Voorpublicatie Rivier de Brantas

Deze brug speelt een rol in de komende novelle Rivier de Brantas van Alfred Birney. Voor een mooier beeld moet je het herfstnummer van kwartaalmagazine Archipel Magazine kopen, waarin de eerste drie hoofdstukken van het boek staan afgedrukt.

brug-over-rivier-de-brantas.jpg

Rivier de Brantas is de derde en laatste novelle in de rivierenreeks van Alfred Birney. Het verhaal speelt op Java. De novelle is de follow-up van Rivier de Lossie (2009) en Rivier de IJssel (2010).

In het drieluik wordt onder meer een beeld getoond van de onterecht weggestopte Nederlandse koloniale geschiedenis van 1850 – 1950 én van de postkoloniale geschiedenis van 1950 – 2000 in zowel Nederland als Indonesië.

De hoofdpersoon is een gitarist die beroepshalve op plekken komt die hem dwingen zich rekenschap te geven van zijn eigen identiteit via de geschiedenis van zijn voorouders.

Rivier de Brantas verschijnt in februari 2011.

Schrijven aan een boek

Schrijven aan een boek kan merkwaardig associatief gedrag veroorzaken. Zo luister ik deze dagen aldoor naar de onderstaande aria van Händel, het Ombra mai fù uit de opera Serse (Xerxes) (1738), vertolkt door de Japanse countertenor Yoshikazu Mera. Tegelijk leg ik de laatste hand aan het derde en laatste deel van mijn novellenreeks. Het eerste, Rivier de Lossie (2009), speelt in Schotland. Het tweede, Rivier de IJssel (2010), speelt in Nederland en het deel-in-wording (2011, lente) speelt op Java.




Dit derde deel is een quasi roadshow, met terugblikken op onder andere de oorlog die Nederland in Indonesië voerde nadat het land zelf was bevrijd van de Duitsers. Een oorlog die eufemistisch de Politionele Acties worden genoemd, door Ad van Liempt gebombardeerd tot Een mooi woord voor oorlog. Ik ga daar niet diep op in, ook niet op de Japanse bezetting die enkele jaren eerder plaatsvond. Wél op de liefde die een familielid van me opvatte voor een Japanse officier. Zeg maar een verhaal zoals Il portiere di notte (1973) van Liliana Cavani (The Nightporter), maar dan zonder een weerzien. Ik beschreef het al eens in het verhaal Zonder gezicht, gepubliceerd in de verzamelbundel Vertrouwd en Vreemd (2000), maar bewerk het nu in een andere context.

Er is veel geschreven over zogeheten “troostmeisjes” maar weinig tot niets over meisjes die eenvoudig een liefdesaffaire hadden met Japanse officieren. Mijn vader haatte Japanners en alles wat met Japans te maken had. Veel Indische mensen en Indo’s haatten Japanners. Ik ben opgegroeid in een milieu waarin de haat jegens Japanners nog sterker was dan de huidige weerzin van Hollanders jegens Marokkanen op alle denkbare niveaus, tot aan de landelijke politiek toe.

De haat die mijn vader koesterde tegen de Japanners heb ik niet overgenomen. Mijn broer evenmin. Hij nam ooit luitlessen bij een Japanse leraar, in een tijd waarin de vader van een vriend van me met een hakbijl een piano van Japans fabrikaat te lijf ging, die zijn dochter in alle onschuld had aangeschaft.

Japanners kunnen gek zijn op Europese kunst en cultuur. En andersom, Europeanen kunnen dol zijn op Japanse kunst en cultuur. Literatuur, gevechtskunst, muziek, schilderkunst, beeldende kunst, architectuur… Kunstenaars staan veelal boven het ordinaire geweld van alledag of proberen gedachtes aan oorlog te bezweren door zich in de kunstuitingen van de (voormalige) tegenpartij in te leven. Yoshikazu Mera is zo iemand. Zijn stem klinkt hemels. Cross-over artiesten geven me altijd hoop op een fatsoenlijker wereld. Altijd.

Die eeuwige oorlog

logo alfred birney weblog Nu de meerderheid van de eerste generatie Indische mensen van de aardbodem is verdwenen, beginnen hun nazaten zich roeren in (veelal zelfuitgegeven) memoires en geschriften. Er zitten flink wat mensen bij die een (blanke) vader hadden, die al de oorlog in werden ingestuurd (de zogenoemde Politionele Acties in Indonesië: “Een mooi woord voor oorlog” volgens Ad van Liempt) voordat Nederland helemaal bevrijd was geworden door de geallieerden.

Soms neemt iemand contact met me op, met de vraag of ik kan helpen bij het uitrafelen van allerlei oorlogstoestanden in Indië/ Indonesië. De laatste tijd reageer ik veelal narrig dat ik niets meer met die vervloekte oorlog te maken wil hebben. Ikzelf ben, of liever gezegd was, meer geïnteresseerd in de ervaringen van kinderen van ouders met een oorlogstrauma: de gekte die kinderen overgedragen kregen. Het beste voorbeeld daarvan is mijn roman De onschuld van een vis (1995), herdrukt in Indische gezichten.

Fictie is voor mij een bevredigender manier om de nasleep van een oorlog te tonen dan non-fictie. Ik geloof niet zo in non-fictie. Ik geloof dat zodra je de pen oppakt je de geschiedenis al begint te kleuren. Er zijn acht familieleden van mij door de Japanse bezetters de dood ingejaagd. Als fictieschrijver zoek ik naar de kern van oorlog en volg dan liever één persoon die de dood in wordt gejaagd dan acht personen. Mijn vader schreef zijn oorlogservaringen neer gedurende de dertien jaar waarin ik met hem leefde. Ik hoorde elke avond die ratelende schrijfmachine. Eenmaal uit huis weggehaald door de kinderbescherming en geplaatst in een internaat hoorde ik die dominante schrijfmachine niet meer. De oorlog in Indië raakte op de achtergrond.

Later, toen ik een grote jongen was en ik mijn vader regelmatig bezocht, vroeg ik om verhalen over zijn jeugd van vóór de oorlog. Kortom: de Tjalie Robinson stuff. Dan begonnen de verhalen over de jacht, goena-goena en mooie Chinese meisjes, maar die mooie vertellingen gingen naadloos en in no time over in die afschuwelijke verhalen over de oorlog. En weer later kreeg ik te maken met Indische instanties die zich via allerlei invalshoeken met de oorlog bezighielden. Toen mijn vader stierf in 2005 kreeg ik een klap. Er viel iets weg. Ik donderde in een gat. Ik moest me opeens met iets anders gaan bezighouden dan met die vervloekte oorlog. Ik begon de oorlog te haten, als ik dat al niet deed, en probeerde de oorlog af te zweren. Evenwel, oorlog komt altijd wel terug in mijn boeken (mijn postkoloniale werk, niet in de rest van mijn proza), eenvoudig omdat oorlog bij de wereldgeschiedenis hoort en omdat mensen nu eenmaal jaloers, egoïstisch en oorlogszuchtig zijn.

In mijn novelle Rivier de Lossie (2009) speelt de herinnering aan een hele verre oorlog, tussen de Scoten en de Picten. Dat is in de negende eeuw na Christus. Er komt ook een flits van de oorlog in Nederlands-Indië voorbij. Maar het eigenlijk verhaal gaat heel ergens anders over. Zo ook in Rivier de IJssel (2010). Oorlog speelt wel op de achtergrond, maar de koloniale geschiedenis, de handelsgeest van de Hollanders en racisme staan veel meer op de voorgrond. Maar dan… Ergens schrijf ik het volgende in Rivier de IJssel:

Alexander bleef niet lang in Batavia en trad in dienst als controleur bij het Binnenlandse Bestuur. Hij begon zijn ambtelijke loopbaan in Blitar, een plaatsje in de buurt van Kediri op Oost-Java.
     Blitar… Die naam deed me denken aan een wonderlijk verhaal van mijn vader. In dat kleine plaatsje had hij zijn eerste levensjaren bij familie van zijn moeder doorgebracht. Ze had hem erheen gestuurd vanwege een zweer achter het oor. Als die niet zou genezen, was hij ten dode opgeschreven. Een oom heeft hem met kruiden uit de jungle behandeld. Zo stond het in zijn memoires geschreven.
     Maar laat Blitar nou juist dát ene plaatsje zijn waar hij twintig jaar later als jongeman tijdens de oorlog met een troep Nederlandse mariniers met vlammenwerpers mensen uit hun huizen heeft gebrand!
     Wie snapt zoiets?

Verwarring, vragen waar geen antwoord op komt, rusteloos zoeken naar zoiets als waarheden, hopeloos constateren dat racisme mijn overgrootmoeder al overkwam in 1870 in Deventer. Maar ook: de liefde, de muziek, onvergetelijke ontmoetingen, rivieren die blijven stromen terwijl mensen komen en gaan. Ik verwerk allerlei motieven in een novelle en hoop dat er een juweel tevoorschijn komt. De herinnering aan mijn vaders oorlog laat ik allengs achter me. Het was zijn oorlog. Het is verdomme mijn oorlog helemaal niet.

Maar dan… Archipel Magazine komt uit. Zomaar een zomernummer rond Bali. Toerisme, toch? Stuit ik zowaar op een artikel met de titel: De getuigenissen van FX Harsono (zie de vorige post op dit weblog). Midden op de tweede bladzijde prijkt een vetgedrukte quote:

‘Op beide doeken staan familieleden afgebeeld naast in 1951 door zijn vader gefotografeerde doodshoofden, die in de buurt van Blitar voor herbegrafenis uit Chinese massagraven waren opgegraven.’

Wacht eens even. Mijn vader is daar als een beest tekeer gegaan, heeft er kampongs platgebrand en locals overhoop geschoten, als ik zijn memoires moet geloven. Stel dat dat echt zo was? Zijn moeder was een Chinese. Zijn oom was een Chinees. Het wemelde kennelijk van de Chinezen in Blitar. Volgens het artikel zijn er 191 Chinezen tijdens de vrijheidsstrijd in 1947 en 1948 vermoord door Indonesische vrijheidsstrijders, die de Chinezen als medestanders van de Nederlanders zagen.

Begin ik nu stilaan iets te begrijpen wat een mens helemaal niet zou moeten begrijpen? Dat mijn vaders afgrijselijke wandaden met een stel Nederlandse mariniers een persoonlijke wraakoefening was? Kijk, je kunt de oorlog wel achter je willen laten, of die van je vader, maar je blijft er toch je hele leven aan herinnerd worden. Dit soort geschiedenissen krijgen geen plek in de Nederlandse geschiedenisboeken. Ze krijgen een plek in de beeldende kunst van een kunstenaar die ik niet ken, en in de boeken van een schrijver die hij niet kent.

Huilen in Den Haag

logo den haag feuilleton De Tong Tong Fair, waar ik mijn jongste novelle Rivier de Lossie had zitten signeren, was nog niet afgelopen of ik zat in een totaal andere Haagse sfeer: die van de misdaadroman, conspiracy stuff rond politiek and all that:

Het jaar 2010 zal vermoedelijk bekend worden als een roerig jaar in de Haagse geschiedenis. De politiek lijkt steeds meer het domein te worden voor populistische sentimenten. Blijft Den Haag de trotse stad voor Internationaal Recht en Vrede, of wordt het een stad waarin scheidslijnen haarscherp langs etnische of religieuze kenmerken worden gelegd? Wordt het huilen in Den Haag, of valt er ook nog wat te lachen? De krant Den Haag Centraal laat een estafettefeuilleton verschijnen waarin door verschillende auteurs, ieder op eigen wijze, over het Haagse lief en leed kritisch, humoristisch, literair, met een knipoog naar de actualiteit, als een pastiche of in welke andere vorm dan ook, wordt verhaald. Het verhaal speelt in Den Haag, met veel topografie, en alle emoties zitten er in: verdriet, woede, vreugde, romantiek, verraad en – wie weet – ook nog moord en doodslag.

Wekelijks verschijnt er een aflevering in Den Haag Centraal met een lengte van 1500 woorden. De afleveringen worden zonder auteursnaam gepubliceerd. Wel worden de namen van alle deelnemende auteurs wekelijks vermeld. Dit is voor de aan het estafettefeuileton gekoppelde publiekswedstrijd, waarbij men aan de hand van stijlkenmerken en dergelijke tracht vast te stellen wie de auteur van de week is. De hoogste eindscore wordt beloond met een prijs. Reeds verschenen afleveringen worden later wel met auteursnaam gepubliceerd op de website van Huilen in Den Haag. Het estafettefeuilleton zal worden gebundeld en in alle Haagse boekwinkels te koop zijn tijdens het evenement Huilen in Den Haag.

Parallel aan het feuilleton loopt een beeldwedstrijd. Bekroonde inzendingen worden periodiek in Den Haag Centraal gepubliceerd en zullen later in de Affiche Galerij in de tramtunnel en de Centrale Bibliotheek aan het Spui worden geëxposeerd.

De climax wordt een groot feest voor auteurs en publiek in de Centrale Bibliotheek aan het Spui. Het feest vindt plaats tijdens het UIT-weekend ergens in het najaar. Tijdens dit feest zal het boek met daarin de verzamelde afleveringen van het feuilleton worden gepresenteerd en de expositie van de bekroonde inzendingen van de beeldwedstrijd worden geopend.

Voor het estafettefeuilleton was ook ik gevraagd voor het schrijven van een aflevering. Het brein van het vooraf bedacht plot is Tomas Ross en ik en mijn collega’s hebben dan ook een nogal ingewikkeld slot voorgelegd gekregen. Ik had gevraagd mij zo vroeg mogelijk op de kalender te zetten, zodat ik kon ontsnappen aan allerlei losse eindjes die voorgaande auteurs laten liggen, want ja: daar kun je op wachten. Maar dat is ook wel de sport natuurlijk, je tekst zo goed en kwaad als maar mogelijk zo schrijven dat het verhaal goed blijft lopen. Ik was onlangs aan de beurt en moest wat troep opruimen van mijn voorgangers. Sommigen hadden zich er makkelijk vanaf gemaakt door de hoofdpersoon met veel introspectie rond te laten dolen. Dat had ik eigenlijk ook gewild, maar na een aantal (geplande) afleveringen dreigde het verhaal aan spanning en actie in te boeten, dus ik heb maar even wat bloed, seks, kidnapping en vaart in mijn aflevering gestopt. Ik heb nog nooit iemand een ander met een revolver overhoop laten schieten, maar nu ik dat heb laten gebeuren kan ik dat ook weer op mijn lijstje van fictionele ervaringen zetten. Benieuwd of mijn tekst er zonder redactionele verminkingen in komt te staan.

De gevraagde auteurs zijn verder Wim de Bie, Sjaak Bral, Bart Chabot, Inez van Dullemen, Mensje van Keulen, Yvonne Keuls, Kees van Kooten, Roel Janssen, Tomas Ross, Helga Ruebsamen, Kees Ruys, Hans Sahar, Jan Siebelink, Nicolette Smabers, Jill Stolk, Marcel Verreck en Lulu Wang. Wie er uiteindelijke allemaal meedoen is mij niet bekend.

De eerste aflevering, van Tomas Ross, verscheen in Den Haag Centraal op woensdag 26 mei 2010.

Eerste correcties Rivier de IJssel

De eerste correcties van mijn nieuwe novelle Rivier de IJssel heb ik verwerkt. Het manuscript gaat komende week naar een tweede corrector. Als alles meezit – gezondheid, geen gedoe aan mijn hoofd, onvoorziene toestanden rond uitgever en drukker – moet het boek half maart in productie kunnen. Presentaties beginnen dan een maand later: medio april. Locaties zijn nog niet bekend. Ik denk aan Amsterdam, Deventer en Den Haag.

Laatste etappe Rivier de IJssel

Mijn nieuwe novelle Rivier de IJssel nadert de voltooiing. De opmerkingen van de redacteur zijn door mij verwerkt en gisteren kreeg ik de eerste correcties binnen. Ik werk met twee correctoren. De eerste bekijkt de tekst binnen de context, de tweede legt hem onder een vergrootglas. Ik heb nog twaalf dagen. Dat wordt hard werken. Hier is het voorlopige omslag. De ontwerpster stoeit nog wat met de kleurdiepte en de tinten.

omslag rivier de ijssel alfred birney

Schrijven aan Rivier de IJssel

alfred birney schrijft

Alfred Birney is bezig met het verwerken van redactiecommentaar van zijn uitgever op zijn komende novelle Rivier de IJssel. Het boek wordt in het voorjaar verwacht. Geconcentreerd werken maakt een schrijver a-sociaal en lastig te bereiken. In het ergste geval laat hij het dagelijkse leven onverschillig langs zich heen gaan. U kunt hem volgen op Twitter, waar hij, als hij er zin in heeft, zijn vorderingen noteert.