De verstomming

logo alfred birney 1. Where have all the flowers gone. Protestsong van Pete Seeger. Eens zag ik Marlène Dietrich het lied in het Duits vertolken op de televisie, lang geleden. Ze toverde een traantje in een van haar ooghoeken, zonder dat haar make-up begon te lopen. Knappe aanstellerij.
2. The universal soldier. Tegen zijn zin in, het lijflied van Donovan, geschreven door Buffy St.-Marie. De soldaat als slaaf van dictators en overige machtswellustelingen. Fraaie gitaarbegeleiding van Donovan. Is Bob Dylan helemaal niks bij vergeleken.
3. The eve of destruction. Lied van eendagsvlieg Barry McGuire, een navolger van Bob Dylan met een rauwe stem en veel baardhaar en zo.
4. Blowin’ in the wind. Dylan himself. Als zelfs padvinders je liedjes zingen, hoe groot ben je dan wel niet in je eenvoud? Maar ja, de inhoud van de song wordt gewoonlijk tamelijk onnadenkend opgedreund.
5. It’s good news week. Beetje gekke song van een band die zich Hedgehoppers Anonymous noemde. Een hedgehopper vliegt onder radargolven door, overigens. Cynische tekst: it’s good news week, someone dropped a bomb somewhere… Muzikaal geproduceerd, met mooie ritmische breaks. Beetje oorlog al.
6. Welterusten meneer de President. Tekst van de onlangs overleden Lennaert Nijgh, vertolkt door zijn grote vriend Boudewijn de Groot. Deze protestsong telde mondiaal niet mee, zoals Nederland thans niets, maar dan ook niets voorstelt op het internationale podium. Vandaar de mogelijkheid van zo’n halfzachte stelling: we staan wel politiek achter Amerika maar niet militair. Hoe dat dan zit met die wapentransporten over Nederlandse spoorrails en met die raketten in Turkije, dat moet je iemand van gereformeerde huize maar laten uitleggen.
7. People got to be free. The Rascals. De eerste protestsong waar je op kon dansen, volgens mij. Beetje ongerichte songtekst, dat wel.
8. Give peace a chance. John Lennon. Gemaakt anarchistisch sfeertje rondom dit protestlied. De meligheid nabij, zal ik maar zeggen.
9. The unknown soldier. The Doors. Oog voor de soldaat die wordt geëxecuteerd, terwijl men thuis aan de ontbijttafel het televisienieuws aanhoort. Alsjeblieft, kan het actueler?
10. Machine Gun. Lang uitgesponnen oorlogsscène van Jimi Hendrix met zijn Band of Gypsys. De oorlog is overal, boven je hoofd, naast je, achter je. Hendrix zoemt in op een soldaat die wordt neergeknald, realistischer kan niet. Het genie is beroemd om zijn pratende, scheurende en huilende gitaar. Nu tovert hij zijn witte Fender Stratocaster om in een machinegeweer, waarmee hij aan de vooravond van de jaren zeventig ook nog en passant de protestsong de vernieling in schiet. Ongewild, zeker, maar wat zijn hoogtepunt bereikt moet natuurlijkerwijs naar zijn dieptepunt terug. Zou het protestlied nu nog een serieus internationaal popgenre zijn geweest, dan moest je wel heel erg snel zijn wilde je je lied de hitparade in zingen. De door Bush en Co beoogde oorlog is zo kort van duur, dat je lied geen schijn van kans zou hebben actueel te worden. Misschien draaien ze hier op de radio dáárom wel die oude liedjes uit de jaren zestig, al is het maar voor de vorm. Of uit nostalgie.

Haagsche Courant, vrijdag 21 maart 2003

Brown eyed girl

logo alfred birney Nani is een dochter van een Hollandse matroos die in Semarang is blijven hangen en er met een welgestelde weduwe uit Nias is gehuwd. De koffieonderneming op de berg Kawi is een paradijs om in op te groeien, samen met Rudi, een verweesde Indo wiens vader er ooit opzichter was. Nani en Rudi groeien op als broer en zus. Ze bezoeken een particulier schooltje dat door een weduwe wordt gerund voor kinderen van Europeanen en rijke Chinezen. Rudi is Nani’s held, samen beleven ze klassieke Indische avonturen. Hij redt haar uit de klauwen van een aap en zelfs van een wisse dood door met een speer een dolgeworden banteng te verslaan. Maar op een dag verschijnt een Franse gouvernante op de koffieonderneming. Die weet Nani’s ouders te overreden de twee van elkaar te scheiden. De jongen zou immers weldra met andere ogen tegen zijn ‘zusje’ aan gaan kijken. Wah! Rudi wordt verbannen naar de bijgebouwen, terwijl Nani in het hoofdgebouw onderworpen wordt aan een deftige Europese opvoeding en gekoppeld aan een arts van niks uit Zoeterwoude. In jagen heeft Rudi geen lol meer, voor hem rest slechts een portretje van Nani, én goena-goena: tovenarij… Ziehier het motief van een vergeten roman uit 1905 van Victor Ido: In vreemde sferen.

Zestig jaar later is het een hele andere tijd. Europeanen kunnen niet zomaar meer naar de Oost om er hun geluk te beproeven. Nederlands-Indië bestaat niet meer, het land heet Indonesië en Nederland stelt weinig meer voor. In Belfast, Noord-Ierland, staat een zanger op met een grote bek en een hang naar blues. Hij heet Van Morrison, richt de groep Them op en scoort een hit met Gloria. Dan steekt hij over naar Amerika en scoort ook daar een hit: Brown Eyed Girl. In het tweede couplet haalt hij herinneringen op aan een meisje: Hey whatever happened, tuesday went so slow / Goin down the old mine with a transistor radio / Standin’ in the sunlight laughin’, hide behind the rainbow’s wall / Slippin’ and a-slidin’, all along the waterfall with you / My brown eyed girl, you my brown eyed girl.

Waarom of waardoor hij haar verliest, wordt door Van Morrison niet bezongen. Het gebeurt gewoon. Dat kan ook in een boek. Maar romans waarin raadselen veeleer worden vergroot, zijn helaas niet zo talrijk als die waarin alles vanuit het menselijk handelen tot op het bot wordt verklaard. De gefileerde motieven in Victor Ido’s boek vernachelen de dramatiek. Dit aan Indië tijdgebonden werk vindt alleen zijn weg nog naar de freak. Was het verhaal dichter bij Rudi en Nani gebleven en minder uitgewaaierd naar te veel doortrapte bijfiguren, dan zou het boek misschien de tijd beter hebben doorstaan. Het verliezen van een geliefde hoort bij het leven, eigenlijk bij elk leven, onverschillig tijd, plaats, omstandigheden. Wie dat niet zo ervaart en het ondanks die vorm van maagdelijkheid in een raciale zedenschets verpakt, die neuriet het deuntje van de toevallige passant. Kan ook mooi zijn, daar niet van. Even.

Haagsche Courant, vrijdag 3 januari 2003
Copyright © 2003 Alfred Birney

ZZZ

logo alfred birney Ooit was het Euro Jazz, toen iets met JaZZZender of zo en nu zit er al een tijdje Business Nieuws Radio. Dus niet Business News Radio. Slogan: ‘de essentie van het nieuws’. Even terug naar het begin, een jaar of tien geleden. Euro Jazz zond programma’s uit met echte Amerikaantjes, real American Dee Jays die met cool voices vanuit hun studiootje aan een Californische baai relaxed nummertjes aan- en afkondigden. Veel aandacht hadden die Amerikaantjes voor Nederlandse jazz trouwens. Maar het ging mis. Hans Dulfer ging zich ertegenaan bemoeien met plaatjes van Chet Baker, Sonny Rollins en meer van dat verplichte jazzspul. Later kwam opeens rhythm & blues erdoorheen gesjeesd en daar ging onze enige echte jaZZZender. In plaats van muziek overdag kreeg je opeens allerlei hyperblabla rond de beurs. Business Nieuws Radio was geboren. Inmiddels worden koersschommelingen herkauwd tot zure room, elke daling is een natuurramp, elke stijging een zegen Gods. Enfin, het kapitaal is aan het woord. Hoera! Amèn. ‘s Nachts draait de automatische piloot zijn pirouettes op het kruispunt van zwarte mainstream. Eigenaardig imago heeft dat BNR. Jongensspelletjes doen ze ook, met de onvermijdelijke automobilist. ‘Ziet u een flitser? Geef het aan ons door, dan maken wij er melding van.’ Want de BNR-norm is: wie van de beurs komt, mag hard rijden. Flitspalen zijn de vijand van miZZStra-know-it-all. Wilt u de essentie van het nieuws? Surf dan naar bn.nl voor flitspaalmeldingen bij uw fileoverzicht. Waarde: een boete van een paar tientjes.

Haagsche Courant, woensdag 27 november 2002

Rep Redio

logo alfred birney De Hansen hebben het moeilijk in het Chinese jaar van het Paard. Eerst krijgt Hans Dijkstal een hoefslag en nu Hans Pars: de presentator van Het Gesprek van de Dag op Radio West, dagelijks te beluisteren wanneer u aan de boerenkool zit. Nou heb ik in mijn column van vrijdag 5 juli jl. weliswaar enige kritische kanttekeningen geplaatst omtrent zijn babbeluurtje, maar dat betrof de formule van het programma: twee items waaruit de luisteraar kan kiezen. Dan krijg je gewauwel over de benzineprijs en de VOC-viering door elkaar heen. Dat is niks voor bij de fijngekaarde rookworst. Nu is Hans Pars de laan uitgestuurd, want de directeur van Radio West, ene meneer Soer, wil “iets heel anders met de zender”. Hij wil jonge mensen aan zich binden. Geen muziek, maar de hele dag nieuws! Hoe wou-ie dat doen dan? Regionale live-journalistiek over steppen op de stoep, stoppen bij het stoplicht en stappen in de stad?

Hans Pars trekt met zijn programma 30.000 – 50.000 luisteraars. Daarmee overtreft hij het daggemiddelde van 10.000 bij heel Radio 5. Als meneer Soer wil weten hoe een praatzender het doet, dan moet-ie maar eens rondvragen op welke golflengte Radio 5 eigenlijk te vinden is.

Enfin, er zit nu een ander achter de microfoon. Zelfde, slechte formule. De vervanger van Hans Pars begint goed, maar dat is niet zo moeilijk als het over allochtonen gaat. De volgende dag is er weer geen touw aan vast te knopen. Hé Soer! Als je jonge mensen wilt trekken, moet je een stotterende rapper nemen! St-heppen, st-hoppen, st-happen.

Haagsche Courant, vrijdag 31 augustus 2002

Herdenking

logo alfred birney Lekker weer, ik spreek af bij de watertoren met de veteranen van het Katjangteam. We zoeken een sponsor trouwens, een ketjapfabrikant of zo. Onze conditie is matig, we zijn niet dol op wielrennen bij temperaturen beneden de 12 graden, maar we hebben stijl. Terug van Noordwijk naar Scheveningen beginnen mijn maten wel te klagen over het benauwde weer. Zelf krijg ik het thuis pas benauwd, wanneer de radio meldt dat bij het Indisch Monument het einde van de Tweede Wereldoorlog is herdacht. Nou ben ik al niet zo’n herdenker, maar op de fiets hadden we het er toch wel even over kunnen hebben, niet? Radio West schenkt er ook aandacht aan in het Gesprek van de Dag, op een hinderlijke wijze met die twee items-formule van ze. De ene beller kwebbelt over een roddelpersschandaaltje, terwijl de andere emotioneel wordt bij het vertellen over de Japanse bezetting, de Bersiap en de dekolonisatie. De presentatrice haalt een paar keer Indië en Indonesië door elkaar, maar dat zijn we onderhand wel gewend. Het kan erger. Zo komt ze met de klassieke stompzinnige vergelijking, die zegt dat je in Indië geen vernietigingskampen had en het er natuurlijk zo erg niet was als in Polen. Om de Indische Nederlanders toch nog enig recht te doen, mogen een paar bellers wijzen op de beroerde, door henzelf terugbetaalde opvang die ze hier destijds kregen en dat asielzoekers vandaag de dag toch maar mooi in een gespreid bedje terechtkomen. Met dit soort vergelijkingen blijft het fietsen over hobbelige wegen, met prikkeldraad en valkuilen.

Haagsche Courant, vrijdag 16 augustus 2002

Klaaglijn

logo alfred birney Het Gesprek van de Dag, dagelijks op Radio West rond etenstijd, is ongetwijfeld het leukste programma dat deze regionale nieuwszender te bieden heeft. Het wordt sinds jaar en dag geleid door Hans Pars, u weet wel, de schrijver van hét standaardwerk over Haagse straatlantaarns. Aardige man, goed op de hoogte van vele zaken, niet belerend naar minder goed geïnformeerde luisteraars, beleefd en ga zo maar door. Ooit nam hij de fakkel over van een minder vriendelijke presentator, die het talent had vele woedende reacties over zich af te roepen. De man was waarschijnlijk te controversieel voor het brave Radio West, dat immers geen doelgroep maar een regio bedient. Radio 1 bijvoorbeeld laat zich lastig kritiseren, anders dan de omroepen die deze zender vullen. Radio West kent geen omroepen en moet mensen van velerlei signatuur tevreden stellen. Dat is niet eenvoudig. Hans Pars is met zijn onverstoorbaarheid wellicht de perfecte presentator voor Het Gesprek van de Dag. Maar de laatste tijd is de sleet er een beetje ingekomen. Hans Pars krijgt de mensen moeilijker naar de telefoon en probeert dat op te lossen door met twee items per uitzending te komen. Slecht idee. Je raakt als luisteraar snel de draad kwijt, het programma boet aan spanning in. Ook zijn er bellers die zo nodig over beide items iets te zeggen menen te moeten hebben, waarmee de boel verzandt. Gelukkig is er vrijdags de zogenaamde ‘vrije ronde’. Dan komt de Klaaglijn uit een grijs verleden weer tot leven. De Klaaglijn… dát trekt pas bellers! Zeg Hans…

Haagsche Courant, vrijdag 5 juli 2002

Demonisering

logo alfred birney Als het maar geen allochtoon is, dacht ik terwijl ik naar het breaking news luisterde rond de moord op Pim Fortuyn. En ik was niet de enige die zo dacht. Ik telde de minuten af tot die trage ambulance eens arriveerde en toen de radio meldde dat de vermoedelijke dader Nederlands sprak, dacht ik: het is kennelijk niet vanzelfsprekend dat hij Nederlands spreekt, dus… Maar later kwam de toevoeging ‘blank’ en hoefden de shoarmatenten zich niet op te maken tegen een volksgericht. Op de migrantenomroep hoorde ik mensen zeggen dat ze de straat pas op durfden toen ze wisten dat de vermoedelijke dader blank was.

Bezopen natuurlijk, dat raciale denken. Maar ja, een autochtone dader is een schuldig individu. En een allochtone dader belichaamt voor het racistische oog een hele groep. Daarmee zijn we er nog niet, als men eenmaal hysterisch de galgentouwen hijst. Actievoerders uit de milieubeweging kennen inmiddels het gevoel gestigmatiseerd te zijn, want de vermoedelijke dader is afkomstig uit hun kringen. Evenwel, het is ze niet aan te zien. Nogal een verschil. Greenpeace heeft wél een smoel en blaast acties af in afwachting van tijden waarin de veronderstelde Hollandse nuchterheid weer de boventoon mag voeren.

Inmiddels speelt een grote naam uit de advocatentoptien met de gedachte om de minister-president eens lekker voor het gerecht te dagen vanwege demonisering van Pim Fortuyn. Waarmee de advocaat in kwestie direct een toppositie inneemt in het nationaal kampioenschap demoniseren. Voorwaar niet edel.

Haagsche Courant, maandag 13 mei 2002

VOC-viering (3)

logo alfred birney Radio 1 wenste afgelopen woensdag een kritische stem in verband met de VOC-viering. Zit ik in het afgesproken café mijn zoveelste cappuccino naar binnen te werken, belt die journalist van Radio 1 om me te zeggen dat een zeker heerschap hetende Hessing, zijnde voorzitter van het Nationale Comité VOC, gaarne zijn wervende stem wil laten horen rond zijn VOC-feestje. Waarmee hij effe mijn zendtijd rond 3 uur in de middag jat. Ik laat de journalist knarsetandend weten dat-ie mij alleen nog telefonisch kan interviewen, aangezien ik vandaag de omgeving van het Binnenhof boycot. Wat blijkt? Komt die Hessing niet opdagen en moet de journalist uit armoe er een anonieme voorbijganger interviewen. Voor ik mijn stem per telefoon over de radio laat eh… schallen, zit ik verplicht televisie te kijken naar het openingsritueeltje van dat VOC-feessie. Een Batavier achter de gamelan! Wah! En dan dat onbenullig heerschap van Hessing die mijn zendtijd heeft gesaboteerd en zijn jokers een act laat opvoeren rond kruidnagelen, mout, bespuugde zeilen en zo meer. Maar ik word beloond met een schitterende toespraak van de Indonesische minister van Economische Zaken, die op persoonlijke titel met kritische noten rond de VOC de mondhoeken der aanwezige hoogwaardigheidsbekleders eventjes omlaag lult. Waarna Hessing de boel schaamteloos afsluit met de oproep aan de aanwezigen om nu maar flink achter de coulissen te gaan netwerken! Ook zonder Indonesië leidt neokoloniaal denken wel tot de gewenste mondialisering, bedoelt meneer te zeggen met dat reusachtig VOC-bord voor zijn kop.

Haagsche Courant, vrijdag 22 maart 2002

Bangun

bangun Latar belakangnya berwarna hitam dengan hapusan-hapusan nila, seakan-akan dilukis secara kebetulan, ataukah itu ancang-ancang seorang kaligraf Cina pemula? Lalu ada bunyi. Aku tak bisa menempatkannya. Tapi bunyi itu memperoleh bentuk: siluet gunungkah yang kulihat di kejauhan yang kelam? Langkah-langkah kecil dengan cepat mendekat. Sepertinya dari hewan yang memasuki daerahku. Sebelum aku sempat bersiap-siap, dia meloncat ke atas tempat tidurku. Aku berteriak terperanjat dan bangun. Hewan itu mundur sekejap, dan berubah menjadi sosok bocah laki-laki berumur lima tahun.
     Ia berdiri di samping tempat tidurku, memandangku terkejut dan bertanya: ‘Papa, boleh pasang televisi?’
     ‘Boleh saja, Nak.’
     Anakku cepat pulih, kelihatannya sudah melupakan reaksi kagetku ketika pahlawan-pahlawan kartunnya berlarian di layar kaca. Sungguhkah dia sudah lupa?
     Kejadian-kejadian yang benar-benar meninggalkan kesan, biasanya membutuhkan reaksi yang diperlambat. Bisa jadi aku pernah melihat ayahku terkejut gara-gara aku, tapi mungkin aku lupa sebab mantan marinir itu dapat menggulingkan diri dari ranjangnya secepat kilat, kemudian melompat bangkit dalam sikap siap tempur seperti kucing. Bagaimana pun juga, kau lebih suka melihat ayahmu siap tempur daripada takut.
     Aku terutama ingat yang satu ini: ‘Kamu mau apa.’
     Diucapkan dengan nada datar, namun mengancam. Tawa menantang berkilauan dalam mata ayahku. Indo yang disiksa kenangan perang itu tidak melihat anaknya, ia melihat serdadu Jepang atau pejuang kemerdekaan Indonesia di hadapannya. Palu-palu kecil yang berdetak pada lengan-lengan mesin ketik menarik jejak huruf-huruf cetak di dahinya yang berkerut: Siapa kamu, kamu mau apa di kamarku?

Tidak ada pesawat televisi di rumah, waktu itu tahun lima puluhan dan aku seusia anakku sekarang. Ada karpet dari sabut kelapa di gang di depan kamar, yang membuat kakiku sakit. Kakiku perasa, aku tidak terbiasa jalan bertelanjang kaki seperti ayahku, di negeri dari mana ia melarikan diri enam tahun sebelumnya, tidak lama sesudah perang. Ada dapur dengan karpet kuning dan meja formika, di asbak kristal terletak putung-putung rokok dengan cap lipstik ibuku, orang Belanda. Hawanya dingin, apa yang kulakukan di kamar tidur orang tuaku?
     Ayahku tidak menghendaki kehadiranku di situ dan mengusirku, menyuruhku menyalakan kembali pemanas batu bara.
     Aku lari ke kamar keluarga. Tungku pemanas berdiri di atas kaki-kakinya yang bengkok di depan perapian, yang dikelilingi bingkai dari tegel-tegel kamar mandi berwarna kuning kusam. Aku menarik laci dengan bekas batu bara yang masih menyala keluar dari mahluk mengerikan bermerek Etna, nama gunung berapi di Italia. Dari lemari di gang aku mengangkat karung batu bara ke atas pundakku. Aku mendengar ibuku menggerutu kepada ayahku bahwa tugas-tugas semacam itu bukan untuk anak-anak kecil.
     Aku membuka klep tungku dan di kedalaman melihat sisa-sisa batu bara yang bertahan hidup sepanjang malam. Berlian-berlian hitam, diawetkan dalam seringai neraka. Aku merobek-robek koran, membentuk robekannya menjadi bola-bola, melemparkannya ke dalam mulut tungku dan menutupinya dengan potongan-potongan kayu. Sambil menahan beratnya karung, aku menggelindingkan batu bara ke dalam api. Aku memandangi asap hitam yang mengepul, menunggu sampai pemanas mengeluarkan bunyi menderu dan menutup klepnya.
     Empat puluh tahun kemudian, dengan satu gerakan sederhana, aku memutar tombol pengatur suhu untuk memasang pemanas sentral di apartemenku. Aku membuat sarapan untuk anakku, menaruhnya di atas meja di samping sofa dan kembali ke tempat tidurku. Mungkin aku masih bisa tidur satu jam lagi, untuk mengawali hari lebih baik. Tanpa perlu kaget, tanpa ingatan kepada ayahku dan hantu-hantu yang mengelilinginya.

Sesudah itu, anakku tidak lagi membangunkan aku dengan cara seperti itu. Bukannya aku melarangnya. Ia sendiri yang menemukan berbagai strategi. Ia mengambil kereta api mainannya yang pertama, terbuat dari kayu, dan menariknya sekeliling apartemen. Salah satu rodanya macet dan mengeluarkan bunyi mencicit. Bunyi yang kukenal dan tidak mengagetkanku. Kali lain ia duduk di sofa dan bersenandung, lagu-lagu yang diajarkan kepadanya di sekolah, menunggu sampai aku menyalakan televisi buat dia. Kadang-kadang aku melihatnya mengintip cepat-cepat dari pintu kamar, diam agar aku tidak kaget.
     Pintu kamar tidurku selalu terbuka lebar. Pintu kamar ayahku selalu terbuka separo. Sesudah ia hidup terpisah dari istri dan anak-anaknya, hanya tergantung pada dirinya sendiri, sejak itu ia menaruh dipan di ruang duduk. Kupikir untuk tidur siang Indisnya, tapi kemudian aku curiga ia juga menidurinya pada malam hari.
     Dipan di ruang duduk bisa menjadi sahabat untuk orang-orang yang takut. Kamar tidur bisa menjadi musuh, betapa pun kau berusaha menjadikannya nyaman. Kamar tidur, begitu pikirmu, bagaimana pun menyimpan kenangan akan mimpi-mimpimu yang paling buruk. Dipan di kamar duduk dikelilingi kenalan-kenalan hari-harimu: televisi, instalasi radio, buku-buku, ada syal seseorang yang telah mengunjungimu, anakmu telah meninggalkan kereta api mainannya di tengah kamar.
     Aku tidak punya ruang duduk seperti itu. Kalau anakku sehabis akhir pekan kembali kepada ibunya, aku mengangkat semua barangnya ke kamarnya. Agar tidak menghapus kenangan akan kehadirannya, aku membiarkan pintu kamar tidurnya terbuka lebar-lebar. Ruang dudukku sekosong mungkin, tidak ada yang boleh menggangguku selagi aku duduk di belakang meja kerjaku. Karpet hijau, kerai hitam, sebuah sel dengan nafas ketegasan Jepang. Melihat dipan aku bisa lumpuh tanpa harapan.
     Kamar tidurku memperlihatkan kekosongan yang sama. Aku tidur di kasur Jepang. Ada satu lemari dari kayu lapis putih, selain itu tidak ada apa-apa. Kamarku dipisahkan dari kamar duduk dengan sebuah pintu per. Bila pintu kubiarkan terbuka, dapat dikatakan aku tidur dalam perpanjangan kamar duduk. Tidak ada gunanya, sebab mengapa anakku membuatku begitu terkejut?
     Kedatangan anakku untuk menginap, satu hari dalam seminggu, menyelang hidup pertapaanku sebagai penulis. Pada saat kehadirannya mulai merupakan sesuatu yang biasa, ia sudah harus pergi lagi. Pada saat kau mulai berdamai dengan siang, malam tiba.

* * *

Hak cipta © 2001 pada Alfred Birney. Alih bahasa: Widjajanti Dharmowijono. Judul asli: “Wakker worden”. Dimuat dalam kumpulan cerita pendek dan esai karya Alfred Birney: Yournael van Cyberney. Haarlem: In de Knipscheer, 2001

Waking Up

waking The background was black with a few strokes of indigo, randomly brushed in so it seemed, or were they the first attempts of a budding Chinese calligrapher? Then there was a noise. I couldn’t bring the sound home. But the sound took shape: in the dark distance, wasn’t I seeing the contours of a mountain appear? Pattering footsteps approached. They seemed to be those of some kind of animal that was invading my domain. Before I could brace myself, it jumped on my bed. I uttered a cry and bolted upright. The animal shrank back, took on the guise of a five-year-old boy.
Without further discussion they roughly pulled him outside.
     It stood beside my bed, looked at me in bewilderment, and asked, “Daddy, can the TV be turned on now?”
     “Sure, kiddo.”
     My small son had rapidly collected himself, already seemed to have forgotten my fearful reaction as his cartoon heroes flew across the TV screen. Had he honestly forgotten?
     Things that really make an impression on somebody usually require a delayed response. Perhaps I had seen my father scared by me that way once, but forgotten about it because the ex-marine had the ability to roll out of bed in a flash, to then jump to his feet and assume a catlike fighting stance. You’d rather see your father ready to fight than scared, somehow.
     In particular, I remember this: “What do you want?”
     Toneless question, threatening nevertheless. A provocative smirk glimmers in my father’s eyes. The Indo, tormented by memories of war, does not see his son. He sees a Japanese soldier or an Indonesian freedom fighter there in front of him. Rattling little hammers on typewriter arms leave a trail of printed letters across his frowning forehead: Who are you and what do you want in my room?

There was no television set at home, it was during the fifties, and I was just as old as my little boy is now. There was a coconut mat in the hallway that hurt my feet. I had sensitive feet, wasn’t used to walking barefoot like my father was in the country he had fled six years earlier right after the war. There was the kitchen with its yellow tiles and small Formica table, in the crystal ashtray lay cigarette butts with my Dutch mother’s half-moon lipstick prints on them. It was cold. What was I doing in my parents’ bedroom?
     My father didn’t want me there and chased me away by assigning me the task of stirring up the coal stove.
     I hurried to the living room. The stove stood on bowed legs in front of the mantelpiece framed by dirty yellow bathroom tiles. I pulled the drawer holding the hot ashes out of the black cast-iron monstrosity which bore the brand name Etna, the name of an Italian volcano. In the kitchen, I tipped the ashes into the metal garbage bucket. Out of the hallway closet I loaded a sack of coal onto my shoulder, although I heard my mother complaining to my father that these kinds of chores were nothing for little boys.
     I opened the door to the stove and in its depths saw the glowing remains of the coals that had made it through the night. Small black diamonds conserved in the rictus of a hell. I ripped up newspapers, made wads, tossed them into the maw of the stove, and lay kindling on top. Lugging the sack over, I let the egg-shaped pieces of coal roll into the fire. I watched the black smoke that developed, waited until the stove began to roar, and closed the door.
     Forty years later with a simple motion I adjust the thermostat on the wall to turn up the central heating in my apartment. I place a child’s breakfast in front of my little boy on a small table beside the couch and go back to bed. Maybe I’ll be able to sleep another hour for a better start to the day. Without a scare, without recollections of my father and what all is lurking there.

In the future, my little boy will not wake me up like that again. Not that I told him not to. He has come up with all kinds of strategies himself. He’ll take out his first wooden toy train and walk through the apartment with it, the way he did when he was two. One of its wheels rubs and makes a squeaking sound. It’s a sound that I know and that shouldn’t frighten me. On occasion, he’ll sit on the couch and softly start singing the familiar songs he has learned at school, waiting for me to come turn on the TV for him. Sometimes I catch him peeking around the corner of my open bedroom door, quiet so as not to scare me.
     My bedroom door is always wide open. My father’s was always half-open. After he was left to himself, separated from his wife and children, he had put a daybed in the living room. For his Indisch siesta, I thought, but later I suspected that he slept there at night as well.
     A daybed in the living room can be a friend to frightened people. Bedrooms can be serious enemies, no matter how hard you try to make them cozy. They do, you think, happen to hide the memory of your most terrifying nightmares. A daybed in the living room is surrounded by the familiar elements of your days: the television, the sound system, your books, somewhere a scarf left lying around by somebody who visited you, your small son has left his little train in the middle of the room.
     I don’t have a living room like that. When my little boy is at his mother’s again after the weekend, I bring all his things back to his room. In order not to stifle the memory of his presence, I leave the door to his room wide open. My living room is as empty as possible, nothing is allowed to disturb me when I’m sitting at my desk. Green linoleum, black blinds; a cell with a hint of Japanese austerity. The sight of a daybed would hopelessly paralyze me.
     My bedroom has the same emptiness. I sleep on a Japanese futon. There is one white chipboard closet, nothing more. The room is separated from the living room by folding doors. By leaving them open, I am in a certain sense sleeping in an extension of the living room. Not that it helps. Why else would my little boy give me such a turn?
     Your little boy’s one overnight a week is a break in your reclusive writer’s existence. By the time his presence seems natural, he already has to leave again. By the time you have reconciled with the day, night is coming on.

* * *

Copyright © 2001, Alfred Birney. Original title: Wakker worden. From Yournael van Cyberney, a collection of prose. Haarlem: Knipscheer Publishers, 2001. Translation by Wanda Boeke. No reproducing allowed in any form without written permission from both the author and translator.