Interview over Rivier de Lossie

river de ijssel alfred birney Vers online een artikel / interview van Kirsten Vos naar aanleiding van mijn novelle Rivier de Lossie:

Rivier de Lossie is de rentree van Alfred Birney op het schrijverstoneel. De in dertig hoofdstukken opgebouwde novelle is een vertelling van een Indische man over zijn rootsreis naar Schotland. Tijdens een wandeling langs de Lossie kruist het pad van de hoofdpersoon dat van een onbekende vrouw. Ondersteund door het lied The Ferryman’s Daughter van de Schotse folkzanger Donovan Leitch, bewegen hoofdpersoon, vrouw en rivier steeds dichter naar elkaar toe. Een volkslegende blijkt daar iets mee te maken hebben. Hiermee heeft Birney een eigentijdse variant op de Indische mythes en sages geïntroduceerd, zonder te vervallen in voor de hand liggende parallellen met Indonesië. In gesprek met de auteur verken ik de vele dimensies van deze pageturner. Lees verder hier…

Die eeuwige oorlog

logo alfred birney weblog Nu de meerderheid van de eerste generatie Indische mensen van de aardbodem is verdwenen, beginnen hun nazaten zich roeren in (veelal zelfuitgegeven) memoires en geschriften. Er zitten flink wat mensen bij die een (blanke) vader hadden, die al de oorlog in werden ingestuurd (de zogenoemde Politionele Acties in Indonesië: “Een mooi woord voor oorlog” volgens Ad van Liempt) voordat Nederland helemaal bevrijd was geworden door de geallieerden.

Soms neemt iemand contact met me op, met de vraag of ik kan helpen bij het uitrafelen van allerlei oorlogstoestanden in Indië/ Indonesië. De laatste tijd reageer ik veelal narrig dat ik niets meer met die vervloekte oorlog te maken wil hebben. Ikzelf ben, of liever gezegd was, meer geïnteresseerd in de ervaringen van kinderen van ouders met een oorlogstrauma: de gekte die kinderen overgedragen kregen. Het beste voorbeeld daarvan is mijn roman De onschuld van een vis (1995), herdrukt in Indische gezichten.

Fictie is voor mij een bevredigender manier om de nasleep van een oorlog te tonen dan non-fictie. Ik geloof niet zo in non-fictie. Ik geloof dat zodra je de pen oppakt je de geschiedenis al begint te kleuren. Er zijn acht familieleden van mij door de Japanse bezetters de dood ingejaagd. Als fictieschrijver zoek ik naar de kern van oorlog en volg dan liever één persoon die de dood in wordt gejaagd dan acht personen. Mijn vader schreef zijn oorlogservaringen neer gedurende de dertien jaar waarin ik met hem leefde. Ik hoorde elke avond die ratelende schrijfmachine. Eenmaal uit huis weggehaald door de kinderbescherming en geplaatst in een internaat hoorde ik die dominante schrijfmachine niet meer. De oorlog in Indië raakte op de achtergrond.

Later, toen ik een grote jongen was en ik mijn vader regelmatig bezocht, vroeg ik om verhalen over zijn jeugd van vóór de oorlog. Kortom: de Tjalie Robinson stuff. Dan begonnen de verhalen over de jacht, goena-goena en mooie Chinese meisjes, maar die mooie vertellingen gingen naadloos en in no time over in die afschuwelijke verhalen over de oorlog. En weer later kreeg ik te maken met Indische instanties die zich via allerlei invalshoeken met de oorlog bezighielden. Toen mijn vader stierf in 2005 kreeg ik een klap. Er viel iets weg. Ik donderde in een gat. Ik moest me opeens met iets anders gaan bezighouden dan met die vervloekte oorlog. Ik begon de oorlog te haten, als ik dat al niet deed, en probeerde de oorlog af te zweren. Evenwel, oorlog komt altijd wel terug in mijn boeken (mijn postkoloniale werk, niet in de rest van mijn proza), eenvoudig omdat oorlog bij de wereldgeschiedenis hoort en omdat mensen nu eenmaal jaloers, egoïstisch en oorlogszuchtig zijn.

In mijn novelle Rivier de Lossie (2009) speelt de herinnering aan een hele verre oorlog, tussen de Scoten en de Picten. Dat is in de negende eeuw na Christus. Er komt ook een flits van de oorlog in Nederlands-Indië voorbij. Maar het eigenlijk verhaal gaat heel ergens anders over. Zo ook in Rivier de IJssel (2010). Oorlog speelt wel op de achtergrond, maar de koloniale geschiedenis, de handelsgeest van de Hollanders en racisme staan veel meer op de voorgrond. Maar dan… Ergens schrijf ik het volgende in Rivier de IJssel:

Alexander bleef niet lang in Batavia en trad in dienst als controleur bij het Binnenlandse Bestuur. Hij begon zijn ambtelijke loopbaan in Blitar, een plaatsje in de buurt van Kediri op Oost-Java.
     Blitar… Die naam deed me denken aan een wonderlijk verhaal van mijn vader. In dat kleine plaatsje had hij zijn eerste levensjaren bij familie van zijn moeder doorgebracht. Ze had hem erheen gestuurd vanwege een zweer achter het oor. Als die niet zou genezen, was hij ten dode opgeschreven. Een oom heeft hem met kruiden uit de jungle behandeld. Zo stond het in zijn memoires geschreven.
     Maar laat Blitar nou juist dát ene plaatsje zijn waar hij twintig jaar later als jongeman tijdens de oorlog met een troep Nederlandse mariniers met vlammenwerpers mensen uit hun huizen heeft gebrand!
     Wie snapt zoiets?

Verwarring, vragen waar geen antwoord op komt, rusteloos zoeken naar zoiets als waarheden, hopeloos constateren dat racisme mijn overgrootmoeder al overkwam in 1870 in Deventer. Maar ook: de liefde, de muziek, onvergetelijke ontmoetingen, rivieren die blijven stromen terwijl mensen komen en gaan. Ik verwerk allerlei motieven in een novelle en hoop dat er een juweel tevoorschijn komt. De herinnering aan mijn vaders oorlog laat ik allengs achter me. Het was zijn oorlog. Het is verdomme mijn oorlog helemaal niet.

Maar dan… Archipel Magazine komt uit. Zomaar een zomernummer rond Bali. Toerisme, toch? Stuit ik zowaar op een artikel met de titel: De getuigenissen van FX Harsono (zie de vorige post op dit weblog). Midden op de tweede bladzijde prijkt een vetgedrukte quote:

‘Op beide doeken staan familieleden afgebeeld naast in 1951 door zijn vader gefotografeerde doodshoofden, die in de buurt van Blitar voor herbegrafenis uit Chinese massagraven waren opgegraven.’

Wacht eens even. Mijn vader is daar als een beest tekeer gegaan, heeft er kampongs platgebrand en locals overhoop geschoten, als ik zijn memoires moet geloven. Stel dat dat echt zo was? Zijn moeder was een Chinese. Zijn oom was een Chinees. Het wemelde kennelijk van de Chinezen in Blitar. Volgens het artikel zijn er 191 Chinezen tijdens de vrijheidsstrijd in 1947 en 1948 vermoord door Indonesische vrijheidsstrijders, die de Chinezen als medestanders van de Nederlanders zagen.

Begin ik nu stilaan iets te begrijpen wat een mens helemaal niet zou moeten begrijpen? Dat mijn vaders afgrijselijke wandaden met een stel Nederlandse mariniers een persoonlijke wraakoefening was? Kijk, je kunt de oorlog wel achter je willen laten, of die van je vader, maar je blijft er toch je hele leven aan herinnerd worden. Dit soort geschiedenissen krijgen geen plek in de Nederlandse geschiedenisboeken. Ze krijgen een plek in de beeldende kunst van een kunstenaar die ik niet ken, en in de boeken van een schrijver die hij niet kent.

Triskelion

Het logo van de ketjapfles Kaki Tiga zet de protagonist in mijn novelle Rivier de Lossie aan tot allerlei bespiegelingen. Hij brengt het logo in direct verband met het oude familiewapen uit zijn familie. Ik krijg daar veel vragen over van lezers, die het logo uiteraard in verband brengen met de triskelion, een eeuwenoud symbool uit diverse culturen, waaronder de Keltische. De informatie die over het symbool bekend is, sluit de interpretatie in mijn novelle overigens niet geheel uit. Het figuur is het bekendst van de nationale vlag van het eiland Man. Afgelopen zomer ontving ik via via een mooie variant van het symbool op een ansichtkaart per sms uit Sicilië. Hier is ie. Click op het plaatje voor een vergroting.


triskelion

Meer van dergelijke kunstzinnige varianten zijn zeer welkom!

Oude kameraden

gekko De Indische schrijversavond van afgelopen woensdagavond in het Mondiaal Centrum Haarlem was goed, gevarieerd en onderhoudend. Mijn chaperonne, een van een beroemde Franse regisseur geleende kosmopoliet die al overal op de wereld heeft gewoond, was prettig gezelschap: ze was er wel en ze was er niet. Mijn leesbril, visitekaartje, tekstrol en meer van dat spul dat je als schrijver mee moet nemen als het podium wacht, konden gemakkelijk in haar tas, zodat ik niet met van die uitpuilende zakken hoefde te lopen.

Ik had Frans Lopulalan gevraagd om ook te komen. Zijn uiterlijk verbaasde me toen we hem op het station van Haarlem troffen. Die hoed droeg hij jaren terug al, maar ditmaal zat er haar onder. Echt haar! Dus niet meer die geschoren kop a la James Moody maar nu reversed. Als je de koppen van Frans Lopulalan en James Moody niet kent, laat dan maar zitten, zo belangrijk is dit nou ook weer niet.

Ik had de uitgever al ge-sms’t (wat een spelling hè tegenwoordig, het is werkelijk niet te geloven – welke idioot in, zeg, China, zou het nog in zijn hoofd halen om zoiets als Nederlands te gaan studeren?) dat we er aankwamen (dus niet eraan kwamen), maar de man nam niet op en de telefoon op de uitgeverij bleek later onder een paar omgevallen dozen met boeken terecht te zijn gekomen, zodat Frans, mijn chaperonne en ik maar besloten te gaan lopen. Hierop waren wij voorbereid. Ik had een routekaart van Google Maps met uitgebreide routebeschrijving uitgeprint, terwijl Frans dezelfde beschrijving met ganzenveer had overgepend op een stuk perkament, dat een verre voorouder ten tijde van de VOC nog van een Belanda had gesnaaid voor hij die de kop afhakte om er soep van te trekken.

Zoals ik al zei heeft mijn chaperonne al overal op de wereld gewoond. Soms is dat lastig wanneer je naast haar over straat loopt. Want ze kijkt links en rechts naar allerlei mooie grachtenhuisjes waar ze eventueel wel een week of vijf zou willen vertoeven. Dus Frans en ik begonnen ook om ons heen kijken in dat Haarlemse gat van bijkans niks en niemendal. En zo misten we de afslag naar een steeg; mijn chaperonne wenst namelijk niet in een steeg te wonen. Om een lang verhaal kort te maken: na een dwaaltocht van een half uur wierpen we onze A4-tjes en perkamentrollen maar in een gracht en vroegen aan een paar autochtonen (Batavieren in H&M-kleding) de weg naar de Lange Herenvest. Daar aangekomen bleek onze uitgever net de auto te hebben gepakt om Peter van Dongen, die overigens heel mooi auto’s kan tekenen, van het station Haarlem af te halen. Lucky Peter van Dongen.

In het Mondiaal Centrum troffen we verder Glenn Pennock. Die waren we al zo’n jaar of twintig kwijt, dus dat werd elkaar omhelzen. Niet huilen, want wij zijn Indo’s en huilen doe je alleen bij een repatriëring. Glenn bleek tien jaar in Amerika te hebben gezeten, in Los Angeles natuurlijk, maar als gitarist… Nou dacht ik dat hij een pencak silat meester was die elk jaar op Madura in een kuil met giftige schorpioenen ging zitten mediteren, maar dat was in een vorig leven. In een leven dáár weer voor had hij het conservatorium doorlopen, dus hij was geen jochie die op zijn veertigste dacht: kom, ik ga nog maar eens wat gitaar proberen te spelen. En dat hebben we geweten. Hij speelde prachtig, helaas op een Taylor, met te veel gerinkel, hoogstwaarschijnlijk op Elixir snaren, maar een kniesoor die daar nog op let zodra Pennock zijn kunsten, en performance, vertoont.

Ik moest de avond openen met een kort interview over mijn jongste boek Rivier de Lossie. Het babbelen ging nog wel, maar toen ik een stuk moest voorlezen werd het toch hannesen met mijn leesbril en een microfoon zonder standaard. Ik had me ook helemaal niet voorbereid op voorlezen en bovendien heb ik er een bloedhekel aan. Ik lees mijn teksten alleen hardop tijdens het schrijfproces, om te horen of de muziek door de zinnen klinkt, maar ik vind dat het daar dan ook bij moet blijven.

Toen ik van het podium af was, werd nog een stukje film vertoond van Ernst Jansz, die op mijn boekpresentatie in Den Haag de runnin’ gag The Ferryman’s Daughter van Donovan zong, terwijl hij zichzelf begeleidde op de gitaar. De song haalde het einde niet, want de batterijen van de camera hadden het begeven. Er moet namelijk altijd wel iets misgaan. Maar goed, het was een leuke impressie en het was leuk om Ernst Jansz even te zien zingen, aangezien hij nu, als bandleider, was verhinderd in verband met de voorbereidingen van een tournee van Boudewijn de Groot.

Nu weet ik niet meer wie er na mij kwam: Glenn Pennock of Peter van Dongen, wiens strips allengs de wereld overgaan (het volgende land is Spanje, Indonesië is al geweest om maar wat te noemen). Van Dongen werkt gemiddeld zes jaar aan een stripverhaal en omdat mijn boeken vele versies kennen, zou de interviewer zich later afvragen of dat nou “typisch Indisch” is. Het antwoord luidt uiteraard nee, want er zijn ook Indo’s die hun boeken afraffelen tijdens tournees en snoepreisjes naar congressen, conferenties en dergelijke.

Ik sloot het eerste deel van de avond af met het voorlezen van een polemisch stuk over het naderende CPNB-feestje “Nederland Leest”. Maar ik was niet in vorm en hakkelde te veel naar mijn smaak. Ik had nota bene als voorbereiding het stuk de avond ervoor door mijn zoon aan mij laten voorlezen, zodat ik het terug kon horen. De manier van de muzikant, ja. Mijn zoon las het een stuk beter voor dan ik. Gelukkig staat het binnenkort afgedrukt in Archipel Magazine, compleet met enkele taalslordigheden, die Frans er voor het optreden had uitgehaald, terwijl hij een sjekkie rookte buiten, op een steenworp van het Spaarne.

Het Spaarne stroomt, het Spaarne stroomt voorbij… (mooi lied van Boudewijn de Groot en Lennaert Nijgh):

Na een indrukwekkend muzikaal intermezzo van Glenn Pennock – hij speelde vrolijk door in de pauze – werd een oude film (1988) vertoond van twee schrijvers met elkaar in gesprek: Frans Lopulalan en Ernst Jansz. Die film vormde de aanzet van een afsluitend podiumgesprek, waarvoor ook Frans Lopulalan het podium beklom. Yvon Muskita zat ook in de zaal, maar die wilde zich niet laten verleiden de troep te komen vergezellen.

Na afloop heb ik nog wat boeken gesigneerd. Het mooist was dat een Hollandse man aan kwam zetten met Lalu Ada Burung (2002), de Indonesische vertaling van Vogels rond een vrouw (1991). Hij had het boek in Solo op Java gekocht en zag zijn kans nu schoon er een krabbel in te krijgen.

Voordat we elk ons weegs gingen, vertelde Glenn me nog dat hij me destijds vanuit Amerika een zelfgemaakte kaart had gestuurd, compleet met een routebeschrijving naar waar hij zich bevond, voor mocht ik eens in de buurt zijn. Een kennis van hem had namelijk de aankondiging van mijn bloemlezing Oost-Indische inkt (1998) op het NOS Journaal gezien. De nieuwslezer had gesproken van “teksten vanaf Jan Huygen van Linschoten tot aan Glenn Pennock”.

Ja, ik vond het leuk om het boek te laten beginnen met een vis die in zijn eentje een VOC-schip tegenhoudt en het te laten eindigen met een stuk proza in een soort vissentaal met een eigen idioom. Geen hond die het ziet natuurlijk, maar dat is de lol van mijn schrijven: geheimpjes verstoppen.

Nooit geweten dat dat boek in het NOS Journaal aangekondigd is geweest. Zoiets gebeurt niet vaak. Mijn chaperonne herinnerde zich de uitzending ook nog. En vast die anderen ook, die me nog jarenlang hebben achtervolgd met het verwijt dat ik geen teksten van hun in het boek had opgenomen. Nu begrijp ik de frustratie van die schrijvers eindelijk. Ze hebben het NOS Journaal gemist!

Gut.

Wat erger is… Uitgeverij Contact heeft nooit die mooie kaart en uitnodiging van Glenn Pennock aan mij doorgestuurd…

Enfin, aan het werk nu. De deadline voor mijn volgende novelle ligt op 1 november.

Programmawijziging Indische schrijversavond

gekko Tot zijn, en onze, spijt heeft Ernst zojuist moeten afzeggen voor aanstaande woensdag vanwege een techniekrepetitie in Lochum. Hij had het heel leuk gevonden erbij te zij, al was het maar vanwege de viering van zijn nieuwe editie van De Overkant + cd + dvd. Misschien wordt zijn plaats vervangen door een ander, hoe dan ook: volgens de organisatoren wordt het toch een geweldige avond met zoveel kwaliteit in huis!

Mijn collega’s en ik melden ons om 18.00 uur in het Mondiaal Centrum Haarlem om gezamenlijk Chinees te eten. Chinees eten op een “Indische” avond is wel lollig, in Indonesië eten ze ook vaak Chinees voor of na literaire avonden. Mijn vader, ooit, at alleen maar Chinees buiten de deur in Surabaya, Indisch eten dat deed je immers thuis.

Na het eten spreken we het programma vooraf door en worden er soundchecks gedaan. Het is de bedoeling dat we tijdens ons optreden rond de tafel zitten en dat tijdens het gesprek elke auteur “iets doet”. Mocht Archipel Magazine verschenen zijn, dan lees ik mijn polemisch stuk voor als tegenstem voor het op handen zijnde idiote CPNB-feestje “Nederland leest”.

Natuurlijk komt mijn novelle Rivier de Lossie ook aan bod, wellicht in een interviewvorm met Peter de Rijk. Verder worden er fragmenten vertoond uit de televisieontmoeting tussen Ernst Jansz en Frans Lopulalan anno 1986.

Van Peter van Dongen is beeldmateriaal zien uit zijn strips en hij wordt geïnterviewd de ontstaansgeschiedenis van zijn werk, dat ook in Indonesië bekend is, net als mijn romans Vogels rond een vrouw en De onschuld van een vis.

Glenn Pennock, terug van lang weggeweest, werkt aan nieuwe roman en vertelt erover en leest enkele fragmenten voor. Als entre act speelt hij een of twee nummers op de gitaar. Er staan een paar nummers van Glenn Pennock online, waaronder een nummer samen met de jonge Indo-mondharmonikaspeelster Iris Frikke. In principe wordt de hele avond opgenomen, in elk geval in geluid. In beeld, dat weet ik niet.

AD dumpt literatuur

Mijn redacteur liet me onlangs weten dat het AD de kunstpagina heeft vervangen door een soort gadges pagina. Dat betekent dat ik geen recensies meer zal kunnen schrijven over non-fictie met de blik op Azië. Een droeve tijding dus. Bijgevolg zal een prachtige recensie over Rivier de Lossie in de la blijven liggen. Dat liet een redacteur me weten, die het, als enige, had gelezen. Oh well.

Indische schrijversavond met Alfred Birney, Peter van Dongen, Glenn Pennock en Ernst Jansz

v.l.n.r. Alfred Birney, Peter van Dongen, Glenn Pennock en Ernst Jansz

podium birney podium van dongen

podium pennock podium jansz

Het MCH houdt woendagavond 23 september 20.00 uur haar eerste schrijversavond met als thema «De Indische letteren Oeroeg voorbij». Met dit thema neemt Mondiaal Literair alvast een voorschot op de extra belangstelling voor «Indië» wanneer van 23 oktober tot 20 november de landelijke openbare bibliotheken hun jaarlijkse Nederland Leest-actie houden met als gratis boek voor alle bibliotheekbezoekers Oeroeg van Hella Haase, waarvan de oplage bijna 1 miljoen exemplaren zal bedragen.

Alfred Birney

Peter de Rijk interviewt Alfred Birney over zijn onlangs verschenen novelle Rivier de Lossie, waarin de onbekende ballade The Ferryman’s Daughter van Donovan leitmotief blijkt. Alfred Birney (Den Haag, 1951) is een van de belangrijkste representanten van de zogenaamde tweede generatie Indo-schrijvers, waarvan ook schrijvers als Marion Bloem en Theodor Holman deel uit maken. Birney is onder meer de samensteller van de gezaghebbende bloemlezing Oost-Indische inkt (1998) over 400 jaar Indië in de Nederlandse letteren. Hij werd al in 1996 door Standaard der Letteren (de NRC van België) «het best bewaarde geheim van en de stille kracht in de Nederlandse literatuur» genoemd.

Ernst Jansz en Peter van Dongen

Aan de interviewtafel schuiven verder aan Peter van Dongen, Glenn Pennock en Ernst Jansz. Peter van Dongen (o.a. onderscheiden met de stripschappenning) is schrijver en tekenaar van de stripboeken Rampokan Java en Rampokan Celebes over de nadagen van de Nederlandse aanwezigheid in voormalig Nederlands-Indië. Hij verzorgt ook het artwork voor de romans en cd’s van Ernst Jansz: Molenbeekstraat en De Overkant. Van Dongen laat zijn werk op groot scherm zien.

Van Ernst Jansz wordt de kersverse uitgave van ’de complete’ De Overkant gepresenteerd: roman met fotokaternen + cd + dvd.

Muzikaal intermezzo en televisiebeelden

Glenn Pennock is de schrijver van De weg van de kat en Het vuur van de draak waarin de filosofie van de pencak silat een belangrijke rol speelt. Eind jaren tachtig had hij in Heemstede een sportschool waarin hij lesgaf in deze Indonesische vechtsport. Na omzwervingen in Amerika is hij sinds een paar jaar terug in het Haarlemse en werkt hij aan een nieuwe roman. Evenals Alfred Birney en Ernst Jansz is Glenn Pennock van huis uit professioneel muzikant. Hij neemt zijn gitaar mee en verzorgt een muzikaal intermezzo. Tevens worden fragmenten getoond uit een in 1986 gefilmde ontmoeting tussen Frans Lopulalan en Ernst Jansz over de rol van hun vaders in het Indische gezin, naar aanleiding van hun boeken Onder de sneeuw een Indisch graf en De Overkant.

Mondiaal Literair

Mondiaal Literair is een samenwerking tussen het Mondiaal Centrum Haarlem en Uitgeverij In de Knipscheer. De maandelijkse schrijversavonden van Mondiaal Literair worden thematisch samengesteld, zoveel mogelijk naar aanleiding van recent bij Nederlandse uitgeverijen verschenen of te verschijnen boeken, die inhoudelijk de vaderlandse grens overschrijden. Centraal staat het interview met de auteurs, soms in een gezamenlijk gesprek, soms na elkaar. Uiteraard lezen een of meer schrijvers kort uit eigen werk en signeren zij hun werk na afloop aan de boekentafel. Uitgever Franc Knipscheer is de host van de avond. De interviews worden gehouden door Peter de Rijk.

Woensdag 23 september 20.00 uur
Locatie: MCH, Lange Herenvest 122, 2011 BX Haarlem
De toegang bedraagt 5 euro, koffie en thee inbegrepen

Op vertoon van bibliotheekpasje kunt u gratis één introducé meenemen
Reserveren vooraf is wenselijk: 023 – 542 3540
www.mondiaalcentrumhaarlem.nl

*** Van Alfred Birney worden gratis exemplaren van zijn postkoloniale bundel Yournael van Cyberney uitgedeeld! ***

Runnin gag in Rivier de Lossie

Dit is de runnin’gag in mijn recente novelle Rivier de Lossie. Het nummer is opgenomen in 1966 en op een bootleg (illegale LP) verspreid. Er was één exemplaar verkrijgbaar in Den Haag. Ik kocht het op 1 september 1973 (ik noteerde destijds datums aan de binnenkant van grammofoonplatenhoezen. Het nummer The Ferryman’s Daughter is het enige dat de moeite waard was op de hele langspeelplaat. Het bleef mij in elk geval zo lang bij dat het lied een plaats kreeg in een boek van me.

Hoezo muggen rond Rivier de Lossie?

midge Mijn zusje mailde me:

X en ik wilden eerst naar Rivier de Lossie, maar we lazen op het internet dat het er rond deze tijd stikt van de midgets, waar je hartstikke gek van wordt. Daar heb ik overigens niets van gelezen in jouw boek. Jij zat er toch ook in de zomer? Ik reageer nogal allergisch op insecten dus we kunnen beter een keer in de herfst of het voorjaar gaan, denk ik.

Ik was er rond deze tijd in 1998. Ik herinner ik me geen ene mug. Geen vogels ook. Hier en daar een vis die uit het water opspringt.

Het was koud in Muray. Eén dag was stralend, warm – die dag heb ik gebruikt voor een deel van Rivier de Lossie. Uiteraard heb ik het ook nog even flink laten regenen. Maar echt Schots werd het boek nooit, volgens de recensenten. Eerder mythisch, enfin, lees maar, ik heb nog geen enkele negatieve reactie binnen.

Update: het gaat om de Midge (Culicoides impunctatus), die ik (nog) niet anders kan vertalen dan een mug, of een muggensoort.

Midge Stuff:

http://www.hiking-site.nl/messages/129/129_3212.php

More Midge Stuff:

http://www.lonelyplanet.nl/thorntree/thread.jspa?threadID=1781760&tstart=0

Midge etymology:

http://en.wiktionary.org/wiki/midget