Max Havelaar volgens Google

google multatuli Google verrast de bezoekers van haar zoekmachine regelmatig met een tijdelijk logo. Allerlei ontwerpers krijgen de opdracht voor het een of andere item en ditmaal was Max Havelaar aan de beurt. Waarom, dat is mij niet helemaal duidelijk. Het boek verscheen in mei 1860, de schrijver werd geboren in maart 1820, dus de enige reden die ik zie is dat aankomende domme feest van de CPNB genaamd Nederland Leest. Max Havelaar als contrapunt op Oeroeg, ik gok maar even wat. Maar daar gaat het mij nu even niet om. Ik heb het tijdelijke logo van Google gejat en op mijn server gezet (Google jat teksten van mij, dus ik voel me in het geheel niet in overtreding) en ik heb gezien dat het logo het nummer 9 droeg. Er zullen dus vast meer logo’s zijn ontworpen, maar dit is uiteindelijk gekozen door de een of andere redactie, ik neem aan een Hollands gezelschap in dienst van de zoek- en jatgigant. Nou… werp eens een blik op dat logo. Ziet u Indonesië? Ja, goed, palmboompjes, sawahs… maar dan: die huisjes. Komen die niet uit Afrika of zo? De sfeer komt in elk geval op mij over als Afrikaans. Tja, en nu ik erover nadenk, zou ik liever hebben gehad dat Multatuli een Belg was geweest die over de Congo was gaan schrijven (ja, dit is een anachronisme!). En als Hella Haasse nou naar Suriname was vertrokken, dan hadden de Surinamers dat gedoe gehad met perspectieven van Hollanders en Surinamers, en niet wij: Indo’s, die langzamerhand in de Hollandse tafelkleedjes worden geborduurd. Google doet alvast een onhandige poging. Zo zie je maar: ook de beste zoekmachine is dom. En natuurlijk zijn er ook juichende Batavieren (link = dood) met weinig kennis van zaken. Maar ja, dát krijg je er nooit uit met dat literatuurgeschiedenisonderwijs van ons, dat al zo lang aan een update toe is.

Indische schrijversavond met Alfred Birney, Peter van Dongen, Glenn Pennock en Ernst Jansz

v.l.n.r. Alfred Birney, Peter van Dongen, Glenn Pennock en Ernst Jansz

podium birney podium van dongen

podium pennock podium jansz

Het MCH houdt woendagavond 23 september 20.00 uur haar eerste schrijversavond met als thema «De Indische letteren Oeroeg voorbij». Met dit thema neemt Mondiaal Literair alvast een voorschot op de extra belangstelling voor «Indië» wanneer van 23 oktober tot 20 november de landelijke openbare bibliotheken hun jaarlijkse Nederland Leest-actie houden met als gratis boek voor alle bibliotheekbezoekers Oeroeg van Hella Haase, waarvan de oplage bijna 1 miljoen exemplaren zal bedragen.

Alfred Birney

Peter de Rijk interviewt Alfred Birney over zijn onlangs verschenen novelle Rivier de Lossie, waarin de onbekende ballade The Ferryman’s Daughter van Donovan leitmotief blijkt. Alfred Birney (Den Haag, 1951) is een van de belangrijkste representanten van de zogenaamde tweede generatie Indo-schrijvers, waarvan ook schrijvers als Marion Bloem en Theodor Holman deel uit maken. Birney is onder meer de samensteller van de gezaghebbende bloemlezing Oost-Indische inkt (1998) over 400 jaar Indië in de Nederlandse letteren. Hij werd al in 1996 door Standaard der Letteren (de NRC van België) «het best bewaarde geheim van en de stille kracht in de Nederlandse literatuur» genoemd.

Ernst Jansz en Peter van Dongen

Aan de interviewtafel schuiven verder aan Peter van Dongen, Glenn Pennock en Ernst Jansz. Peter van Dongen (o.a. onderscheiden met de stripschappenning) is schrijver en tekenaar van de stripboeken Rampokan Java en Rampokan Celebes over de nadagen van de Nederlandse aanwezigheid in voormalig Nederlands-Indië. Hij verzorgt ook het artwork voor de romans en cd’s van Ernst Jansz: Molenbeekstraat en De Overkant. Van Dongen laat zijn werk op groot scherm zien.

Van Ernst Jansz wordt de kersverse uitgave van ’de complete’ De Overkant gepresenteerd: roman met fotokaternen + cd + dvd.

Muzikaal intermezzo en televisiebeelden

Glenn Pennock is de schrijver van De weg van de kat en Het vuur van de draak waarin de filosofie van de pencak silat een belangrijke rol speelt. Eind jaren tachtig had hij in Heemstede een sportschool waarin hij lesgaf in deze Indonesische vechtsport. Na omzwervingen in Amerika is hij sinds een paar jaar terug in het Haarlemse en werkt hij aan een nieuwe roman. Evenals Alfred Birney en Ernst Jansz is Glenn Pennock van huis uit professioneel muzikant. Hij neemt zijn gitaar mee en verzorgt een muzikaal intermezzo. Tevens worden fragmenten getoond uit een in 1986 gefilmde ontmoeting tussen Frans Lopulalan en Ernst Jansz over de rol van hun vaders in het Indische gezin, naar aanleiding van hun boeken Onder de sneeuw een Indisch graf en De Overkant.

Mondiaal Literair

Mondiaal Literair is een samenwerking tussen het Mondiaal Centrum Haarlem en Uitgeverij In de Knipscheer. De maandelijkse schrijversavonden van Mondiaal Literair worden thematisch samengesteld, zoveel mogelijk naar aanleiding van recent bij Nederlandse uitgeverijen verschenen of te verschijnen boeken, die inhoudelijk de vaderlandse grens overschrijden. Centraal staat het interview met de auteurs, soms in een gezamenlijk gesprek, soms na elkaar. Uiteraard lezen een of meer schrijvers kort uit eigen werk en signeren zij hun werk na afloop aan de boekentafel. Uitgever Franc Knipscheer is de host van de avond. De interviews worden gehouden door Peter de Rijk.

Woensdag 23 september 20.00 uur
Locatie: MCH, Lange Herenvest 122, 2011 BX Haarlem
De toegang bedraagt 5 euro, koffie en thee inbegrepen

Op vertoon van bibliotheekpasje kunt u gratis één introducé meenemen
Reserveren vooraf is wenselijk: 023 – 542 3540
www.mondiaalcentrumhaarlem.nl

*** Van Alfred Birney worden gratis exemplaren van zijn postkoloniale bundel Yournael van Cyberney uitgedeeld! ***

Problemen voor Opera browser opgelost

De problemen die deze layout in de Opera browser gaven, zijn opgelost met de toevoeging van een simpel stukje code. Er werd geklaagd over de lay-out met de monsterletters, daarom hebben we er even wat werk van gemaakt. Alles goed zo? Sorry, reacties staan uit. De schrijver heeft geen tijd. Mailen kan altijd natuurlijk.

De eerste zin

logo alfred birney weblog Iedereen kent de beroemde beginzin Mijn vrouw is dood en al begraven van Marcellus Emants uit Een nagelaten bekentenis (1894). Een voortreffelijke eerste zin is nooit weg, maar staat niet garant voor een voortreffelijk boek. De tweede zin moet namelijk de verwachting van de eerste inlossen. De derde die van de voorgaande zinnen, enzovoort. Als je 2500 zinnen in een zinvolle volgorde achter elkaar hebt gezet, dan heb je een geslaagde novelle of korte roman geschreven. En niet als de eerste zin schittert en de rest bagger is.

Ik heb het eigenlijk altijd obligaat geneuzel gevonden, dat inzoomen op de eerste zin van een literair boek. Het was echt voer voor gemankeerde schrijvers, pseudo-literatoren en meer van dat snobberig volk. Toch heeft dat geleuter over de eerste zin me nooit werkelijk koud gelaten, uiteraard, het hoort nu eenmaal bij het schrijversvak. Schrijven is namelijk een vak. Dat wist u natuurlijk al, al zou je het niet zeggen. Het gros van de boeken dat wordt verkocht is namelijk rotzooi. Bagger. Meuk. Zooi. Crap. Driemaal niks. Mijn zoon wordt intussen echt vrolijk van slechte zinnen. Ik geef hem namelijk bijles door slechte teksten en beroerde zinnen voor te lezen en die met hem te ontleden.

Ik was u nog een anekdote schuldig. Dus begin ik eerst maar over die obligate eerste zin te leuteren. Ik ben namelijk een zeikerd. Dat wist u natuurlijk al, dat hoort immers bij het schrijversvak. Weet u, eh… ik val zo min mogelijk mensen lastig met hinderlijke correcties. Zo’n zeikerd ben ik ook weer niet. Dus als iemand zegt “hoeveel kost dat”, dan verbeter ik die persoon niet. Ook niet als iemand schrijft dat “iets groter is als dat”. Of als iemand roept: “daar irriteer ik me aan”. Ze doen maar. Wat kan mij het schelen. Maar mijn zoon krijgt wél mijn gezeik over zich heen. Ja, figuurlijk, ik ben Reynaert niet hey. U denkt nu vast dat hij ook schrijver wil worden. Nou nee. Zo idioot is hij natuurlijk niet. Het vak Nederlands interesseert hem weinig. Tenzij ik de spot drijf met wat er allemaal gezegd en geschreven wordt. Dan ziet hij dat zijn eigen taalgebruik nog zo beroerd niet is.

We zitten aan de keukentafel en wachten totdat ik iets uit de oven kan halen. Of we hebben net gegeten. Zoiets. Het gebeurt altijd aan de keukentafel. Dáár wordt het meest geschaterd. Er liggen vaak wat boeken in de vensterbank. Recensie-exemplaren die ik opgestuurd krijg. Mijn zoon vraagt dan of “ze een beetje kunnen schrijven”. Dan pak ik een nieuw boek, waar ik nog geen blik in heb geworpen, en lees de eerste zin voor:

Heimwee en hoop, de klanken en etensgeuren van thuis, veel meer kan een migrant niet meenemen.

Mijn zoon laat de zin zwijgend tot zich doordringen. Om hem wat te helpen vraag ik:

“Heb jij weleens een klank van thuis meegenomen?”

Mijn zoon schiet in de lach.

“Heb jij ooit een etensgeur van thuis meegenomen, in je broekzak gestopt misschien?”

Mijn zoon lacht nog harder.

“Wat denk je: neem jij later heimwee mee als je op reis gaat, of krijg je dat heimwee gratis op de plaats van bestemming?”

Mijn zoon klapt dubbel van de lach.

“En die hoop… Nou, goed dan. Laten we die dan maar straks van thuis meenemen, zodat we niet samen onder de tram komen.”

Mijn zoon kronkelt over de vloer van het lachen. En blijft er bijna in wanneer ik zeg dat deze zin niet van een beginner komt, maar van iemand die al een waslijst aan publicaties op zijn naam heeft staan. Dat de tekst ongetwijfeld door een handvol proeflezers is bekeken, door een redacteur is nagezien en door een corrector is nagelopen. Helaas, de vaklui staan op straat. Ik hoef maar een boek te pakken, de eerste zin op te dreunen en er vervolgens met het ontleedmes langs te gaan. Het gaat er niet om wat je schrijft, zelfs niet hoe je schrijft, maar de boel moet wél kloppen.

Plotseling vraagt mijn zoon me: “Zeg, hoe staat het eigenlijk met jouw eerste zin in je nieuwe boek?”

“Eh… watte?”

Ik pak de drukproeven er even bij en lees de eerste zin voor. Die klopt. Maar hij is te lang, besluiten we. Amechtig bovendien, vind ik. Als ik hem in tweeën knip gaat hij er al een stuk op vooruit. Evenwel, de daaropvolgende zinnen kun je niet echt volgers noemen. Het tweede deel van de afgekeurde zin moet naar het einde van de alinea, dan heb je meteen een spanningsveld. Mee eens? Mijn zoon knikt. Zo moet het. En dan zit ik al in de slotfase: het boek gaat weldra in productie. Conclusie: niet de eerste zin moet goed zijn, maar de eerste alinea. En vervolgens… u weet wel.

Mijn zoon houdt zich de laatste tijd opmerkelijk intensief met eerste zinnen bezig. Hij kent er zelfs al eentje, ongevraagd, uit zijn hoofd:

Mijn vader stierf in de armen van mijn driejarige dochter.

Kijk, daar kun je mee aankomen. Deze zin is net zo eenvoudig als die beroemde van Marcellus Emants, maar dubbelzinniger. De informatie die je krijgt is duidelijk en wonderlijk tegelijk. Je wilt meteen weten wat er aan de hand is. Aan u de vraag: welk boek of welke novelle uit de moderne Nederlandstalige literatuur begint met deze zin?

Upgrades

Vanwege upgrades van de wordpress motor, die deze site aandrijft, werkt niet alles steeds naar behoren en daarom zoeken we naar manieren of desnoods een andere draaien we nu even de default template sandbox om met de hectische tijd in cms-land mee te kunnen gaan. We zijn dus een beetje aan het rommelen geslagen. Schrik niet als je opeens een ander beeld krijgt. Dat ligt niet aan jou, noch aan je pc of deze site – nou ja, het kán natuurlijk wél zo zijn ;-)

Met de groeten van Birn Bros. Hier zie je ze way back in time, 1955 ongeveer. Links de schrijver, rechts de webmaster. Ze geloofden dat als ze lang genoeg graafden, dat ze dan water zouden vinden. De schrijver in spé geloofde dat je dan ook vissen kon zien zwemmen, wat door de webmaster in spé als zijnde onzin werd weggewuifd.

De foto moet genomen zijn ergens in de openbare achtertuinen van Den Haag Zuidwest. Dit beruchte stadsdeel staat uitgebreid beschreven in Alfred Birney’s roman Het verloren lied, voornamelijk in hoofdstuk 1. In een recent verhaal gaat de schrijver er nog eens naar terug, beginnend met de architect Dudok op de hak te nemen, de man die na de oorlog zo’n kil stadsdeel uit de grond heeft laten stampen.


birney twin

Zetproeven

logo alfred birney weblog Het is altijd weer een feest om je zetproeven onder ogen te krijgen. Je tekst heeft de afmetingen van boekpagina’s aangenomen, de bladspiegel is zoveel kleiner dan een A4’tje en dus laat alles zich zoveel ánders lezen. Hier begint de beruchte fase waarin schrijvers de neiging krijgen om maar weer eens flink aan de tekst te gaan sleutelen. Om dat tegen te gaan, staat er een clausule in je contract, die zegt dat wanneer de veranderingen een bepaald bedrag overstijgen, je de extra kosten zelf moet betalen. In vroegere tijden was men wat coulanter: er werd veel meer tijd aan je tekst besteed, zetters deden alles handmatig en zorgden er bijvoorbeeld voor dat er hooguit drie afbreekstreepjes op een pagina kwamen en niet meer. Nu heb je in no time je tekst terug, compleet met verkeerd afgebroken woorden. Ze zeggen dat computerprogramma’s woorden over het algemeen goed afbreken. Maar ja: wat is “over het algemeen”?

Een voorbeeld: … en vor-mde…

Drie medeklinkers na elkaar kunnen een computerprogramma dus al hoofdpijn bezorgen.

En dan nog zoiets: op één bladzijde zie ik regel 7 en 8 en 10 eindigen op “haar” en regel 11 op naar. Dat valt een lezer direct op en kan een bladzijde bespottelijk maken. Met een stukje meer ruimte tussen twee woorden kan dat voorkomen worden.

Maar is dat werk dan voor een schrijver? Ik zou zeggen van niet. Toch kun je maar beter een oogje in het zeil houden, want met de typische corrector en zetter is ook de echte typograaf uitgestorven. Studenten leren het vak nog wel, maar in de praktijk spelen zaken als tijd = geld de hoofdrol, om maar even niet te spreken van uitgevers en boekhandelaren die zich overal mee bemoeien. Vergelijk de typografie van boeken van 25 geleden eens met elkaar. Geniet van de verschillen! Leg daarna boeken anno 2009 opengeslagen naast elkaar: het is dan echt zoeken naar de verschillen. Vergeleken met het zetsel van vroeger wordt er ook enorm gehannest met interlinie, soms vallen er gewoonweg gaten in de tekst. Dat is in mijn nieuwe boek gelukkig niet het geval. Het ziet er goed en mooi uit.

Correcties

logo alfred birney weblog Ik ben een week of twee bezig geweest met de laatste correcties aan mijn boek. Dat wil zeggen: ik heb wat zinnen verbeterd en voor de rest ben ik gaan zitten piekeren over zaken waarmee ik u maar niet lastig zal vallen. Ik ben slecht in keuzes maken. Nou zegt men dat het niet maken van keuzes ook een keuze is, maar met die onzin kom je niet ver als je een definitieve versie van je manuscript moet inleveren. Ik treuzelde enorm, totdat afgelopen zondag – ja de zevende dag – mijn uitgever opeens vroeg of ik de tekst nog die avond wilde inleveren. Dan kon de persklaarmaker er de volgende dag mee aan de gang. Ik beloofde het manuscript uiterlijk middernacht per e-mail in te leveren en ging als een gek aan de slag.

Om tien over half twaalf zag ik dat ik het nooit zou redden. Ik verklaarde 00:00 uur als zijnde een ontijd en pakte er nog maar wat uurtjes bij. Ik was die middag namelijk op het zotte idee gekomen om nog wat te gaan schuiven met twee hoofdstukken, zodat er een soort van parallelle vertelling door het verhaal kon gaan stromen, als u begrijpt wat ik bedoel. Maar de tekst was al zo gelaagd, al zie je dat er niet direct aan af (en zo hoort het ook). Ten leste besloot ik om de twee hoofdstukken eenvoudig weg te gooien, te deleten, te ditchen, te dumpen, te wissen – wat is het heerlijk om daar allerlei werkwoorden voor te zoeken. Pas toen dat eenmaal gebeurd was, voelde ik dat het goed was. Dat het die twee hoofdstukken waren die me de afgelopen twee weken zo in de weg hadden gezeten. Niet omdat ik ze steeds tegenkwam, maar vanwege hun simpele bestaan. Ze hadden geen bestaansrecht in mijn verhaal, ze voegden er niets aan toe, maakten de boel nodeloos gecompliceerd.

Vraag me niet waarom een schrijver zoiets niet eerder ziet. Het is als het optrekken met een stel vrienden, onder wie er een paar zitten die niet helemaal deugen. Ik zal maar niet met een analogie met liefdesrelaties komen.

De correctieronde van mijn nieuwe boek

logo alfred birney weblog Ziezo, de correcties van mijn manuscript vielen gisteren zowaar in mijn brievenbus. De uitgever had ze al op vrijdag gepost, maar sinds de industriële revolutie rond 1900 is de snelheid van de post niet meer toegenomen, integendeel. Een envelop met een stapel A4-tjes doet vier volle dagen over een afstand van 60 kilometer. Dat is 15 kilometer per dag en gemakkelijk te lopen. De PTT / TPG / TNT kan de bestelbusjes dus in de plomp gooien en Nordic-wandelaars met rugzakken op pad sturen. En passant voer je de verhoging in van de pensioengerechtigde leeftijd van 65 naar 67 jaar. Maar ik was niet van plan te gaan klagen, schelden, grommen, mopperen of katten. Ik ben blij mijn manuscript terug te zien, vol met op- en aanmerkingen in rode inkt en potlood. Rood moet, potlood mag. Ik ben redelijk braaf, maar Indo met een kleine letter i gaat er bij mij echt niet in. Indo met een hoofdletter is namelijk een statement.

Eigennamen krijgen bij mij altijd komma + s. Ik houd niet van geplak van s’en aan namen. Het is bij mij niet Donovans ballade, maar Donovan’s ballade. Ze mogen blij zijn dat ik me aan die bezopen spelling houd. De uitgever had me al gewaarschuwd: ik zou ditmaal een echte muggenzifter krijgen. De stijl van deze corrector lijkt een beetje op die Sonatine voor zes vrouwen (1996) deed. Ik dacht dat dit soort correctoren uitgestorven was, of tenminste wegbezuinigd, maar gelukkig liggen ze nog niet allemaal in hun graf. Wie weet komen ze zelfs weer terug, want we hebben het managerstijdperk nu wel achter ons, dat gedoe van mensen ontslaan en er zelf met de kostenbesparingen vandoor gaan. In het circus van smijten met geld en pletten van personeel is het oog voor zoiets als kwaliteit wat vertroebeld geraakt. Ik heb zelfs gehoord over uitgevers die werkstudenten manuscripten persklaar lieten maken en allerlei turbotaal voorstelden in het proza van een honderdjarige. Nou ja, goed, laat de auteur dan 50 zijn geweest.

De dood van zijn vrouw drukte zwaar op zijn gemoed. Hij baalde er onwijs van dat zijn vrouw de pijp uit was.

Ik verzin maar even een voorbeeld.

Nog eentje? Goed:

Ze gedroeg zich nogal aanminnig die avond bij de Karstens. Ze hing echt de slettebak uit die avond bij de Karstens (ja doei andere naam verzinnen graag, lijkt wel terug naar de vijftiger jaren).

Ja, goed gezien: “vijftiger jaren” is fout. Moet zijn: jaren vijftig.

Enfin, het boek dat twee jaar terug al werd aangekondigd maar door allerlei oorzaken niet verscheen, gaat in productie. De titel luidt nog steeds Rivier de Lossie. Een voorpublicatie in Archipel Magazine is wat gedateerd, de heleboel is herschreven. Als alles meezit, komt het uit in april. In de komende twee jaren komen er, crisis of niet, nog twee boeken achteraan, dus dan weet u dat alvast (smile).

Het is zegge en schrijven negen jaar geleden dat ik met fictie in boekvorm kwam. In de tussenliggende periode heb ik mij bezondigd aan het schrijven van columns, recensies, verhalen, essays en artikelen. Zelfs de journalistiek heb ik niet gemeden met interviews, editing en redactiewerk. Nou viel die periode mooi samen met het opgroeien van mijn zoon. Hij is nu zestien en heeft dus niet zoiets als een afwezige papa gehad, integendeel. Hij gaat me minder nodig hebben en dat is even wennen voor me – ik ben namelijk nogal zorgzaam – maar er komt nu zoveel tijd vrij dat ik wel weer aan een tweede schrijversleven kan gaan beginnen.

Er is veel veranderd in het literaire klimaat, maar ondanks de digitale revolutie zijn sommige zaken hetzelfde gebleven. Zoals het handmatig corrigeren van een manuscript. Er is geen hond die dat op een computer kan, het moet echt met pen of potlood. Papier brengt fouten aan het licht, beeldschermen doen teksten alleen maar mooi schijnen. Ik meen zelfs de geur van tabaksrook van de A4-tjes te ruiken. Volgens mij zijn het sigaren die de corrector rookt. Een vluchtige blik op de graffiti die hij over mijn proza heeft uitgestrooid, doet vermoeden dat hij erg goed is. Toch lijkt een parfumgeur me de volgende keer ook niet gek.

Zeg, kun je me haar telefoonnummer niet even geven? Ik kan haar handschrift niet goed lezen. Hey hallo, aangenaam, even afspreken ergens? Weekje Canarische Eilanden samen? We doen die correcties dan wel ’s morgens bij het ontbijt. Life is a piece of cake, ain’t it baby?

To blog or not to blog

De redacteur van een jonge collega schrijfster wees haar laatst op allerlei blogs en sites van schrijvers en dichters. De man wil alles op de voet volgen, dus hij heeft daar een dagtaak aan, zoveel als er wordt uitgebracht aan boektitels. Hij kwam met complete lijsten aanzetten, zij zapte zich suf, het begon haar allemaal te duizelen. Ik weet niet of het een verborgen klacht was, maar echt blij klonk ze niet. Ik neem aan dat haar redacteur tijdgenoten noemde. Dat lijkt me niet bijster slim. Ten eerste kun je als schrijver maar beter niet weten hoeveel so called collega’s op de trom slaan, ten tweede kun je de auteur die je begeleidt beter met klassieken opzadelen van Shakespeare, Goethe, Joyce, Kafka, Proust, Beckett, Kawabata, Nabokov, Perec, Duras, Elsschot, Bordewijk enzovoort – van hen kun je tenminste iets leren, mits je het talent bezit te zien wat zij deden dat anderen niet deden.

Mijn collega schrijfster vertelde dat er wel mooie sites tussen zaten. Dat ze daar vanzelf langer bleef hangen. Kwestie van smaak natuurlijk. Maar toch: als ze te veel blogs en sites bezoekt, schijnt schrijven haar nogal zinloos toe. Nu komt het. Ze zegt dat ze ervan houdt als er een mooi fragment op een site valt te lezen, zodat je direct een beeld krijgt van hoe iemand schrijft en wat zijn of haar thematiek is. Oei, daar schrok ik even van. Ikzelf heb nauwelijks proza op mijn weblog staan dat mijn stijl en thematiek typeert! Hier en daar wat Indonesische en Engelse vertalingen, de een wat beter gelukt dan de ander, veel krantencolumns, wat recensies, blogstuff over van alles en nog wat, mijmeringen van mijn webheld Meneer B., het Yournael van Cyberney, waarmee mijn webavontuur anno 2000 is begonnen en slechts enkele prozafragmenten uit boeken. Mijn beste werk staat er bij lange na niet op, dus ik kan dit weblog moeilijk een portfolio noemen.

Dit doet me denken aan een internetdebat van twee jonge Amerikaanse schrijvers: de ene schrijver blogde zich suf om contact met zijn publiek te houden, de andere blogde helemaal niet omdat hij bang was dat de mensen een verkeerd beeld van zijn proza zouden krijgen. Immers: internetproza is natuurlijk nooit zo fijnzinnig als dat wat je in een boek publiceert. Ik heb het hier uiteraard over de serieuze schrijvers, dus zij die literatuur als een kunstvorm zien en niet als een (slecht) middel om snel beroemd en rijk te worden. Als de gedachte aan discrepantie tussen digitaal en gedrukt proza mij komt kwellen – dat is een paar keer per jaar – dan heb ik weleens de neiging om mijn hele blog off line te halen, waar ik soms ook gehoor aan geef. Na enkele weken zet ik de boel dan weer on line. Omdat er zijn mensen die erom vragen. Omdat ik de schrijftafel niet ontvluchten kan (want dat is bloggen voor mij). Omdat Google al mijn artikelen in cash heeft, dus de boel is toch te achterhalen. Er zijn wel trucs om dat te saboteren, maar dat kost tijd.

Mijn jonge collega schrijfster vindt dat al die blogs van, vooral jonge, dichters overlopen van namedropping en kalenders van podiumoptredens en meer van die show off stuff. Op zoek naar de rust van een mooi gedicht moet ze dan echt zoeken naar wat die schrijvers nou eigenlijk produceren. Er wordt veel op hun weblogs geschreeuwd, schrijfvriendjes worden bewierookt en schrijfvijanden worden afgeserveerd. Verder hebben ze zoveel optredens dat zij zich afvraagt waar ze de tijd vandaan halen om te schrijven. Ze zegt dat Tommy Wieringa hier eens een leuke column over schreef. Ze vindt zijn site overigens overzichtelijk en mooi. Maar ja, je zal niet snel op die website komen, tenzij je op zijn naam zoekt. Alleen bestsellerauteurs kunnen zich een dergelijke statische website veroorloven. Megasellerauteurs hebben helemaal geen website nodig. Een dynamische site houdt je naam levend. Veel verschuift naar het web, de grootste boekhandel van Nederland is geen fysieke maar een digitale. Het gevaar dat je lezers aantrekt die niet bij je passen, en lezers afstoot die dat wel doen, blijft bestaan. Maar dat heb je ook wanneer anderen over je schrijven. Ten slotte: wat je collega’s doen, dat zou je onverschillig moeten laten.