, toevallig verbleef.
Hij zou teruggaan naar Indonesië, voor de laatste keer, al was het land niet meer als toen. Sinds de oorlog was het Indië niet meer, zei hij, de mensen waren niet meer zo gastvrij. Maar hij zou nog één keer gaan, op uitnodiging, en dan nooit meer. Als hij terugkwam zou hij zijn oude koffer vol bladmuziek met tango’s openmaken en er Scheveningen mee gaan veroveren.
Hij, grootvader Langenacht, hield van Indië maar droomde van Argentinië. Mocht ik eens een tango op de radio horen, dan moest ik maar aan hem denken.
Ik knikte.
En wilde ik hem beloven later piano te gaan spelen?
Ik knikte weer maar voelde me vreemd ongerust.
‘Maak je geen zorgen,’ zei hij, ‘als muzikant ben je nooit alleen, zul jij nooit alleen zijn later. Maar bij de radio kan een mens beter wel alleen zijn.’
Hij kwam uit de rookstoel en deed iets wat hij nooit gedaan had: hij kuste me op mijn voorhoofd. Toen ging hij weer naar beneden.
Ik voelde me een ingewijde en begon omzichtig met de toetsen te spelen, liet bijna vroom de zenderstaaf dwalen langs de zenderschaal. Soms, tussen twee grote zenders weggedrukt, klonk een lied vol heimwee. Dan bewoog ik de afstemwijzer zachtjes heen en weer om te voorkomen dat de muziek wegstierf en vroeg me af hoe dat lied van toen ook weer had geklonken.
Ik was het liefst de hele nacht in de rookstoel blijven zitten, met de geur van grootvader om me heen, maar ik werd weggeroepen van de radio door mijn teruggekeerde ouders van beneden aan de trap.
Het grote licht in de huiskamer deed me pijn aan de ogen. Mijn ouders, grootmoeder en de heer en mevrouw des huizes vormden een kring rond de salontafel om te proosten op het nieuwe decennium, de jaren zestig, een getal dat een geheimzinnig aanlokkende klank voor me had.
De klok sloeg twaalf en de lucht werd versierd boven de daken van IJmuiden. Een lichtkogel trok een streep tussen de kleurige anemonen en hoepelrokken hoog boven de haven.
Ze vroegen me of ik het mooi vond, het geknal en gekanonneer in de verte. Ik knikte maar vroeg me aldoor af of grootvader werkelijk naar bed was gegaan, zoals ze hadden gezegd. Misschien zat hij met zijn oor bij de radio en zou hij dat de hele nacht blijven doen.
Meer lezen over de jaren zestig?
Lees het komende fragment.
Of bestel het boek
Een journalist, voormalig presentator en niet-roker, bij wie longkanker is vastgesteld, leest wekelijks een column voor op BNR-nieuwsradio. Hij doet mee aan een onderzoek in een academisch ziekenhuis en moet toegeven dat artsen tegenwoordig heel veel weten en heel veel kunnen. Ik neem die uitspraak maar even voor lief, want, zo zegt hij zelf, longkanker is grillig en onvoorspelbaar. Hij probeert momenteel twee geneesmiddelen tegelijk uit, om te zien in hoeverre ze samengaan dan wel elkaar tegenwerken. Maar nu komt het: iedere deelnemer krijgt zelfde dosis. De journalist vraagt zich af waarom. Waarom krijgt een vrouw van 50 kilo dezelfde dosis als een man van 100 kilo? Ik vroeg mezelf zoiets een poosje terug ook al af. Waarom krijgt iedereen die bij de cardioloog komt standaard drie geneesmiddelen voorgeschreven? Mijn cardioloog wilde de discussie niet met mij aangaan, mompelde wat over ‘wetenschappelijk bewezen’ en wees me beleefd de deur. Ik ben naar mijn huisarts gestapt en stelde hem een test voor. Ik zou van het cholesterolverlagend middel Lipitor drie maanden lang slechts de halve dosering nemen. Dat vond hij een goed idee, want mijn waarden zijn al jarenlang perfect, sterker: ze zijn altijd perfect geweest. Nu komt het: na drie maanden op halve dosering waren de gemeten waarden nóg lager!
Albert Heyn, hierna te noemen AH, heeft de expansieve drift in de onderbuik niet in bedwang en neemt de ene na de andere supermarkt te grazen. BNR-nieuwsradio stuurde een verslaggever op pad en kwam met verschillende reacties van men and women in the street. Opvallend was de berustende toon van de diverse geïnterviewden. Slechts een enkeling liet weten liever een Aldi of Jumbo om de hoek te hebben, al was het maar vanwege de centen. AH lijkt goedkoop, maar is het niet. Bovendien word je gedwongen een klantenkaart bij je te hebben. Zoiets doet Jumbo niet. Die vindt gewoon dat iedereen goedkoop uit moet zijn en niet alleen kaarthouders. Hoeveel kaarten heeft een mens trouwens tegenwoordig niet, de portemonnees zijn onderhand niet meer aan te passen met al die extra vakjes. Enfin, in mijn directe omgeving is het kiezen tussen AH en C1000. AH is lang niet in alle opzichten beter. Ik noem maar even wat: toiletpapier, groentenschijven, jam, sjalotten en olijfolie kun je beter bij C1000 halen. Bovendien heeft C1000 een leuker frisdrankaanbod. IJsthee met koolzuur wordt in blikjes aangeboden, dat is veel lekkerder dan in die vieze plastic flesjes van AH. Verder biedt AH zonder blikken of blozen twee rode pepers aan voor 1,98. Bij de Chinese toko of de Turkse supermarkt krijg je een hele zak rode pepers voor twee euro. AH exporteert een bekrompen Hollands beeld van wat speciaal is en wat niet. Net als Google’s cookies zijn AH’s klantenkaarten een soort spyware, als je zo suf bent om je gegevens bij AH achter te laten. Monopolisering leidt tot verzet, maar beter is om het niet zo ver te laten komen. Ikzelf ben zo idioot om Google-ads in de footer van mijn website te tonen. En bij AH kom ik ook weleens. Ik ga me bezinnen.
Een radiouitzending van februari 2000 is te vinden in de radioarchieven van de publieke omroep, waarin Alfred Birney met Nelleke Rademaker spreekt over onder meer zijn roman De onschuld van een vis. Het interview zit in een
Heer, ze zijn weer terug Heer, de kudde begint aanstonds weer op hol te slaan Heer, een werkelijk afgrijselijk vooruitzicht Heer, de filemeldingen op de radio worden reeds langer, nemen meer tijd dan het weerbericht, en wat erger is Heer: die radiolui vinden het prachtig als ze filerecords kunnen melden! Voor een file van, zeg, vijf kilometer draaien ze de microfoon niet meer open Heer. Ain’t that no shame, Heer? De leden van de kudde, die almaar uitdijende koeien, rijden je al weer aan met hun winkelwagentjes in de supermarkten Heer, want het is zo Heer dat de kudde zich voedt met karrenvrachten in hun automobielen Heer, waarbij bescheiden winkelmandjes niet passen Heer, reden waarom de kudde zich liever bedient van het winkelwagentje dan het winkelmandje. Er gaat ook zo veel meer in Heer: als de kudde het een beetje bekijkt, dan plempt men het kofferruim der automobielen vol met allerhande rotzooi Heer, alles verpakt met houdbaarheidsdata ver voorbij de Apocalyps Heer, is dat geen bezopen en oerdom optimisme Heer? De zomer was rustig, kalm, Heer, wind en regen even daargelaten, de kudde had zich gespoed richting Thailand, Laos, Cambodja, Bali, Groenland en de Noordpool, waar diverse landen nu al ruzie maken over welk deel welke natie toekomt als de poolkappen eenmaal gesmolten zijn en de helft van de wereld naar Atlantis is, om zo te zeggen. Maar goed, ik moet u eigenlijk dank zeggen dat de kudde intussen weer heelhuids teruggekeerd is, zongebruind and all that. Biedt u de kudde volgend jaar asiel in de respectievelijke vakantielanden, Heer? Dan hebben wij hier onze rust, Heer. Dank u Heer.
Internet: de verleiding. Surfen: de verstrooiing. Internetmagazines brengen vaak leuk nieuws. Leuk betekent amusant. Nieuws wordt amusement. Of was nieuws eigenlijk altijd al amusement? Surfen is zoiets als zappend lezen, snel, oppervlakkig. Wanneer ben je nou verslaafd aan surfen? Misschien zodra je niet meer weet dat je surft louter om de verveling te verdrijven? Wanneer je zelfs nog surft terwijl je allang in je bed had moeten liggen en je de computer aanzet zodra je je bed weer uitkomt? Dát zal wel een teken van verslaving zijn. Ben ik verslaafd? Zou kunnen. Is dat een probleem? Nee, want ik ben verslaafd aan sigaretten en dat is ook geen probleem voor me. Wordt wel door de antirooklobby tot een gigantisch probleem voor anderen gebombardeerd, maar dat is een ander verhaal. Hé! Wat zie ik op mijn beeldscherm? Apple biedt zijn muziekdienst iTunes gratis aan voor mensen die Windows op hun computer hebben zitten, en dat zijn er nogal wat, want je krijgt dat spul in de winkel gewoon door je strot geduwd. Slimme zet van Apple! Proberen? Welja, met het risico dat je het er later weer af moet gooien, want Windows kan niet goed tegen bezoek van vreemden. Dan krijgt Windows nukken. Je computer loopt dan net zo lang vast totdat je het vreemde spul er weer af hebt gegooid. De Balkenende-politiek, zeg maar. Tegen heug en meug met de sociaal-democraten onderhandelen en dan met de liberalen gaan regeren. Het kan dus heel goed een deal zijn tussen Windows en Apple. Windows geeft een sleutel aan Apple, zodat ze later samen het aanstormend anarchistisch platform Linux te lijf kunnen gaan. Wow, de iTunes van Apple ziet er goed uit! Mooie vormgeving. Als Windows V & D is, dan is Apple de Bijenkorf (en Linux de HEMA). Kijk eens aan, ze hebben een radiolijst met 20 muziekstijlen op het menu staan. Zoiets heeft Windows ook, maar daarvan werkt de helft niet of je komt op een kanaal waar je wordt doodgegooid met reclame, of je moet gaan betalen, terwijl wij hier de kijk- en luistergelden al ontwend zijn. Even tellen: de iTunes-speler biedt 348 radiozenders. Dat is meer dan ik op mijn tuner heb zitten. Ik kies een Mexicaanse zender. Goeie mix van traditioneel en modern, het bijt elkaar niet. Soms drie nummers achter elkaar van één artiest, kunnen ze hier wat van leren. Goeie Amerikaanse jazz-zenders ook, van swing en postbop naar fusion. Maar de uitzendingen zijn gestreamd en via de kabel valt er soms iets weg. Lijkt wel veertig jaar geleden! Radio Monte Carlo viel toen ook geregeld weg. Het geluid was slecht destijds, net als nu, maar je hoorde muziek die je op de Nederlandse kanalen niet te horen kreeg. Met internetradio herleven oude tijden! Nieuwe mediatechnieken vertonen kinderziektes, dus we beginnen gewoon weer opnieuw. Het leven is herhaling. Mooi, dan hoef je niet naar de tijden van weleer terug te verlangen.