In 2003 ontving ik van het Letterenfonds een subsidie voor het schrijven van een essay over koloniale literatuur. Vanwege ziekte in de periode 2006 – 2009 liep de voortgang van het boek ernstige vertraging op. Thans leg ik de laatste loodjes aan het boek, dat vele stadia heeft afgelegd. Boven het manuscript staat “9e versie”, dus dat zegt al genoeg. Ik heb er een slordige vijf jaar aan gewerkt. Laatst ben ik speciaal van Facebook afgegaan om ongestoord te kunnen werken, want, zoals u weet, social media leiden schrijvers van hun werk af. De commentaren van redacteur Jim Rotteveel, duizendpoot Esther Wils, Tjalie-biograaf Wim Willems en redacteur Koos van den Kerkhof heb ik in etappes verwerkt. Ik ben nu bijna zo ver dat ik het uiteindelijke manuscript, tellende ruim 58.000 woorden, kan inleveren en even kan gaan uitrusten. Nog een laatste check en het boek kan in productie. Als het productieschema geen tegenwind te verduren krijgt, zal het boek in april op de markt verschijnen.
Wilt u op de hoogte worden gehouden, abonneert u zich dan op dit weblog door op het rss-icoon (voorbeeld hiernaast) te clicken bovenin uw browser.
Tagarchief: schrijven
Sura & Baya
De vernissage van de foto-expositie van Fabio-Romano del Castelletto in de Maldoror Galerie, Den Haag was gezellig rommelig. Het viel me niet mee mijn tekst aan te brengen op de scrolls. Mensen darren om je heen, spreken je aan, je legt je pen neer en verliest dan soms je concentratie.
Fabio-Romano del Castelletto had een speciale stift voor me klaargelegd waarmee ik mijn tekst – Sura & Baya – geïnspireerd op zijn fotoseries, op het fotopapier moest schrijven. Ik gebruikte een speciale handschoen om het glanzende papier niet te bevlekken.
De vernissage kon worden gevolgd via livestream.com. Kijkers vroegen me per chat wat ik schreef. Zo kwam ik ertoe het eerste deel van mijn tekst voor te lezen. Ik was er niet op voorbereid, dus vlekkeloos ging dat niet, maar voor een indruk van de tekst volstaat het hopelijk.
De beeldend kunstenaar Marian Zult maakte opnamen en toen ik eenmaal thuis was, stond er al een impressie op YouTube. Op het filmpje is ook de Chinese kalligrafist te zien, die een andere fotoserie van teksten en stempels voorzag. Verder de fotograaf die met de galeriehouder de scrolls ophangt. De Turkse schrijver Murat Tuncel, verantwoordelijk voor een derde scroll, was afwezig.
De tentoonstelling loopt tot eind november en is te bezoeken op alle zaterdagen van 13:30 – 17:30 uur. Voor een bezoek op een andere dag en een ander tijdstip, mail: maldoror.com@gmail.com
Maldoror Galerie, Wagenstraat 104B, Chinatown, Den Haag.
Schrijvers vanuit de verdediging
Verleden week vierde het Letterenhuis zijn nieuwe onderkomen met een bescheiden feestje voor het team, schrijvers en nog zo wat lui die eromheen hangen. Het is soms wel aardig om een troep van je collega’s bijeen te zien: nieuwkomers en oudgedienden. Ik herinner me te hebben staan babbelen met Anja Sicking, Mohana van den Kroonenberg, Marian Boyer, Kester Freriks en Nicolaas Matsier. Mijn redacteur liep er ook rond en hij gaf me het advies om vooral de ruimte te nemen in mijn roman-in-wording, omdat ik toch al geserreerd kan schrijven. Alsof hij mijn gedachten las. Gepriegel in novellen, waarin geen enkele zwakke bladzijde mag staan, is een geweldige uitdaging, maar als het verhaal vraagt om een roman dan moet dat maar. Het is lang geleden dat ik aan zo’n omvangrijke klus werkte: Het verloren lied.
In het huidige politieke klimaat krijgen kunstenaars de wind van voren. Het grote publiek denkt inmiddels dat kunstenaars vele miljoenen opslurpen uit de subsidiepot zonder er daadwerkelijk iets tegenover te stellen. Ook schrijvers worden intussen gevonden door subsidiespeurders die met de verbetenheid van wolven achter hun gesubsidieerde werkplekken de jachthoorn blazen. Het jongste tijdschrift van het Nederlands Letterenfonds, een jonge fusie van het Fonds voor de Letteren en het Nederlands Literair Productie- en Vertalingenfonds, slaat dan ook een verdedigende toon aan. Stukken van allerlei schrijvers moeten de onwetenden duidelijk maken waar een schrijver staat, wat een schrijver doet en wat een schrijver betekent voor het land en de taal waarin hij of zij schrijft. Het heeft iets weg van roepen in een woestijn, want welke onverlaat leest zoiets als drukwerk van het Nederlands Letterenfonds? Quotes van buitenlandse uitgevers en schrijvers staan op het omslag, dat wordt gesierd door een oude boom, die zich in tweeën splitst:
“De wereld van het woord en dus de boekenmarkt verandert volop. Veel uitgeverijen van nu produceren en gedragen zich alsof ze deel uitmaken van de ‘entertainmentindustrie’ en niet van de markt van ideeën.” – André Schiffrin.
Mwah, niet bijster fraai neergepend, tamelijk onvolledig ook, maar het is een redelijk statement.
“Ik geloof niet dat de digitale technologie de functie van de uitgever radicaal zal veranderen de komende jaren. De selectieve functie is het hart van ons vak. Ik denk dat het papieren boek en het e-book gedurende een heel lange tijd naast elkaar zullen blijven bestaan, en ik geloof niet dat het papieren boek ooit totaal zal verdwijnen.” Jean Mattern.
Hier is de tweede zin het sterkst. Die gaat over het scheiden van het kaf van het koren. Over de rest valt te discussiëren en of het papieren boek nooit zal verdwijnen, daar heb ik mijn twijfels over. Maar dat heeft natuurlijk niets te maken met de creativiteit van de schrijver.
De mooiste quotes staan binnen in het blad. Arnon Grünberg vraagt zelden direct subsidie aan, maar is collegiaal en slim genoeg om zijn broeders en zusters niet af te vallen, zoals Boudewijn Büch gewoon was te doen. Ook grijpt Arnon Grünberg weer eens zijn kans om Nederland met Duitsland te vergelijken. Dat lijkt een olijke hobby van hem. Op zijn weblog liet hij eens weten dat Duitsers Nederlanders in beleefdheid verre overtreffen. Nou is dat natuurlijk al zo sinds de VOC, sla er de scheepsjournalen van Duitse lieden maar op na. Maar toch een enorme sneer voor de goede verstaander.
Iemand als Cees Nooteboom verbaasde zich eens over het respect die de Amerikanen voor schrijvers tonen: in New York rolden ze een rode loper voor hem uit toen hij eens een literaire prijs kwam ophalen. Hopelijk is hij niet door dat ene voorval zo verschrikkelijk naast zijn schoenen gaan lopen, maar dit terzijde. Gauw terug naar Arnon Grünberg:
“Dit kabinet is in het zadel geholpen door kiezers die zich er niet voor schamen dat ze meer van hun auto houden dan van Goethe. Een Nederlands verschijnsel trouwens, soortgelijke geluiden hoor je zelden in Duitsland. Dat zo veel Nederlanders deze voorkeur hebben, valt te betreuren, maar het is de realiteit. Om Brecht te parafraseren: je kunt het volk wel afschaffen, al zal dat ook in 2011 niet zonder bloedvergieten gaan.”
Nogal gammel geformuleerd, maar de parafrase mag er zijn.
De mooiste quote komt van Marjolijn Februari:
“Nederland hecht een groot belang, een publiek belang, aan schrijvers. Het enige probleem is dat niemand ze wil betalen.”
Uiteindelijk kom je uit op het begrip kwaliteit. Wat is kwaliteit? Wie bepaalt het? Het vervelende is, dat kwaliteit een beleving veroorzaakt die direct met taalgevoel verband houdt. En gevoel is een fenomeen zo ongrijpbaar voor de meeste mensen, dat ze het verwarren met emotie.
vrijdag 23 september 2011
Raamvertelling in de middag
Het kleine Maliestraatje loopt van de Denneweg naar het Smidswater en is een perfecte locatie voor een moord in een ouderwetse zwart-witfilm of stripverhaal uit het genre crime noir. Voor het middagprogramma heeft de organisatie een souterrain als cachot uitgekozen voor drie schrijvers, die elkaar afwisselen: Gerbrand Bakker, Gustaaf Peek en ik. Maar eerst is er een podiumvraaggesprek in Theater Branoul. Mijn gastheren zijn Christiaan Weijts en Kees ’t Hart. Er zit een enorm verschil tussen geïnterviewd worden door een journalist, een presentator of een schrijver. Het gesprek gaat al gauw over het vak zelf. Kees ’t Hart is goed op de hoogte van mijn Rivierentrilogie en duikt met mij in de werkwijze en composities van de novellen. Ik vertel hem dat Rivier de Lossie fluistert en dat het verhaal dat dus ook doet. Rivier de IJssel zingt en daarom zingt het verhaal in contrapunt. Rivier de Brantas is een spiralerende rivier die hier en daar is verzand en zijn geschiedenis als het ware heeft verstopt. En zo is het gelijknamige boek. Christiaan Weijts en Kees ’t Hart willen weten of ik dat écht zo bewust heb gedaan. Jazeker, is het antwoord. En hun lichte verbazing verbaast en amuseert me tegelijk.
Na het vraaggesprek wandel ik wat rond in de Maliestraat. Aan het begin van de straat is een podium dwars opgesteld, waar singer songwriters elkaar afwisselen. Ik moet terugdenken aan halverwege de jaren zeventig, toen ikzelf als singer songwriter optrad maar er weinig publiek was: men wilde rock & roll… Ik breng een bezoek aan Gerbrand Bakker. Hij houdt zich in het souterrain bezig met het werken aan een tekst op zijn laptop en het roken van zware shag. Hij is een ochtendschrijver, vertelt hij me. Daar zijn er meer van, zoals Doeschka Meijsing. Dat type staat op, neemt een ontbijt en zet zich onmiddellijk aan het schrijven. Ikzelf doe dat alleen in de tropen (lees: Indonesië). In Holland duik ik de nacht in voor rust achter mijn schrijftafel.
[portfolio_slideshow]
Gustaaf Peek lost Gerbrand Bakker af. Hij heeft een mechanische schrijfmachine meegenomen en typt haiku’s. Het is jammer dat de organisatie geen poster met onze namen aan de gevel heeft gehangen, zodat het publiek kan zien wie er zit en dat er gelegenheid is voor vragen stellen. Mij is een lijk beloofd van een mooie jonge vrouw, maar als ik de kelder in moet, ligt er geen lijk. Ik verzoek dus om een lijk. De organisatie gaat naarstig op zoek naar een actrice, die even later voor lijk het trapje wordt afgedragen. De ruimte in de kelder is te klein, vanwege het bureautje en de snuisterijen, om haar neer te leggen. Dus er wordt besloten de vrouw op de trap te leggen. Ze speelt haar rol goed, ze ligt volkomen ontspannen en zegt helemaal niets. Uiteraard trekt ze veel aandacht. Via de microfoon onderhoud ik het publiek en lees hardop voor wat ik inderhaast met mijn vulpen op papier zet (de tekst staat in de vorige posting). Dit optreden is een gimmick, uiteraard, want schrijven doe je zonder bespied te worden. Er komen zelfs ambulancebroeders aanlopen om vast te stellen of de dame op de trap dood is. Ze is dood. Echt. Mijn gimmick valt in het water wanneer er iets misgaat met de microfoon en het lijk wordt weggehaald.
Maar dan komen er nieuwsgierige kinderen op de trap zitten. Ze vragen me waar de vrouw is die er zonet lag. Ik zeg: “Ga haar maar zoeken.” Ze keren onverrichte zake terug en gaan nu zelf maar voor lijkje spelen. Ik neem foto’s van ze en lees de haiku’s voor van Gustaaf Peek, die de schrijver in propjes op straat heeft achtergelaten en door de kinderen gevonden zijn.
Later zie ik het lijk, gespeeld door Sofieke de Kater, na haar wederopstanding breeduit lachend een biertje staan drinken in de brede deuropening van iets dat op een hotel lijkt. Boven haar hoofd zwaait een raam open: een dichteres laar haar poëzie door het straatje schallen.
Een dergelijk literair festival zou elk seizoen gehouden moeten worden.
Raamvertelling – schrijven in het cachot
Ze hebben me op een voor mij onzalig uur van mijn bed gelicht en me in dit cachot gevangen gezet. Achter een draad dat onder elektrische hoogspanning staat, loopt een arduinen trap omhoog naar de straat, waar zich een mensenmenigte heeft gevormd. Een vrouw in een shirt met zebramotief proost op de dood van een dame die levenloos op de trap ligt. Naast haar staat een jongeman te grijnzen met een biertje in zijn hand. Volgens mij kan hij niet wachten op het moment dat ik aan de galg boven het Smidswater bungel. Een giechelende verslaggeefster maakt aldoor foto’s van het lijk van een naar het zich laat aanzien bijzonder mooie vrouw. Wie zou zo idioot zijn zo’n schoonheid om zeep te helpen? Ik. Daar word ik althans van verdacht. Als ik over de hoogspanningsdraad zou reiken, kon ik haar aanraken… Ze draagt gympen van het merk Cars, paarse sokken en afgestroopte beenwarmers. Verder een maillot van een onbestemde kleur onder een kort rokje met bloemmotief. Op haar ranke bovenlijf draagt ze een wollig truitje, haar haren golven over de stoeprand, terwijl op straat de mensen zich aan haar verlustigen. De zwarte raven die me hebben opgepakt zinspeelden op een lustmoord mijnerzijds. Ik ben hier neergezet om een verweerschrift te schrijven, maar in het gemompel van de mensen klinkt reeds mijn veroordeling. Als ze wisten met welke romancier ze van doen hadden, dan was het ze wel overduidelijk geweest dat ik liever iets anders met deze dame had gedaan dan haar zo bruut te vermoorden. Hoewel… ik herinner me dat ik ooit een verhaal schre…
De onbekende moeder
Papier is het veiligst. Het enige gevaar is een flinke brand, dan ben je alles kwijt. Maar je hebt geen last van computervirussen, vergissingen met het opslaan van je gegevens en diefstal als je online werkt, zoals in the cloud. Als ik er niet meer ben, zal alles in the cloud plaatsvinden en de roman zal deels door robots vervaardigd worden.
Gisteren vond ik een klein manuscript terug van 49 bladzijden. Het is uitgetypt op een Olympia Traveller de Luxe en gedateerd 8/9 maart 1986. De tekst is dus nog van voor mijn debuut Tamara’s lunapark. Het is het verhaal van mijn moeder tijdens de oorlogsjaren in Brabant, hoe ze met mijn vader op Java is gaan corresponderen, hoe ze hem in 1950 ontmoette en wat er allemaal plaatsvond tijdens de maanden voor mijn geboorte in Den Haag.
Ik herinner me dat ik op een weekend met een cassetterecorder naar Helmond afreisde om haar een interview af te nemen. De cassettebandjes zal ik ook nog wel ergens hebben liggen. Maar het belangrijkste zal ik er toen wel al hebben uitgehaald. Bovendien wordt de boel gefictionaliseerd, want wat heeft de lezer nou aan droge feiten.
De vondst komt me goed uit. Mijn moeder speelt zelden een rol in mijn werk tot nu toe, maar als kindvrouw kan ze een aardig tegenwicht bieden tegen de vaderfiguur, aan wie ik voor het laatst aandacht zal schenken in een roman (waar ik net aan ben begonnen) en daarna nooit meer.
Ik ben begonnen met schrijven na een periode van enorme verveling. Ik ruimde mijn pc op, gooide kladjes weg, foto’s, muziekbestanden, films, overbodige programma’s – ik overwoog zelfs om weer terug te gaan naar pen en papier. Misschien dat ik dat alsnog doe.
Geen idee wanneer dit boek klaar zal zijn. Met de enorme berg aantekeningen van mijn vader en fragmenten van eigen hand zou het best een dikke pil kunnen worden. Toen ik de Rivieren-novellen schreef, dacht ik dat ik met dat genre nog wel een poosje uit de voeten kon. Alsmaar schrappen van overbodige tekst is me gaan vervelen, zoals alles gaat vervelen. Schrappen begon bijna een neurose te worden. Spreektaal begint nu mijn aandacht te krijgen. Ik gebruikte het al eens in verhalen uit de bundel Fantasia.
De koplamp, nieuw verhaal in Moesson
Voor het augustusnummer heeft Moesson een nieuw verhaal van me opgenomen, met de ietwat nietszeggende titel De koplamp. Hoewel de titel de lading dekt, had ik het verhaal liever De meteoriet genoemd, maar ik was te laat om de titel te laten veranderen. Dat is natuurlijk geen ramp, het kan later altijd nog, als ik mijn verhalen laat bundelen. Of ik dat werkelijk ooit ga doen, weet ik niet; het kan evengoed dat ik al mijn losse proza bewerk in een nieuw mozaïek, waarin de oorspronkelijke verhalen een heel ander geluid krijgen. Ik weet het nog niet, mijn creativiteit lijkt soms grenzeloos, wat nogal hinderlijk kan zijn.
Nog voordat ik het blad in mijn brievenbus had, ging het gerucht van mijn nieuwe verhaal Facebook al over, waar ik for the time being terug ben. Ik las de commentaren en vroeg me af of de mensen nog wel weten wat fictie is. Non-fictie is wat mij betreft een plaag geworden met al die boeken van bekende Nederlanders en buitenlandse hot shots uit de showbizz. Ook blogs op het internet worden vrijwel altijd letterlijk genomen: pure fictie op het internet is vrijwel onmogelijk, tenzij je sprookjes schrijft.
Ik schrijf bij voorkeur vanuit de herinnering. Zodra je dat doet, worden feiten vanzelf fictie: je giet alles immers in een verhaal. Dat sommige gebeurtenissen levensecht overkomen, wil nog niet zeggen dat ze ook precies zo zijn voorgevallen. Ik weet het: schrijvers klagen altijd over de eeuwige vraag of dat wat ze schrijven nou allemaal wel echt gebeurd is.
Vanwaar die klacht?
Nou, een serieuze schrijver zet niet alles in één keer op papier. Versie na versie is nodig om een goed verhaal te krijgen. Het lijkt wel alsof mensen aldoor minder van de kunst van het schrijven kunnen genieten. Dat ze alleen maar een verhaal willen en geen interesse hebben in hoe het is verteld. En toch: als het leest alsof het geen moeite heeft gekost, dan is het goed.
Ik ben benieuwd hoe schrijfkunst zich verder zal ontwikkelen. Mijn grootste nachtmerrie is dat op zekere dag Google met een ‘levensechte’ roman komt, geschreven door robots die ‘het materiaal’ jarenlang van websites hebben gestolen. Uiteraad bestaat er een nog grotere nachtmerrie: dat de mensen dat robotproza geweldig vinden…
Schrijven aan een essaybundel

Alfred Birney is bezig aan de voltooiing van een essaybundel. Het boek wordt in het voorjaar van 2012 verwacht. Geconcentreerd werken maakt de schrijver a-sociaal en lastig te bereiken. Hopelijk heeft u wat geduld als u antwoord op een e-mail verwacht. Dank u!
Update 1 september 2011: het werk is inmiddels voltooid. De schrijver keert terug naar de fictie.
Sexy woordinflatie
Een greep uit 4.360.000 resultaten op Google:
Het Van Abbe moet meer sexy worden. Qurius moet meer sexy worden. Tijdens het openingsdebat werd gesproken over het meer sexy maken van het onderhoudsvak. ICT moet weer sexy worden. Je moet opleiden, coachen, groeien als mens én als professioneel aantrekkelijker maken, meer sexy. Wij laten zien waarom de langdurige zorg wel sexy is. Over het algemeen boek ik alleen de vrouwelijke, de wat meer sexy opdrachten. Wanneer is iets te sexy. Sexy boeken kopen bij Selexyz. Single & Sexy is een boek dat zeker niet mag ontbreken in je strandtas! Echt sexy van Renate Dorrestein, een boek dat je echt moet lezen. Is onze maatschappij echt te sexy geworden? Twitter is sexy? Tweetbot is een nieuwe Twitter-applicatie voor de iPhone en iPod touch, met een bijzondere interface. Maar geen is zo sexy als de nieuwe Asus 1008HE. Volkswagen lanceerde de sexy New Beetle. Binnenshuis kan alles natuurlijk wel een tikje meer sexy! En van wie het wel wat meer sexy mag. De bedoeling van een galajurk is toch wel dat je er sexy uitziet. Is het nodig dat de kerk meer sexy wordt? Een lastig thema? Maak sexy reclame. Welkom op de site van een creatief, bevlogen en sexy elftal. WK-tweets Zuid-Afrika: geen sexy voetbal meer. Vrouwen die van voetbal houden zijn sexy. De krant halen met sexy projecten is daarom niet voldoende. Roken is niet meer sexy. Journalistiek is niet sexy meer. Dat was met cabaret zo, met mijn studie en met de reclame, maar van al die dingen is schrijven voor mij toch het meest sexy. En dan denk ik weer: waarom moet het sexy? Het Fries is gewoon niet sexy. Wandelen in het zand, sexy, vakantie. Kan erotiek in literatuur nog wel sexy zijn? Koken is sexy! Ik ben altijd van mening dat een merk sexy moet zijn. Duurzaam geproduceerde mode die ook nog eens hartstikke hip en sexy is. Is je merk wel sexy genoeg voor Social Media? Maar een beetje meer initiatief vinden de meeste mannen al sexy. Is ecologisch sexy? Slimme mannen zijn sexy, zo blijkt uit onderzoek naar de relatie tussen intelligentie en vruchtbaarheid. Jongens die hockey spelen zijn sexy is lid geworden van Facebook. Pizza eten kan zo sexy zijn. Saai is het nieuwe sexy. Etc. Etc.
Een duizelingwekkend gesprek
Ik had vier dagen geleden een interviewer over de vloer die me met het stellen van enkele simpele vragen dwong af te dalen in gebieden van mijn herinnering waar ik liever niet meer kwam. De interviewer had een duik in mijn hele oeuvre genomen en er de belangrijkste persoonlijke motieven uit gehaald. Ik ben een schrijver die die motieven in dienst van zijn boeken stelt en het liefst met distantie over zijn romanhelden praat. Ditmaal had ik geen verweer en er ontspon zich een uiterst persoonlijk gesprek. Ik verbaasde me over wat er allemaal bij me naar boven kwam en op het moment van dit schrijven verbaas ik me zelfs over wat ik allemaal al geschreven heb.
Het gesprek met de interviewer, die me een “getormenteerd schrijver” noemde, duurde uren. Later bedacht ik dat het wellicht mijn leerzaamste gesprek ooit was met welke journalist dan ook. Ik moest veel aan Kafka denken, ooit een van mijn grote inspirators. Kijk eens naar zijn tekening…
Maar de volgende dag duizelde het letterlijk in mijn hoofd. Ik zeg: letterlijk. Een dag later had ik nog steeds last van duizelingen. Ik ben het internet gaan afzoeken naar oorzaken van duizelingen. Gewapend met een lijstje van aandoeningen bezocht ik mijn huisarts. Mijn bloeddruk was perfect. Met een paar simpele bewegingen probeerde ik de duizeligheid weer op te wekken, maar er gebeurde niets.
Ik vertelde mijn huisarts over het interview. Hij zei dat duizelingwekkende gesprekken bestaan. En hij feliciteerde me met deze les.
Morgen komt een volgende journalist langs, maar alleen om over rivieren te praten… Rivier de Lossie, Rivier de IJssel, Rivier de Brantas. Intussen dient zich een duizelingwekkend aantal verhalen aan die ik nog vertellen moet.

