Verwacht

alfred birney de dubieuzen

Nadat Alfred Birney in 1998 zijn veelbesproken bloemlezing Oost-Indische inkt; 400 jaar Indië in de Nederlandse letteren had gepubliceerd, dook de schrijver nog dieper in de boeken. Dat resulteerde in Yournael van Cyberney (2001), waarin hij onder meer de maakbaarheid van de literaire canon onder de loep neemt. Nu brengt hij in De dubieuzen (2012) enkele opzienbarende boeken van vergeten schrijvers onder de aandacht. Het multiculturele leven in het voormalige Nederlands-Indië wordt daarin heel anders beschreven dan in boeken van beroemde schrijvers als Couperus en Multatuli. In dit diepgravend maar levendig geschreven essay over onze koloniale literatuur worden opvallende en verrassende parallellen met ons huidige anti-multiculturele klimaat getrokken, waarin racisme, vreemdelingenhaat en religieuze uitingen tegenstellingen uitlokken en leiden tot fel debat.

Het boek wordt verwacht in april

Bierviltjesroman

updated: 28-11-2011

logo alfred birney Het Museum Meermanno Westreenianum is het oudste boekenmuseum ter wereld, met een wereldberoemde collectie zeldzame boeken. Mijn officieus prozadebuut De brave mol (1984) ligt er bijvoorbeeld, in een bibliofiele uitgave (75 exemplaren).

Het museum wordt met sluiting bedreigd door de draconische bezuinigingen op cultuur onder het kabinet Rutte. Daarom zet het museum allerlei acties op touw om geld in te zamelen. In Den Haag organiseert het van 20 tot en met 27 november de Week van het Schrift. Op verschillende plaatsen in de stad wordt aandacht gegeven aan de veelzijdigheid van het schrift: van kleitablet tot e-reader, handgeschreven brieven, een demonstratieve tocht, de kunst van het schoonschrijven en… een bierviltjesroman.

Haagse auteurs zullen in vier cafés op de achterkant van bierviltjes in gezamenlijke sessies verhalen schrijven. Het publiek wordt aangemoedigd om actief en creatief aan het schrijfproces deel te nemen. Of de verschillende sessies uiteindelijk een samenhangende roman zullen opleveren, is natuurlijk niet bekend, en ook spannend. Ook kunnen niet alle schrijvers op alle sessies aanwezig zijn en het is tevens mogelijk dat er nog andere schrijvers opduiken, die later zijn opgespoord dan aanvankelijk de bedoeling was.

Deelnemende schrijvers zijn: Sjaak Bral, ondergetekende Alfred Birney, Roel Janssen, Mohana van den Kroonenberg, Marly van Otterloo, Hans Sahar, Anja Sicking en Marcel Verreck.

De schrijfsessies duren ongeveer 2,5 uur en vinden plaats op de volgende locaties:

1. Bodega De Paas. Dunne Bierkade 16a. Zondag 20 november: 16.00 uur (thriller).

bierviltjesroman cafe de paap

Zeven van de acht schrijvers waren aanwezig in Bodega De Paas. De sfeer was hilarisch en het verhaal dat die namiddag ontstond absurd, in de goede zin van het woord. De projectleider van het museum zal de boel later licht redigeren voor een eventuele uitgave in een krant of in een boekje.

2. Perscentrum Nieuwspoort. Lange Poten 10. Donderdag 24 november: 15.00 uur (actuele politiek).

bierviltjesroman alfred birney nieuwspoort

Zes van de acht schrijvers hadden zich afgemeld. Alleen Hans Sahar en ik zouden verschijnen. Maar Hans Sahar kwam niet. De sfeer in Nieuwspoort vond ik niet geweldig, ik ergerde me aan te luid sprekende televisiejournalisten die er rondhingen. Omdat ik als enige schrijver aanwezig was, besloot de projectleider van Meermanno mee te schrijven. AFK nam zijn taak over en typte de teksten van de bierviltjes op een netbook. Eenmaal thuis zag ik op Facebook dat Hans Sahar jarig was…

AFK

3. t Gulle Gasthuis. Oude Molstraat 20b. Vrijdag 25 november: 17.00 uur (doktersroman).

Vandaag waren er vier schrijvers aanwezig, onder wie de heren Marcel Verreck en Sjaak Bral. De sfeer in het bomvolle café, dat ik nog kende als “Het Proeflokaal”, was geweldig, met een meelevend publiek. Het verhaal werd een komische draak van een mini doktersromannetje, dat aan het einde van de sessie door de nachtburgemeester werd voorgelezen. De foto’s die ik maakte met mijn verouderde Nokia zijn mislukt, veel te donker, ze lijken nergens op. Het is wachten op actiefoto’s van allerlei mensen die het deden onweren met hun flitsapparaten in het kleine, gezellige café.

gulle gasthuis

bierviltjes birney bral verreck

4. Bodega De Posthoorn. Lange Voorhout 39a. Zaterdag 26 november: 19.00 uur (Haags literair).

Anja Sicking, Marly van Otterloo, een gastschrijver en ik zaten nogal ongelukkig in een hoekje van het café weggestopt, een situatie waaronder de interactie met het publiek wat te lijden kreeg. We hadden afgesproken om elk steeds één zin te schrijven. Het verhaal begon wat stroef, maar kreeg toch een aardig einde. Het is overigens onmogelijk om in twee uur een puur literair verhaal te schrijven, dat zag je duidelijk aan het tempo dat Anja Sicking en ik er op na houden: veel doorhalingen…

De actie voor Museum Meermanno lijkt te zijn gelukt. Probleem is dat het museum elk jaar zijn financiële doelen zal moeten halen. Het zijn niet in eerste instantie de idiote bezuinigingen van het kabinet die de wereld van de kunsten bedreigen. Het is de brede nationale steun die het krijgt van het onnadenkend publiek, voor wie televisie en internet wel zo ongeveer genoeg is.

Come-back van Glenn Pennock

Afgelopen vrijdag vierde Glenn Pennock zijn comeback als schrijver. Ik dacht dat hij nooit meer op het schrijverspodium terug zou keren, maar nu staat hij er toch weer, weliswaar met gitaar, maar dat is welhaast usance onder Indo-schrijvers. Het was een erg gezellige avond, en vooral bijzonder. Want er zijn maar weinig schrijvers die na 23 jaar afwezigheid hun literaire snoet weer laten zien.

glenn pennock presentatie

Glenn Pennock (1953) is de schrijver van wie ik een fragment koos om mijn beruchte bloemlezing Oost-Indische inkt (1998) mee af te sluiten. Ik heb nooit uitgelegd waarom ik een fragment van hem koos, dat doe ik nu:

De bloemlezing opent met een wonderlijk stuk proza uit de Itinerario (1595-96) van Jan Huygen van Linschoten (+/- 1562 – 1611), waarin wordt verhaald van een vis die zich onder een zeilschip heeft vastgeklemd en met zijn enorme staart 14 dagen lang met tegendraadse zwembewegingen het schip in achterwaartse richting dwingt. Het leek me aardig om mijn bloemlezing te eindigen met een modern vissenverhaal. Ik vond dat in Glenn Pennock’s roman Het vuur van de draak (1988). Daarin wordt een sprekende vis opgevoerd, met een geheel eigen grammatica – knap proza.

Oost-Indische inkt werd bij de verschijning op het Achtuurjournaal aangekondigd als een belangrijk overzicht van de Nederlands-Indische literatuur, beginnend bij Jan Huygen van Linschoten en eindigend bij Glenn Pennock. Nou was Glenn Pennock toevallig onvindbaar, wat onhandig was in verband met het regelen van auteursrechten. Maar een vriend van hem wist waar hij uithing en stuurde hem een kaartje met de mededeling dat zijn naam op het Journaal was genoemd in verband met het verschijnen van etc etc.

Vele jaren later ontmoette ik Glenn Pennock weer en hij vroeg me of ik destijds zijn bedankbrief nog had ontvangen uit Amerika, waar hij tien jaar lang in het gitaristencircuit bleek te hebben meegedraaid. Dat was niet het geval, want uitgevers kunnen nogal slordig omgaan met de post, wat niet verwonderlijk is met al die troep van amateur-schrijvers die ze dagelijks op de stoep geplempt krijgen. Glenn en ik werden vrienden en nu en dan trad hij op als gitarist bij een boekpresentatie of lezing van me.

glenn pennock en alfred birney podium tong tong fair

Ik herinner me nog de boekpresentatie van Glenn Pennock’s roman Het vuur van de draak in 1988. Hij leidde toen een pencak silat-school en luisterde zijn feestje op met een pencak silatdemonstratie ergens in Amsterdam. Nu dan, 23 jaar later, vrolijkte hij zijn boekpresentatie in het Mondiaal Cultureel Centrum in Haarlem op met een gitaarshow van hemzelf en een stel vrienden.

Glenn Pennock’s derde boek is getiteld Als gitaren schreeuwen. Vandaar. Het boek is net zo vormgegeven als mijn rivierentrilogie en andere nieuwe uitgaven van Uitgeverij In de Knipscheer. Die mooie, kleine gebonden boeken, met zilveren belettering op de hardcover rug en een omslag met flappen, lijkt onderhand het fraaie handelsmerk van die uitgeverij te worden. Het boek verschijnt morgen, op maandag 10 oktober. Je kunt kiezen: rennen of clicken naar een boekwinkel.

Schrijvers vanuit de verdediging

letterenhuis Verleden week vierde het Letterenhuis zijn nieuwe onderkomen met een bescheiden feestje voor het team, schrijvers en nog zo wat lui die eromheen hangen. Het is soms wel aardig om een troep van je collega’s bijeen te zien: nieuwkomers en oudgedienden. Ik herinner me te hebben staan babbelen met Anja Sicking, Mohana van den Kroonenberg, Marian Boyer, Kester Freriks en Nicolaas Matsier. Mijn redacteur liep er ook rond en hij gaf me het advies om vooral de ruimte te nemen in mijn roman-in-wording, omdat ik toch al geserreerd kan schrijven. Alsof hij mijn gedachten las. Gepriegel in novellen, waarin geen enkele zwakke bladzijde mag staan, is een geweldige uitdaging, maar als het verhaal vraagt om een roman dan moet dat maar. Het is lang geleden dat ik aan zo’n omvangrijke klus werkte: Het verloren lied.

In het huidige politieke klimaat krijgen kunstenaars de wind van voren. Het grote publiek denkt inmiddels dat kunstenaars vele miljoenen opslurpen uit de subsidiepot zonder er daadwerkelijk iets tegenover te stellen. Ook schrijvers worden intussen gevonden door subsidiespeurders die met de verbetenheid van wolven achter hun gesubsidieerde werkplekken de jachthoorn blazen. Het jongste tijdschrift van het Nederlands Letterenfonds, een jonge fusie van het Fonds voor de Letteren en het Nederlands Literair Productie- en Vertalingenfonds, slaat dan ook een verdedigende toon aan. Stukken van allerlei schrijvers moeten de onwetenden duidelijk maken waar een schrijver staat, wat een schrijver doet en wat een schrijver betekent voor het land en de taal waarin hij of zij schrijft. Het heeft iets weg van roepen in een woestijn, want welke onverlaat leest zoiets als drukwerk van het Nederlands Letterenfonds? Quotes van buitenlandse uitgevers en schrijvers staan op het omslag, dat wordt gesierd door een oude boom, die zich in tweeën splitst:

“De wereld van het woord en dus de boekenmarkt verandert volop. Veel uitgeverijen van nu produceren en gedragen zich alsof ze deel uitmaken van de ‘entertainmentindustrie’ en niet van de markt van ideeën.” – André Schiffrin.

Mwah, niet bijster fraai neergepend, tamelijk onvolledig ook, maar het is een redelijk statement.

“Ik geloof niet dat de digitale technologie de functie van de uitgever radicaal zal veranderen de komende jaren. De selectieve functie is het hart van ons vak. Ik denk dat het papieren boek en het e-book gedurende een heel lange tijd naast elkaar zullen blijven bestaan, en ik geloof niet dat het papieren boek ooit totaal zal verdwijnen.” Jean Mattern.

Hier is de tweede zin het sterkst. Die gaat over het scheiden van het kaf van het koren. Over de rest valt te discussiëren en of het papieren boek nooit zal verdwijnen, daar heb ik mijn twijfels over. Maar dat heeft natuurlijk niets te maken met de creativiteit van de schrijver.

De mooiste quotes staan binnen in het blad. Arnon Grünberg vraagt zelden direct subsidie aan, maar is collegiaal en slim genoeg om zijn broeders en zusters niet af te vallen, zoals Boudewijn Büch gewoon was te doen. Ook grijpt Arnon Grünberg weer eens zijn kans om Nederland met Duitsland te vergelijken. Dat lijkt een olijke hobby van hem. Op zijn weblog liet hij eens weten dat Duitsers Nederlanders in beleefdheid verre overtreffen. Nou is dat natuurlijk al zo sinds de VOC, sla er de scheepsjournalen van Duitse lieden maar op na. Maar toch een enorme sneer voor de goede verstaander.

Iemand als Cees Nooteboom verbaasde zich eens over het respect die de Amerikanen voor schrijvers tonen: in New York rolden ze een rode loper voor hem uit toen hij eens een literaire prijs kwam ophalen. Hopelijk is hij niet door dat ene voorval zo verschrikkelijk naast zijn schoenen gaan lopen, maar dit terzijde. Gauw terug naar Arnon Grünberg:

“Dit kabinet is in het zadel geholpen door kiezers die zich er niet voor schamen dat ze meer van hun auto houden dan van Goethe. Een Nederlands verschijnsel trouwens, soortgelijke geluiden hoor je zelden in Duitsland. Dat zo veel Nederlanders deze voorkeur hebben, valt te betreuren, maar het is de realiteit. Om Brecht te parafraseren: je kunt het volk wel afschaffen, al zal dat ook in 2011 niet zonder bloedvergieten gaan.”

Nogal gammel geformuleerd, maar de parafrase mag er zijn.

De mooiste quote komt van Marjolijn Februari:

“Nederland hecht een groot belang, een publiek belang, aan schrijvers. Het enige probleem is dat niemand ze wil betalen.”

Uiteindelijk kom je uit op het begrip kwaliteit. Wat is kwaliteit? Wie bepaalt het? Het vervelende is, dat kwaliteit een beleving veroorzaakt die direct met taalgevoel verband houdt. En gevoel is een fenomeen zo ongrijpbaar voor de meeste mensen, dat ze het verwarren met emotie.

vrijdag 23 september 2011

Raamvertelling

raamvertelling Op zondag 11 september 2011, van 11 tot 11, vindt er in de Maliestraat, Den Haag, een live raamvertelling plaats. Alfred Birney doet mee, met Gerbrand Bakker, Saskia de Coster, Kees ‘t Hart, Thomas Lieske, Marcel Möring, Gustaaf Peek, Christiaan Weijts, Frans P. Thomése en diverse dichters, acteurs en muzikanten. De literaire straatparade is breed van opzet, gevarieerd, en… gratis (op Literair Theater Branoul na). Schrijvers zitten achter de ramen en kunnen bespied worden, maar zij kunnen ook u bespieden en zelfs over u schrijven. Voor alle informatie surf naar raamvertelling.nl, een kersverse site die dagelijks wordt bijgewerkt.

Update:

Alfred Birney’s defintieve programma.

Zondag 11 september

Den Haag, Maliestraat 12

14:15 – 14:55 u Theater Branoul. Ontbijten met Birney
15:30 – 16:30 u. Elders in het straatje. Aantekeningen uit het sousterrain (voor de voyeurs)


Grotere kaart weergeven

De koplamp, nieuw verhaal in Moesson

Voor het augustusnummer heeft Moesson een nieuw verhaal van me opgenomen, met de ietwat nietszeggende titel De koplamp. Hoewel de titel de lading dekt, had ik het verhaal liever De meteoriet genoemd, maar ik was te laat om de titel te laten veranderen. Dat is natuurlijk geen ramp, het kan later altijd nog, als ik mijn verhalen laat bundelen. Of ik dat werkelijk ooit ga doen, weet ik niet; het kan evengoed dat ik al mijn losse proza bewerk in een nieuw mozaïek, waarin de oorspronkelijke verhalen een heel ander geluid krijgen. Ik weet het nog niet, mijn creativiteit lijkt soms grenzeloos, wat nogal hinderlijk kan zijn.


alfred birney verhaal in moesson

Nog voordat ik het blad in mijn brievenbus had, ging het gerucht van mijn nieuwe verhaal Facebook al over, waar ik for the time being terug ben. Ik las de commentaren en vroeg me af of de mensen nog wel weten wat fictie is. Non-fictie is wat mij betreft een plaag geworden met al die boeken van bekende Nederlanders en buitenlandse hot shots uit de showbizz. Ook blogs op het internet worden vrijwel altijd letterlijk genomen: pure fictie op het internet is vrijwel onmogelijk, tenzij je sprookjes schrijft.

Ik schrijf bij voorkeur vanuit de herinnering. Zodra je dat doet, worden feiten vanzelf fictie: je giet alles immers in een verhaal. Dat sommige gebeurtenissen levensecht overkomen, wil nog niet zeggen dat ze ook precies zo zijn voorgevallen. Ik weet het: schrijvers klagen altijd over de eeuwige vraag of dat wat ze schrijven nou allemaal wel echt gebeurd is.

Vanwaar die klacht?

Nou, een serieuze schrijver zet niet alles in één keer op papier. Versie na versie is nodig om een goed verhaal te krijgen. Het lijkt wel alsof mensen aldoor minder van de kunst van het schrijven kunnen genieten. Dat ze alleen maar een verhaal willen en geen interesse hebben in hoe het is verteld. En toch: als het leest alsof het geen moeite heeft gekost, dan is het goed.

Ik ben benieuwd hoe schrijfkunst zich verder zal ontwikkelen. Mijn grootste nachtmerrie is dat op zekere dag Google met een ‘levensechte’ roman komt, geschreven door robots die ‘het materiaal’ jarenlang van websites hebben gestolen. Uiteraad bestaat er een nog grotere nachtmerrie: dat de mensen dat robotproza geweldig vinden…

De taal van het lichaam

Een snapshot van een podium waar vijf schrijvers bij elkaar komen voor een debat dat nooit op gang komt. Click op de foto voor een vergroting.


alfred birney

Van links naar rechts: Lizzy van Leeuwen (wetenschapper), Alfred Birney (prozaschrijver), Eveline Stoel (journalist), Wim Brandts (dichter), Wim Willems (wetenschapper). De foto komt uit East Magazine, waar een verslag van het debat in afgedrukt staat.

Meewarig neokoloniaal proza van de eerste generatie

leugens en lotgenoten Je hoeft geen Indo te zijn om een Indisch verleden te hebben. Toch bestaat een wezenlijk verschil tussen verhalend proza van Indo-schrijvers en totok-schrijvers, al wordt dat niet altijd gezien. Tjalie Robinson schrijft vanuit de Indo en Hella Haasse kijkt náár de Indo, om maar een pikant voorbeeld te noemen.

Jan Willem Smeets is van de generatie van Yvonne Keuls, F. Springer, Helga Ruebsamen en Paula Gomes. Zijn eerste twee romans verschenen 20 jaar geleden; beeldende kunst is zogezegd zijn hoofdvak. De flaptekst van zijn roman Leugens en lotgenoten (2010) vermeldt dat hij over een “groot stilistisch vermogen” beschikt, maar op de eerste bladzijde bewijst de schrijver al het tegendeel: Hotsebotsend reed ik verder en hield stil voor het huisje van ooit eens gebeitste… Hardleers als deze stilist is, kwakt hij gaandeweg het boek nog meer van dergelijk kinderproza op papier: Hilde dekte rats-boem-knal de tafel

Uitgeverij Ailantus lijkt te bezuinigen op goede redacteuren. Op bladzijde 29 is een niet te missen doublure gewoon blijven staan. Zes bladzijden verder breekt de schrijver impliciet een lans voor verhalend proza als tegenwicht tegen de enorme hoeveelheid non-fictie die over Nederlands-Indië is geschreven. Daar ben ik heel blij mee. Maar meer dan wat clichés over de Hollandse kou, de verdachtenhoek van mensen met een koloniale achtergrond en een strenge opvoeding komt er niet tevoorschijn.

Smeets’ wat meewarige, nonchalante stijl doet soms aan het proza van John Fante denken, maar werkt niet in zijn roman, dat drie hoofdstukken telt, waarin hij aandacht vraagt voor de lotgevallen van totoks. Zijn helden leiden een weinig interessant leven, of ze nou wel of niet in het “jappenkamp” hebben gezeten. Nou hoeven je romanhelden niet direct een spannend leven te leiden, mits je goed schrijft. F. van den Bosch heeft dat stijlvol in zijn kleine oeuvre laten zien.

Het tweede hoofdstuk maakt wel wat goed. Er ontspint zich namelijk gaandeweg een schandaleus verhaal rond een moederfiguur. Jammer genoeg mist de schrijver het vakmanschap van F. Springer om het verhaal werkelijk boeiend te maken. Waar hij wel goed in is, dat zijn de eigen valkuilen die hij in zijn babbelproza graaft. Een voorbeeld:

…maar toen ik merkte dat ik er in hun ogen alleen maar nog vreemder door werd, was ik uiteindelijk maar gaan verwijzen naar Couperus, Dermoût, Du Perron, Székely-Lulofs enzovoort die, zei ik dan, het allemaal heel wat beter hadden beschreven dan ik zou kunnen.

Wat bedoelt de schrijver met “zei ik dan”? Dat hij inmiddels wél zo ver is dat hij zich kan meten met de namen die hij noemt? Stel dat het in verhaaltechnisch en stilistisch opzicht zo zou zijn geweest, dan nog had ik mijn twijfels gehad over de mentaliteit van de verteller van het verhaal. Zijn houding ten opzichte van Indonesiërs is niet bijster sympathiek: “roomservice” blijft “roomservice”, want Smeets is eenvoudigweg te beroerd om van bedienend personeel mensen van vlees en bloed te maken. Op dat punt kan hij zich intussen wel meten met iemand als Székely-Lulofs, die daar ook een handje van had. Kortom, Smeets is wat dat betreft nooit verder gekomen dan zijn kinderjaren, toen Székely-Lulofs op het toppunt van haar roem was. Onbegrijpelijk dat dit soort neokoloniale romans nog wordt uitgegeven.

© 2010 Alfred Birney. Verscheen eerder in Archipel Magazine, jaargang 12, winternummer 2010

Het postkoloniale Indische debat

logo alfred birney weblog Het probleem met het postkoloniale debat in Nederland is dat er geen postkoloniaal debat is. Nou klinkt dit wat flauw, dus ik zal het wat genuanceerder zeggen: het postkoloniale debat in Nederland is afhankelijk van incidentele oprispingen bij de aandacht voor de Indische, Surinaamse en Caribische literatuur en, breder getrokken, voor boeken afkomstig van immigranten en hun nazaten. Wie wil weten wat koloniale en postkoloniale literatuur behelst, moet lezen Europa Buitengaats; koloniale en postkoloniale literaturen in Europese talen onder redactie van Theo D’Haen.

Onlangs trok een nieuw Indisch boek de aandacht van recensenten, onder wie er velen zaten die dachten dat het wiel was uitgevonden. Het boek is van Eveline Stoel, getiteld Asta’s ogen. Het is een documentair geschreven boek dat toevallig zijn weg vindt naar het grote publiek. Ik zeg toevallig, omdat er jaarlijks tientallen van dergelijke boeken verschijnen, al decennia lang. De meeste van die boeken belanden in de prullenbakken van de redactielokalen, een enkele titel vindt zijn weg.

Boeken als Asta’s ogen hebben als voordeel dat de Indische geschiedenis weer even levend wordt. Ik zeg: even. Want die geschiedenis wordt niet werkelijk levend gehouden, althans niet in de officiële canon. Onze beroepslezers hebben beroerd geschiedenisonderwijs genoten en in het kielzog daarvan dus net zulk beroerd literatuurgeschiedenis. Ze hebben geen helder zicht op de verschillen in perspectief tussen blanke en niet-blanke schrijvers uit Nederlands-Indië en de Cariben. Vanzelfsprekend geven zij hun beperkte kennis van de (post)koloniale literatuur door aan hun studenten, die op hun beurt doodleuk boeken als Orpheus in de desa en Oeroeg hoogtepunten noemen in de Indische literatuurgeschiedenis.

Let wel: het gaat hier niet over smaak, maar over perspectief. Een voorbeeld hiervan is de kritiek van Tjalie Robinson op Oeroeg, een stuk geschreven in 1948. Dit stuk, vol met sterke argumenten, heeft nooit enige invloed gekregen op de smaakmakers van de Nederlandse literatuur. Hoe komt dat?

Dit soort vraagstukken behoren bekend te zijn bij deelnemers aan een postkoloniaal debat. Anders weet je niet waarover het gaat. Afgelopen zaterdag werd er een dergelijk debat gevoerd in Nijmegen, er werd althans een poging ondernomen.

Op het podium nemen plaats Wim Willems, Eveline Stoel, Lizzy van Leeuwen en ik. Gespreksleider is Wim Brandts.

Wim Willems zit al 30 jaar met zijn neus in de materie, is biograaf van Tjalie Robinson en ziet soms door de vele bomen het bos niet meer. Eveline Stoel is een nieuwkomer die het zich kan permitteren onbevangen en ongehinderd door een veelheid aan kennis haar zegje te doen. Lizzy van Leeuwen doolt rond in het niemandsland tussen wetenschap en essayistiek en heeft de neiging het gesprek al te technisch voor de toehoorders te maken. Ikzelf doe vooral aan het begin van zo’n debat niets anders dan iedereen maar meteen in de rede vallen omdat ik denk dat ik het allemaal beter weet. Mij word herhaaldelijk door Wim Brandts ingefluisterd dat ik even mijn mond moet houden en dan gedraag ik me wel. Diezelfde Wim Brandts is een journalist (en dichter) met veel ervaring op het gebied van postkoloniale en etnische literatuur. Hij leidt het debat in strakke banen, omdat het anders een gekijf van jewelste wordt.

Dat een dergelijk debat nooit een bevredigend einde krijgt, dat weet je van te voren, al is het maar omdat meer dan de helft van de gesprekstijd opgaat aan het uitleggen van waar het nou eigenlijk allemaal om gaat. Toch zijn dit soort gesprekken zinvol. Want er zijn altijd mensen in de zaal die ermee aan de gang gaan, erover gaan nadenken, ook al hebben ze de helft maar begrepen.

Mijn punt is dat het postkoloniale debat een vanzelfsprekend onderdeel zou moeten zijn van het algehele literaire debat. Dat de postkoloniale geschiedenis als een wezenlijk en onlosmakelijk onderdeel zou moeten worden gepresenteerd van de algemene Nederlandse geschiedschrijving.

Maar ja… ís er überhaupt wel een literair debat? En wordt de canon van de Nederlandse geschiedenis wel écht vernieuwd met dat beetje VOC-gelul dat eraan is toegevoegd? Wanneer zijn we zover dat we vanuit verschillende perspectieven naar onze eigen (literatuur)geschiedenis kunnen kijken?

Wim Willems brak aan het einde van het debat, voor een volle zaal, een lans voor de Turkse schrijver Sadik Yemni, die klaagde dat hij als Turk alleen maar om zo te zeggen over kamelen mag schrijven. Dat vond Wim Brandts wel aardig om de avond mee af te sluiten. Nieuw is de klacht van Yemni natuurlijk niet. Ik schreef het al tien jaar geleden in mijn Yournael van Cyberney, een e-zine dat ik later herschreef en in boekvorm liet uitgeven. Dit zeg ik niet uit gelijkhebberigheid. Maar om te illustreren dat conclusies die ooit door schrijvende immigrantenkinderen worden getrokken niet direct door blanke Nederlanders worden overgenomen. Nee, die nemen ook nog eens tien jaar de tijd om tot dezelfde conclusie te komen. En als het even kan brengen ze het alsof het zelf hebben bedacht. Het komt er uiteindelijk toch steeds weer op neer dat je pas wordt geloofd zodra je een heel blank peloton achter je hebt. Een van de weinigen die dat tot dusver voor elkaar kreeg was Salman Rushdie. Maar daarvoor moest ie wel eerst een fatwa over zich heen krijgen. En zo ben ik weer terug bij af bij mijn eerste aflevering van Yournael van Cyberney, tien jaar geleden.

Den Haag heeft geen groot ego

logo alfred birney weblog Wanneer CNN het over Nederland heeft, dan wordt de camera op Den Haag gericht. The Hague. Dat is logisch, want Den Haag is, na New York, de tweede VN-stad. Amsterdam en Rotterdam zijn het Sodom en Gomorra van de Lage Landen, men vindt er graag opnieuw het wiel uit in varianten die Den Haag blasé maken. In Den Haag zetelt het juridische geweten van de wereld en aangezien de mensheid naar gewetenloosheid neigt, moeten talloze zaken in de Hofstad worden besproken. Wanneer in de landelijk politiek een schandaal uitbreekt, wijst men met de beschuldigende vinger naar de Residentie en wordt Den Haag een scheldnaam. Dat is geen probleem voor de Hagenaar. Die zet eenvoudig de naam ’s-Gravenhage in de kop van zijn brief en haalt opgelucht adem wanneer ministers en kamerleden de stad weer hebben verlaten in hun bolides, heli’s of pantserwagens.

Nu u al vijf namen voor de stad achter de duinen bent tegengekomen ziet u dat de stad zich lastig laat afficheren. Ooit strekte de beschaafde wereld zich uit van het Scheveningse strand tot aan Huis ten Bosch. Alles wat daar buiten viel heette La Province. Een andere verdeling had letterlijk en figuurlijk meer grond. In de zeventiende eeuw woonden de beter gesitueerden op zandgrond, grofweg van de kust tot aan de Laan van Meerdervoort, overigens de langste laan van West-Europa, terwijl het gewone volk zich op het vochtige veen ophield.

Op het Haagse zand sloeg het de mensen in Benoordenhout flink in de bol: daar moesten halve onsjes vleeswaren onder de deur door worden geschoven en hadden auto’s wel antennes maar geen radio. Mensen met kapsones en verder niks. Schrijvers zaten in Bezuidenhout, een zelfmoordwijk die om schrijven vraagt, en anders wel om schilderen: Vincent van Gogh werkte er, maar stierf er niet. In het centrum ligt, net als in Brussel, een politieke enclave: het zelfbesloten dorp het Binnenhof. Helaas gaat de grootste aandacht van Nederland daarnaar uit. Is dat niet ordinair?

Is het niet belangrijker een televisiewagen naar het Louis Couperus Museum te sturen wanneer de voordeur opnieuw is geschilderd? De Haagse romans van deze schrijver konden alleen bestaan dankzij het kolonialisme, dat honderden Haagse families puissant rijk en de bouw van het Concertgebouw in Amsterdam mogelijk maakte, om maar iets te noemen wat geen sterveling zich meer herinnert. Daarover nadenken geeft een mens inzicht in de geschiedenis.

Goede schrijvers beschikken over historische kennis. Slechte schrijvers niet. Ze zijn slaven van de hype, het snelle geld en kampen al gauw met een writer’s block. Veel schrijvers hebben iets met Den Haag, al is het maar omdat de stad soms wel op een grafzerk lijkt en bijkans schreeuwt om literatuur, kunst en muziek. Elke geboren en getogen Hagenaar heeft een haat-liefdeverhouding met de stad, er woont geen hond die zijn stad met vuur zou verdedigen. Den Haag heeft namelijk geen groot ego. Dat maakt de stad zo transparant, zo invulbaar, zo open voor zelfs zoiets als een tramtunnel, ontsproten aan het brein van een zoon van een schrijver, wat dacht u anders.

Den Haag heeft geen centrum maar kent meerdere centra. Men komt elkaar niet makkelijk tegen, men moet elkaar zoeken. Er zijn geen wandelgangen, de grachten zijn gedempt, er floreren vele subculturen. Kortom, de stad is een anarchie rond een koninklijk paleis dat eigenlijk in Amsterdam had moeten staan. Den Haag is een permanente bouwput, letterlijk en figuurlijk, waar het een komen en gaan is, al heel lang, met aldoor wisselende nationaliteiten, ook al heel lang, terwijl velen denken dat immigratie iets van de laatste tijd is. Daarom wordt onterecht gesproken in termen als de Nederlandse in plaats van de Nederlandstalige literatuur. Den Haag heeft sedert 2005 geen eigen dagblad meer. En ook geen duidelijk literair podium. Inmiddels schrijven alle landelijke dag- en weekbladen over Den Haag, nota bene de derde grootste stad van Nederland. Het is niet chic om je vuile werk door andere steden te laten opknappen, het getuigt veeleer van onverschilligheid. Een trotse stad met de Koninklijke Bibliotheek en het Meermanno Museum maar zonder een literair tijdschrift is al net zo ondenkbaar. Daarvoor kent Den Haag een veel te lange en te rijke literaire traditie. En toch hebben we er geen.