Metamorfoza

Mijn uitgever stuurde me een webadres uit talloos veel miljarden, waarop een would-be-schrijver uit talloos veel miljoenen probeert een boek van mij te recenseren. De tijd waarin de smaak van het leesvee werd bepaald door een handjevol recensenten in landelijke dagbladen, veelal gemankeerde schrijvers, is voorbij. Het is geen tijd om naar terug te verlangen, maar zeker niet om te verafschuwen. Er zit geen filter meer tussen schrijver en leesvee, hooguit een robot vermomd als zoekmachine, die bepaalt welke teksten als eerste worden getoond in de resultaten na een zoekopdracht. Kwaliteit was ooit een fenomeen waarover heftig werd gestreden. Thans heeft het woord zijn betekenis verloren, als het al de aandacht krijgt van de kudde die zich te loeien begeeft op de hobbelige velden van Facebook, WordPress.nl en wat al niet meer. Nederland heeft naar schatting 2000 serieuze lezers en ongeveer een miljoen would-be-schrijvers. Een serieuze lezer is iemand die het vermogen bezit zelfstandig een boek te beoordelen zonder oor voor dom geblaat van buitenaf. Een would-be-schrijver is een plaag, een insect dat zou moeten worden doodgetrapt. Nou klinkt dit wel heel erg oneerbiedig ten opzichte van de talloos vele prutsers op het internet en daarom zouden ze het misschien beter verdienen om edel te sterven. Maar ja, hoe herkent een insect zichzelf in de weerspiegeling van zijn laptop? En waar hangen de samoerai uit met hun scherpgeslepen zwaarden? Er zijn mensen die denken dat het hiernamaals onze driedimensionale wereld doorkruist. Dat tijden en parallelle werelden door elkaar heen lopen. Thans is het januari 1621. Jan Pieterszoon Coen gaat met een aanzienlijke vloot bij Lonthor voor anker, het grootste van de Banda-eilanden. Veertig compagnieën peddelen in sloepen naar het strand, versterkt met in Japan geronselde samoerai. Hier gaat een van de ergste moordpartijen uit de geschiedenis van de VOC plaatsvinden. Duizenden mannen, vrouwen en kinderen vinden de dood. Honderden Bandanezen worden in scheepsruimen gestouwd om op de slavenmarkt te worden verkocht. De samoerai ontfermen zich over ruim veertig dorpsoudsten; hun hoofden worden op bamboespiesen gestoken. Mensen vluchten de bergen in, lijden honger en stierven door ziekte. Aan het einde van de operatie zijn van de oorspronkelijke bevolking van 15.000 inwoners nog slechts enkele honderden Bandanezen in leven… Dit heet bij ons “een stukje” koloniale geschiedenis, dames en heren.

Die eeuwige oorlog

logo alfred birney weblog Nu de meerderheid van de eerste generatie Indische mensen van de aardbodem is verdwenen, beginnen hun nazaten zich roeren in (veelal zelfuitgegeven) memoires en geschriften. Er zitten flink wat mensen bij die een (blanke) vader hadden, die al de oorlog in werden ingestuurd (de zogenoemde Politionele Acties in Indonesië: “Een mooi woord voor oorlog” volgens Ad van Liempt) voordat Nederland helemaal bevrijd was geworden door de geallieerden.

Soms neemt iemand contact met me op, met de vraag of ik kan helpen bij het uitrafelen van allerlei oorlogstoestanden in Indië/ Indonesië. De laatste tijd reageer ik veelal narrig dat ik niets meer met die vervloekte oorlog te maken wil hebben. Ikzelf ben, of liever gezegd was, meer geïnteresseerd in de ervaringen van kinderen van ouders met een oorlogstrauma: de gekte die kinderen overgedragen kregen. Het beste voorbeeld daarvan is mijn roman De onschuld van een vis (1995), herdrukt in Indische gezichten.

Fictie is voor mij een bevredigender manier om de nasleep van een oorlog te tonen dan non-fictie. Ik geloof niet zo in non-fictie. Ik geloof dat zodra je de pen oppakt je de geschiedenis al begint te kleuren. Er zijn acht familieleden van mij door de Japanse bezetters de dood ingejaagd. Als fictieschrijver zoek ik naar de kern van oorlog en volg dan liever één persoon die de dood in wordt gejaagd dan acht personen. Mijn vader schreef zijn oorlogservaringen neer gedurende de dertien jaar waarin ik met hem leefde. Ik hoorde elke avond die ratelende schrijfmachine. Eenmaal uit huis weggehaald door de kinderbescherming en geplaatst in een internaat hoorde ik die dominante schrijfmachine niet meer. De oorlog in Indië raakte op de achtergrond.

Later, toen ik een grote jongen was en ik mijn vader regelmatig bezocht, vroeg ik om verhalen over zijn jeugd van vóór de oorlog. Kortom: de Tjalie Robinson stuff. Dan begonnen de verhalen over de jacht, goena-goena en mooie Chinese meisjes, maar die mooie vertellingen gingen naadloos en in no time over in die afschuwelijke verhalen over de oorlog. En weer later kreeg ik te maken met Indische instanties die zich via allerlei invalshoeken met de oorlog bezighielden. Toen mijn vader stierf in 2005 kreeg ik een klap. Er viel iets weg. Ik donderde in een gat. Ik moest me opeens met iets anders gaan bezighouden dan met die vervloekte oorlog. Ik begon de oorlog te haten, als ik dat al niet deed, en probeerde de oorlog af te zweren. Evenwel, oorlog komt altijd wel terug in mijn boeken (mijn postkoloniale werk, niet in de rest van mijn proza), eenvoudig omdat oorlog bij de wereldgeschiedenis hoort en omdat mensen nu eenmaal jaloers, egoïstisch en oorlogszuchtig zijn.

In mijn novelle Rivier de Lossie (2009) speelt de herinnering aan een hele verre oorlog, tussen de Scoten en de Picten. Dat is in de negende eeuw na Christus. Er komt ook een flits van de oorlog in Nederlands-Indië voorbij. Maar het eigenlijk verhaal gaat heel ergens anders over. Zo ook in Rivier de IJssel (2010). Oorlog speelt wel op de achtergrond, maar de koloniale geschiedenis, de handelsgeest van de Hollanders en racisme staan veel meer op de voorgrond. Maar dan… Ergens schrijf ik het volgende in Rivier de IJssel:

Alexander bleef niet lang in Batavia en trad in dienst als controleur bij het Binnenlandse Bestuur. Hij begon zijn ambtelijke loopbaan in Blitar, een plaatsje in de buurt van Kediri op Oost-Java.
     Blitar… Die naam deed me denken aan een wonderlijk verhaal van mijn vader. In dat kleine plaatsje had hij zijn eerste levensjaren bij familie van zijn moeder doorgebracht. Ze had hem erheen gestuurd vanwege een zweer achter het oor. Als die niet zou genezen, was hij ten dode opgeschreven. Een oom heeft hem met kruiden uit de jungle behandeld. Zo stond het in zijn memoires geschreven.
     Maar laat Blitar nou juist dát ene plaatsje zijn waar hij twintig jaar later als jongeman tijdens de oorlog met een troep Nederlandse mariniers met vlammenwerpers mensen uit hun huizen heeft gebrand!
     Wie snapt zoiets?

Verwarring, vragen waar geen antwoord op komt, rusteloos zoeken naar zoiets als waarheden, hopeloos constateren dat racisme mijn overgrootmoeder al overkwam in 1870 in Deventer. Maar ook: de liefde, de muziek, onvergetelijke ontmoetingen, rivieren die blijven stromen terwijl mensen komen en gaan. Ik verwerk allerlei motieven in een novelle en hoop dat er een juweel tevoorschijn komt. De herinnering aan mijn vaders oorlog laat ik allengs achter me. Het was zijn oorlog. Het is verdomme mijn oorlog helemaal niet.

Maar dan… Archipel Magazine komt uit. Zomaar een zomernummer rond Bali. Toerisme, toch? Stuit ik zowaar op een artikel met de titel: De getuigenissen van FX Harsono (zie de vorige post op dit weblog). Midden op de tweede bladzijde prijkt een vetgedrukte quote:

‘Op beide doeken staan familieleden afgebeeld naast in 1951 door zijn vader gefotografeerde doodshoofden, die in de buurt van Blitar voor herbegrafenis uit Chinese massagraven waren opgegraven.’

Wacht eens even. Mijn vader is daar als een beest tekeer gegaan, heeft er kampongs platgebrand en locals overhoop geschoten, als ik zijn memoires moet geloven. Stel dat dat echt zo was? Zijn moeder was een Chinese. Zijn oom was een Chinees. Het wemelde kennelijk van de Chinezen in Blitar. Volgens het artikel zijn er 191 Chinezen tijdens de vrijheidsstrijd in 1947 en 1948 vermoord door Indonesische vrijheidsstrijders, die de Chinezen als medestanders van de Nederlanders zagen.

Begin ik nu stilaan iets te begrijpen wat een mens helemaal niet zou moeten begrijpen? Dat mijn vaders afgrijselijke wandaden met een stel Nederlandse mariniers een persoonlijke wraakoefening was? Kijk, je kunt de oorlog wel achter je willen laten, of die van je vader, maar je blijft er toch je hele leven aan herinnerd worden. Dit soort geschiedenissen krijgen geen plek in de Nederlandse geschiedenisboeken. Ze krijgen een plek in de beeldende kunst van een kunstenaar die ik niet ken, en in de boeken van een schrijver die hij niet kent.

Aanbevolen door de kenners

Sinds mijn terugkeer als schrijver van verhalend proza kan ik even geen koloniale en postkoloniale literatuur meer lezen. Ze staat eenvoudig te dichtbij, vooral de Indische. Ver van mijn bed staat de Japanse literatuur. Daar kan ik bij wegdromen, het boeit me maar raakt me niet te diep. Op gevaar af om op pil numero elf-lempers te worden getrakteerd, zal ik maar gauw vermelden dat het boek Eeuwige reizigers; een bloemlezing uit de klassieke Japanse literatuur van Jos Vos (Arbeiderspers, 2008) in de achtste eeuw begint en eindigt in de negentiende. Dus vóór Van den Vos Reynaerde en vóór de Max Havelaar. Een enorme verzameling van vertellingen, poëzie, dagboekfragmenten, memoires en zelfs sprookjes. Als je iets van de Japanse cultuur wilt begrijpen, uit fascinatie voor de vijand van je (voor-)ouders bijvoorbeeld, dan is deze bloemlezing een aanrader. Opvallend is het aantal schrijfsters, net als in de Indische bellettrie, met één van mijn grote idolen: de hofdame Sei Shōnagon, die zo’n 1000 jaar terug leefde en ons haar wereldberoemd Hoofdkussenboek naliet. Interessant is verder dat schrijvers en schrijfsters net zo makkelijk aandacht aan zowel mannen als vrouwen schenken. Beide seksen kunnen niet zonder elkaar. De liefde en de dood spelen de hoofdrol in de meeste geschriften; het overige doet er weinig toe. De liefde vormt wel vaak een probleem, dat bloeit met fraaie poëzie en eindigt vaak in scheiding en de weg naar non of monnik. De dood is niet zo’n probleem, reïncarnatie regeert. De Japanse literatuur als oase van overzichtelijkheid. Neem vooral de tijd voor deze teksten. Zoals de auteurs en de mensen dat toen deden. Hoed af voor de samensteller en vertaler Jos Vos.

De achternaam Vos komt veel voor in Nederland, dus u gelooft me vast wel als ik zeg dat ik nu niet opzettelijk met de naam Felicita Vos aan kom zetten. Haar boek Blauwe haren zwarte ogen; de Roma-cultuur van binnenuit (Meulenhoff, 2008) is een must read. Terwijl wij, Indo’s en Indischen, de grootste minderheid in Nederland vormen, zijn zij, de Roma (zigeuners), de grootste minderheid van Europa. Een slordige 15 miljoen zielen. De Roma vormen een minderheid mét een volkenrechtelijke status, maar zónder land. Na de Joegoslavië-oorlog werd dit besluit erkend voor de VN en de Raad van Europa met nota bene Duitsland die als enige lidstaat er niet mee instemde. Felicita Vos biedt in haar boek een keur aan portretten van beroemde Roma. De bekendste zijn wel Het Rosenberg Trio, Sylvia Tóth en Tata Mirando. De schrijfster heeft alleen Roma gekozen die het ver schopten in de zakenwereld, de muziek, de politiek of op het danspodium. Dat maakt het tot een trots boek. Ellendige verhalen, met de vergassing van ‘zigeuners’ in het zogenoemde ‘Zigeunerlager’ in Birkenau, heeft de schrijfster er subtiel en toch indringend doorheen gevlochten. Net als het verhaal van haarzelf en haar vader. Wat mij zo intrigeerde zijn de treffende overeenkomsten met de Indische opvoeding in de jaren vijftig. Roma vaders die eisen dat hun kinderen later zullen slagen in de maatschappij. De niet aflatende drang tot muziek maken. Jezelf zo onzichtbaar mogelijk maken. Ervoor zorgen dat ze niet merken dat je Roma bent. ‘Doe niet zo Indisch!’ Remember? Ik in elk geval wel. En dat net in een periode waarin ik even geen Indische literatuur lees. Komt er een Roma-schrijfster voorbij…

Verschenen in Indisch Anders, boekenkrant Tong Tong Fair: 2010

Mary Brückel, de moeder van de pasar malams

Pasar malam betekent avondmarkt. In Indonesië vind je ze waar je maar komt. De Nederlandse evenknie heet Braderie en vindt plaats in de middag. Pasar malams in Nederland vind je ook overal, het hele jaar door, maar deze festivals hebben doorgaans een diepere betekenis dan de avondmarkten in Indonesië. Op Nederlandse pasar malams ontmoeten mensen uit Indische kringen elkaar, er is altijd muziek en soms worden er films vertoond, vinden er lezingen plaats enzovoort. De grootste pasar malam van de wereld was de Pasar Malam Besar, die onlangs werd omgedoopt naar Tong Tong Fair om zo de nadruk op het culturele aspect van de Indische cultuur te leggen in de hoop om niet voor de zoveelste keer als een grootschalig eetfestijn te worden afgeschilderd.

De naam Tong Tong komt van het gelijknamige tijdschrift onder aanvoering van Tjalie Robinson, ooit geheten Onze Brug en thans bekend onder de naam Moesson. Hoe dat allemaal zit met die naamsveranderingen, dat moet u mij maar niet vragen, ik vind het al ingewikkeld zat om ze ook maar neer te pennen. De genoemde namen brengen bij sommigen van de oudere generatie Indo’s en/of Indische mensen nog altijd heftige reacties teweeg, onder wie bij Geraldine Brückel-Lang.

Naar de smaak van Geraldine krijgt haar schoonmoeder Mary Brückel-Beiten te weinig credits in de biografie Tjalie Robinson, biografie van een Indo-schrijver (2008) van Wim Willems. Nou vind ik dat zelf nogal meevallen, ik herinner me althans niet te hebben gelezen dat Wim Willems zijn held Tjalie Robinson als de oprichter van de Pasar Malam Besar/Tong Tong Festival heeft neergezet. Hij zet hem veeleer neer als voortrekker van de Indische gemeenschap in Nederland. Dat hij daarin soms wat ver gaat – bijvoorbeeld door op het podium van Crossing Border te beweren dat de Indische gemeenschap niet had kunnen bestaan zonder Tjalie Robinson – maakt nu even niet uit.

Hoewel de biografie van Wim Willems in de eerste plaats over Tjalie Robinson gaat en niet over postkoloniaal Nederland, vindt Geraldine Brückel-Lang dat de aandacht van de biograaf voor haar schoonmoeder Mary Brückel-Beiten niet ver genoeg gaan. Daarom heeft ze een alleraardigste reader gemaakt: een plak- en knipselboek van de rol die Mary Brückel speelde in de vroegste jaren van postkoloniaal Nederland. Het laat zien hoe Mary al pasar malams organiseerde voordat Tjalie er ook maar aan dacht, onder meer door afdrukken van brieven tussen beiden. De reader is tweetalig en bestaat veelal uit krantenknipsels en fotokopieën van brieven in het Nederlands en de Engelse vertalingen ernaast. Lekker voer voor biografen, al is Mary’s rol niet echt onbekend in Nederland. Niet alles wordt door Geraldine vertaald, zoals de volgende wel zeer smakelijke passage uit een brief van Tjalie aan Mary:

Ik heb nog altijd zo’n stille hoop (of onbewezen overtuiging) dat je nog eens gaat schrijven. Ik heb je opmerkzaam gadegeslagen; ook je omgeving; ook je werk. Je hebt meer van het leven meegemaakt dan b.v. Maria Dermoût, die een heel lieve vriendin van me is, of Hella Haasse, die niet schrijven kan. Of Anna Blaman, die te veel moet opblazen omdat er in werkelijkheid te veel leegte is in haar.

Tjalie schrijft ook nog dat ze daarbij niet direct moet denken aan zoiets als de roman: Let op mijn woorden: de tijd van de roman is voorbij… (1958)

Geïnteresseerden in Geraldine’s boekje over de moeder van de pasar malams in Nederland kunnen haar mailen: wimbruck@telus.net (Canada). Koningin Beatrix kreeg er eentje gratis. U natuurlijk niet ;-)

Donald Duck en Max Havelaar

radio-antenne Dit jaar is het 150 jaar geleden dat het overgewaardeerde boek Max Havelaar van Multatuli verscheen. E.M. Beekman schonk overdreven veel literatuurhistorische aandacht aan dat boek in zijn Paradijzen van weleer. Koloniale literatuur uit Nederlands-Indië, 1600-1950 (een stompzinnige neokoloniale vertaling van Troubled Pleasures. Dutch Colonial Literature from the East Indies, 1600-1950). Tevens is het 100 jaar geleden dat het Multatuli Genootschap werd opgericht. Naar aanleiding hiervan organiseert het Genootschap dit jaar vele activiteiten, zowel in Nederland als in België.

De hertaling voor analfabeten van DE Max Havelaar door Gijsbert van Es is inmiddels in iedere goede boekhandel verkrijgbaar en in enkele kranten fijn afgekraakt. Het is een paperback, 319 pagina’s en de prijs is € 10,00.

Bovendien wordt ter gelegenheid van 150 jaar Max Havelaar een bijzondere munt geslagen, die half mei in omloop zal worden gebracht. Er komt een verzilverde munt van € 5,00 die via de postkantoren en de agentschappen verkrijgbaar zal zijn. Voor de verzamelaars komt er een zilveren munt van € 5,00 in cassette ad € 32,95. Tenslotte komt er een gouden munt van € 10,00, die in een cassette € 277,95 moet gaan kosten.

Hier krijg ik toch even meêlij met Eduard Douwes Dekker, die zo arm was als de hel maar aan wie uitgevers miljoenen hebben verdiend.

2010 wordt een bijzonder jaar, nog afschuwelijker dan het Mozart-jaar, gerelateerd aan een afschuwelijk boek van een hysterische en narcistische schrijver. Als u nodig meer informatie wilt, dan verwijs ik u ongraag naar de website multatuli right now. Donald Duck heeft evenwel ook een eigen domein.

Schrijven aan Rivier de IJssel

alfred birney schrijft

Alfred Birney is bezig met het verwerken van redactiecommentaar van zijn uitgever op zijn komende novelle Rivier de IJssel. Het boek wordt in het voorjaar verwacht. Geconcentreerd werken maakt een schrijver a-sociaal en lastig te bereiken. In het ergste geval laat hij het dagelijkse leven onverschillig langs zich heen gaan. U kunt hem volgen op Twitter, waar hij, als hij er zin in heeft, zijn vorderingen noteert.

Facebook en de Suicide Machine

logo alfred birney weblog What a drag it is to be on smoelboek. (Op de wijs van Mother’s Little Helper van The Rolling Stones, indien u deze eerste zin wenst te zingen.) Dagelijks stromen de nieuwe smoelen bij je binnen. Wil je hem/haar toevoegen aan je vriendenlijst? Welja, waarom niet, wat kan mij het schelen. Even kijken maar. Hey, leuke smoel. Gut, ze gaan wel steeds schaarser gekleed, die dames. Waarom ben ik weer – voor de tweede keer – aan dat ge-facebook begonnen? O ja, om Indonesisch te leren! Maar ik ben lui, lees verticaal, als er al wat interessants te lezen valt. Veel mensen die schrijver willen worden. Wat is dat voor onzin? Fans verzamelen voor je ook maar één letter op papier hebt staan of zo? Op Facebook gaan om schrijver te worden makes no sense. Ook een laptop werkt niet, en al helemaal niet als je er meer dan een handvol programma’s op hebt staan. Gewoon papier en een pen kopen en gaan schrijven, jarenlang, dat moet je doen. Heb je talent, dan vind je je eigen stem wel na een jaar of tien. Heb je geen talent, dan wordt het nooit wat met je, zelfs niet als je in de boekentoptien staat.

Maar goed, ik zal niet al te streng of arrogant zijn: bloggen kan een manier zijn om te leren schrijven. Evenwel, schrijf je teksten dan eerst met een wordprocessor. Print ze uit, haal er de pen doorheen, leer flink schrappen en krassen. Schrijf tien versies en zet ze dan op je weblog. Fouten zijn dan nog altijd wel te vinden, maar die vind je ook in boeken, ja in elk boek. Streef vooral naar kwaliteit. Denk niet aan roem. Roem is niks, zelfs niet als je van dat flutboek van je een poosje lekker leven kan en televisiekijkend Nederland aan je voeten ligt. Televisiekijkers lezen namelijk helemaal niet. Nou ja, soms, op vakantie. Thaise zandkorrels kruipen tussen de naden van je slecht gelijmde paperback. Je boek valt uit elkaar. Geen probleem, de strandlezer leest immers uit verveling. Het zal je maar gebeuren!

Hey! Ben jij die schrijver van dat boek? Ja, ik heb je gelezen omdat ik me zo verveelde. Nu het toch zo gezellig is, zullen we dan maar uit verveling gaan neuken? Het lijkt me geweldig om uit verveling met een schrijver te neuken! Kan ik je naam op mijn muur boven mijn hoofdeinde schrijven!

Maar daar wou ik het helemaal niet over hebben. Die lui achter Facebook, Twitter, Tumblr and what have you, verzamelen alleen maar informatie, onverschillig wat, al staat je tekst bol van de anakoloeten, het maakt allemaal niet uit, er worden profielen verzameld en passende advertenties getoond en misschien speelt er ook nog een big brother conspiracy op de achtergrond, je weet maar nooit. LinkedIn krijgt het voordeel van mijn twijfel, al is het wel koddig om al die mensen te zien die niets anders doen dan werven bij contacten die ook niets anders doen dan werven. Dat schiet niet erg op zo. Nah, blame it on the crisis.

Niet dat bloggen zo veilig is: Yahoo en Google leverden beiden al een Chinese dissident uit in ruil voor big deals met de Chinese overheid. En ja, zelfs Google Street View hielp mee met het opsporen van twee Marokkanen in Groningen. Was dat, in beginsel, de bedoeling van Street View? Nederland zweeg. Het waren maar Marokkanen. Als het Nederlanders waren geweest, dan was ons land te klein geweest, niet?

Eh… waar begon ik deze posting ook weer over? Wat dwaal ik af, hè? En wat een waardeloze tekst, niet? Het lijkt wel of ik meega met de stroom. O ja, Facebook. Vreet tijd die je nodig hebt voor te bloggen. Dumpen maar? Ze hebben de Suide Machine al gebanned, de stakkers.

Zeg, niet om Beatrix na te praten, maar de beste contacten krijg je met mensen die je toevallig tegen het lijf loopt. En de slechtste…

Het moest van Jolie

birney twin Eh… we zijn aan het rommelen met dot com en punt nl. Hoe dat allemaal in zijn werk gaat, konden wij als driejarigen nog niet bevroeden. En ja, we moeten de cosmetica nog doen. En ja, alle oude postings zijn weer terug, want dat moest van Jolie. Ze zal wel zeggen dat ze het anders heeft gezegd, maar dat doet er niet toe. Het moest van Jolie. Als u tussen een stuk of 900 postings doublures ziet, dan klopt dat. Die moeten we nog weghalen. Heeft te maken met de import van oude xml-files. XML-files zijn overigens xml-files. Maar servers zijn dom en lezen de ene keer wel en de andere keer geen doublures. Wat mij op de vraag brengt: zou u geen server willen zijn in plaats van mens? No Google, we are not talking to you!

Met de groeten van Birn Bros. Hier ziet u ze way back in time, 1954 ongeveer. Links de schrijver, rechts de webmaster. Ze werden in een naargeestige Haagse buurt op fietsjes gezet, maar vonden dat ze net zo goed konden lopen. Later werd het steppen. Rolschaatsen. Elkaar verrot slaan. Enfin, the usual stuff between twin bros.

Schoonmaakbeurt

De website ondergaat momenteel een schoonmaakbeurt en veel teksten gaan door de zeef. We zijn nog aan het denken over een nieuwe opzet van de site. De kans is groot dat het weblog verdwijnt, eenvoudig omdat de schrijver er geen tijd meer voor heeft. Hij heeft wat beters te doen. Wat? Dat merkt u wel aan zijn boeken die voor de komende jaren zijn gepland.

birney twin

Met de groeten van Birn Bros. Hier zie je ze way back in time, 1955 ongeveer. Links de schrijver, rechts de webmaster. Ze geloofden dat als ze lang genoeg graafden, dat ze dan water zouden vinden. De schrijver in spé geloofde dat je dan ook vissen kon zien zwemmen, wat door de webmaster in spé als zijnde onzin werd weggewuifd.

De foto moet genomen zijn ergens in de openbare achtertuinen van Den Haag Zuidwest. Dit beruchte stadsdeel staat uitgebreid beschreven in Alfred Birney’s roman Het verloren lied, voornamelijk in hoofdstuk 1. In een recent verhaal gaat de schrijver er nog eens naar terug, beginnend met de architect Dudok op de hak te nemen, de man die na de oorlog zo’n kil stadsdeel uit de grond heeft laten stampen.

Nominatie beste literatuurblog

Bij toeval (ja, dat bestaat, en als het niet bestaat dan noem je het maar anders en dan bestaat het toch) zag ik op aboutblank dat mijn blog is genomineerd voor de beste literatuurblog van 2009. Geen idee wie me heeft voorgedragen. Deze grootste weblogverkiezing van Nederland vindt plaats onder auspiciën van Dutch Bloggies. Ik zie zo snel geen vriendjes of vriendinnetjes in de jury zitten, dus ik sta niet toevallig bij de laatste tien onder de noemer Beste Literatuur Weblog. Ik bevind me in aardig gezelschap, al is het me niet helemaal duidelijk waaraan een Literatuur Weblog nou eigenlijk moet voldoen. De een leest en recenseert zich suf, de ander houdt als een idioot het laatste nieuws bij en ik, eh… mijn laatste wapenfeit is mijn gemopper op dat Nederland Leest-gedoe rond een van de slechtste koloniale novellen die ons taalgebied ooit heeft voortgebracht.

Enfin, een plekje op de longlist heeft wel iets. Ik bedoel: ik liep net rond met het idee om maar met dat geblog te stoppen. Moet ik nou doorgaan, alleen maar omdat een stel mensen met smaak mijn weblog volgen? Weet je wat wél een gedoe is? Je moet naar het Paard in Den Haag om te horen of je bij de laatste vijf zit. En dan moet je weer wachten op de bekendmaking van de winnaar in jouw categorie. Dat betekent dus opdraven en in zo’n zaal gaan zitten wachten. Nog erger: je wint de prijs! Dan moet je het podium op en iets bloggenderwijs gaan zeggen. En als je nou net de MexGriep hebt? Moet het dan hoestenderwijs? Nou wist ik al dat het leven van een schrijver niet over rozen ging, maar ik heb nooit geweten dat dat ook voor bloggers op zou gaan. Moeten bloggers uit cyberspace nu ook al hun snoet in real life laten zien? Ik wist trouwens niet eens dat ik een blogger was. De grenzen tussen schrijven en bloggen vervagen. Dát is zeker. Zelfs bij de oude media krijgen ze dat in de gaten. Snelle jongens daar. Wat moet je ook anders verwachten met dat ge-Oeroeg van ze.