Recensie Kristalman op komst in Indisch Anders

east lente Ik ben geen liefhebber van Multatuli, maar Atte Jongstra vind ik wel amusant. Als Atte Jongstra nou met een boek over Multatuli komt, heb ik dan een probleem? Zijn boek Kristalman; Multatuli-oefeningen is vernoemd naar ‘het kristalmannetje’ uit Multatuli’s Minnebrieven, die door Jongstra ‘Max Havelaar II’ worden genoemd. Het belangrijkste boek dat zijn aandacht krijgt is niet de Max Havelaar, maar Millioenen-studieën. Dát is interessant. Multatuli en Max Havelaar zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Het vervelende is dat de Max Havelaar door veel beroepslezers als de belangrijkste roman over onze Indische geschiedenis wordt aangeprezen. Multatuli zelf was de eerste die klaagde over de eenzijdige aandacht voor juist dat ene boek. Hij wilde zelfs geen schrijver zijn. Maar wat dan wel?

Lees de rest van deze recensie in Indisch Anders. Deze boekenkrant zal verschijnen ongeveer begin mei, wanneer de Tong Tong Fair weer op handen is.

Trio las sombras

Kijk eens hoe ze opkwamen in de jaren vijftig. Gesoigneerd, er gaat nog net geen gordijn open. De zanger en sologitarist kruisen elkaar voor het lied wordt ingezet. Terwijl de zanger zich met een toen nog straffeloze macho mime tot een denkbeeldige schone dame wendt, tovert de sologitarist de brutaalste riedels uit zijn gitaar. Het is vooral hij die mijn aandacht trekt. Hij speelt zo gemakkelijk dat ik er bijna om moet lachen. Als deze muziek door de radio klonk, dan kreeg mijn vader heimwee naar een land waar hij nooit geweest was: Mexico. Hoe hij zich daar het leven voorstelde, weet ik niet. De zon scheen altijd, dat was genoeg voor hem. Ik zag dit trio nooit op de Nederlandse televisie, ik weet zelfs niet of ik ze ooit wel op de radio hoorde, zoals mijn romanheld in Het verloren lied. Het moet haast wel. Ik begroet de heren met een glimlach van herkenning. Zijn ze dood nu? Of heel erg oud? Negen gedaantenverwisselingen onderging het trio in zijn roemruchte bestaan.

Bierviltjesroman

updated: 28-11-2011

logo alfred birney Het Museum Meermanno Westreenianum is het oudste boekenmuseum ter wereld, met een wereldberoemde collectie zeldzame boeken. Mijn officieus prozadebuut De brave mol (1984) ligt er bijvoorbeeld, in een bibliofiele uitgave (75 exemplaren).

Het museum wordt met sluiting bedreigd door de draconische bezuinigingen op cultuur onder het kabinet Rutte. Daarom zet het museum allerlei acties op touw om geld in te zamelen. In Den Haag organiseert het van 20 tot en met 27 november de Week van het Schrift. Op verschillende plaatsen in de stad wordt aandacht gegeven aan de veelzijdigheid van het schrift: van kleitablet tot e-reader, handgeschreven brieven, een demonstratieve tocht, de kunst van het schoonschrijven en… een bierviltjesroman.

Haagse auteurs zullen in vier cafés op de achterkant van bierviltjes in gezamenlijke sessies verhalen schrijven. Het publiek wordt aangemoedigd om actief en creatief aan het schrijfproces deel te nemen. Of de verschillende sessies uiteindelijk een samenhangende roman zullen opleveren, is natuurlijk niet bekend, en ook spannend. Ook kunnen niet alle schrijvers op alle sessies aanwezig zijn en het is tevens mogelijk dat er nog andere schrijvers opduiken, die later zijn opgespoord dan aanvankelijk de bedoeling was.

Deelnemende schrijvers zijn: Sjaak Bral, ondergetekende Alfred Birney, Roel Janssen, Mohana van den Kroonenberg, Marly van Otterloo, Hans Sahar, Anja Sicking en Marcel Verreck.

De schrijfsessies duren ongeveer 2,5 uur en vinden plaats op de volgende locaties:

1. Bodega De Paas. Dunne Bierkade 16a. Zondag 20 november: 16.00 uur (thriller).

bierviltjesroman cafe de paap

Zeven van de acht schrijvers waren aanwezig in Bodega De Paas. De sfeer was hilarisch en het verhaal dat die namiddag ontstond absurd, in de goede zin van het woord. De projectleider van het museum zal de boel later licht redigeren voor een eventuele uitgave in een krant of in een boekje.

2. Perscentrum Nieuwspoort. Lange Poten 10. Donderdag 24 november: 15.00 uur (actuele politiek).

bierviltjesroman alfred birney nieuwspoort

Zes van de acht schrijvers hadden zich afgemeld. Alleen Hans Sahar en ik zouden verschijnen. Maar Hans Sahar kwam niet. De sfeer in Nieuwspoort vond ik niet geweldig, ik ergerde me aan te luid sprekende televisiejournalisten die er rondhingen. Omdat ik als enige schrijver aanwezig was, besloot de projectleider van Meermanno mee te schrijven. AFK nam zijn taak over en typte de teksten van de bierviltjes op een netbook. Eenmaal thuis zag ik op Facebook dat Hans Sahar jarig was…

AFK

3. t Gulle Gasthuis. Oude Molstraat 20b. Vrijdag 25 november: 17.00 uur (doktersroman).

Vandaag waren er vier schrijvers aanwezig, onder wie de heren Marcel Verreck en Sjaak Bral. De sfeer in het bomvolle café, dat ik nog kende als “Het Proeflokaal”, was geweldig, met een meelevend publiek. Het verhaal werd een komische draak van een mini doktersromannetje, dat aan het einde van de sessie door de nachtburgemeester werd voorgelezen. De foto’s die ik maakte met mijn verouderde Nokia zijn mislukt, veel te donker, ze lijken nergens op. Het is wachten op actiefoto’s van allerlei mensen die het deden onweren met hun flitsapparaten in het kleine, gezellige café.

gulle gasthuis

bierviltjes birney bral verreck

4. Bodega De Posthoorn. Lange Voorhout 39a. Zaterdag 26 november: 19.00 uur (Haags literair).

Anja Sicking, Marly van Otterloo, een gastschrijver en ik zaten nogal ongelukkig in een hoekje van het café weggestopt, een situatie waaronder de interactie met het publiek wat te lijden kreeg. We hadden afgesproken om elk steeds één zin te schrijven. Het verhaal begon wat stroef, maar kreeg toch een aardig einde. Het is overigens onmogelijk om in twee uur een puur literair verhaal te schrijven, dat zag je duidelijk aan het tempo dat Anja Sicking en ik er op na houden: veel doorhalingen…

De actie voor Museum Meermanno lijkt te zijn gelukt. Probleem is dat het museum elk jaar zijn financiële doelen zal moeten halen. Het zijn niet in eerste instantie de idiote bezuinigingen van het kabinet die de wereld van de kunsten bedreigen. Het is de brede nationale steun die het krijgt van het onnadenkend publiek, voor wie televisie en internet wel zo ongeveer genoeg is.

Schrijvers vanuit de verdediging

letterenhuis Verleden week vierde het Letterenhuis zijn nieuwe onderkomen met een bescheiden feestje voor het team, schrijvers en nog zo wat lui die eromheen hangen. Het is soms wel aardig om een troep van je collega’s bijeen te zien: nieuwkomers en oudgedienden. Ik herinner me te hebben staan babbelen met Anja Sicking, Mohana van den Kroonenberg, Marian Boyer, Kester Freriks en Nicolaas Matsier. Mijn redacteur liep er ook rond en hij gaf me het advies om vooral de ruimte te nemen in mijn roman-in-wording, omdat ik toch al geserreerd kan schrijven. Alsof hij mijn gedachten las. Gepriegel in novellen, waarin geen enkele zwakke bladzijde mag staan, is een geweldige uitdaging, maar als het verhaal vraagt om een roman dan moet dat maar. Het is lang geleden dat ik aan zo’n omvangrijke klus werkte: Het verloren lied.

In het huidige politieke klimaat krijgen kunstenaars de wind van voren. Het grote publiek denkt inmiddels dat kunstenaars vele miljoenen opslurpen uit de subsidiepot zonder er daadwerkelijk iets tegenover te stellen. Ook schrijvers worden intussen gevonden door subsidiespeurders die met de verbetenheid van wolven achter hun gesubsidieerde werkplekken de jachthoorn blazen. Het jongste tijdschrift van het Nederlands Letterenfonds, een jonge fusie van het Fonds voor de Letteren en het Nederlands Literair Productie- en Vertalingenfonds, slaat dan ook een verdedigende toon aan. Stukken van allerlei schrijvers moeten de onwetenden duidelijk maken waar een schrijver staat, wat een schrijver doet en wat een schrijver betekent voor het land en de taal waarin hij of zij schrijft. Het heeft iets weg van roepen in een woestijn, want welke onverlaat leest zoiets als drukwerk van het Nederlands Letterenfonds? Quotes van buitenlandse uitgevers en schrijvers staan op het omslag, dat wordt gesierd door een oude boom, die zich in tweeën splitst:

“De wereld van het woord en dus de boekenmarkt verandert volop. Veel uitgeverijen van nu produceren en gedragen zich alsof ze deel uitmaken van de ‘entertainmentindustrie’ en niet van de markt van ideeën.” – André Schiffrin.

Mwah, niet bijster fraai neergepend, tamelijk onvolledig ook, maar het is een redelijk statement.

“Ik geloof niet dat de digitale technologie de functie van de uitgever radicaal zal veranderen de komende jaren. De selectieve functie is het hart van ons vak. Ik denk dat het papieren boek en het e-book gedurende een heel lange tijd naast elkaar zullen blijven bestaan, en ik geloof niet dat het papieren boek ooit totaal zal verdwijnen.” Jean Mattern.

Hier is de tweede zin het sterkst. Die gaat over het scheiden van het kaf van het koren. Over de rest valt te discussiëren en of het papieren boek nooit zal verdwijnen, daar heb ik mijn twijfels over. Maar dat heeft natuurlijk niets te maken met de creativiteit van de schrijver.

De mooiste quotes staan binnen in het blad. Arnon Grünberg vraagt zelden direct subsidie aan, maar is collegiaal en slim genoeg om zijn broeders en zusters niet af te vallen, zoals Boudewijn Büch gewoon was te doen. Ook grijpt Arnon Grünberg weer eens zijn kans om Nederland met Duitsland te vergelijken. Dat lijkt een olijke hobby van hem. Op zijn weblog liet hij eens weten dat Duitsers Nederlanders in beleefdheid verre overtreffen. Nou is dat natuurlijk al zo sinds de VOC, sla er de scheepsjournalen van Duitse lieden maar op na. Maar toch een enorme sneer voor de goede verstaander.

Iemand als Cees Nooteboom verbaasde zich eens over het respect die de Amerikanen voor schrijvers tonen: in New York rolden ze een rode loper voor hem uit toen hij eens een literaire prijs kwam ophalen. Hopelijk is hij niet door dat ene voorval zo verschrikkelijk naast zijn schoenen gaan lopen, maar dit terzijde. Gauw terug naar Arnon Grünberg:

“Dit kabinet is in het zadel geholpen door kiezers die zich er niet voor schamen dat ze meer van hun auto houden dan van Goethe. Een Nederlands verschijnsel trouwens, soortgelijke geluiden hoor je zelden in Duitsland. Dat zo veel Nederlanders deze voorkeur hebben, valt te betreuren, maar het is de realiteit. Om Brecht te parafraseren: je kunt het volk wel afschaffen, al zal dat ook in 2011 niet zonder bloedvergieten gaan.”

Nogal gammel geformuleerd, maar de parafrase mag er zijn.

De mooiste quote komt van Marjolijn Februari:

“Nederland hecht een groot belang, een publiek belang, aan schrijvers. Het enige probleem is dat niemand ze wil betalen.”

Uiteindelijk kom je uit op het begrip kwaliteit. Wat is kwaliteit? Wie bepaalt het? Het vervelende is, dat kwaliteit een beleving veroorzaakt die direct met taalgevoel verband houdt. En gevoel is een fenomeen zo ongrijpbaar voor de meeste mensen, dat ze het verwarren met emotie.

vrijdag 23 september 2011

Brief van De Contrabas

Geachte heer Birney,

Beste Alfred,

Laat ik je maar tutoyeren, ook al hebben we elkaar maar één keer ontmoet, vroeger, in Nijmegen. Jij was te gast bij het Literair Café in het inmiddels verdwenen O42 en ik was mederedacteur van een, tsja, literair tijdschrift(je) dat Tristan heette.

Niet lang na je optreden zou je in het laatste nummer van dat blad publiceren, een kort verhaal denk ik, en een medewerker schreef een ‘essay’ over je werk, dat toen uit twee romans bestond. Tristan verdween (gelukkig) en ik verloor je, ergens eind jaren negentig, in literaire zin uit het oog.

de contrabas literair magazine

Daar is onlangs verandering in gekomen. Ik las je drie meest recente novelles (Rivier de Lossie, Rivier de IJssel en Rivier de Brantas), allemaal verschenen bij In De Knipscheer en het boek Yournael van Cyberneylees verder op De Contrabas.

Wat is factie?

logo alfred birney Fictie (van het Engelse fiction) is een term voor teksten ontsproten aan de verbeelding die niet op de realiteit gebaseerd is. Non-fictie heeft betrekking op de werkelijkheid. Met name romans en novelles worden beschouwd als fictie, ook als ze deels op ware feiten berusten. Is het laatste evident, dan spreekt men ook wel van factie (van het Engelse fact). Factie is dus een literair genre waarin feiten en fictie tot een verhaal worden gesmeed.

Een duizelingwekkend gesprek

tekening van kafka Ik had vier dagen geleden een interviewer over de vloer die me met het stellen van enkele simpele vragen dwong af te dalen in gebieden van mijn herinnering waar ik liever niet meer kwam. De interviewer had een duik in mijn hele oeuvre genomen en er de belangrijkste persoonlijke motieven uit gehaald. Ik ben een schrijver die die motieven in dienst van zijn boeken stelt en het liefst met distantie over zijn romanhelden praat. Ditmaal had ik geen verweer en er ontspon zich een uiterst persoonlijk gesprek. Ik verbaasde me over wat er allemaal bij me naar boven kwam en op het moment van dit schrijven verbaas ik me zelfs over wat ik allemaal al geschreven heb.

Het gesprek met de interviewer, die me een “getormenteerd schrijver” noemde, duurde uren. Later bedacht ik dat het wellicht mijn leerzaamste gesprek ooit was met welke journalist dan ook. Ik moest veel aan Kafka denken, ooit een van mijn grote inspirators. Kijk eens naar zijn tekening…

Maar de volgende dag duizelde het letterlijk in mijn hoofd. Ik zeg: letterlijk. Een dag later had ik nog steeds last van duizelingen. Ik ben het internet gaan afzoeken naar oorzaken van duizelingen. Gewapend met een lijstje van aandoeningen bezocht ik mijn huisarts. Mijn bloeddruk was perfect. Met een paar simpele bewegingen probeerde ik de duizeligheid weer op te wekken, maar er gebeurde niets.

Ik vertelde mijn huisarts over het interview. Hij zei dat duizelingwekkende gesprekken bestaan. En hij feliciteerde me met deze les.

Morgen komt een volgende journalist langs, maar alleen om over rivieren te praten… Rivier de Lossie, Rivier de IJssel, Rivier de Brantas. Intussen dient zich een duizelingwekkend aantal verhalen aan die ik nog vertellen moet.

Meewarig neokoloniaal proza van de eerste generatie

leugens en lotgenoten Je hoeft geen Indo te zijn om een Indisch verleden te hebben. Toch bestaat een wezenlijk verschil tussen verhalend proza van Indo-schrijvers en totok-schrijvers, al wordt dat niet altijd gezien. Tjalie Robinson schrijft vanuit de Indo en Hella Haasse kijkt náár de Indo, om maar een pikant voorbeeld te noemen.

Jan Willem Smeets is van de generatie van Yvonne Keuls, F. Springer, Helga Ruebsamen en Paula Gomes. Zijn eerste twee romans verschenen 20 jaar geleden; beeldende kunst is zogezegd zijn hoofdvak. De flaptekst van zijn roman Leugens en lotgenoten (2010) vermeldt dat hij over een “groot stilistisch vermogen” beschikt, maar op de eerste bladzijde bewijst de schrijver al het tegendeel: Hotsebotsend reed ik verder en hield stil voor het huisje van ooit eens gebeitste… Hardleers als deze stilist is, kwakt hij gaandeweg het boek nog meer van dergelijk kinderproza op papier: Hilde dekte rats-boem-knal de tafel

Uitgeverij Ailantus lijkt te bezuinigen op goede redacteuren. Op bladzijde 29 is een niet te missen doublure gewoon blijven staan. Zes bladzijden verder breekt de schrijver impliciet een lans voor verhalend proza als tegenwicht tegen de enorme hoeveelheid non-fictie die over Nederlands-Indië is geschreven. Daar ben ik heel blij mee. Maar meer dan wat clichés over de Hollandse kou, de verdachtenhoek van mensen met een koloniale achtergrond en een strenge opvoeding komt er niet tevoorschijn.

Smeets’ wat meewarige, nonchalante stijl doet soms aan het proza van John Fante denken, maar werkt niet in zijn roman, dat drie hoofdstukken telt, waarin hij aandacht vraagt voor de lotgevallen van totoks. Zijn helden leiden een weinig interessant leven, of ze nou wel of niet in het “jappenkamp” hebben gezeten. Nou hoeven je romanhelden niet direct een spannend leven te leiden, mits je goed schrijft. F. van den Bosch heeft dat stijlvol in zijn kleine oeuvre laten zien.

Het tweede hoofdstuk maakt wel wat goed. Er ontspint zich namelijk gaandeweg een schandaleus verhaal rond een moederfiguur. Jammer genoeg mist de schrijver het vakmanschap van F. Springer om het verhaal werkelijk boeiend te maken. Waar hij wel goed in is, dat zijn de eigen valkuilen die hij in zijn babbelproza graaft. Een voorbeeld:

…maar toen ik merkte dat ik er in hun ogen alleen maar nog vreemder door werd, was ik uiteindelijk maar gaan verwijzen naar Couperus, Dermoût, Du Perron, Székely-Lulofs enzovoort die, zei ik dan, het allemaal heel wat beter hadden beschreven dan ik zou kunnen.

Wat bedoelt de schrijver met “zei ik dan”? Dat hij inmiddels wél zo ver is dat hij zich kan meten met de namen die hij noemt? Stel dat het in verhaaltechnisch en stilistisch opzicht zo zou zijn geweest, dan nog had ik mijn twijfels gehad over de mentaliteit van de verteller van het verhaal. Zijn houding ten opzichte van Indonesiërs is niet bijster sympathiek: “roomservice” blijft “roomservice”, want Smeets is eenvoudigweg te beroerd om van bedienend personeel mensen van vlees en bloed te maken. Op dat punt kan hij zich intussen wel meten met iemand als Székely-Lulofs, die daar ook een handje van had. Kortom, Smeets is wat dat betreft nooit verder gekomen dan zijn kinderjaren, toen Székely-Lulofs op het toppunt van haar roem was. Onbegrijpelijk dat dit soort neokoloniale romans nog wordt uitgegeven.

© 2010 Alfred Birney. Verscheen eerder in Archipel Magazine, jaargang 12, winternummer 2010

Den Haag heeft geen groot ego

logo alfred birney weblog Wanneer CNN het over Nederland heeft, dan wordt de camera op Den Haag gericht. The Hague. Dat is logisch, want Den Haag is, na New York, de tweede VN-stad. Amsterdam en Rotterdam zijn het Sodom en Gomorra van de Lage Landen, men vindt er graag opnieuw het wiel uit in varianten die Den Haag blasé maken. In Den Haag zetelt het juridische geweten van de wereld en aangezien de mensheid naar gewetenloosheid neigt, moeten talloze zaken in de Hofstad worden besproken. Wanneer in de landelijk politiek een schandaal uitbreekt, wijst men met de beschuldigende vinger naar de Residentie en wordt Den Haag een scheldnaam. Dat is geen probleem voor de Hagenaar. Die zet eenvoudig de naam ’s-Gravenhage in de kop van zijn brief en haalt opgelucht adem wanneer ministers en kamerleden de stad weer hebben verlaten in hun bolides, heli’s of pantserwagens.

Nu u al vijf namen voor de stad achter de duinen bent tegengekomen ziet u dat de stad zich lastig laat afficheren. Ooit strekte de beschaafde wereld zich uit van het Scheveningse strand tot aan Huis ten Bosch. Alles wat daar buiten viel heette La Province. Een andere verdeling had letterlijk en figuurlijk meer grond. In de zeventiende eeuw woonden de beter gesitueerden op zandgrond, grofweg van de kust tot aan de Laan van Meerdervoort, overigens de langste laan van West-Europa, terwijl het gewone volk zich op het vochtige veen ophield.

Op het Haagse zand sloeg het de mensen in Benoordenhout flink in de bol: daar moesten halve onsjes vleeswaren onder de deur door worden geschoven en hadden auto’s wel antennes maar geen radio. Mensen met kapsones en verder niks. Schrijvers zaten in Bezuidenhout, een zelfmoordwijk die om schrijven vraagt, en anders wel om schilderen: Vincent van Gogh werkte er, maar stierf er niet. In het centrum ligt, net als in Brussel, een politieke enclave: het zelfbesloten dorp het Binnenhof. Helaas gaat de grootste aandacht van Nederland daarnaar uit. Is dat niet ordinair?

Is het niet belangrijker een televisiewagen naar het Louis Couperus Museum te sturen wanneer de voordeur opnieuw is geschilderd? De Haagse romans van deze schrijver konden alleen bestaan dankzij het kolonialisme, dat honderden Haagse families puissant rijk en de bouw van het Concertgebouw in Amsterdam mogelijk maakte, om maar iets te noemen wat geen sterveling zich meer herinnert. Daarover nadenken geeft een mens inzicht in de geschiedenis.

Goede schrijvers beschikken over historische kennis. Slechte schrijvers niet. Ze zijn slaven van de hype, het snelle geld en kampen al gauw met een writer’s block. Veel schrijvers hebben iets met Den Haag, al is het maar omdat de stad soms wel op een grafzerk lijkt en bijkans schreeuwt om literatuur, kunst en muziek. Elke geboren en getogen Hagenaar heeft een haat-liefdeverhouding met de stad, er woont geen hond die zijn stad met vuur zou verdedigen. Den Haag heeft namelijk geen groot ego. Dat maakt de stad zo transparant, zo invulbaar, zo open voor zelfs zoiets als een tramtunnel, ontsproten aan het brein van een zoon van een schrijver, wat dacht u anders.

Den Haag heeft geen centrum maar kent meerdere centra. Men komt elkaar niet makkelijk tegen, men moet elkaar zoeken. Er zijn geen wandelgangen, de grachten zijn gedempt, er floreren vele subculturen. Kortom, de stad is een anarchie rond een koninklijk paleis dat eigenlijk in Amsterdam had moeten staan. Den Haag is een permanente bouwput, letterlijk en figuurlijk, waar het een komen en gaan is, al heel lang, met aldoor wisselende nationaliteiten, ook al heel lang, terwijl velen denken dat immigratie iets van de laatste tijd is. Daarom wordt onterecht gesproken in termen als de Nederlandse in plaats van de Nederlandstalige literatuur. Den Haag heeft sedert 2005 geen eigen dagblad meer. En ook geen duidelijk literair podium. Inmiddels schrijven alle landelijke dag- en weekbladen over Den Haag, nota bene de derde grootste stad van Nederland. Het is niet chic om je vuile werk door andere steden te laten opknappen, het getuigt veeleer van onverschilligheid. Een trotse stad met de Koninklijke Bibliotheek en het Meermanno Museum maar zonder een literair tijdschrift is al net zo ondenkbaar. Daarvoor kent Den Haag een veel te lange en te rijke literaire traditie. En toch hebben we er geen.

Boekenlijst voor schrijvers in spé

Iemand vroeg me een lijst te maken van voorbeeldige boeken voor een schrijver in spé. Hier is een voorlopige.

Sei Shōnagon – Het hoofdkussenboek (Amsterdam, 1986)
Een van de oudste romans uit de wereldliteratuur (Japan, omstreeks het jaar 1000). Prachtige voorbeelden voor hoe je snapshots neerzet, korte verhalen, anekdotes en columns schrijft en hoe je nowadays zou kunnen bloggen.

Yasunari Kawabata – De danseres van Izu (Amsterdam, 1982)
Eerste, uiterst korte novelle van deze Nobelprijswinnaar. Zeer minimalistisch proza, uit het Japans (1926). Mooi voorbeeld voor een langer verhaal. Let op wat hij weglaat en toch laat zien.

Marguerite Duras – Zomeravond, halfelf (Rijswijk, 1993)
Franse novelle uit 1960 ongeveer. Als je een spannend verhaal wilt schrijven, neem dan drie personen, geen twee. In deze novelle een driehoeksverhouding. Tekst in o.t.t. Erg moeilijk is dat: het lukt of het lukt niet. In de huidige Nederlandse literatuur wordt het al gauw amechtig proza. Let op het minimalistisch taalgebruik.

Samuel Beckett – Verhalen en teksten zomaar (Amsterdam, 1976)
Voorbeeldig proza voor het oefenen van belevend perspectief. Teksten uit 1958 van deze Ierse Nobelprijswinnaar, maar geschreven in het Frans. Hogeschoolschrijverij, zeer goed om ook eens zo te oefenen.

Armando – De straat en het struikgewas (Amsterdam, 1988)
Hoe je een roman schrijft in fragmenten. Absolute aanrader!

Patrick Modiano – Verdaagd verdriet (Amsterdam, 1990)
Vage, ijle sfeer oproepen met eenvoudig taalgebruik. Hoe te schrijven zonder plot.

Simon Vestdijk – Het Veer (Amsterdam, 1972)
Hoe je een novelle schrijft vanuit Google Earth perspectief… Verschrikkelijk knap geschreven, echt subliem. Wereldniveau. Ik weet niet van je hier van kan leren. Het zou kunnen dienen als voorbeeld: zo goed wil ik ook ooit kunnen schrijven!

Franz Kafka – De gedaanteverwisseling (Amsterdam, 1977. Uit: Verzameld Werk)
Hoe je met een ongeloofwaardige gebeurtenis toch een overtuigend verhaal kunt schrijven.

F. van den Bosch – Het regenhuis en andere verhalen (Amsterdam, 1978)
Literair hoog boven anderen uittorenen, zo kun je óók Indische verhalen schrijven. Het hoeft niet allemaal babbelproza te zijn. Het titelverhaal is een fraai voorbeeld van hoe je een langer verhaal kunt schrijven. Let op de slotzin. Die lijkt een beginzin.

Gabriel García Márquez – Honderd jaar eenzaamheid (Amsterdam, 1972)
De kunst van het vertellen… Dit is de roman die elke schrijver wel had willen schrijven. Techniek is moeilijk te doorgronden. Veel levens- en schrijfervaring gewenst. Plus wijsheid en kennis van de geschiedenis.