Internet als vijand van fictie

In het pré-internettijdperk was de leescultuur een oase waarin fictie kon gedijen zonder door non-fictie gebeten te worden. Verzonnen verhalen stonden model voor het leven van de mens. Thema’s herhaalden zich voortdurend. Een boek werd gedragen door de stijl van de schrijver. Non-fictie werd vaak opgediend in de vorm van essays. Thans worden essays met uiterste omzichtigheid uitgegeven. Veel uitgevers wagen zich er niet eens meer aan. Non-fictie heerst. Bekende Nederlanders krabbelen hun ervaringen haastig neer en zien hun boeken aangeprezen worden door ongeletterde presentatoren. Ik heb de opkomst van het weblog hand in hand zien samengaan met de toename van het aantal non-fictie boeken. Een bekende Nederlandse schrijver, Arnon Grunberg, verwees eens in een boek naar een weblog dat werd bijgehouden door een vrouwelijke romanfiguur. Toen zijn lezers erachter kwamen dat het weblog een verzinsel was van de schrijver zelf, voelden ze zich bedrogen. Het weblog was namelijk niet echt, het was fictie. Ik vroeg me af of er wel plaats is voor fictie op het internet. Ik blogde regelmatig onder de categorie van een verzonnen figuur, en ja: soms kreeg ik een mail van iemand die zich in iemand herkende en daar niet bijster vrolijk van werd. Had ik het in een boek gepubliceerd, dan was het om zo te zeggen een ander verhaal geweest. Hetzelfde verhaal, maar dan in papiervorm, in paperbackuitvoering met een omslag. Wezenlijk is er geen verschil. Het is de leeservaring. Die wordt gehinderd als je tegen het licht van een beeldscherm in kijkt.

19-12-2011 2:35:43

Schrijvers vanuit de verdediging

letterenhuis Verleden week vierde het Letterenhuis zijn nieuwe onderkomen met een bescheiden feestje voor het team, schrijvers en nog zo wat lui die eromheen hangen. Het is soms wel aardig om een troep van je collega’s bijeen te zien: nieuwkomers en oudgedienden. Ik herinner me te hebben staan babbelen met Anja Sicking, Mohana van den Kroonenberg, Marian Boyer, Kester Freriks en Nicolaas Matsier. Mijn redacteur liep er ook rond en hij gaf me het advies om vooral de ruimte te nemen in mijn roman-in-wording, omdat ik toch al geserreerd kan schrijven. Alsof hij mijn gedachten las. Gepriegel in novellen, waarin geen enkele zwakke bladzijde mag staan, is een geweldige uitdaging, maar als het verhaal vraagt om een roman dan moet dat maar. Het is lang geleden dat ik aan zo’n omvangrijke klus werkte: Het verloren lied.

In het huidige politieke klimaat krijgen kunstenaars de wind van voren. Het grote publiek denkt inmiddels dat kunstenaars vele miljoenen opslurpen uit de subsidiepot zonder er daadwerkelijk iets tegenover te stellen. Ook schrijvers worden intussen gevonden door subsidiespeurders die met de verbetenheid van wolven achter hun gesubsidieerde werkplekken de jachthoorn blazen. Het jongste tijdschrift van het Nederlands Letterenfonds, een jonge fusie van het Fonds voor de Letteren en het Nederlands Literair Productie- en Vertalingenfonds, slaat dan ook een verdedigende toon aan. Stukken van allerlei schrijvers moeten de onwetenden duidelijk maken waar een schrijver staat, wat een schrijver doet en wat een schrijver betekent voor het land en de taal waarin hij of zij schrijft. Het heeft iets weg van roepen in een woestijn, want welke onverlaat leest zoiets als drukwerk van het Nederlands Letterenfonds? Quotes van buitenlandse uitgevers en schrijvers staan op het omslag, dat wordt gesierd door een oude boom, die zich in tweeën splitst:

“De wereld van het woord en dus de boekenmarkt verandert volop. Veel uitgeverijen van nu produceren en gedragen zich alsof ze deel uitmaken van de ‘entertainmentindustrie’ en niet van de markt van ideeën.” – André Schiffrin.

Mwah, niet bijster fraai neergepend, tamelijk onvolledig ook, maar het is een redelijk statement.

“Ik geloof niet dat de digitale technologie de functie van de uitgever radicaal zal veranderen de komende jaren. De selectieve functie is het hart van ons vak. Ik denk dat het papieren boek en het e-book gedurende een heel lange tijd naast elkaar zullen blijven bestaan, en ik geloof niet dat het papieren boek ooit totaal zal verdwijnen.” Jean Mattern.

Hier is de tweede zin het sterkst. Die gaat over het scheiden van het kaf van het koren. Over de rest valt te discussiëren en of het papieren boek nooit zal verdwijnen, daar heb ik mijn twijfels over. Maar dat heeft natuurlijk niets te maken met de creativiteit van de schrijver.

De mooiste quotes staan binnen in het blad. Arnon Grünberg vraagt zelden direct subsidie aan, maar is collegiaal en slim genoeg om zijn broeders en zusters niet af te vallen, zoals Boudewijn Büch gewoon was te doen. Ook grijpt Arnon Grünberg weer eens zijn kans om Nederland met Duitsland te vergelijken. Dat lijkt een olijke hobby van hem. Op zijn weblog liet hij eens weten dat Duitsers Nederlanders in beleefdheid verre overtreffen. Nou is dat natuurlijk al zo sinds de VOC, sla er de scheepsjournalen van Duitse lieden maar op na. Maar toch een enorme sneer voor de goede verstaander.

Iemand als Cees Nooteboom verbaasde zich eens over het respect die de Amerikanen voor schrijvers tonen: in New York rolden ze een rode loper voor hem uit toen hij eens een literaire prijs kwam ophalen. Hopelijk is hij niet door dat ene voorval zo verschrikkelijk naast zijn schoenen gaan lopen, maar dit terzijde. Gauw terug naar Arnon Grünberg:

“Dit kabinet is in het zadel geholpen door kiezers die zich er niet voor schamen dat ze meer van hun auto houden dan van Goethe. Een Nederlands verschijnsel trouwens, soortgelijke geluiden hoor je zelden in Duitsland. Dat zo veel Nederlanders deze voorkeur hebben, valt te betreuren, maar het is de realiteit. Om Brecht te parafraseren: je kunt het volk wel afschaffen, al zal dat ook in 2011 niet zonder bloedvergieten gaan.”

Nogal gammel geformuleerd, maar de parafrase mag er zijn.

De mooiste quote komt van Marjolijn Februari:

“Nederland hecht een groot belang, een publiek belang, aan schrijvers. Het enige probleem is dat niemand ze wil betalen.”

Uiteindelijk kom je uit op het begrip kwaliteit. Wat is kwaliteit? Wie bepaalt het? Het vervelende is, dat kwaliteit een beleving veroorzaakt die direct met taalgevoel verband houdt. En gevoel is een fenomeen zo ongrijpbaar voor de meeste mensen, dat ze het verwarren met emotie.

vrijdag 23 september 2011

Laatste correcties Rivier de Brantas

logo alfred birney weblog De tweede en laatste corrector van de uitgever heeft zijn werk digitaal verstuurd. Dat is weer eens wat anders dan een papieren manuscript met krabbels in rood, groen en zwart. Interessant om te zien waar de een of de ander op let. De één heeft een voorliefde voor spelling en interpunctie, de ander voor woordvolgorde en schrappen van informatie. Wat ik bijvoorbeeld nu bij de credits zie staan is het volgende:

Met dank van de auteur aan het Letterenfonds voor het verstrekken van een werkbeurs.

De corrector vindt het kennelijk duidelijk genoeg dat de auteur zijn dank uitspreekt. Maar zonder de auteur te noemen kan het net zo goed zijn dat ook uitgever en vormgever dankbaar zijn. De doorhaling kan dus weer weg, want ook correctoren moeten gecorrigeerd worden.

Ik zit nu dus op dit niveau in het laatste deel van mijn trilogie in novellen: Rivier de Lossie – Rivier de IJssel – Rivier de Brantas. Valt mee, kwestie van jezelf een weekend opsluiten, de telefoon niet opnemen, geen e-mails ophalen of verzenden, niet op Facebook verschijnen, kortom lekker asociaal zijn (een fenomeen waar elke schrijver mee moet omgaan, en de mensen rond de schrijver… die dat niet altijd waarderen). En vooral de suggesties van de corrector met een korrel zout nemen. Wat niet betekent dat ik ze niet serieus neem. Die van de eerste corrector spoken nog door mijn hoofd, althans één opmerking van hem. Misschien dat ik er toch maar iets mee ga doen. Kwestie van de eerste zin herschrijven, dat is alles.

De uitgave van Rivier de Brantas moet in februari 2011 plaatsvinden.

Belgisch publiek

ernst-jansz-antwerpen.jpg Mijn uitgever pikte me tegen de avond op voor een ritje naar Antwerpen, district Borgerhout. Theater De Roma stamt uit 1928, in Antwerpen breken ze de boel niet zo snel af als in Den Haag.

Het publiek kwam bedaard aangelopen voor een voorstelling van Ernst Jansz in het kader van zijn Bob Dylan-tournee. Iemand sprak van een typisch Dylan-publiek, maar het was niet zo dat je alleen maar oude hippies zag. Ook mensen die nog geboren moesten worden toen Dylan The Times They Are A-Changing zong waren aanwezig. Ik ving gesprekken op over antizwaartekracht en zwarte gaten, onderwerpen die Dylan volgens mij tot nog toe altijd links heeft laten liggen. Enfin, het was in elk geval geen publiek dat zich dagelijks vermaakt met televisie kijken, chatten op MSN en meer van dat. De dames zagen er goed Belgisch uit, iets tussen Amsterdam en Parijs in. Jansz betrad kalm het podium, een tikje blasé gewend als hij is aan de enorme aandacht die hem in zijn muzikantenbestaan ten deel is gevallen. Hij lichtte zijn vertalingen van Dylan’s songteksten toe en werd bijgestaan door Guus Paat, een goede slide- en hawaiian-muzikant. Opvallend was de keuze van de liedjes.

Mijn voorkeur gaat uit naar Dylan’s verhalen, zoals Tangled up in blue en Lily, Rosemary And The Jack Of Hearts. Jansz heeft een voorliefde voor Dylan’s liefdesliedjes, zoals Tomorrow Is A Long Time en Just Like A Woman. Uitstapjes naar zijn eigen leven laten zien dat hij in zijn nieuwsgierigheid naar Dylan’s liefdesleven ook op zoek is naar zichzelf.

Het publiek was muisstil, zo anders dan in Nederland. Ik sprak daarover met een vrouw achter het buffet. Ze was het ermee eens dat het Belgische publiek beschaafder is dan het Nederlandse. Maar, zo zei ze, Hollanders kunnen zich meer laten gaan en enthousiasme tentoonspreiden. Dat vond ze ook wel wat hebben. Onderweg terug naar Nederland zei mijn uitgever ook zoiets. Belgen applaudisseren beschaafd, fluiten je niet uit als ze je optreden niet goed vinden. Maar een artiest terugklappen doen ze ook niet zo snel en staande ovaties krijg je toch eerder in Nederland dan in België.

Misschien zouden Nederlanders wel wat Vlaamser willen zijn en Vlamingen wat Nederlandser. Een dergelijk ideaalbeeld van elkaar, naast het gebruikelijke gezeur, is nog altijd beter dan complete bevolkingsgroepen stigmatiseren of zelfs de grens zetten.

Frankrijk zet Roma over de grens, Finland volgt… Houden ze niet van Roma-muziek of zo?

Ik ga nog even terug naar de gezellige straat waaraan het theater De Roma ligt. Het was rond middernacht. Ernst Jansz stond nog wat boeken te signeren en mijn uitgever laadde de bus met al wat een standhouder nodig heeft. Ik had het koud, had nauwelijks gegeten en zag aan de overkant een snackbar van Noord-Afrikanen. Ik stak over en ging er naar binnen. In de vitrine lagen niet alleen de gebruikelijk kip en shoarma, nee de helft was gevuld met zeebaars, sardines, garnalen, zwaardvis en wonderlijke groenten. Ik bestelde een broodje met vis en kreeg een enorme gevulde kano met de lengte van een ovalen dekschaal voorgezet. Frites erbij, saus en sla en een glas muntthee voor nog geen 5 euro. Ik vroeg aan de barjongens of ze uit Tunesië kwamen. Nee, het waren Marokkanen. Toen ze hoorden dat ik uit Den Haag kwam, vroegen ze of er Marokkanen in Den Haag zaten. Ja, zei ik, 30.000. Ze keken me verbaasd aan. Zóveel? Ik moest lachen, ze dachten dat ik ze in de maling nam. Gelukkig begonnen we niet over racisme, dat is onderhand zo’n heilloos gedoe. Intussen zag ik alleen maar Noord-Afrikanen de zaak binnenkomen. Geen Belg te bekennen.

Javaans Vuurwerk in Reisgids Indonesië Oorlogsplekken 1942-1949

reisgids indonesie Ik schreef een roadshowverhaal onder de titel Javaans Vuurwerk voor De Reisgids Indonesië – Oorlogsplekken 1942-1949. Het boek, met belangrijke historische informatie, maakt de reiziger letterlijk en figuurlijk wegwijs in de oorlogsjaren van 1942 tot 1949, van de Japanse bezetting van Nederlands-Indië tot aan de soevereiniteitsoverdracht aan Indonesië. Een zoektocht naar de sporen van dit verleden: interneringskampen, begraafplaatsen, musea, monumenten en andere plekken van herinnering. Een gids met historische achtergronden én actuele beschrijvingen en leestips. Een gids die ooggetuigen,
en zeker ook kinderen en kleinkinderen inzicht geeft in de jaren van toen binnen de context van het postkoloniale heden.

De Reisgids Indonesië – Oorlogsplekken 1942-1949 is een praktische gids bovendien, die de reiziger ter plekke de weg wijst met informatie over bijvoorbeeld hoe de, soms moeilijk traceerbare, locaties te vinden, over logies en eten en drinken. Fraaie (detail)kaarten helpen daarbij.

Een uitbreiding van de gids is te vinden op de website: www.reisgidsindonesië.com. Via de website wordt de informatie van de gids actueel gehouden en worden objecten ontsloten waarvoor in de gids geen plaats was of waarover de informatie gebrekkig. Bezoekers aan de site kunnen nieuwe of gewijzigde informatie aandragen.

Redactie: M.C.A. van Bijnen, Noes Lautier, S.J. van Schuppen

Auteurs: Hans van den Akker, Alfred Birney, Ferry Bounin & Paulien van der Geest, Esther Captain en Wim Manuhutu.

Uitgeverij Open Kaart: 2010
ISBN: 978-90-75437-41-6
300 blz. €29,95.

De gids is te bestellen bij o.a. Bol.com en in de reguliere boekhandel.

Deze uitgave en de daarbij behorende website zijn tot stand gekomen in het kader van het programma Erfgoed van de Oorlog van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS).

Nederland leest nog steeds niet

Afgelopen zomer verscheen volkomen onverwacht een goedkope herdruk van mijn beruchte bloemlezing Oost-Indische inkt; 400 jaar Indië in de Nederlandse letteren (1998). Het kostte me enig gepieker over de beweegredenen van de uitgever. Ik bedacht dat de heruitgave wel te maken zou hebben met de komende gratis verspreiding van de novelle Oeroeg (1948) van Hella S. Haasse. Indië zal dan immers weer even en vogue zijn en elke moderne uitgever speelt daar natuurlijk alvast op in.

Ik had Oeroeg aanvankelijk buiten de opzet van mijn bloemlezing gehouden. Dat het er tóch in kwam, gebeurde op hevig aandringen van een redacteur wiens referentiekader weinig breder was dan de leeslijst die hem op de middelbare school onder de neus was geschoven. De bloemlezing wierp zoveel stof op dat ik me genoodzaakt zag een verweerschrift op te stellen in mijn postmodern Indisch jaarboek Yournael van Cyberney (2001). Naar aanleiding van een minder vleiende terzijde van me over Oeroeg werd ik door Hella Haasse en haar paladijn Rudy Kousbroek ter verantwoording geroepen op een podium in het toenmalig Indisch Huis aan de Javastraat te Den Haag. Dat was in 2002, ruim een halve eeuw na de verschijning van Oeroeg.

debat birney kousbroek haasse

Tijdens dat debat, of kruisverhoor, wierp de schrijfster mij voor de voeten dat ik haar een “trut” had genoemd in Yournael van Cyberney. Onzin, hoe treiterig ook Kousbroek, altijd in voor een rel, met zijn vinger op de gewraakte passage (p. 10) wees. Ik had gesproken over “dat tuttig Eurocentrisch romannetje Oeroeg”. Maar, zo redeneerde Haasse, als ik haar boek zo noemde, dan noemde ik haar óók zo: een trut, wat volgens haar hetzelfde was als een tut. Dat de schrijfster, overigens dol op dictees, weinig gevoel voor nuances had, dat was Tjalie Robinson ooit al opgevallen in zijn stuk Nogmaals Oeroeg, gepubliceerd in Oriëntatie, Jakarta, juni 1948.

Nog even en Nederland Leest editie numero 4 gaat van start. De Stichting CPNB, flink onder de loep genomen in Yournael van Cyberney, heeft voor de gelegenheid dus maar weer eens Oeroeg uit de kast gehaald. Deze koloniale troonopvolger van Orpheus in de Desa (1900) van Augusta de Wit is werkelijk niet van de Hollandse dijken af te meppen. Het boek, dat aan zijn 47e druk toe is en allang op elke Hollandse zolder ligt te verstoffen, vormt waarlijk het onomstotelijke bewijs dat de CPNB tot de minst fijnzinnigste leesclub ter wereld kan worden gerekend. Toch vrees ik dat aanstonds gans het Bataafse Koninkrijk de gratis distributie van Haasses beroerde klassieker even hard zal toejuichen als een doelpunt van Oranje tijdens een WK of EK, al is het vanuit buitenspelpositie gescoord.

Oeroeg verhaalt over de vriendschap tussen de ik-figuur, een Hollandse zoon van een administrateur op een theeonderneming in het Nederlands-Indië van voor de Tweede Wereldoorlog, en een Indonesische jongen. De Hollandse zoon gaat in Delft studeren en het tweetal groeit uit elkaar. Eenmaal terug in Nederlands-Indië, waar het koloniale tijdperk ten einde loopt, blijkt hun verwijdering een onoverbrugbare kloof geworden. Indo’s spelen een bijrol, zoals in de meeste boeken van blanke auteurs.

Belangrijk om te weten is dat het manuscript van Oeroeg onder motto was ingestuurd voor het Boekenweekgeschenk. Nederland, amper bekomen van de Duitse bezetting, vocht als een idioot overzee voor behoud van de kolonie. Indië was hot, het verhaal kwam als een geschenk uit de hemel vallen. Hella Haasse heeft haar eersteling tot op hoge leeftijd verdedigd tegen aanvallen van vooral Indo’s die het maar een boek van niks vonden. De bekendste was Tjalie Robinson, volgens Wim Willems in de vooraankondiging van zijn biografie “de enige echte Indo-schrijver van Nederland”, een stempel dat je nooit meer van het internet af krijgt en impliciet voor de niet-kenner uiteraard een diskwalificatie vormt voor de talloze overige zogenoemde echte Indo-schrijvers.

Het boek heet intussen Tjalie Robinson; biografie van een Indo-schrijver (2008). Een interessante vraag bij de biografie van een schrijver is altijd in hoeverre deze werkelijk invloed heeft gehad op de Nederlandse literatuur. Biograaf Wim Willems wijdt één bladzijde aan Tjalie Robinsons aanval op Hella Haasses Oeroeg en schrijft onder meer:

Het kwam erop neer dat de criticus (=Tjalie Robinson – AB) alles wat hij las door en door vals vond. Dat ging ook op voor het karakter van de jeugdvriendschap tussen Oeroeg en de Hollandse ikfiguur, met zijn kleinerende opmerkingen over inlanders, die Tjalie als pure laster ervoer. Hij had genoeg Indonesische kameraden gehad, schreef hij, en hoewel er in de vooroorlogse koloniale wereld nooit echte broederschappen ontstonden, ook niet met Indische jongens, zou er pertinent geen scheidsmuur hebben bestaan, zoals Haasse suggereerde. Dat een vroegere schoolkameraad zich in die tijd van de politionele acties ineens ontpopte als een gezworen vijand, vond hij al even ondenkbaar. (p. 222,223)

Deze tamelijk afstandelijke samenvatting van de literaire perkara tussen Tjalie Robinson en Hella Haasse is wat kort door de bocht. Je zou bijna denken dat Willems in dezelfde valkuilen trapt als Haasse en dat hij beter een biografie aan háár had kunnen wijden.

In Nogmaals Oeroeg (herdrukt in de Pasarkrant, november 1993) komt Tjalie met een genuanceerde opsomming van onjuistheden, onwaarachtigheden en onnozelheden uit het proza van Haasse. Tjalie stelt dat het onderwerp in Oeroeg door zijn (politieke) actualiteit alle interesse van de pers heeft en dat daardoor de kritiek vrij gunstig is geweest. Hetzelfde zie je overigens een halve eeuw later terug met de overdreven positieve waardering van de pers voor soms zeer middelmatige boeken van zogeheten “allochtone” auteurs. Je zou kunnen zeggen dat de pers “goed fout” is door op die manier iets te willen bedekken dat zó diep geworteld in de samenleving is dat het lijkt alsof Nederland nooit racistisch was. Maar Tjalie dook diep in Oeroeg en wees op de talloze psychologische fouten en tekortkomingen in vooral het latere leven van Oeroeg en zijn vriend:

‘We hebben je op Pasar Baroe gezien met je djongos’ en ‘Ben je weer met je Inlander uit geweest’. Zulke dingen wèrden niet gedacht en wèrden niet gezegd. Dit is ergerlijke, hatelijke en onverdiende laster. Wij hadden allemaal onze Indonesische vriendjes, ook in soortgelijke dienstverhoudingen. Maar als kameraad waren ze kameraad, afgelopen. De smeerlap, die zoiets gezegd zou hebben, zelfs voor de grap, zou of van de aangesprokene, of van diens Indonesische vriend een pak ransel hebben opgelopen. Ja, we vochten gemakkelijk en veel in die tijd. Zeer zeker was er geen sprake van broederschap, daar waren we (aan beide zijden) te nuchter en te eerlijk voor. Maar er was pertinent ook geen scheidsmuur, waar Hella ons aan wil doen geloven.’

Misschien zou Tjalie beter zijn begrepen als hij had geschreven dat de schrijfster een politieke scheidsmuur verwarde met een koloniale, die veel ingewikkelder lag. En die een veel grotere tragiek kende. Díe tragiek kende Tjalie Robinson als geen ander en Hella Haasse kende die domweg niet. Dat proef je uit de verdere woorden van Tjalies polemische stuk Nogmaals Oeroeg:

Ik ben in de bersiaptijd ook vrienden van vroeger tegen het lijf gelopen […]. En op het moment dat je mekaar herkent, dan heb je spijt van je ‘vijands-uniform’ en hij van z’n rood-witte badge. Je zegt ‘Hallo John!’ en ‘Hallo Tjalie!’ en je geeft mekaar verlegen een hand. Dat is duizendmaal gebeurd hier. Zij in hun groep en ik in mijn groep zouden elkaar niet herkend hebben en verbitterd met elkaar zijn slaags geraakt, ja. Maar in de besloten confrontatie is dat pertinent niet mogelijk. Als er ooit vriendschap geweest is, verstaan? Zelfs toen ik mijn oog minachtend monsterend liet gaan over de neergehurkte krijgsgevangenen en alleen snipers zag, toen nog ontdekte mijn oude oog in een halfnaakte met gebogen hoofd zittende peloppor de schoolkameraad van mijn broertje, Wadjah. We hebben elkaar gesproken ‘net als toen’ en dat was ‘rot, rot en nog eens rot’.

Tjalie maakte dus onderscheid tussen kameraadschap en broederschap en tussen soorten van scheidsmuren. Dat onderscheid vond hij niet terug in Oeroeg. En ik ook niet. In Oeroeg hangt vriendschap kortom af van politieke omstandigheden zoals men die in het Westen kent. Tjalie schrijft:

Als je dan aan het slot van deze levensbeschrijving van twee jeugdvrienden leest: ‘(Zijn) diepte peilde ik nooit. Is het te laat?’, dan pas realiseer je je het gevaar van dit boek: als zelfs een Hollandse jongen, zo innig samen opgegroeid met een Indonesische jongen, niets dan onpeilbare diepte peilt en wanhopig uitroept: ‘Is het te laat?’, hoe dan alle andere Hollanders en Indonesiërs? Ja, als het werkelijk zo is, schei dan maar uit met peilen.

Nou Tjalie, ze zijn nog altijd bezig met peilen. En zij die uitgepeild zijn, hebben dat niet gedaan omdat ze het hebben begrepen, maar omdat er inmiddels andere “doelgroepen” rondlopen die zo nodig gepeild moeten worden. We leven hier in het laagland ver beneden de zeespiegel. Het peilen zit ze in het bloed, de Batavieren. Of de CPNB ooit jou nog aan de beurt laat komen, zou ik niet weten. De CPNB is simpelweg niet te peilen, Tjalie.

* * *

Ik kreeg veel e-mails van mensen die op een of andere manier niet de hand weten te leggen op het herfstnummer van Archipel Magazine. Opvallend veel mails waren afkomstig uit het buitenland. Daarom heb ik besloten het artikel online te zetten, op gevaar af van zure blikken van Archipel Magazines hoofdredacteur. Enfin, doe er uw voordeel mee. For the sake of the Indo, zal ik maar zeggen.

Bronnen: Alfred Birney: Oost-Indische inkt; 400 jaar Indië in de Nederlandse letteren (1998, herdruk 2009); Alfred Birney: Yournael van Cyberney (2001); Siem Boons weblog Fotografie & Schrijverij (met de volledige tekst van Tjalies nogmaals oeroeg en de volledige achtergrondgeschiedenis van Kousbroek & Haasse versus Tjalie Robinson zaliger); Hella S. Haasse: Oeroeg (1948); Tjalie Robinson: Nogmaals Oeroeg. Oriëntatie, Jakarta, juni 1948; herdrukt in de Pasarkrant, november 1993; Wim Willems: Tjalie Robinson; biografie van een Indo-schrijver (2008); Augusta de Wit: Orpheus in de desa (1900).


© 2009 Alfred Birney
Archipel Magazine, herfst 2009

Oude kameraden

gekko De Indische schrijversavond van afgelopen woensdagavond in het Mondiaal Centrum Haarlem was goed, gevarieerd en onderhoudend. Mijn chaperonne, een van een beroemde Franse regisseur geleende kosmopoliet die al overal op de wereld heeft gewoond, was prettig gezelschap: ze was er wel en ze was er niet. Mijn leesbril, visitekaartje, tekstrol en meer van dat spul dat je als schrijver mee moet nemen als het podium wacht, konden gemakkelijk in haar tas, zodat ik niet met van die uitpuilende zakken hoefde te lopen.

Ik had Frans Lopulalan gevraagd om ook te komen. Zijn uiterlijk verbaasde me toen we hem op het station van Haarlem troffen. Die hoed droeg hij jaren terug al, maar ditmaal zat er haar onder. Echt haar! Dus niet meer die geschoren kop a la James Moody maar nu reversed. Als je de koppen van Frans Lopulalan en James Moody niet kent, laat dan maar zitten, zo belangrijk is dit nou ook weer niet.

Ik had de uitgever al ge-sms’t (wat een spelling hè tegenwoordig, het is werkelijk niet te geloven – welke idioot in, zeg, China, zou het nog in zijn hoofd halen om zoiets als Nederlands te gaan studeren?) dat we er aankwamen (dus niet eraan kwamen), maar de man nam niet op en de telefoon op de uitgeverij bleek later onder een paar omgevallen dozen met boeken terecht te zijn gekomen, zodat Frans, mijn chaperonne en ik maar besloten te gaan lopen. Hierop waren wij voorbereid. Ik had een routekaart van Google Maps met uitgebreide routebeschrijving uitgeprint, terwijl Frans dezelfde beschrijving met ganzenveer had overgepend op een stuk perkament, dat een verre voorouder ten tijde van de VOC nog van een Belanda had gesnaaid voor hij die de kop afhakte om er soep van te trekken.

Zoals ik al zei heeft mijn chaperonne al overal op de wereld gewoond. Soms is dat lastig wanneer je naast haar over straat loopt. Want ze kijkt links en rechts naar allerlei mooie grachtenhuisjes waar ze eventueel wel een week of vijf zou willen vertoeven. Dus Frans en ik begonnen ook om ons heen kijken in dat Haarlemse gat van bijkans niks en niemendal. En zo misten we de afslag naar een steeg; mijn chaperonne wenst namelijk niet in een steeg te wonen. Om een lang verhaal kort te maken: na een dwaaltocht van een half uur wierpen we onze A4-tjes en perkamentrollen maar in een gracht en vroegen aan een paar autochtonen (Batavieren in H&M-kleding) de weg naar de Lange Herenvest. Daar aangekomen bleek onze uitgever net de auto te hebben gepakt om Peter van Dongen, die overigens heel mooi auto’s kan tekenen, van het station Haarlem af te halen. Lucky Peter van Dongen.

In het Mondiaal Centrum troffen we verder Glenn Pennock. Die waren we al zo’n jaar of twintig kwijt, dus dat werd elkaar omhelzen. Niet huilen, want wij zijn Indo’s en huilen doe je alleen bij een repatriëring. Glenn bleek tien jaar in Amerika te hebben gezeten, in Los Angeles natuurlijk, maar als gitarist… Nou dacht ik dat hij een pencak silat meester was die elk jaar op Madura in een kuil met giftige schorpioenen ging zitten mediteren, maar dat was in een vorig leven. In een leven dáár weer voor had hij het conservatorium doorlopen, dus hij was geen jochie die op zijn veertigste dacht: kom, ik ga nog maar eens wat gitaar proberen te spelen. En dat hebben we geweten. Hij speelde prachtig, helaas op een Taylor, met te veel gerinkel, hoogstwaarschijnlijk op Elixir snaren, maar een kniesoor die daar nog op let zodra Pennock zijn kunsten, en performance, vertoont.

Ik moest de avond openen met een kort interview over mijn jongste boek Rivier de Lossie. Het babbelen ging nog wel, maar toen ik een stuk moest voorlezen werd het toch hannesen met mijn leesbril en een microfoon zonder standaard. Ik had me ook helemaal niet voorbereid op voorlezen en bovendien heb ik er een bloedhekel aan. Ik lees mijn teksten alleen hardop tijdens het schrijfproces, om te horen of de muziek door de zinnen klinkt, maar ik vind dat het daar dan ook bij moet blijven.

Toen ik van het podium af was, werd nog een stukje film vertoond van Ernst Jansz, die op mijn boekpresentatie in Den Haag de runnin’ gag The Ferryman’s Daughter van Donovan zong, terwijl hij zichzelf begeleidde op de gitaar. De song haalde het einde niet, want de batterijen van de camera hadden het begeven. Er moet namelijk altijd wel iets misgaan. Maar goed, het was een leuke impressie en het was leuk om Ernst Jansz even te zien zingen, aangezien hij nu, als bandleider, was verhinderd in verband met de voorbereidingen van een tournee van Boudewijn de Groot.

Nu weet ik niet meer wie er na mij kwam: Glenn Pennock of Peter van Dongen, wiens strips allengs de wereld overgaan (het volgende land is Spanje, Indonesië is al geweest om maar wat te noemen). Van Dongen werkt gemiddeld zes jaar aan een stripverhaal en omdat mijn boeken vele versies kennen, zou de interviewer zich later afvragen of dat nou “typisch Indisch” is. Het antwoord luidt uiteraard nee, want er zijn ook Indo’s die hun boeken afraffelen tijdens tournees en snoepreisjes naar congressen, conferenties en dergelijke.

Ik sloot het eerste deel van de avond af met het voorlezen van een polemisch stuk over het naderende CPNB-feestje “Nederland Leest”. Maar ik was niet in vorm en hakkelde te veel naar mijn smaak. Ik had nota bene als voorbereiding het stuk de avond ervoor door mijn zoon aan mij laten voorlezen, zodat ik het terug kon horen. De manier van de muzikant, ja. Mijn zoon las het een stuk beter voor dan ik. Gelukkig staat het binnenkort afgedrukt in Archipel Magazine, compleet met enkele taalslordigheden, die Frans er voor het optreden had uitgehaald, terwijl hij een sjekkie rookte buiten, op een steenworp van het Spaarne.

Het Spaarne stroomt, het Spaarne stroomt voorbij… (mooi lied van Boudewijn de Groot en Lennaert Nijgh):

Na een indrukwekkend muzikaal intermezzo van Glenn Pennock – hij speelde vrolijk door in de pauze – werd een oude film (1988) vertoond van twee schrijvers met elkaar in gesprek: Frans Lopulalan en Ernst Jansz. Die film vormde de aanzet van een afsluitend podiumgesprek, waarvoor ook Frans Lopulalan het podium beklom. Yvon Muskita zat ook in de zaal, maar die wilde zich niet laten verleiden de troep te komen vergezellen.

Na afloop heb ik nog wat boeken gesigneerd. Het mooist was dat een Hollandse man aan kwam zetten met Lalu Ada Burung (2002), de Indonesische vertaling van Vogels rond een vrouw (1991). Hij had het boek in Solo op Java gekocht en zag zijn kans nu schoon er een krabbel in te krijgen.

Voordat we elk ons weegs gingen, vertelde Glenn me nog dat hij me destijds vanuit Amerika een zelfgemaakte kaart had gestuurd, compleet met een routebeschrijving naar waar hij zich bevond, voor mocht ik eens in de buurt zijn. Een kennis van hem had namelijk de aankondiging van mijn bloemlezing Oost-Indische inkt (1998) op het NOS Journaal gezien. De nieuwslezer had gesproken van “teksten vanaf Jan Huygen van Linschoten tot aan Glenn Pennock”.

Ja, ik vond het leuk om het boek te laten beginnen met een vis die in zijn eentje een VOC-schip tegenhoudt en het te laten eindigen met een stuk proza in een soort vissentaal met een eigen idioom. Geen hond die het ziet natuurlijk, maar dat is de lol van mijn schrijven: geheimpjes verstoppen.

Nooit geweten dat dat boek in het NOS Journaal aangekondigd is geweest. Zoiets gebeurt niet vaak. Mijn chaperonne herinnerde zich de uitzending ook nog. En vast die anderen ook, die me nog jarenlang hebben achtervolgd met het verwijt dat ik geen teksten van hun in het boek had opgenomen. Nu begrijp ik de frustratie van die schrijvers eindelijk. Ze hebben het NOS Journaal gemist!

Gut.

Wat erger is… Uitgeverij Contact heeft nooit die mooie kaart en uitnodiging van Glenn Pennock aan mij doorgestuurd…

Enfin, aan het werk nu. De deadline voor mijn volgende novelle ligt op 1 november.

Indische schrijversavond met Alfred Birney, Peter van Dongen, Glenn Pennock en Ernst Jansz

v.l.n.r. Alfred Birney, Peter van Dongen, Glenn Pennock en Ernst Jansz

podium birney podium van dongen

podium pennock podium jansz

Het MCH houdt woendagavond 23 september 20.00 uur haar eerste schrijversavond met als thema «De Indische letteren Oeroeg voorbij». Met dit thema neemt Mondiaal Literair alvast een voorschot op de extra belangstelling voor «Indië» wanneer van 23 oktober tot 20 november de landelijke openbare bibliotheken hun jaarlijkse Nederland Leest-actie houden met als gratis boek voor alle bibliotheekbezoekers Oeroeg van Hella Haase, waarvan de oplage bijna 1 miljoen exemplaren zal bedragen.

Alfred Birney

Peter de Rijk interviewt Alfred Birney over zijn onlangs verschenen novelle Rivier de Lossie, waarin de onbekende ballade The Ferryman’s Daughter van Donovan leitmotief blijkt. Alfred Birney (Den Haag, 1951) is een van de belangrijkste representanten van de zogenaamde tweede generatie Indo-schrijvers, waarvan ook schrijvers als Marion Bloem en Theodor Holman deel uit maken. Birney is onder meer de samensteller van de gezaghebbende bloemlezing Oost-Indische inkt (1998) over 400 jaar Indië in de Nederlandse letteren. Hij werd al in 1996 door Standaard der Letteren (de NRC van België) «het best bewaarde geheim van en de stille kracht in de Nederlandse literatuur» genoemd.

Ernst Jansz en Peter van Dongen

Aan de interviewtafel schuiven verder aan Peter van Dongen, Glenn Pennock en Ernst Jansz. Peter van Dongen (o.a. onderscheiden met de stripschappenning) is schrijver en tekenaar van de stripboeken Rampokan Java en Rampokan Celebes over de nadagen van de Nederlandse aanwezigheid in voormalig Nederlands-Indië. Hij verzorgt ook het artwork voor de romans en cd’s van Ernst Jansz: Molenbeekstraat en De Overkant. Van Dongen laat zijn werk op groot scherm zien.

Van Ernst Jansz wordt de kersverse uitgave van ’de complete’ De Overkant gepresenteerd: roman met fotokaternen + cd + dvd.

Muzikaal intermezzo en televisiebeelden

Glenn Pennock is de schrijver van De weg van de kat en Het vuur van de draak waarin de filosofie van de pencak silat een belangrijke rol speelt. Eind jaren tachtig had hij in Heemstede een sportschool waarin hij lesgaf in deze Indonesische vechtsport. Na omzwervingen in Amerika is hij sinds een paar jaar terug in het Haarlemse en werkt hij aan een nieuwe roman. Evenals Alfred Birney en Ernst Jansz is Glenn Pennock van huis uit professioneel muzikant. Hij neemt zijn gitaar mee en verzorgt een muzikaal intermezzo. Tevens worden fragmenten getoond uit een in 1986 gefilmde ontmoeting tussen Frans Lopulalan en Ernst Jansz over de rol van hun vaders in het Indische gezin, naar aanleiding van hun boeken Onder de sneeuw een Indisch graf en De Overkant.

Mondiaal Literair

Mondiaal Literair is een samenwerking tussen het Mondiaal Centrum Haarlem en Uitgeverij In de Knipscheer. De maandelijkse schrijversavonden van Mondiaal Literair worden thematisch samengesteld, zoveel mogelijk naar aanleiding van recent bij Nederlandse uitgeverijen verschenen of te verschijnen boeken, die inhoudelijk de vaderlandse grens overschrijden. Centraal staat het interview met de auteurs, soms in een gezamenlijk gesprek, soms na elkaar. Uiteraard lezen een of meer schrijvers kort uit eigen werk en signeren zij hun werk na afloop aan de boekentafel. Uitgever Franc Knipscheer is de host van de avond. De interviews worden gehouden door Peter de Rijk.

Woensdag 23 september 20.00 uur
Locatie: MCH, Lange Herenvest 122, 2011 BX Haarlem
De toegang bedraagt 5 euro, koffie en thee inbegrepen

Op vertoon van bibliotheekpasje kunt u gratis één introducé meenemen
Reserveren vooraf is wenselijk: 023 – 542 3540
www.mondiaalcentrumhaarlem.nl

*** Van Alfred Birney worden gratis exemplaren van zijn postkoloniale bundel Yournael van Cyberney uitgedeeld! ***

Onder embargo

Uitgeverijen krijgen steeds meer babbels. Ze hebben nog geen last van de economische crisis, waarschijnlijk omdat de gemiddelde boekenlezer wat hoger opgeleid is en dientengevolge beter in de slappe was zit. Ze sturen je een uitdraai van de een of andere drukproef in de hoop dat je recensie al in de krant staat op het moment dat het boek verschijnt. Ik weet niet meer welke uitgever hiermee is begonnen, maar die trend is gezet ergens in de jaren negentig. Alles moest snel, sneller, snelst. Cultuurverschijnsel, ja, dat weet ik ook wel.

Moet je horen: ik ontving laatst zo’n proefdruk “onder embargo”. Dat wil zeggen dat het boek nog niet uit is maar dat je alvast mag gaan werken aan je review. Nou, is dat niet geweldig? Alsof ik niets beters te doen heb dan alleen maar strontvervelende boeken lezen van zichzelf schromelijk overschattende mensen die nog nooit hebben geleerd een fatsoenlijke bladzijde te schrijven. Ja, ze hebben veelal een rits artikelen op hun naam staan en denken dan dat als je er twintig achter elkaar plakt, je zoiets als een boek krijgt. Nou, een boek krijg je wel, maar leesbaar is het niet. Enfin, daar wilde ik het niet over hebben. Er zit natuurlijk weleens wat tussen, als je geluk hebt. Nee, wat een uitgever in zijn brief durft te zetten:

“U ontvangt deze proef onder embargo. Het boek verschijnt begin april. Dit is een ongecorrigeerde drukproef…”

Tot zover gaat het nog wel. Behalve dat “begin april”, daar zjn we al voorbij en bovendien wordt op de website van de betreffende uitgeverij de maand mei genoemd. Dat ze vragen om twee “bewijsnummers’ is een probleem van de krant, en van de uitgevers zelf: ze zijn gewoon te lui om kranten te lezen. Maar nu komt de zin die me in het verkeerde keelgat schoot:

“…indien u wilt citeren uit deze tekst verzoeken wij u contact op te nemen met de uitgeverij.”

Dus je schrijft je stuk en dan moet die lui een beetje gaan bellen om te vragen of de betreffende zin nog altijd zus luidt en niet niet zo?

Ja, en nu we u toch aan de telefoon hebben… wat staat er nog meer in uw recensie? We willen ons natuurlijk niet met de inhoud bemoeien, maar het kan natuurlijk altijd zo zijn dat een bepaalde passage op het laatste moment is geschrapt, begrijpt u?

Ik begin nu toch warempel het vermoeden te krijgen dat er recensenten zijn die hun stukken met feedback van de uitgevers schrijven, zich er misschien zelfs voor laten betalen. Nou is de rol van de recensent niet meer wat die is geweest natuurlijk, gaandeweg nemen bloggers hun rol over, vaak zijn dat net afgestudeerde jonge literatuurwetenschappers die denken dat ze verstand van boeken hebben omdat ze James Joyce hebben ontleed. Ook al zo’n afgrijselijke ontwikkeling.

Het kan natuurlijk nog erger: dat lezers op verzoek van online boekhandelaren een gratis exemplaar krijgen van een boek naar keuze, mits ze het voor de online boekhandel recenseren. Het schijnt dat leken in vergelijking met ervaren recensenten de neiging hebben een boek dan wel overdreven de hemel in te prijzen dan wel de grond in te stampen. Iets daartussenin bestaat niet. Je bent voor of tegen een boek. Zoiets krijg je dan. Schreeuwcultuur rond boeken.

Dat pak papier van die uitgever met zijn voorlopige versie heeft mijn humeur verziekt. Het is al een verzoeking om met al die A4-tjes rond te zeulen en aantekeningen te maken, maar na zo’n brief met een verzoek om contact op te nemen met de uitgever gelezen te hebben, vliegt dat pak papier meteen bij mij de prullenbak in.

De volgende keer ga ik namen noemen.

Zetproeven

logo alfred birney weblog Het is altijd weer een feest om je zetproeven onder ogen te krijgen. Je tekst heeft de afmetingen van boekpagina’s aangenomen, de bladspiegel is zoveel kleiner dan een A4’tje en dus laat alles zich zoveel ánders lezen. Hier begint de beruchte fase waarin schrijvers de neiging krijgen om maar weer eens flink aan de tekst te gaan sleutelen. Om dat tegen te gaan, staat er een clausule in je contract, die zegt dat wanneer de veranderingen een bepaald bedrag overstijgen, je de extra kosten zelf moet betalen. In vroegere tijden was men wat coulanter: er werd veel meer tijd aan je tekst besteed, zetters deden alles handmatig en zorgden er bijvoorbeeld voor dat er hooguit drie afbreekstreepjes op een pagina kwamen en niet meer. Nu heb je in no time je tekst terug, compleet met verkeerd afgebroken woorden. Ze zeggen dat computerprogramma’s woorden over het algemeen goed afbreken. Maar ja: wat is “over het algemeen”?

Een voorbeeld: … en vor-mde…

Drie medeklinkers na elkaar kunnen een computerprogramma dus al hoofdpijn bezorgen.

En dan nog zoiets: op één bladzijde zie ik regel 7 en 8 en 10 eindigen op “haar” en regel 11 op naar. Dat valt een lezer direct op en kan een bladzijde bespottelijk maken. Met een stukje meer ruimte tussen twee woorden kan dat voorkomen worden.

Maar is dat werk dan voor een schrijver? Ik zou zeggen van niet. Toch kun je maar beter een oogje in het zeil houden, want met de typische corrector en zetter is ook de echte typograaf uitgestorven. Studenten leren het vak nog wel, maar in de praktijk spelen zaken als tijd = geld de hoofdrol, om maar even niet te spreken van uitgevers en boekhandelaren die zich overal mee bemoeien. Vergelijk de typografie van boeken van 25 geleden eens met elkaar. Geniet van de verschillen! Leg daarna boeken anno 2009 opengeslagen naast elkaar: het is dan echt zoeken naar de verschillen. Vergeleken met het zetsel van vroeger wordt er ook enorm gehannest met interlinie, soms vallen er gewoonweg gaten in de tekst. Dat is in mijn nieuwe boek gelukkig niet het geval. Het ziet er goed en mooi uit.