Verhaal halen bij Alfred Birney

alfred birney In het weekeinde van 25 en 26 september 2010 vindt in Scheveningen en omgeving de derde editie van het tweejaarlijkse proza- en columnistenfestival Verhaal Halen plaats. Vijftig schrijvers en columnisten zullen vier keer per dag voordragen uit eigen werk in vijftig Haagse woonkamers.

De lezingen beginnen op het hele uur, de eerste om 13.00 uur, de tweede om 14:00 uur, de derde om 15:00 uur en de laatste om 16.00 uur. De auteurs lezen ongeveer 25 minuten voor. Daarna is er gelegenheid om met de schrijver van gedachten te wisselen. Elke bijeenkomst duurt maximaal 45 minuten waarna het publiek de gelegenheid heeft naar een volgende locatie te reizen. Zo gevarieerd als de schrijvers zijn, zo divers zijn ook de locaties; van hofjeswoning tot stadspaleis.

Hier is het volledige programma te vinden en alle informatie over organisatie, auteurs, wandelroutes, kaartverkoop en dergelijke.

Alfred Birney zal op zaterdag 25 september voordragen bij een gastvrouw aan de Johan van Oldenbarneveltlaan. Let op: toegangskaarten zijn verplicht.


Grotere kaart weergeven

Het verloren lied 1

radio-antenne Ik hoorde ooit een lied en ben het altijd blijven zoeken. Misschien hoorde ik het op een van die avonden nadat mijn grootvader was vertrokken, ik weet het niet. De laatste keer dat hij scheep ging was aan de vooravond van 1960, in een vreemd huis ergens in de buurt van de haven. We logeerden er rond de jaarwisseling, maar mijn ouders waren uitgegaan. Mijn grootouders hielden de gastheer en gastvrouw beneden gezelschap en ik lag onder een wollen deken op een divan in een halfduistere kamer met om me heen de spookachtige silhouetten van voorwerpen die bij oude mensen hoorden.
     
Een buizenradio verspreidde zijn zachte gele licht. Zijn geruis herinnerde aan een Nederlandse zender die met een sluitingsmelodie van verontrustend eentonige carillonklanken de ether had verlaten. De glazen zenderplaat met zijn toverachtige muizentrappen vol namen van grote radiostations lokte me, maar ik durfde de divan niet af in de vreemde kamer. Ten slotte kwam mijn grootvader boven kijken en zag dat ik nog wakker lag.
     
De man reikte me zijn oude, gebruinde hand en leidde me naar een rookstoel bij het raam. Hij ontstak het schemerlampje op de radio en liet me bij zich op de brede stoelleuning zitten. Achterover geleund fluisterde hij dat ik de laatste uren voor middernacht beslist wakend moest meemaken.
     
Het licht van de radio legde de groeven in zijn gezicht bloot. Men zei dat je kon zien dat hij vaak in de tropen was geweest. De pianist was aan wal geweest, had thuis in Den Haag verlof gevierd, maar hij miste de deining alweer van de zee, de geur van de danszalen op de schepen, het applaus van de passagiers en misschien miste hij nog meer, heel ver overzee.
     
Hij neuriede wat en begon met de knoppen en de toetsen in de grote houten lijst van het radiotoestel te spelen. Ik volgde de kalme bewegingen van zijn tanige vingers. Zijn vingertoppen streelden de ivoren toetsen van de golfbanden met hun confetti van namen en getallen, en hij begon zachtjes te praten. De lange golf noemde hij een lege balzaal, de korte golf een eng doolhof. Ik moest maar op de middengolf zoeken, de brede boulevard. Daar werd het `s avonds druk en spannend en kon je op de zwakste zenders gaan jagen: die waren eigenwijs en brachten je vaak de mooiste muziek. De Nederlandse zenders moest ik overslaan, de buitenlandse waren beter. Als mijn vader eens een wereldontvanger op de kop tikte, wie weet vond ik dan ooit een zender uit een land waar hij, grootvader, toevallig verbleef.
     
Hij zou teruggaan naar Indonesië, voor de laatste keer, al was het land niet meer als toen. Sinds de oorlog was het Indië niet meer, zei hij, de mensen waren niet meer zo gastvrij. Maar hij zou nog één keer gaan, op uitnodiging, en dan nooit meer. Als hij terugkwam zou hij zijn oude koffer vol bladmuziek met tango’s openmaken en er Scheveningen mee gaan veroveren.
     
Hij, grootvader Langenacht, hield van Indië maar droomde van Argentinië. Mocht ik eens een tango op de radio horen, dan moest ik maar aan hem denken.
     
Ik knikte.
     
En wilde ik hem beloven later piano te gaan spelen?
     
Ik knikte weer maar voelde me vreemd ongerust.
     
‘Maak je geen zorgen,’ zei hij, ‘als muzikant ben je nooit alleen, zul jij nooit alleen zijn later. Maar bij de radio kan een mens beter wel alleen zijn.’
     
Hij kwam uit de rookstoel en deed iets wat hij nooit gedaan had: hij kuste me op mijn voorhoofd. Toen ging hij weer naar beneden.
     
Ik voelde me een ingewijde en begon omzichtig met de toetsen te spelen, liet bijna vroom de zenderstaaf dwalen langs de zenderschaal. Soms, tussen twee grote zenders weggedrukt, klonk een lied vol heimwee. Dan bewoog ik de afstemwijzer zachtjes heen en weer om te voorkomen dat de muziek wegstierf en vroeg me af hoe dat lied van toen ook weer had geklonken.
     
Ik was het liefst de hele nacht in de rookstoel blijven zitten, met de geur van grootvader om me heen, maar ik werd weggeroepen van de radio door mijn teruggekeerde ouders van beneden aan de trap.
     
Het grote licht in de huiskamer deed me pijn aan de ogen. Mijn ouders, grootmoeder en de heer en mevrouw des huizes vormden een kring rond de salontafel om te proosten op het nieuwe decennium, de jaren zestig, een getal dat een geheimzinnig aanlokkende klank voor me had.
     
De klok sloeg twaalf en de lucht werd versierd boven de daken van IJmuiden. Een lichtkogel trok een streep tussen de kleurige anemonen en hoepelrokken hoog boven de haven.
     
Ze vroegen me of ik het mooi vond, het geknal en gekanonneer in de verte. Ik knikte maar vroeg me aldoor af of grootvader werkelijk naar bed was gegaan, zoals ze hadden gezegd. Misschien zat hij met zijn oor bij de radio en zou hij dat de hele nacht blijven doen.

Meer lezen over de jaren zestig?
Lees het komende fragment.
Of bestel het boek

Zonnewende

stonehenge Aanstaande nacht is de kortste van het jaar. We vieren de zomerwende niet nationaal. Toch worden op veel plaatsen allerlei kleinschalige feesten georganiseerd, je zou denken dat er behoefte is aan een groot feest. Maar traditie is geen cake die je kunt bakken. Iets ontstaat en komt een jaar later terug en dan weer en weer. Zoals de nieuwjaarsduik in Scheveningen, ooit begonnen door een stelletje ongeregeld en thans uitgegroeid tot een happening die mensen tot uit Amerika en Japan aantrekt. Misschien vieren wij de zomerwende niet omdat Stonehenge in Zuid-West Engeland staat. Ieder jaar vallen de eerste stralen van de opkomende zon op 21 juni precies op de reusachtige Heel Stone. De megalieten in hun magische constellatie worden al eeuwenlang geclaimd door druïden, die geloven dat Merlijn ze tevoorschijn heeft getoverd. Daar ligt het antwoord op de vraag waarom wij de zomerwende niet nationaal vieren. De kerk wil er gewoon niets van weten. Nou sta ik niet direct te trappelen om me tussen de zweefkousen te begeven die de nacht van 20 op 21 juni te Stonehenge doorbrengen met hun wichelroedes, trommels, doedelzakken, heksendansen, wilde seks rond kampvuren en wat al niet meer. Allen wachten op de druïden: oude mannen, veelal bebaard en gestoken in witte gewaden, met minimaal twintig jaar studie van wiskunde, fysica, astronomie, filosofie en geneeskunde achter zich. Ze bestaan al langer dan de christenen, die het momenteel flink aan de stok hebben met de islamieten. Is het geen straf om daar als brave heiden tussen te moeten zitten?

Nieuwjaarsrondje

hat logo meneer b Na een solitaire oudejaarsavond was ik wat vroeger naar bed gegaan om op tijd te kunnen zijn als toeschouwer van de 39e nieuwjaarsduik in Scheveningen (als grap begonnen in 1965). Maar er was ruzie op straat, mensen werden emotioneel en schreeuwden elkaar allerlei verwensingen naar het hoofd. Opgestaan, appelflap gegeten, een slaappil met een blikje cola naar binnen gespoeld. Halfelf werd ik wakker, maar het regende als een godsgericht. Ik heb me lekker omgedraaid en sliep een gat in de dag. De zon scheen toen ik op mijn fiets stapte, ik zag veel joggers en renners, veel lachende gezichten. Een stroom van bezoekers verliet juist het Huis van Bewaring toen ik er langs fietste, het fietspad in de duinen werd ingepikt door automobilisten die ook alle asfalt claimen wanneer ze wandelen. Ik sloeg linksaf richting boulevard en kreeg de wind vol van voren. Mijn hartslag bleef rustig, ik denk dat ik in het voorjaar wel op de racefiets kan. In mijn klim omhoog op de Scheveningse Slag werd ik door een windvlaag bijna van mijn fiets gerukt. Ik liep het laatste stuk omhoog. De zee was wild. Het enige dat herinnerde aan de nieuwjaarsduik waren een enorme tent en touringcars uit diverse landen. Eén kitesurfer waagde zich op zee. Fietsend over de boulevard met de zon en de wind op mijn snoet prevelde ik mijn eigen mantra op de beat van Thug Mansion van 2PAC: cycling for peace in my heart, cycling for peace in my heart, cycling for peace…

Heer, de kudde doolt

hat logo meneer b Heer, de kudde doolt, is danig in de war heer, ze denkt dat het zaterdag is, net als ikzelf gisteren dacht dat het zaterdag was, heer. In plaats van na de kerkgang vroom achter de geraniums te gaan zitten heer, de vitrages zedig gedrapeerd in zeikerige symmetrie, gaat de kudde zich te buiten aan snacken, cracken en nog iets dat op acken eindigt, maar dat kan ik zo gauw even niet verzinnen heer. Automobilisten keren midden op kruispunten spontaan om, misschien omdat ze opeens beseffen dat het kerst is en geen zaterdag, heer. Het aantal trimmers is niet te tellen heer, eentje snauwde een fietser bijkans het fietspad af heer, zo’n type buldog dat net van zijn alcoholverslaving af is, heer. Voor het overige allemaal lui die voor de City-Pier-City Loop trainen, dat zie je zo, heer. Ik had verwacht overal ongehinderd door te kunnen fietsen heer, en dat alle stoplichten op knipogen zouden staan vanwege matheid, saaiheid en verveling op deze eerste kerstdag. Ik was even vergeten dat de voltallige westerse wereld overal terroristische aanslagen verwacht van een club die door de yankees uit de koker is getoverd, heer. Die stoplichten veroorzaken een file van het Huis van Bewaring tot Scheveningen heer, waar het verkeer vaststaat en mensen hun auto’s uitkomen om met elkaar op de vuist te gaan! En dan zit de kudde nog niet eens aan de kalkoen, heer! Plus: morgen is er een tweede kerstdag, heer. Waarom, waarom moet u zo nodig twee dagen hebben, heer?

Mistige trivialiteiten

hat logo meneer b In tegenstelling tot gisteren had ik een pro-mistige dag. Dat wil zeggen: de mist hinderde mij in het geheel niet tijdens mijn verplicht rondje fietsen. Zelfs de kou viel mee. Ik moet hierbij wel aantekenen dat de kwaliteit van de mist een stuk hoger lag dan gisteren. Veel zin om een uur te gaan fietsen had ik overigens niet. Het viel me al zwaar mijn bed uit te komen. Pas toen ik mijn zoon hoorde roepen (in werkelijkheid fluisterde hij, ik haat immers geroep bij het ontwaken) dat hij met een vriendje naar het plein ging, besloot ik maar eens op te staan. Na het ontbijt klom ik als een dweil op mijn fiets. Ik permitteer mij uiteraard elke ontsnapping wanneer iets me werkelijk begint tegen te staan. Meer dan het afsnijden van twee fietspaden werd het niet. Voor de afwisseling besloot ik nu eens langs de noordkant van het Huis van Bewaring te fietsen. Ik kreeg visioenen van de voormalige Berlijnse Muur, een afschuwelijk beeld (anders dan de Chinese Muur). Ik schakelde in de zwaarste versnelling en sprintte er voorbij. Gelukkig was het monsterlijke Scheveningen in mist gehuld. Opvallend was het groot aantal mensen op de boulevard. Ze beletten mij het uitzicht op een serene mistige zee. De vishandel in de haven was gesloten, dus ik fietste naar mijn buurt terug om er bij de Egyptenaar zalm of makreel te halen. Het werd voorgebakken rode poon, dit met het oog op eventuele mee-eters. Bij een Turk kocht ik een komkommer van een buitengewone afmeting plus kerstcola. Kerstcola is coca cola verpakt in blikjes waarop de kerstman staat afgebeeld. Zoals Google haar kerstversie opluistert met tamelijk infantiele kangoeroes, waarvan de betekenis me volledig ontgaat. Enfin, het is een voordeel in een multiculturele buurt te wonen. De Egyptische visboer is op beide kerstdagen open, evenals op oudejaardag en nieuwjaarsdag. Ik zie nu tot mijn verbazing dat het vandaag geen zaterdag maar zondag is. Verstrooidheid kan een zegen zijn. Als de mist aanhoudt, dan zullen het weekend plus de kerstdagen bij elkaar opgeteld één dag vormen. Dat zal mijn kersthaat stellig verzachten.

Helden sterven niet

hat logo meneer b Waarom houdt de dood van een zangeres u zo uit uw slaap? Of is het de maan die bijna vol is? Ik denk niet dat het u past sentimenteel te worden vanwege het verscheiden van Mariska Veres. U moet onderhand wel wat kunnen hebben na al degenen die u ontvielen. Is het zo erg om dood te gaan? Nee? Nou dan! O, was Mariska Veres uw held, toen u nog een jongen was en met een stuk of 20 leeftijdgenoten een of ander obscuur internaatje in Scheveningen bewoonde? Ja, ze zag er sexy uit op een platenhoes: een suède hesje met rijgveters die haar boezem streelden. Een kop met haar nog voller dan eendagsvlieg Bojoura. Mariska had kapsones, niet? Dat zeiden de jongens althans, wanneer ze haar eens ergens hadden zien lopen. Als je meer dan 35 jaar later de filmbeelden bekijkt van toen, zie je een jong verlegen meisje staan. Iemand van Hongaars-Frans-Russische komaf: een pré-allochtoon. Latere filmbeelden tonen een gezette dame die van alles zingt, tot en met Hongaarse liederen toe. Hield u misschien van haar, omdat ze een échte muzikante was? Wat? Gaat het helemaal niet om de persoon Mariska Veres? Het jaar 1969 dan? Dat akelige jaar van de Haan, waarin u zoiets als uw jeugd verloor? Als dat het is, wordt het dan onderhand geen tijd de boel eens te vergeten? Nee? Hoezo? Omdat alles nu nog erger is? Meneer B., pardon, met uw welnemen… Helden sterven niet. Of is dat geloof u wellicht ontvallen?

Anticipatie

hat logo meneer b Het weer lijkt op een vroege lente. Ik spring op mijn fiets, richting Watertoren. De mensen gedragen zich anders dan normaal, net als de ganzen die vanwege het extreem zachte weer niet aan de grote trek willen beginnen. Het wemelt van de wandelaars, joggers, renners, mountainbikers en nordic walkers in de duinen. Wanneer ik het gedrocht Scheveningen binnen fiets, staat er zowaar een file. Dat wordt oppassen, want op een zondag als deze claimen automobilisten straat, stoep én fietspad, onverschillig of ze zich in of buiten hun milieuvervuilende auto’s bevinden. Op de boulevard begint mijn dagelijkse inspanningstest. Met de wind pal van voren leg ik mijn duimen over mijn stuurpen, duik in elkaar en leg mezelf een zo hoog mogelijke pedaalomwenteling op. Ik hoor gehijg van andere fietsers in mijn rug. Het verbaast me dat ze me niet inhalen. Laten zij zich door een hartpatiënt uit de wind zetten? Wanneer ik bij de haven afsla en achterom kijk, zie ik dat vier fietsers mijn kielzog hadden gekozen. Ze zijn jong, één rijdt zelfs op een mountainbike. Dit geeft hoop voor de toekomst… Nou ja, voor mij dan. Gisteravond aan tafel sprak ik met mijn bijna 14-jarige zoon over de vergiftigde Russische ex-spion. Via de radioactieve stof polonium 10, die hem velde, kwamen we op het milieu. Ik noemde het jaar 2050. ‘Dan draag ik een gasmasker,’ zei mijn zoon. Ik vroeg hem of dat beeld soms door leraren op zijn school was geschetst. ‘Nee,’ zei hij, ‘dit denk ik zelf.’

Schrijvers kennen geen pensioen

hat logo meneer b De herfst wil maar niet vallen. Niet slecht voor wie dagelijks verplicht een uurtje moet fietsen in het kader van zijn revalidatie. Gisteren viel het me zwaar, psychisch, en ik jakkerde mijn retourtje boulevard dan ook haastig af, voor zo ver ik met mijn conditie van jakkeren kan spreken. Maar vandaag had ik er wel zin in, ik trok een wijde boog via de watertoren en dook het architectonische gedrocht genaamd Scheveningen in, waar tussen de flipperkasten ergens een Kurhaus schijnt te staan. Achter een geasfalteerd stuk duin, scherprechter voor revaliderende trimmers (krijg je hier geen hartinfarct, dan kun je nog wel een weekje mee), lag de zee, de grijsbruine zee. De zee was sloom, vertoonde nauwelijks golfslag. Ook wandelaars op de boulevard waren sloom, en de honden op het strand, de hele middag was sloom. Ik dook met mijn fiets het havengebied in, at een slome haring tussen bedelende meeuwen – wat heb ik een gruwelijke hekel aan die beesten, ik zou ze het liefst naar Siberië sturen – en fietste van verveling maar weer terug naar de boulevard. Daar stortte ik opeens in. Een tegenvaller. Ik had mijn krachten overschat. Kijken naar de zee op een bankje is een aardig alternatief, als maar niet aldoor gepensioneerde vergrijzende generatiegenoten als manke meeuwen langslopen en mijn uitzicht bederven. Wat moet het afschuwelijk zijn om op zo’n manier van je oude dag te genieten. Wij schrijvers kennen geen pensioen, wij schrijven tot we erbij neervallen. Louis Paul Boon stierf in het harnas. Mooi.

De zee

hat logo meneer b Slechte nacht. De wind beukt tegen mijn slaapkamerraam. Te lang achter mijn laptop zitten surfen. Ik droom onrustig, word vaak wakker. Ten slotte kom ik in een speelfilm terecht, waarin ik een achtervolger dood moet schieten. Mijn revolver werkt. Nu zit ik levenslang gevangen in een betonnen labyrint. De dag is nog niet aangebroken wanneer ik zwetend wakker word en uit mijn bed vlucht. Sinds de aanval op mijn hart mogen sigaretten mij niet meer kalmeren. Dan maar een kartonnetje sojadrank. Wat een ordinaire speelfilm! Stellig een erfenis van het ziekenhuis, waar ik ’s avonds veel in de televisiezaal rondhing. Ik heb me trouwens vergist laatst. Het is niet zo dat ik helemaal niet heb gelezen in het ziekenhuis. Ik heb het geprobeerd. De drie musketiers van Alexandre Dumas. Kijken of ik nog een jongen was. Nee. Het hoofdkussenboek van Sei Shônagon. Paste niet in de omgeving. Iemand nam een bundel mee van artikelen die Marguerite Duras ooit uit broodnood in kranten publiceerde. Ik slaagde erin twee korte aanklachten uit te lezen. Marguerite Duras beschrijft racistische taferelen rond Algerijnen in het Parijs anno 1957. Dat is bijna een halve eeuw voordat ik iets vergelijkbaars schrijf rond Marokkanen in Den Haag. Ik las ooit in een andere pocket met geselecteerde stukken van Marguerite Duras, dat zij graag urenlang naar de zee keek in Den Haag. Ze zal Scheveningen hebben bedoeld. Ik zie ernaar uit. Als ik naar de zee kijk, dan denk ik niet. Niet denken geeft een gevoel van welzijn.