Nog eens Tjalie

Ralph Boekholt, o.a. ex-hoofdredacteur van Moesson, plaatst (terecht) kritische kanttekeningen bij de “transnationaliteit” die biograaf Wim Willems met zijn object Tjalie Robinson verbindt. Het staat in De Sobat. En zo blijft de werkelijk inhoudelijke discussie binnen de “Indische kring”. Is dat niet treurig?

De nieuwe Handelsregisterwet jaagt schrijvers het internet af

Het begon een poos geleden al met de een of andere staatssecretaris die vond dat schrijvers zich voortaan als ondernemers moesten gedragen. Dat hebben we natuurlijk een tijdje tegen kunnen houden, maar de nieuwe lichting komt inderdaad met bedrijfsplannen, dat zie je ook aan hun boeken. In het eerste hoofdstuk gaat de hoofdpersoon – een schrijfster – een kantoor binnen en overhandigt de een of andere malloot een visitekaartje waarop enkele trefwoorden staan. Seks. Religieuze stroming. Religieuze uiting. Relatie. Verkrachting. Ontvoering. Therapie. Botsing van culturen. Of wenst u een whodunit? Ik kan halfbloot op de cover. De uitgever pijpen? Geen bezwaar. Deadline? Weekendje Rome en ik heb het manuscript klaar. De redacteur gaat mee. Maar in Rome aangekomen blijkt de schrijfster banden te hebben met Al Qaida. De redacteur is echter al helemaal in haar ban geraakt en aarzelt: zal ook hij de wapens opnemen tegen een stel Americanos waaronder zich toevallig zijn schoonouders bevinden, van wie de dochter, zijn echtgenote dus, een jaar terug onder raadselachtige omstandigheden spoorloos is verdwenen? Geeft u maar snel een standaardcontract voordat feiten en fictie door elkaar gaan lopen. Ik moet overigens dringend naar een vergadering.

Ik gun dat soort schrijvers alle bestaansrecht, alle hitlijsten, een miljoenenverkoop en wat al niet meer, maar laat mij alsjeblieft de kunstenaar uithangen. Ja, ik weet het: het is een scheldwoord. Nou ben ik mijn hele leven al uitgescholden, dus dat kan ik wel hebben. Maar ik heb echt geen zin in gedoe met BTW en bedrijfsplannen en hoe ik mezelf in de markt denk te gaan zetten. Hou op man, ik ben geen ondernemer, ik ben een kunstenaar, ik ben luimig, om niet te zeggen manisch-depressief, onvoorspelbaar, ik heb geen idee wat ik morgen zal gaan doen en dat boeit me ook helemaal niet. Toch krijg ik het toch maar mooi voor elkaar steeds weer met een verhaal, een artikel of een boek te komen. Ik dien de cultuur, stelletje idioten!

Maarrr… ze blijven me voor een ondernemer houden. Zoals ze me voor een Indiaan houden, of een Indonesiër, of een Eskimo, in elk geval niet voor een Nederlander. Ooit moest je naar de Kamer van Koophandel toe – als je dat al wilde – nu komt de Kamer naar jou. Want op de eerste juli van het vorige jaar heeft de overheid – u weet wel: dat stelletje boekhouders daar aan het Binnenhof – de nieuwe Handelswet ingevoerd. Op 1 juli, die gluiperds, toen iedereen op het strand lag! Ik ga u niet vertellen wat die nieuwe Handelswet behelst. In het kort komt het er voor mij op neer dat ik me moet laten inschrijven bij het Handelsregister. De Kamer van Koophandel is intussen gemoderniseerd, dat zie je aan de wervende koppen in hun brief:

Uw inschrijving is zo geregeld.

Wat moet u doen?

Meer weten?

Enzovoort.

Over de kosten ga ik niet leuteren. Nee, het gaat hierom:

Het Handelsregisternummer van uw onderneming moet u op uw briefpapier, offertes, facturen, websites en e-mailberichten vermelden.

Ja, u leest het goed! Probeert u nou eens voor de lol via domaintools achter mijn verblijfplaats te komen. U krijgt hooguit te lezen waar de host van deze website zit. In Amerika lopen ze jaren op Nederland voor. Daar hebben ze natuurlijk al lang narigheid gehad met allerlei bekende mensen die werden lastiggevallen omdat hun gegevens zomaar opvraagbaar waren. Als je je website onderbrengt bij mijn host, dan kan je aanvinken of je je privé-gegevens buiten beeld wilt hebben. Dat kost niets extra. Voordelen: geen stalkers aan de telefoon, geen idioten aan de deur, geen ongevraagde manuscripten en overige post en ga zo maar door. Over bommeldingen zal ik het nog maar niet hebben. Dat is de goden verzoeken, niet?

Aanstonds is mijn bewuste keuze voor een Amerikaanse host totaal zinloos geworden. Want met je Handelsregisternummer op je website ben je in no time op te sporen. Alles ligt voor het grijpen, tot en met je telefoonnummer. En geloof me: ik heb in het verleden heel veel last gehad van onverbeterlijke stalkers aan de telefoon. Dag en nacht. Opgeschoten meiden, oorlogsslachtoffers, schrijvers-in-spe, ex-tehuisklanten, mensen die hun verhaal wilden verkopen, lezers, fans, mensen van vroeger, hijgers etc. Week in week uit. Totdat ik wel een geheim nummer moést nemen. Maar dan… De een of andere radio-omroep laat je nummer lekken en van lieverlede neem je een 06-nummer. En dan nu dit. Hallo daar, mijn naam is Alfred Birney en u bent hierbij uitgenodigd mij dag en nacht te komen lastigvallen.

Dit snappen zelfs de Amerikanen niet met hun paranoïde nieuwsgierigheid naar je profiel en de daaruit voortvloeiende eis dat je allerlei persoonlijke informatie via het internet moet opgeven voor je een visum gaat aanvragen. Ik zal een schrijverscollectief of iets dergelijks in het leven moeten roepen om onzichtbaar te kunnen blijven. Nee, de schrijversvakbond daar was ik al uitgestapt. Die bekijkt de zaak nog eens van alle kanten, zal de boel aankaarten als het allang niet meer hoeft, loopt hopeloos en chronisch achter op de ontwikkelingen op het internet, publiceert verhalen in dat muffe kwartaalblaadje van suffe schrijvers die nog maar net een website hebben gelanceerd – met frames, ook dat nog – en dat dan ook hoog van de toren blazen. Terwijl het onderhand toch tijd wordt om als schrijver juist het internet vaarwel te zeggen.

Ze denken zeker dat ik niks te doen heb

Volgens mij lezen ze mijn weblog. Ze denken zeker dat ik niks te doen heb. Klopt! Maar een mens hoeft toch niet altijd wat te doen hebben? Nou, ik was nog niet onder de douche vandaan of mijn redacteur van het AD belde. Tijdens mijn ontbijt, die ’s middags plaatsvindt, belde ik hem terug. Tussen de gebruikelijk roddels door polste hij me of ik zin had in een of ander boek over kolonialisme tussen 1890 en 1950 of zoiets. Hij wist er ook het fijne niet van, maar het boek is in elk geval onderweg naar de krant. Het is een uitgave van het KITLV, onze schatbewaarder van Neerlands koloniale verleden, dus ik ben natuurlijk razend benieuwd naar wat voor schitterends of flets de ijverige uitgeverij van het instituut nu weer op de markt brengt. Het boek zal een dezer dagen bij me in de bus vallen en het KITLV kennende zal het wel weer een kloeke uitgave zijn. Kost me dagen om te lezen, dus de volgende week ben ik in elk geval van de straat.

Ook de redacteur van Archipel Magazine liet van zich horen. Hij geeft me een week extra in het deadlinespelletje. Maar met die klus voor de krant in het vooruitzicht heb ik daar helemaal niets aan. Het is dus gokken of werken. Gokken betekent: het boek van het KITLV afwachten, er een recensie over schrijven en dan pas iets voor Archipel Magazine doen. Ik loop dan het risico dat ik te laat ben en zo de kans mis om onderaan mijn nieuwe bijdrage de komst van een nieuw boek van mijzelf aan te kondigen. Feitelijk is de klus voor Archipel Magazine belangrijker dan die voor het AD, dat toch wel wekenlang de tijd heeft, ze lieten mijn recensie van de biografie over Tjalie Robinson toch ook een maand in de koelkast liggen.

Maar hoe schrijf ik zo snel een behoorlijk verhaal voor Archipel Magazine? Een verhaal kost me een week, anders wordt het niks. Heb ik echt niets meer in mijn archieven liggen? Het is werkelijk een zootje in mijn mappen, veel doublures, verschillende versies, er zit niets anders op dan er de bezem doorheen te halen. Dan blijft er vast wel wat hangen. Ja hoor, een verhaal van krap 500 woorden en een verhaal van ruim 1000 woorden. Beide verhalen was ik straal vergeten. Het eerste is een melancholieke schets en voorlopig afgerond op 16 mei 2008. Het tweede is een nogal heftig stuk autobiografisch proza, dat ik waarschijnlijk in één keer uit mijn toetsenbord hamerde. Het is gedateerd 7 november 2007 en hoeft alleen nog maar geredigeerd te worden. Dat red ik makkelijk in een week, zelfs al metamorfoseert het.

Dit is toch wel dé perfecte manier van werken voor me. Verhalend proza schrijven wanneer je wilt, de boel vergeten en pas opgraven zodra iemand iets van je nodig heeft. Zo verras je jezelf ook nog eens.

Spelen met deadlines

Ooit was een deadline een deadline: een tijdslimiet, de laatste datum waarop iets afgewerkt of ingeleverd moest zijn. De uiterste deadline bestond niet, alleen als pleonasme. Bij mijn debuut in 1987 werd al met de deadline gesjoemeld. De uitgever liet je je manuscript gewoon een maand eerder inleveren. Voor de zekerheid. Nu is het geloof ik twee maanden eerder. Een boek kan in no time gefabriceerd worden, dus wat stelt zo’n deadline nou helemaal voor? Je braaf aan de deadline van een uitgever houden is hem wat lucht geven in zijn stressleven, waarin voor alles plaats is behalve het lezen van manuscripten.

Dagbladen kennen nog wel deadlines, daar is weinig voorstellingsvermogen voor nodig. Ik bevind me in de gelukkige omstandigheid dat ik niet meer dagelijks met kranten te maken heb. En als ik eens iets moet schrijven dan is dat voor een cultuurbijlage die pas twee weken later moet verschijnen en in werkelijkheid vier weken later verschijnt.

Met een magazine ligt het anders. Nou heb je week-, maand- en kwartaalbladen. Ik heb morgen, dat is woensdag de vierde februari 2009, als deadline staan voor een bijdrage in een kwartaalblad. Ik kreeg de deadline te horen op de achttiende december van het afgelopen jaar. Ik heb nog geen woord geschreven. Niet omdat ik de redacteur wil plagen, de tijd vloog en ik ben nog maar net bekomen van de griep (ondanks de griepprik, die ik braaf elk jaar haal en die op zijn beurt te braaf is voor de griep).

Misschien heb ik nog wel iets in mijn lade liggen. Er lag altijd nog wel ergens een tekst die ik right away kan opsturen. Dat waren mijn deadline killers. Ik hoefde er alleen maar naar te zoeken. Helaas heeft een crash van mijn pc negentig procent van mijn deadline killers te grazen genomen, maar dat moet ik nu, na een jaar of drie, maar eens gaan vergeten. Trouwens, als ik nu niets instuur, dan krijg ik over vier weken toch wel een mailtje met een, ja daar komt ie: uiterste deadline.

Problem solved. Next one.

Zelfs tekstverwerkersproza is al verouderd

gekko Collega Frans Lopulalan waardeert mijn verhalen in Archipel Magazine, maar stelde me herhaaldelijk voor mijn proza door hem te laten redigeren. Ik vergat het steeds, ik vond het ook wel overbodig, totdat het laatste nummer van het blad verscheen. Ik vond mijn verhaal nogal slordig en herinnerde me het aanbod van mijn waarde collega. Gisteravond stuurde ik hem een gloednieuw verhaal. Kon ie waarderen. Maar ik kreeg het terug met een zooi redactioneel commentaar dat me even met de ogen deed knipperen. Nou had ik al drie proeflezers, maar die kijken meer inhoudelijk. Frans Lopulalan kan me werkelijk behoeden voor het produceren van slechte zinnen. Het voelt wel lekker, zo’n vriend, die je rotzooi even opruimt. Vandaag kreeg ik van hem een verhaal, dat ik op mijn beurt mag becommentariëren. Verbazingwekkend hoe hij als uitstekend redacteur zinnen kan produceren die me soms de wenkbrauwen doen fronsen. Uiteraard schuilt ook in mij een goede redacteur. Het is altijd makkelijker andermans werk te kritiseren. Wij maken dus gebruik van dat gemak, al is het maar om de strijd aan te gaan met wat ik kwaliteitsverlies zou willen noemen. Sinds de introductie van tekstverwerkers is men sneller gaan schrijven. Bij het Fonds voor de Letteren sprak men al snel over “tekstverwerkersproza”. Die term heeft het niet lang uitgehouden. Nu de hele wereld massaal blogt is het moeilijk zoeken in de stortvloed aan informatie die zonder papieren tussenversies het internet op wordt gekwakt. Een tekst laat zich pas goed beoordelen op papier. In de tijd van de schrijfmachine had ik drie versies nodig. Het zijn er nu vijf geworden, er zitten namelijk schermversies bij. Enfin, dat was ik even vergeten bij het schrijven van mijn vorige verhaal voor Archipel Magazine. Wat een ramp dat de tegenwoordige uitgevers werkstudenten loslaten op literair werk dat in productie gaat. De echte goede redacteuren en correctoren zijn er natuurlijk nog wel, maar worden allengs wegbezuinigd. Of ze worden gewoonweg niet opgemerkt dan wel in het geheel niet gewaardeerd. Waarmee het dédain voor de gemiddelde lezer wel pijnlijk aan het daglicht komt. Men wil geen lezers, men wil betalende klanten.

Schrijfziekte

hat logo meneer b Naast griep heerst de schrijfziekte. De een is nog niet vertrokken of de ander hangt aan de bel. Ditmaal een vrouw wier manuscript ik al zeven jaar terug las. Ze heeft haar boek inmiddels een aantal malen herschreven. Het ligt, als ik me niet vergis, al langer dan een jaar bij een grote bekende uitgever. De een of andere vage redacteur aldaar heeft het er kennelijk moeilijk mee om duidelijk te zijn en wijst de schrijfster in spé niet zonder meer af. Maar hij staat ook niet aan haar voordeur amechtig met een contract te zwaaien. In elk geval heeft hij les numero 1 uit het hoofdstuk Hoe ga ik met aspirant-schrijvers om wel erg letterlijk genomen: Zeg nooit nee. Je kunt een heel eind komen met nooit nee zeggen, maar het leven kent ook ogenblikken waarop je duidelijk nee moet kunnen zeggen, wil je althans niet in een spiraal terechtkomen van halve toezeggingen, vage afspraken en meer van dat wat relaties tussen mensen zo enorm complex maakt wanneer ze niet eerlijk tegen elkaar durven te zijn. Gelukkig wordt mij nu alleen maar om een advies gevraagd inzake het benaderen van een andere uitgever. Dus hoef ik alleen maar te zeggen: kies geen uitgever maar een redacteur. Wie is uw favoriete contemporaine Nederlandse auteur? Pluis uit wie zijn of haar redacteur is. Is het een man? Versier hem. Is het een vrouw? Versier haar. Er lopen er een stuk of twee rond die de moeite waard zijn. Hooguit drie. Succes!

Merkwaardig klusje (2)

logo alfred birney Vannacht het boek uitgelezen dat ik bespreken moet. Gelukkig is het een geweldig boek, dus ik kan gewoon een geweldige recensie gaan schrijven, de schrijver kan zich geweldig voelen, de boekhandelaar ook, kortom we kunnen het allemaal geweldig vinden, wat natuurlijk geweldig is. Morgen is de deadline. De eindredacteuren willen mijn recensie namelijk nog even lezen voor het naar de persklaarmaker gaat op maandagmorgen. Maar ik heb mijn redacteur gemaild dat ik buikgriep heb, me kortom niet bijzonder geweldig voel, en zij heeft me meer speling gegeven. Die speling neem ik op mijn beurt weer wat letterlijk, ik speel namelijk met de gedachte om mijn eigen deadline op de maandagmorgen te leggen, ongeacht of ik beter ben (deze buikgriep duurt naar verluidt niet lang). Op die manier omzeil ik het gepruts en gepriegel in mijn tekst, want zo zijn ze: al is een tekst nog zo goed, redacteuren lijden sowieso al aan een interpunctieneurose, een woordvolgordesyndroom en diverse dictatoriale neigingen die zich op vele manieren kunnen uiten, zeg van het volslagen negeren van jou als scribent tot aan geheime lunches met kaviaar en buitengewone wijn om je in te palmen voor de een of andere guerrilla tegen een zekere hoofdredacteur, uitgever of wat zich nog meer aan maffioos volk op de achtergrond van de nieuwsmakerij beweegt. Ik hoop dat u mij volgen kunt. Ik moet u eerlijk bekennen dat ik mezelf namelijk niet meer volgen kan, wat wellicht te wijten is aan een lichte temperatuurstijging die ik dan nu maar even te lijf zal gaan met een of ander goedje uit de geneesmiddelenindustrie, waar het, zoals u weet, in politiek opzicht al weinig beter is gesteld dan in the twilight zone waar ik zo-even op doelde.

Chinees nieuwjaar knort me tegemoet

hat logo meneer b Ik had een halve afspraak in de stad met de ex-hoofdredacteur van een krant, maar versliep me grandioos vandaag. Ik zag een gemiste oproep op mijn mobiel, belde de man op, sprak wat in zijn voicemail en at een boterham met aardbeienjam. Die aardbeienjam is bedoeld als afwisseling op de kersenjam die ik bij elk ontbijt tot mij neem. Ik ben overigens een poosje aan de gemberjam geweest, maar toen rookte ik nog. Ik vind gemberjam echt iets voor rokers. Kersenjam vind ik iets voor dames, maar op één of andere manier past het ook wel bij een schrijver. Ik hoop dat u begrijpt wat ik bedoel. Is dat niet het geval, wéét dan dat ik zelf ook niet helemaal weet wat ik nou precies bedoel.

De dag was ook wel eigenaardig. Ik had het gevoel naar de stad te moeten vanwege die halve afspraak en besloot om dan maar de Chinese nieuwjaarsviering bij te wonen. Mijn zoon, gekluisterd aan zijn pc, wilde niet mee. Eenmaal buiten besloot ik om een grote omweg te maken, zodat ik, eenmaal in de stad gekomen, het einde van de Chinese optocht zou zien. Ik houd namelijk erg van achteraan lopen, ik weet niet waarom, maar als jongen liep ik tijdens schoolreisjes en zo meer graag achteraan.

Het was erg rustig aan de boulevard, misschien bevindt een kwart van Nederland zich in de Europese sneeuwgebieden terwijl een tweede kwart wat rondhangt in goedkope Afrikaanse toeristenoorden en de rest met griep ligt? Ik besloot langs de Scheveningse gevangenis naar de stad terug te fietsen en zag in een flits Helga Ruebsamen, die aan de verkeerde kant van de weg fietste. De laatste keer dat ik haar zag was rond 1990, Margaretha Ferguson leefde toen nog en Helga Ruebsamen reed in een oude Mercedes rond. Nu reed ze op een fiets, zwaar opgemaakt, ze lachte een beetje schaapachtig maar ik zal wel ernstig hebben gekeken, want fietsen is ernst. Ik bedoel: als ik fiets, dan fiets ik en dan ga ik niet uitgebreid naar passerende collega’s zwaaien. Schrijvers onder elkaar is toch al een ramp, een enkele uitzondering daargelaten.

Ik hing zo’n beetje achter een jong wezen op een mountainbike en kon niet uitmaken of het een meisje of een jongen was. Achter me hoorde ik iemand in mijn wiel puffen, al fietste ik niet hard. Mijn zoon zou later zeggen dat vandaag iedereen duf was. Zeker suf geblaft in het voorbije Hondenjaar.

De weg was lang, werkelijk, het Haagse Bos doemde akelig kaal op, de Laan van Nieuw-Oost-Indië was desolaat als de hel, alsof de Engelsen dat gebied zijn blijven bombarderen sinds de Tweede Wereldoorlog. Ik kocht een risolles bij mijn vroegere favoriete toko, die inmiddels van naam is veranderd, en fietste naar mijn oude wijk achter het CS, momenteel nauwelijks bereikbaar vanwege allerlei nieuwbouwactiviteiten, een soort speeltuin voor gewetenloze projectontwikkelaars en hardvochtige architecten.

Op de hoek van mijn oude straat at ik mijn risolles, gezeten op de bagagedrager van mijn trouwe fiets. Verderop stond een huurwoning aangeboden, waarvoor ik hoge ogen zou kunnen scoren en die ik nu wilde gaan bekijken. Maar zodra ik mijn oude straat in fietste vroeg ik me af: moet een mens ooit teruggaan naar waar hij vandaan kwam? Je gaat toch ook niet terug naar een ex-geliefde? De woning bleek onzichtbaar ook nog, want het hele portiek ging schuil achter een ondoorzichtige plastic bouwzeil, alsof er een week eerder een bomaanslag was gepleegd of er tenminste een kakkerlakkenplaag is bestreden.

De wijk was ooit de enige stationsbuurt die níet was verpauperd, maar toen woonden er nog schrijvers als ik. De wijk was ook ooit één van de moeilijkst bereikbare van de stad, nu waarschijnlijk van het hele land. Zelfs op de fiets kon ik het gebied niet aan de kant van het station verlaten. Ik moest hem aan de hand nemen. Ik ontmoette troosteloze gezichten in een grimasserende stationshal. Toen klonk het geweld van de Chinese optocht uit de stad, ik sprong op mijn zadel en ging er op af. Bij de Markthof zag ik nog net de staart van de stoet het Spui oversteken naar het plein.

Ik denk dat het de staart van de Hond was, het voorbije jaar. Vandaag is immers oudjaar en morgen nieuwjaar: het jaar van het Varken. Waarom wordt het niet om middernacht gevierd? Omdat dan de christenen en de moslims willen slapen? Ik had trouwens een Hondenjaar, na een nog verschrikkelijker Hanenjaar. Mag ik nu varkentjes gaan wassen?

Raadsel uit de Maleise bellettrie

logo alfred birney Maya Sutedja – Liem, collega publicist in Archipel Magazine, mailde me naar aanleiding van mijn tweedelig artikel Goena-goena volgens P.A. Daum en Victor Ido in genoemd tijdschrift. Ter sprake komt onder andere een verhouding tussen de zoon van een Indonesische huishoudster en een blanke Europese vrouw, een kwestie waarop in de koloniale tijd een zwaar taboe rustte en waarover veelal slechts angstvallig werd geschreven. Maya kent een boek uit het Maleis, waarin het taboe-onderwerp vrijmoedig bij de kladden wordt genomen.

Het verhaal is getiteld Njai Isah en geschreven door een zekere Ferdinand Wiggers, een Indo-Europeaan die gewoonlijk in het Maleis publiceerde. Het verhaal verscheen aanvankelijk als feuilleton in een Maleise krant in 1903 en daarna in enkele boekdelen. Het gaat over een Nederlands meisje dat een verhouding krijgt met de zoon van hun Indonesische bediende en zwanger raakt. Om haar reputatie niet te schaden moeten man en kind worden weggemoffeld. Het meisje zelf ziet zich gedwongen een Nederlandse man te vinden om mee te trouwen, wat gepaard gaat met goena-goena en meer van die typische motieven uit de koloniale bellettrie.

Maya heeft slechts twee delen in een Leidse bibliotheek kunnen opsporen. Omdat het motief nogal spectaculair was voor die tijd vraagt zij zich af of het boek misschien geen vertaling is van een Nederlands verhaal. Ikzelf neem aan van niet, omdat de fatsoensrakkers eerder in Nederland dan in het voormalige Nederlands-Indië gezocht moesten worden. Het colofon in het boek geeft geen uitsluitsel, wat indertijd niet ongebruikelijk was. Als uitgever wordt genoemd de NV tot exploitatie van Mal. week- en andere bladen in Nederlandsch-Indië. Meer is niet bekend.

Over de schrijver heeft Maya het volgende kunnen achterhalen. Ferdinand Wiggers (1862-1912) was een zoon van de Nederlandse (?) Frederik Ernst Wiggers en de Indonesische Pela (of Helena?). Ferdinand Wiggers huwde eveneens een Indonesische vrouw, genaamd Tjanting (later genoemd Enerstina Hermina?). Van de vijf kinderen die uit dit huwelijk voortkwamen, bleven twee zonen in leven: Norbertus Petrus (1886 – ?) en Ernst Ferdinand (1890-?). Ferdinand Wiggers was redacteur bij verschillende Maleise dagbladen, waarin hij veel publiceerde, wat soms tot een boekuitgave leidde. Daarnaast vertaalde hij ook veel Europese romans naar het Maleis, waaronder Van slaaf tot vorst van Melati van Java.

Maya is bezig stukken uit Njai Isah te vertalen. Ze beoogt de uitgave van haar vertalingen van korte Maleise verhalen in het komende jaar en zit nu met de brandende kwestie: in welke brontaal is het verhaal geschreven: het Maleis of het Nederlands? Stuur even een mail als u Maya Sutedja – Liem kunt helpen.

Mijn literair agente

hat logo meneer b Mijn literair agente laat maar niets van zich horen. Zo lang er geen nieuws is, is er geen slecht nieuws. Mogelijk heeft ze zich in een zoveelste amourette gestort en is ze mij voor een poosje vergeten. Ik meen me te herinneren zoiets over haar te hebben gedroomd, maar ik kan het ook in een eerdere log hebben geopperd en zijn mijn fantasie en dromen in een kruisbestuiving terechtgekomen. Is dat ook een vorm van liefde? Dit lijkt mij een zeer literaire en nutteloze vraag. Literatuur is heden ten dage nauwelijks nuttig te noemen, vandaar die cynische opmerking. Het heeft, anders dan, zeg, vijf jaar terug, geen zin meer om zonder een contract op zak een boek te schrijven. Zelfs vingeroefeningen kunnen onder de noemer bezigheden voor idiote idealisten worden gerangschikt. Mijn agente is op de hoogte van vijf boeken die ik in principe zou kunnen schrijven en gaat met haar notitieboekje uitgevers langs. Er is één jonge redacteur bij een uitgeverij over wie zij aldoor spreekt. Omdat mijn agente vanwege belastingtechnische motieven niet door mij betaald wil worden, moeten haar belangen elders worden gezocht. Misschien gebruikt me mij om als redacteur ergens onderdak te krijgen. Maar het kan ook zijn dat ik het stuifmeel ben dat haar een dekmantel geeft voor haar amoureuze uitstapjes. Ik mag hopen dat ze op dit ogenblik ergens lekker ligt te neuken. Of is ze nog zo dwaas om in zoiets als een vaste relatie te geloven? Ze is de veertig gepasseerd. Hopeloos geval.