Waar een blog al niet goed voor is… Ik had nog maar net geschreven dat er weinig dommers bestaat dan je lievelingsboeken uitlenen of ik kreeg een e-mail van degene die het in bezit had. Die wilde het wel terug komen brengen, maar ik had haast en ben het gaan halen. De reden dat ik Sei Shōnagon’s Hoofdkussenboek zo nodig heb is natuurlijk niet de ellende die momenteel over Japan komt met aardbevingen, tsunami’s en een dreigende vérstrekkende ramp met kerncentrales. En ook niet vanwege een link tussen mijn jongste boek Rivier de Brantas en Japan. Het is gewoon het weer. Als de zon schijnt en ik zit op balkon, dan wil ik in het Hoofdkussenboek lezen. Sei Shōnagon was de eerste blogger van de mensheid (ja, ik overdrijf) en dat deed ze zonder muis en toetsenbord. Ze bezat, zoals elke hofdame, notitieboeken en bewaarde die in het laatje van haar houten hoofdsteun. Ze heeft een scherpe pen, kan erg spotziek en dweepziek zijn en komt nogal ijdel en opschepperig over. Ze beweert dat ze haar “krabbels” louter voor eigen plezier heeft geschreven, maar ik verdenk haar ervan dat ze haar hoofdkussenboek gewoon een keer heeft laten rondslingeren. Haar laatste zin – Wat men ook van mijn boek moge denken, ik betreur het nog altijd dat het aan het licht is gekomen. – neem ik dan ook niet serieus. Met haar schitterende observaties brengt ze het feodale Japan van 1000 jaar terug tot leven: een samenleving die heel wat overzichtelijker was dan, zeg, Nederland anno 2000. Ze laat ook zien dat het gedoe tussen mannen en vrouwen nauwelijks is veranderd. Het belangrijkst is dat ze me op een of andere manier inspireert tot schrijven. Zaken die ik niet op mijn weblog zet en tot nog toe nooit in boekvorm heb laten uitgeven. Want dát is het werkelijke schrijven: niet denken aan publiceren; dat zit je alleen maar in de weg. Wie weet schrijf ik ooit nog haar laatste zin over: Wat men ook van mijn boek moge denken, ik betreur het nog altijd dat het aan het licht is gekomen.
Tagarchief: schrijven
Jaag geen roem na

Een hoogst enkele keer verschijnt er een tekst op mijn scheurkalender die er werkelijk toe doet… Te veel mensen (willen) schrijven met het doel beroemd te worden.
Den Haag heeft geen groot ego
Wanneer CNN het over Nederland heeft, dan wordt de camera op Den Haag gericht. The Hague. Dat is logisch, want Den Haag is, na New York, de tweede VN-stad. Amsterdam en Rotterdam zijn het Sodom en Gomorra van de Lage Landen, men vindt er graag opnieuw het wiel uit in varianten die Den Haag blasé maken. In Den Haag zetelt het juridische geweten van de wereld en aangezien de mensheid naar gewetenloosheid neigt, moeten talloze zaken in de Hofstad worden besproken. Wanneer in de landelijk politiek een schandaal uitbreekt, wijst men met de beschuldigende vinger naar de Residentie en wordt Den Haag een scheldnaam. Dat is geen probleem voor de Hagenaar. Die zet eenvoudig de naam ’s-Gravenhage in de kop van zijn brief en haalt opgelucht adem wanneer ministers en kamerleden de stad weer hebben verlaten in hun bolides, heli’s of pantserwagens.
Nu u al vijf namen voor de stad achter de duinen bent tegengekomen ziet u dat de stad zich lastig laat afficheren. Ooit strekte de beschaafde wereld zich uit van het Scheveningse strand tot aan Huis ten Bosch. Alles wat daar buiten viel heette La Province. Een andere verdeling had letterlijk en figuurlijk meer grond. In de zeventiende eeuw woonden de beter gesitueerden op zandgrond, grofweg van de kust tot aan de Laan van Meerdervoort, overigens de langste laan van West-Europa, terwijl het gewone volk zich op het vochtige veen ophield.
Op het Haagse zand sloeg het de mensen in Benoordenhout flink in de bol: daar moesten halve onsjes vleeswaren onder de deur door worden geschoven en hadden auto’s wel antennes maar geen radio. Mensen met kapsones en verder niks. Schrijvers zaten in Bezuidenhout, een zelfmoordwijk die om schrijven vraagt, en anders wel om schilderen: Vincent van Gogh werkte er, maar stierf er niet. In het centrum ligt, net als in Brussel, een politieke enclave: het zelfbesloten dorp het Binnenhof. Helaas gaat de grootste aandacht van Nederland daarnaar uit. Is dat niet ordinair?
Is het niet belangrijker een televisiewagen naar het Louis Couperus Museum te sturen wanneer de voordeur opnieuw is geschilderd? De Haagse romans van deze schrijver konden alleen bestaan dankzij het kolonialisme, dat honderden Haagse families puissant rijk en de bouw van het Concertgebouw in Amsterdam mogelijk maakte, om maar iets te noemen wat geen sterveling zich meer herinnert. Daarover nadenken geeft een mens inzicht in de geschiedenis.
Goede schrijvers beschikken over historische kennis. Slechte schrijvers niet. Ze zijn slaven van de hype, het snelle geld en kampen al gauw met een writer’s block. Veel schrijvers hebben iets met Den Haag, al is het maar omdat de stad soms wel op een grafzerk lijkt en bijkans schreeuwt om literatuur, kunst en muziek. Elke geboren en getogen Hagenaar heeft een haat-liefdeverhouding met de stad, er woont geen hond die zijn stad met vuur zou verdedigen. Den Haag heeft namelijk geen groot ego. Dat maakt de stad zo transparant, zo invulbaar, zo open voor zelfs zoiets als een tramtunnel, ontsproten aan het brein van een zoon van een schrijver, wat dacht u anders.
Den Haag heeft geen centrum maar kent meerdere centra. Men komt elkaar niet makkelijk tegen, men moet elkaar zoeken. Er zijn geen wandelgangen, de grachten zijn gedempt, er floreren vele subculturen. Kortom, de stad is een anarchie rond een koninklijk paleis dat eigenlijk in Amsterdam had moeten staan. Den Haag is een permanente bouwput, letterlijk en figuurlijk, waar het een komen en gaan is, al heel lang, met aldoor wisselende nationaliteiten, ook al heel lang, terwijl velen denken dat immigratie iets van de laatste tijd is. Daarom wordt onterecht gesproken in termen als de Nederlandse in plaats van de Nederlandstalige literatuur. Den Haag heeft sedert 2005 geen eigen dagblad meer. En ook geen duidelijk literair podium. Inmiddels schrijven alle landelijke dag- en weekbladen over Den Haag, nota bene de derde grootste stad van Nederland. Het is niet chic om je vuile werk door andere steden te laten opknappen, het getuigt veeleer van onverschilligheid. Een trotse stad met de Koninklijke Bibliotheek en het Meermanno Museum maar zonder een literair tijdschrift is al net zo ondenkbaar. Daarvoor kent Den Haag een veel te lange en te rijke literaire traditie. En toch hebben we er geen.
Boekenlijst voor schrijvers in spé
Iemand vroeg me een lijst te maken van voorbeeldige boeken voor een schrijver in spé. Hier is een voorlopige.
Sei Shōnagon – Het hoofdkussenboek (Amsterdam, 1986)
Een van de oudste romans uit de wereldliteratuur (Japan, omstreeks het jaar 1000). Prachtige voorbeelden voor hoe je snapshots neerzet, korte verhalen, anekdotes en columns schrijft en hoe je nowadays zou kunnen bloggen.
Yasunari Kawabata – De danseres van Izu (Amsterdam, 1982)
Eerste, uiterst korte novelle van deze Nobelprijswinnaar. Zeer minimalistisch proza, uit het Japans (1926). Mooi voorbeeld voor een langer verhaal. Let op wat hij weglaat en toch laat zien.
Marguerite Duras – Zomeravond, halfelf (Rijswijk, 1993)
Franse novelle uit 1960 ongeveer. Als je een spannend verhaal wilt schrijven, neem dan drie personen, geen twee. In deze novelle een driehoeksverhouding. Tekst in o.t.t. Erg moeilijk is dat: het lukt of het lukt niet. In de huidige Nederlandse literatuur wordt het al gauw amechtig proza. Let op het minimalistisch taalgebruik.
Samuel Beckett – Verhalen en teksten zomaar (Amsterdam, 1976)
Voorbeeldig proza voor het oefenen van belevend perspectief. Teksten uit 1958 van deze Ierse Nobelprijswinnaar, maar geschreven in het Frans. Hogeschoolschrijverij, zeer goed om ook eens zo te oefenen.
Armando – De straat en het struikgewas (Amsterdam, 1988)
Hoe je een roman schrijft in fragmenten. Absolute aanrader!
Patrick Modiano – Verdaagd verdriet (Amsterdam, 1990)
Vage, ijle sfeer oproepen met eenvoudig taalgebruik. Hoe te schrijven zonder plot.
Simon Vestdijk – Het Veer (Amsterdam, 1972)
Hoe je een novelle schrijft vanuit Google Earth perspectief… Verschrikkelijk knap geschreven, echt subliem. Wereldniveau. Ik weet niet van je hier van kan leren. Het zou kunnen dienen als voorbeeld: zo goed wil ik ook ooit kunnen schrijven!
Franz Kafka – De gedaanteverwisseling (Amsterdam, 1977. Uit: Verzameld Werk)
Hoe je met een ongeloofwaardige gebeurtenis toch een overtuigend verhaal kunt schrijven.
F. van den Bosch – Het regenhuis en andere verhalen (Amsterdam, 1978)
Literair hoog boven anderen uittorenen, zo kun je óók Indische verhalen schrijven. Het hoeft niet allemaal babbelproza te zijn. Het titelverhaal is een fraai voorbeeld van hoe je een langer verhaal kunt schrijven. Let op de slotzin. Die lijkt een beginzin.
Gabriel García Márquez – Honderd jaar eenzaamheid (Amsterdam, 1972)
De kunst van het vertellen… Dit is de roman die elke schrijver wel had willen schrijven. Techniek is moeilijk te doorgronden. Veel levens- en schrijfervaring gewenst. Plus wijsheid en kennis van de geschiedenis.
Indisch 3.0 heeft een probleem minder
Een week geleden vierde Indisch 3.0 haar tweede verjaardag. Dat was ergens in Utrecht, zeg maar in de mega desa van Holland. Locatie: Café Kopi Susu. Voorin de bar met wat tafels en stoelen. Achterin een geïmproviseerde huiskamer met ruimte om te dansen, of om met je bordje nasi tjampoer te kunnen jongleren op de muziek van stemmen met een prettige conversatiesterkte. Hollandse feestjes zijn vaak luidruchtig. Veel koeiengeloei. Wel gemoedelijk, maar zonder die verfijning die Indische mensen hoe dan ook hebben, cliché of niet. Op Indische feestjes zie je niet snel openlijke ruzies; die gaan onderhuids, zijn gemener, zodat anderen er geen last van hebben. Hollanders geven elkaar een dreun en drinken daarna een pilsje. Geen oordelen hier, alleen wat accentverschillen. In een overvolle bar botsen Indische mensen met bordjes nasi tjampoer in hun handen níet tegen elkaar op. Bij Hollanders vliegen de aardappelen en vaatdoekjes je om de oren. Verschillen tussen Hollanders en Indische mensen blijven eenvoudig te maken. Is ook al veel over geschreven. Indische mensen vinden Hollanders onbehouwen en Hollanders vinden Indische mensen beschaafd. Voor de rest is het nasi met bier, dat gaat allemaal wel. Zoeken naar verschillen tussen Indische mensen van de tweede en derde generatie is pas wérkelijk interessant.
Met raciale blik spied ik om me heen, gezichten lezend. Als ik er niet uitkom stap ik op iemand af.
‘Hey, ben je Indisch?’
‘Ja-ha!’.
Ik mag kijken. Naar de ogen, de kaaklijn, de mond. Jonge vrouwen van de derde generatie krijgen vuur in hun ogen zodra ze iets beweren of aandacht van het publiek vragen, jongemannen zijn wat verlegener. Is bij ons, de tweede generatie, ook zo, én bij de eerste generatie. Indisch als een soort matriarchale huiskamercultuur, althans zolang er van buitensporig geweld geen sprake is (zie De onschuld van een vis uit Indische gezichten).
Het voelt lekker je tussen die jonge mensen te mogen begeven. Geen geklaag over overleden vrienden, zieken, kwalen, tempo doeloe, tempo doelloos en hoe beroerd alles tegenwoordig al niet is. Jonge mensen zijn dynamisch, ze zullen ook wel moeten. Twee blanke Indische jonge vrouwen van 20 willen schrijven. Dat betekent niet per se dat ze het over Indische zaken willen hebben. De eerste is verslingerd aan chicklit en wil die kant op. Ze is serieus, want ze schrijft niet meer dan eenderde pagina per dag. Dat klinkt ouderwets in een tijd waarin nogal wat bloggers menen dat ze in een week een fatsoenlijke roman uit hun toetsenbord kunnen rammen. De tweede wil columns schrijven en oefent al op haar weblog. Als ik de koppen tel en een snelle rekensom maak, dan klopt het wel ongeveer dat er een miljoen Nederlanders zijn die een boek willen schrijven en publiceren. Wat dat betreft is er geen verschil tussen Hollanders, Indo’s, Engelsen, Noren, Koreanen, Eskimo’s et cetera.
Een blanke Indische jongen van 3.0 betreedt de vloer voor een Indisch stand-upcomedyoptreden. Hij begint met een sneer naar Wieteke van Dort, die zo nep is als de hel. De sneer is Indisch, dus niet krenkend, maar geen der aanwezigen zal het na zijn optreden nog in zijn hoofd halen om naar de eerstgenoemde totokmarionet te gaan luisteren. De jongen is 31 en zo ontzettend goed, dat je je bijna zou afvragen waarom hij de televisie niet haalt. Hij kan zelfs mij nadoen… Ik ben verbaasd. Hij bleek me eens te hebben gezien ergens op een podium en geeft een Birney-imitatie ten beste. Gelukkig is het goedbedoeld, ik ben gevleid.
Hebben, of hadden, we zulke jongens ook niet onder Indisch 2.0? Jazeker, en altijd binnenskamers. En dat zoeken naar je roots? Zelfde laken en pak. Het is niet waar dat mensen van de derde generatie en masse hun heil zoeken in Indonesië, zoals weleens wordt beweerd. De een doet het wel en de ander doet het niet. Je hebt ze ook die liever gaan skiën in de Alpen, zoals mijn broer, ooit een fanatiek skiër. De een leert bahasa Indonesia en de ander doet dat niet. Niets moet, heel veel mag, er is veel ruimte voor individualisme. Wat me het meest opvalt is dat er zo weinig wordt gezeurd over Indisch-zijn. Indisch 3.0 is gewoon Indisch. Klaar. Wat is Indisch? Domme vraag. Antwoord: een gevoel. Bij de tweede generatie deden we daar altijd wat ingewikkelder over. Dat kunnen ze natuurlijk ook bij de derde generatie. Een enkele blanke Indo wordt soms gewoonweg niet geaccepteerd op grond van zijn of haar uiterlijk.
Kwesties rond blanke Indo’s spelen trouwens al 100 jaar. Die staan het sterkst beschreven in de roman In vreemde sferen (1905) van Victor Ido. Helaas is het boek altijd overschaduwd geweest door zijn latere roman De paupers, waarin zo ontzettend veel geklaagd wordt over de plek van de kleine Boeng, zeg maar de Indo uit de kampong. De Indo moet namelijk zielig zijn (Max Havelaar van Multatuli), of achterbaks (Orpheus in de desa van Augusta de Wit), of inhalig (Goena-Goena van P.A. Daum), of een sexdier (De stille kracht van Louis Couperus), of alleen maar goed als muzikant (Rubber van M.H. Székely-Lulofs) – in elk geval moet de Indo voldoen aan het beeld van de gemiddelde Hollander (daarom zie je ze nauwelijks op televisie, right?). Ik tikte de eerstgenoemde, zeer interessante titel eens voor 15 euro op de kop bij een antiquaar. Misschien betaal je nu tweemaal zoveel voor. Je kunt ook gewoon naar de KB of naar een universiteitsbibliotheek. Of wachten tot mijn essay verschijnt over vergeten Indo-schrijvers van rond het fin de siècle. Dit terzijde.
Bij de tweede generatie werd niet alleen je uiterlijk maar ook je kennis van het Maleis getoetst, de souplesse van je vingers, je muzikaliteit, je bekwaamheid in martial arts, in vliegeren, katapult schieten en ga zo maar door. Bij de derde generatie gaat het zoeken naar overeenkomsten gevoelsmatiger. Ook heb ik nog niet het gevoel gekregen dat men zich tegen mij afzette, omdat ik er zo eentje van 2.0 ben. Dat probleem kreeg de eerste generatie eens van ons op het bord gelegd, omdat zij ons stelselmatig had buitengesloten van de Indische cultuur en had geweigerd thuis Maleis tegen ons te praten. We werden de straat op geschopt omdat we met de Belanda’s moesten leren omgaan. Dat was dan vechten geblazen en met blauw geslagen ogen thuiskomen. Of de politie aan je deur krijgen omdat je een Hollandse jongen had afgetuigd. Plus vijandschap van Molukkers, die ons als verraders zagen.
De vreselijkste vraag die je gesteld kon krijgen van iemand van de eerste (en soms iemand van de tweede) generatie was deze: ‘Zeg, ben jij daar geboren?’
Wenkbrauwen opgetrokken, gefronst voorhoofd, slecht verhuld honend lachje.
‘Nee.’
‘Hm, dus je wéét niet.’
Door díe vraag zal Indisch 3.0 in elk geval niet achtervolgd worden. Wat een zegen! Okay, er zitten er bij met een ouder uit Indonesië en een ouder uit Holland. Eurasians. Maar die hebben de koloniale tijd niet gekend. Tempo doeloe regeert niet meer. Wat ze dan te zoeken hebben bij mensen van Indisch 3.0? Tja, wat hebben Indische mensen wat Hollanders niet hebben? Het antwoord ligt bij de Hollanders, die consequent weigeren hun koloniale verleden uitgebreid in de geschiedenisboeken op te nemen. Weigeren zich te verplaatsen in het perspectief van de Indo en de schijnwerper botweg blijven richten op totokschrijvers die náár de Indische cultuur kijken en niet vanuít de Indische cultuur schrijven. Hollanders kwamen nooit verder dan pindasaus over hun patat mikken. Dat is nog daaraan toe, maar het heeft geen enkele symbolische betekenis.
Archipel lente 2010
Een voorpublicatie van mijn novelle Rivier de IJssel staat afgedrukt in de nieuwe Archipel Magazine. Mooie opmaak, met de snoet van een leuk meisje erbij, dat in het geheel niet lijkt op de heldin Susie uit het boek, maar dat geeft natuurlijk niet. Archipel Magazine heeft zijn eigen stijl. Plus een eigen formule, maar die gaat veranderen. De verrekijker gaat meer richting Indonesië en omringende landen. Het Indische accent zal verdwijnen. Wél blijft er aandacht bestaan voor oosterse invloeden in ons land, maar dan breder. De koersverandering zal geleidelijk worden doorgevoerd. Laten we het nummer eens doorbladeren:
Het blad opent met de gebruikelijke korte berichten, over de naderende Tong Tong Fair en een lezersreis naar Bali, maar begint daarna direct met een flink reisverslag van Ed Caffin over het nog ongerepte Lombok. Kirsten Vos neemt afscheid van haar lezers in haar column en het blad gaat verder met een verslag van Wouter Muller over zijn Roots ’n Music-lezersreis. Dan een zeer Indisch interview met de nieuwe directeur Yvonne Agnes van het Indisch Herinneringscentrum Bronbeek in Arnhem. Ik haat afkortingen, men spreekt al van het IHCB. Als ze er nou ook nog de A van Arnhem en de G van Gelderland aan vastplakken, dan krijg je bijna iets uitspreekbaars: de IHCBAG (de IHC Bag = een Indische rugzak of zo). De directeur ziet er vriendelijk uit en zegt onder meer dat ze uitziet naar de reisgids Sporen van Oorlog. Dat doe ikzelf ook, want ik mocht er een verhaal voor schrijven. Het boek zal worden gelanceerd op maandag 17 mei ergens in Amsterdam, zo staat in mijn agenda genoteerd. Nadere gegevens volgen op deze site.
Wulan Mei Lina is een fotografe die voor Indonesische begrippen zeer gewaagde foto’s maakt en die in boeken onder de toonbank door laat verspreiden. Ze komt uit een Surabaya’s multireligieus gezin; haar vader was een toegewijd moslim en haar moeder een christen. De zus van Wulan Mei Lina is zo streng christelijk, dat ze zelfs niet met mannen omgaat. Ja, zo kan het ook aan de overkant, dat christenen nog fanatieker dan moslims. Is u dat bekend misschien, heren Pauw en Witteman en overige teeveelui?
Hans Vervoort blijft lichtvoetig, zoals we van hem gewend zijn. Interessant is dat hij aantoont dat de projectontwikkelaars in Thailand en Maleisië zo gek nog niet zijn, vergeleken met die op Bali. Thailand bijvoorbeeld beschikt over zeer goede ziekenhuizen en trekt dus hordes van de gepensioneerden onder de Grijze Golf naar zich toe. Na zijn column een verslag van een feest in Yogya. Is Archipel al zo Indonesisch? Gaat wel, want er volgt een artikel over Advocaat Johannes van den Brand, de Multatuli van Deli. Mooi dat zulke figuren toch nog herdacht worden.
Frans Lopulalan is de minst lichtvoetige columnist van Archipel. Ik ben benieuwd of hij kan blijven. Misschien alleen als hij over Molukse zaken ter plekke schrijft? We zullen zien. En hoe zal de boekenrubriek eruit gaan zien straks? Nu staan er nog allerlei boeken over Nederlands-Indië vermeld, zoals de herdruk van mijn bloemlezing Oost-Indische inkt.
Garuda Indonesia gaat na vijf jaar afwezigheid weer vliegen op Nederland. Ze beginnen met een Airbus, die vliegt via Dubai, waar veel Indonesiërs werken. Er komt ook een grotere Airbus voor een directe lijn naar Amsterdam. Kijk, daar zit ik nou net op te wachten. Als je dan toch in zo’n afschuwelijk vliegtuig moet, dan maar liever in één ruk van 15 uur door naar Jakarta, dan heb je dat in elk geval gehad. Alhoewel, de benen strekken in Dubai is misschien ook wel lekker.
Een artikel over een spiritueel rustoord op Bali. Emma Kwee die haar column buitengewoon lollig afsluit. Zij behandelt Indonesische zaken, dus ik neem aan dat ze blijft. Ikzelf ben overigens bezig aan een vertaling van een stuk van een Indonesische schrijver en cineast… Voor in het nieuwe nummer.
En dan de eerste tekenen van het nieuwe concept van Archipel: een verslag van Hollandse sporen op Taiwan. Er is officieel Nederlands DNA vastgesteld op dat eiland. Tja, die Hollanders veranderden van koeienmelkers in love machines in de VOC-tijd, toch?
Keep Schepel eindigt, neem ik aan, zijn kritische reeks stukken over het gedoe rond het Indisch Huis. Voer voor insiders. Snapt geen love machine wat van. Ik helaas wel.
Wie is Paul Agusta? Dat is een van de vele filmmakers uit Indonesië, die een enorme drukke filmindustrie kent, waar men in het zuinige Nederland gewoonweg geen idee van heeft. Zijn schokkendste uitspraak is wel: ‘Waarom zou je kwaliteitsfilms maken als shit sells?’ Maar wanneer je het artikel leest, blijkt gelukkig dat hij het niet over zichzelf heeft.
Na mijn voorpublicatie over twee bladzijden volgt tot slot de gastronomische rubriek. Benieuwd of er gaat worden ingezoomd op Indonesisch eten in de toekomst en niet op Indisch eten. Wat de verschillen zijn? Tja, daarvoor moet je eerst bij Indische mensen in Nederland gaan eten (niet in een restaurant) en dan bij Indonesische mensen op Java of zo. Probeer daar maar eens om sambal badjak te vragen. Om maar wat te noemen. De geheimen van de Indische keuken nemen de mensen van de eerste generatie mee in hun graf. Sommige van hun kinderen benaderen de kwaliteit behoorlijk. Maar die koken thuis.
Veel plezier met het lezen van Archipel Magazine!
Mary Brückel, de moeder van de pasar malams
Pasar malam betekent avondmarkt. In Indonesië vind je ze waar je maar komt. De Nederlandse evenknie heet Braderie en vindt plaats in de middag. Pasar malams in Nederland vind je ook overal, het hele jaar door, maar deze festivals hebben doorgaans een diepere betekenis dan de avondmarkten in Indonesië. Op Nederlandse pasar malams ontmoeten mensen uit Indische kringen elkaar, er is altijd muziek en soms worden er films vertoond, vinden er lezingen plaats enzovoort. De grootste pasar malam van de wereld was de Pasar Malam Besar, die onlangs werd omgedoopt naar Tong Tong Fair om zo de nadruk op het culturele aspect van de Indische cultuur te leggen in de hoop om niet voor de zoveelste keer als een grootschalig eetfestijn te worden afgeschilderd.
De naam Tong Tong komt van het gelijknamige tijdschrift onder aanvoering van Tjalie Robinson, ooit geheten Onze Brug en thans bekend onder de naam Moesson. Hoe dat allemaal zit met die naamsveranderingen, dat moet u mij maar niet vragen, ik vind het al ingewikkeld zat om ze ook maar neer te pennen. De genoemde namen brengen bij sommigen van de oudere generatie Indo’s en/of Indische mensen nog altijd heftige reacties teweeg, onder wie bij Geraldine Brückel-Lang.
Naar de smaak van Geraldine krijgt haar schoonmoeder Mary Brückel-Beiten te weinig credits in de biografie Tjalie Robinson, biografie van een Indo-schrijver (2008) van Wim Willems. Nou vind ik dat zelf nogal meevallen, ik herinner me althans niet te hebben gelezen dat Wim Willems zijn held Tjalie Robinson als de oprichter van de Pasar Malam Besar/Tong Tong Festival heeft neergezet. Hij zet hem veeleer neer als voortrekker van de Indische gemeenschap in Nederland. Dat hij daarin soms wat ver gaat – bijvoorbeeld door op het podium van Crossing Border te beweren dat de Indische gemeenschap niet had kunnen bestaan zonder Tjalie Robinson – maakt nu even niet uit.
Hoewel de biografie van Wim Willems in de eerste plaats over Tjalie Robinson gaat en niet over postkoloniaal Nederland, vindt Geraldine Brückel-Lang dat de aandacht van de biograaf voor haar schoonmoeder Mary Brückel-Beiten niet ver genoeg gaan. Daarom heeft ze een alleraardigste reader gemaakt: een plak- en knipselboek van de rol die Mary Brückel speelde in de vroegste jaren van postkoloniaal Nederland. Het laat zien hoe Mary al pasar malams organiseerde voordat Tjalie er ook maar aan dacht, onder meer door afdrukken van brieven tussen beiden. De reader is tweetalig en bestaat veelal uit krantenknipsels en fotokopieën van brieven in het Nederlands en de Engelse vertalingen ernaast. Lekker voer voor biografen, al is Mary’s rol niet echt onbekend in Nederland. Niet alles wordt door Geraldine vertaald, zoals de volgende wel zeer smakelijke passage uit een brief van Tjalie aan Mary:
Ik heb nog altijd zo’n stille hoop (of onbewezen overtuiging) dat je nog eens gaat schrijven. Ik heb je opmerkzaam gadegeslagen; ook je omgeving; ook je werk. Je hebt meer van het leven meegemaakt dan b.v. Maria Dermoût, die een heel lieve vriendin van me is, of Hella Haasse, die niet schrijven kan. Of Anna Blaman, die te veel moet opblazen omdat er in werkelijkheid te veel leegte is in haar.
Tjalie schrijft ook nog dat ze daarbij niet direct moet denken aan zoiets als de roman: Let op mijn woorden: de tijd van de roman is voorbij… (1958)
Geïnteresseerden in Geraldine’s boekje over de moeder van de pasar malams in Nederland kunnen haar mailen: wimbruck@telus.net (Canada). Koningin Beatrix kreeg er eentje gratis. U natuurlijk niet
Nominatie beste literatuurblog
Bij toeval (ja, dat bestaat, en als het niet bestaat dan noem je het maar anders en dan bestaat het toch) zag ik op aboutblank dat mijn blog is genomineerd voor de beste literatuurblog van 2009. Geen idee wie me heeft voorgedragen. Deze grootste weblogverkiezing van Nederland vindt plaats onder auspiciën van Dutch Bloggies. Ik zie zo snel geen vriendjes of vriendinnetjes in de jury zitten, dus ik sta niet toevallig bij de laatste tien onder de noemer Beste Literatuur Weblog. Ik bevind me in aardig gezelschap, al is het me niet helemaal duidelijk waaraan een Literatuur Weblog nou eigenlijk moet voldoen. De een leest en recenseert zich suf, de ander houdt als een idioot het laatste nieuws bij en ik, eh… mijn laatste wapenfeit is mijn gemopper op dat Nederland Leest-gedoe rond een van de slechtste koloniale novellen die ons taalgebied ooit heeft voortgebracht.
Enfin, een plekje op de longlist heeft wel iets. Ik bedoel: ik liep net rond met het idee om maar met dat geblog te stoppen. Moet ik nou doorgaan, alleen maar omdat een stel mensen met smaak mijn weblog volgen? Weet je wat wél een gedoe is? Je moet naar het Paard in Den Haag om te horen of je bij de laatste vijf zit. En dan moet je weer wachten op de bekendmaking van de winnaar in jouw categorie. Dat betekent dus opdraven en in zo’n zaal gaan zitten wachten. Nog erger: je wint de prijs! Dan moet je het podium op en iets bloggenderwijs gaan zeggen. En als je nou net de MexGriep hebt? Moet het dan hoestenderwijs? Nou wist ik al dat het leven van een schrijver niet over rozen ging, maar ik heb nooit geweten dat dat ook voor bloggers op zou gaan. Moeten bloggers uit cyberspace nu ook al hun snoet in real life laten zien? Ik wist trouwens niet eens dat ik een blogger was. De grenzen tussen schrijven en bloggen vervagen. Dát is zeker. Zelfs bij de oude media krijgen ze dat in de gaten. Snelle jongens daar. Wat moet je ook anders verwachten met dat ge-Oeroeg van ze.
Oeroeg hysterie
Schrijven heeft geen zin. Althans niet wanneer je de intentie hebt de literaire canon te kritiseren. In navolging van Tjalie Robinson publiceerde ik een polemisch stuk in Archipel Magazine tegen een van de slechtste romans uit de koloniale literatuur, maar er is niemand die erop reageert, of er ook maar met sterke argumenten op kan reageren. Nou kun je zeggen dat ik mijn artikel dan maar naar een van de landelijke kranten had moeten sturen, maar nee, daar zitten mensen die er helemaal niets van begrijpen. Ook de NRC heeft het doodleuk over Oeroeg als actuele leidraad. Nou, hou dan maar op, want de hele NRC-kudde, die zichzelf tot het denkende deel van de Nederlandse bevolking rekent, rent suf en slaafs achter die krant aan.
De afgelopen weken ben ik van verschillende kanten gevraagd of ik vandaag ook gezellig van 19.30 uur tot 22.30 uur aanwezig zal zijn in de Centrale Openbare Bibliotheek van Amsterdam, waar men naar aanleiding van Nederland Leest het een of andere stompzinnige debat organiseert met de verkeerde mensen. Ik ben gevraagd door mensen die nota bene mijn artikel tegen de CPNB-Oeroeg-Maffia hadden gelezen. En daarom zeg ik: schrijven heeft geen zin. Schrijven is verworden tot geldjagerij van lui die louter willen amuseren. Ik zeg niet dat zoiets verkeerd is. Maar de werkelijk goede boeken en schrijvers vormen aldoor meer een subcultuurtje, waarin men artikelen voor elkaar schrijft, boeken ruilt en zich moed inpraat dat het allemaal wel goed zal komen.
Maar het zal niet meer goed komen. Als Tjalie Robinson dat romannetje van niks al niet van de boekenlijsten af wist te meppen, dan kan ik het ook niet. Wie mijn artikel Nederland Leest Niet niet gelezen heeft, die gaat terug naar de bron op de website van Siem Boon.
Waar werk je aan?
Iemand mailde me laatst met de vraag waar ik momenteel aan werk. Ik dacht een ogenblik dat ik helemaal niets te doen had, ik zat immers veelvuldig op mijn balcon in de zon. Maar nu ik alles even op een rijtje zet, krijg je dit:
1. Schrijven aan een novelle (deadline 1 november)
2. Werken een een artikel voor een tijdschrift (deadline 1 augustus)
3. Afronden van een verhaal voor in een reisgids (deadline 1 augustus)
Er gebeuren natuurlijk ook allerlei dingen omheen in de – zo noemt men dat – privésfeer. Fun & Stress. Verder ben ik druk bezig achterstallige administratie weg te werken. En al e-mail ik gemiddeld twee uur per dag, toch loop ik daarmee achter, het zijn slechts enkele dagen maar toch… Soms besluit ik om enkele mails maar helemaal niet beantwoorden, zo erg is dat niet, het overkomt mij ook weleens dat ik geen antwoord krijg, vooral wanneer iemand mij iets schuldig is of iets idioots onderneemt.
Ik voer ook nog een huishouden. Als ik een beroemd schrijver was, dan had ik uiteraard een secretaresse, een literair agent, een kok en een huishoudster die alle zooi van me overnamen. Ik zou contracten ondertekenen en vette voorschotten innen op boeken die ik beloof te zullen schrijven maar die nooit zullen komen.
Enfin, het artikel… Dat zal gaan over Nederland leest, editie 4. Boven mijn stuk staat geschreven: Nederland leest niet. Got it?