Dat ook vertalers niet alles begrijpen wat ze lezen, blijkt wel uit een voetnoot van Ivan Morris, die Het hoofdkussenboek van Sei Shōnagon uit het Japans naar het Engels vertaalde. De Nederlandse vertaling is helaas een vertaling uit het Engels. Men kan de Japanse schrijfster van duizend jaar terug niet minder onrecht doen dan haar werk op zo’n manier te laten verkrachten. Er zullen ongetwijfeld veel nuances uit de oorspronkelijke tekst verloren zijn gegaan, maar er is nog altijd genoeg over om van te genieten. Ik herlees het boek meestal in de zomermaanden, in de zon op mijn balkon, wanneer er tenminste geen knalharde muziek van buren door de straat galmt. (Wanneer richt men eens een audiopolitie op, die zulke lawaaischoppers hun apparaat afnemen na één of twee waarschuwingen? Ik dacht dat in Amsterdam al zoiets bestond, maar zeker weten doe ik dat niet.) Sei Shōnagon schrijft in haar 31e notitie dat in de zevende maand er vaak een harde wind staat en er zware stortbuien vallen. Quote: Als het zulk weer is, knap ik graag een uiltje nadat ik me heb toegedekt met kleren die vagelijk naar zweet ruiken. De vertaler laat in een voetnoot weten dat hij dat een merkwaardige opmerking vindt in het licht van Shōnagons gewoonlijke kieskeurigheid. Een logische verklaring is volgens hem niet voorhanden. Begrijpt hij dan niet dat tijdens zulke weersomstandigheden het moeilijker is voor minnaars om langs te komen en dat Sei Shōnagon zich daarom troost met de herinnering die in haar kleding is gaan zitten?
Tagarchief: schrijfster
Indisch Anders
De jaarlijkse Pasar Malam Besar is op handen, ik zie het aan de bedrijvigheid in de keuken van mijn achterburen een straat verderop. Ze hebben de keuken in een uitbouw achter één van de huizen, die al langer dan een eeuw meegaan. Ooit woonde een familielid van me in die straat. Verder terug in de tijd liet de romanschrijfster Dé-lilah in haar debuutroman Gecompromitteerd (1897) haar heldin er een poosje bivakkeren. Men hield er toen nog huisbedienden op na. Thans zijn de huizen veelal opgesplitst in appartementen. Ik denk dat men toen alle parterres van een uitbouw is gaan voorzien, zeker weten doe ik dat niet. Ze zien er uit als veredelde schuren, er zijn mensen die erin slapen. Maar mijn Chinees-Indische buren gebruiken de uitbouw alleen om te koken, en dan éénmaal per jaar gedurende enkele weken. Dat gaat dag en nacht door en ik weet na acht, negen jaar niet altijd niet wat er nou precies gebakken wordt. Dat het voor een toko op de Pasar Malam Besar is, staat buiten kijf. In het begin slenterde er nog een oude man rond, die om de haverklap door zijn vrouw met de mattenklopper naar binnen werd gejaagd. Toen hij was verdwenen had ze het rijk voor zich alleen, maar ik zie haar nu ook niet meer, misschien ligt ze op sterven of is ze al dood. Het gaat nu heel hard met de Indische mensen van het eerste uur, het lijkt wel alsof ze het leven uit rennen. Inmiddels doet onze – tweede – generatie nog haar best de Indische cultuur dynamisch te houden, zoals met het uitbrengen van de jaarlijkse boekenkrant Indisch Anders. Ik bespreek hierin Theodor Holmans nieuwste roman Tjon. De krant is gratis in toko’s, kiosks en dergelijke verkrijgbaar.
Klimaat
Een briljante, om niet te zeggen geniale conclusie van de Verenigde Naties (een internationaal team van wetenschappers, onder wie leden van het KNMI) luidt dat de mensheid een onmiskenbare invloed heeft op het klimaat. Ik sta werkelijk paf. Dit had de eerste de beste boerenkinkel met een half slaperig oog op televisiebeelden van eindeloze files toch niet kunnen bedenken. Quote: Het skitoerisme kan zware schade oplopen door de stijgende temperaturen. Nog maar eens: Het skitoerisme kan zware schade oplopen door de stijgende temperaturen. Nog een keer? Het skitoerisme kan zware schade oplopen… Hier wordt dus niet gezegd dat het skitoerisme debet is aan de verzieking van het milieu (uitgebreid kappen van bossen om skipistes aan te kunnen leggen), nee de boel wordt omgedraaid door dat internationaal team van wetenschappers. Enfin, men komt ergens samen, babbelt wat en keert huiswaarts met het vliegtuig, dat in de toekomst vast ook wel in zwaar weer terecht zal komen. Ooit zei Marguerite Duras dat ze toevallig geniaal was, maar dat ze er onderhand wel aan gewend was geraakt. Het klonk wat arrogant van deze briljante schrijfster, maar de boodschap was duidelijk: ook een intelligent mens leert mettertijd leven tussen de kudde suffe idioten die zich dagelijks laaft aan televisie, televisie en televisie. Ikzelf bevind me nog in de fase van worsteling, al moet ik toegeven dat ik al heel wat verdraagzamer ben dan enkele jaren geleden. Ik ben zelfs al bijna zo ver het de mensen te vergeven dat ze zo ongelooflijk stompzinnig zijn. Ze kunnen het immers niet helpen.
Wat alsnog bezorgd gaat worden
De Gids, een van de oudste literaire en algemeen culturele tijdschriften ter wereld, bereidt een themanummer voor over Indische schrijfsters. Mij is om een bijdrage gevraagd, maar mijn hoofd staat er momenteel niet naar om met bijvoorbeeld een giftig essay te komen in de richting van een schrijfster als Augusta de Wit, van wie haar novelle Orpheus in de dessa (1903) meer dan een halve eeuw de boekenlijsten op de middelbare scholen ontsierde door ongehinderd de Indo als uiterst verdacht creatuur af te schilderen, wat tot talloze vooroordelen onder jonge lezers heeft geleid, met alle gevolgen van dien. Wetenschapper Olf Praamstra deed enkele jaren terug nog een stompzinnige poging om dit verachtelijke boek op de lijsten terug te krijgen, maar zelfs de brandstapel heeft geen interesse. Dezelfde wetenschapper speelde me ooit een brief toe, die hij vond tijdens zijn werkzaamheden aan zijn proefschrift over Conrad Busken Huet. Het is een brief uit Nederlands-Indië van de vrouw van Busken Huet aan de zuster van Potgieter… mede oprichter van De Gids in 1837. De brief is geschreven in 1875, denkelijk vlak na de dood van Potgieter. Pikant in de brief is een roddel van Anne Busken Huet aan Sophie Potgieter over mijn overgrootmoeder Rabina, een Oost-Javaanse vrouw, die in dat jaar naar Nederland zou komen. De toon balanceert op de grens van racisme en algemeen dédain. Als achterkleinzoon grijp ik mijn kans en bezorg de brief in een artikel voor een tijdschrift, waar het een eeuw geleden ongetwijfeld de open haard zou hebben gevonden. Ik leg de brief nu in een bedje van biografische en historische confetti en neem de tijd tot eind van deze maand, waar de deadline ligt.
Memory Lane (1)
Bij toeval (in zoverre: ongezocht) kwam ik Patrick Modiano weer op het spoor via een log onder de intrigerende titel Babelfish Bernlef vertaalt Modiano. De schrijfster van het weblog toont zich een zeldzame kenner van zijn werk. Ze noemt boektitels die ik helemaal niet ken. Ik verloor Modiano uit het oog na de roman Verdaagd verdriet, een vertaling uit 1990. Modiano zei eens in een interview dat hij moeite had een regelmatig leven te leiden, na een uur schrijven al moe was en dan ging lopen dolen door de stad. Zijn Nederlandse vertalingen zijn inmiddels ook gaan dolen, afgeschrikt door de ratels van de aan de beursgangziekte lijdende literaire uitgevers. Misschien dat ik hem daardoor uit het oog ben verloren.
Ik herlas zijn geïllustreerde novelle Memory Lane. Ik kreeg het 20 jaar terug voor mijn 35e verjaardag, een half jaar voor mijn debuut als romancier. Memory Lane is het lijfliedje van een groepje dat ooit uiteen zal vallen. Volgens de verteller ging het liedje over paarden die bij zonsopgang voorbijkomen maar niet terug zullen keren… De bladmuziek die ik ergens opsnorde, toont een tekst over een geliefde die niet terug zal keren. Wie weet had de Amerikaan een eigen versie van het liedje gemaakt? Hij heette Doug en zou worden getroffen door een hartaanval, waarna hij besloot terug te gaan naar zijn geboortestreek. Ik was hem allang vergeten. Maar nu ik weet wat een hartaanval is, zijn mijn ogen heel lang blijven hangen boven de zinnen die Modiano aan Doug wijdde.
Italiaanse schoonheid (1)
Vandaag had ik mijn, onderhand jaarlijkse, en zinloze, lunch met de hoofdredacteur van een zieltogend tijdschrift dat met moeite 1.500 abonnees haalt. Plaats van ontmoeting: een terras vlak bij mijn huis om de hoek. Het was er bijzonder druk, misschien door de mediterraanse overkapping, die de hitte op dat middaguur enigszins draaglijk maakte. Een beroemd schrijfster zat er met haar schare te lunchen; ik negeerde haar, vanwege een akkefietje dat ze ooit met mij begon omdat ik, willens en wetens, had verzuimd iets van haar beroerde werk in een bloemlezing op te nemen. Naast ons tafeltje kwam een stel zitten van achter in de twintig, dat aanvankelijk Engels sprak, maar later Italiaans. De vrouw, lichtblond, zonnebril, droeg een stijlvol, perfect zittende gedecolleteerde jurk. De onbestemde kleur deed haar blanke huid zacht lijken, om te belikken, heel zachtjes in te bijten. Vol was haar boezem, haar enkels rank. Ik was overigens weer levendig en fris, de drift tot discussiëren was terug, helaas kwam mijn tafelgenoot niet verder dan wat obligaat gezwets. De jongeman naast ons vroeg me opeens in het Nederlands om een asbak. Vanaf het moment dat ik hem die aanreikte, merkte ik dat hij herhaaldelijk schielijk naar me omkeek. Ik had niet direct in de gaten dat zijn partners ogen, die vermoedelijk Italiaanse was, aldoor naar mij afdwaalde. Het leek lang geleden dat een mooie vrouw werkelijk belangstelling voor me toonde. En andersom. Deze vrouw bekoorde me zeer, was in staat mijn viriliteit op te jagen. Passie. Drug. Medicijn.
Bloemlezen
Als er één boek is waar ik liever niet mijn naam op had zien staan, dan is het wel de bloemlezing Oost-Indische inkt; 400 jaar Indië in de Nederlandse letteren. Ik heb dat geval vijf jaar geleden gefabriceerd in een periode dat ik geld nodig had om mijn huur en zo te kunnen betalen. Mijn uitgever wilde me financieel helpen, mits ik die onzalige bloemleesklus aannam. Ik begon enthousiast, kon mijn koelkast weer vullen en hoefde niet steeds de stad door om ergens bij vrienden te gaan eten. Dat bloemlezen begon met drie maanden gevangenisstraf binnen de bunkermuren van de Koninklijke Bibliotheek en werd verlengd met een strijd met een wankelmoedige redacteur op de uitgeverij, wie de zoveelste bloemleeskloon voor ogen stond: Multatuli’s klaagzang getiteld Saïdjah en Adinda, wat Oeroeg-stuff van Hella Haasse, een beetje petjoh van Tjalie Robinson en nog zo wat voordehandliggends. Ik wilde eens iets anders, een verkapt kettingverhaal van prozafragmenten rond het wel en wee van de Indo en maakte mijn prozakeuze daaraan ondergeschikt. Mijn voorwoord zou de lezer het een en ander verduidelijken. Mijn redacteur werd hysterisch toen ik zei dat ik die egotripper van Multatuli niet kon gebruiken en ging toen op vakantie na mij te hebben opgezadeld met een eindredacteur die inderhaast van de Libelle was ingehuurd om mijn bloemlezing persklaar te maken. Uiteindelijk telde ik nauwkeurig het aantal woorden en stuurde de koerier met mijn stapel kopieën naar Amsterdam. De interim eindredacteur kon niet tellen en meldde me dat de kopij te veel was. Nadat ik teksten had weggesmeten kreeg ik te horen dat het achteraf gezien toch wel in orde was. Maar er was geen tijd meer om wederom met een fietstas vol kwartjes naar de kopieerinrichting terug te gaan: de boel moest naar de drukker, het boek zou en moest in oktober op de markt komen. Sinterklaas, weet u wel. Na uitgave zette de uitgever de turbo op de p.r. en mocht ik aan suffe journalisten gaan uitleggen hoe Nederland zijn koloniale literatuur veronachtzaamde. De pers, met een referentiekader van een gordel van smaragd met wat palmen onder een blauwe hemel, geloofde het allemaal wel. Vervolgens kwam het peloton van zogenoemde Indische literatuurkenners aan fietsen. ‘Waarom staat die schrijver er in en waarom die niet?’ Antwoord: ‘lees het voorwoord.’ ‘Ja, maar een voorwoord lees je toch niet?’ Dat dus. Inmiddels werd ik belaagd door schrijvers die er niet in stonden, terwijl een volslagen onbekende Indische schrijfster die er wél in stond mij met een proces dreigde omdat de uitgever te laat was met haar contract. Enfin, aan bloemlezen valt weinig eer te behalen. Ik krijg nu nog vragen van lezers die hun favorieten missen. Die lezer houdt niet van het avontuur, maar wil bevestiging van de eigen smaak. Zou-ie willen bloemlezen?
Haagsche Courant, vrijdag 6 juni 2003
Kassian
Kassian. Dat zeggen Indische mensen als ze medelijden met iemand hebben. In het onderhavige geval mijn kassian met Bouke Jagt, voor wie een In Memoriam verscheen in de HC van 4 mei jl. Nu blijkt de man helemaal niet dood te zijn. Waar hij uithangt, is niet bekend. Het gerucht wil dat Bouke Jagt zelf de rouwadvertentie in de krant heeft laten plaatsen, opdat hij ‘een lange reis’ kon maken om een gevangenisstraf te ontlopen die hem boven het hoofd hing naar aanleiding van een zedendelict. Men denkt aan een grap. Ik niet.
Wie is Bouke Jagt? Dat vroeg ik me af toen ik bij het samenstellen van de bloemlezing ‘Oost-Indische inkt’ een prozafragment van deze schrijver wilde opnemen. Bert Paasman, buitengewoon hoogleraar aan de UVA, schreef me dat er een kinderboekenauteur is met de naam Bouke Jagt én een schrijver, dichter, advocaat Bouke B. Jagt, geboren in 1944 te Bandoeng, Java. De in de HC van gisteren geciteerde rouwadvertentie vermeldt echter dat hij in 1942 geboren is te Padang, Sumatra. De schrijver nam nooit de moeite mij een rectificatie te sturen voor de kennelijk onjuiste informatie in mijn bloemlezing.
Bouke Jagt is héél even op de presentatie van ‘Oost-Indische inkt’ gesignaleerd bij boekhandel Van Stockum. Het was in de herfst van 1998. Schrijfster Paula Gomes vertelde me dat hij schichtig kon zijn. Volgens de HC van gisteren draait het in zijn boeken ‘meer dan eens om seksualiteit’. Volgens mijn eigen leeservaring vooral om de gewelddadigheden tijdens de oorlog in Nederlands-Indië. Vandaar mijn kassian.
Haagsche Courant, woensdag 29 mei 2002