Correcties

logo alfred birney weblog Ik ben een week of twee bezig geweest met de laatste correcties aan mijn boek. Dat wil zeggen: ik heb wat zinnen verbeterd en voor de rest ben ik gaan zitten piekeren over zaken waarmee ik u maar niet lastig zal vallen. Ik ben slecht in keuzes maken. Nou zegt men dat het niet maken van keuzes ook een keuze is, maar met die onzin kom je niet ver als je een definitieve versie van je manuscript moet inleveren. Ik treuzelde enorm, totdat afgelopen zondag – ja de zevende dag – mijn uitgever opeens vroeg of ik de tekst nog die avond wilde inleveren. Dan kon de persklaarmaker er de volgende dag mee aan de gang. Ik beloofde het manuscript uiterlijk middernacht per e-mail in te leveren en ging als een gek aan de slag.

Om tien over half twaalf zag ik dat ik het nooit zou redden. Ik verklaarde 00:00 uur als zijnde een ontijd en pakte er nog maar wat uurtjes bij. Ik was die middag namelijk op het zotte idee gekomen om nog wat te gaan schuiven met twee hoofdstukken, zodat er een soort van parallelle vertelling door het verhaal kon gaan stromen, als u begrijpt wat ik bedoel. Maar de tekst was al zo gelaagd, al zie je dat er niet direct aan af (en zo hoort het ook). Ten leste besloot ik om de twee hoofdstukken eenvoudig weg te gooien, te deleten, te ditchen, te dumpen, te wissen – wat is het heerlijk om daar allerlei werkwoorden voor te zoeken. Pas toen dat eenmaal gebeurd was, voelde ik dat het goed was. Dat het die twee hoofdstukken waren die me de afgelopen twee weken zo in de weg hadden gezeten. Niet omdat ik ze steeds tegenkwam, maar vanwege hun simpele bestaan. Ze hadden geen bestaansrecht in mijn verhaal, ze voegden er niets aan toe, maakten de boel nodeloos gecompliceerd.

Vraag me niet waarom een schrijver zoiets niet eerder ziet. Het is als het optrekken met een stel vrienden, onder wie er een paar zitten die niet helemaal deugen. Ik zal maar niet met een analogie met liefdesrelaties komen.

De correctieronde van mijn nieuwe boek

logo alfred birney weblog Ziezo, de correcties van mijn manuscript vielen gisteren zowaar in mijn brievenbus. De uitgever had ze al op vrijdag gepost, maar sinds de industriële revolutie rond 1900 is de snelheid van de post niet meer toegenomen, integendeel. Een envelop met een stapel A4-tjes doet vier volle dagen over een afstand van 60 kilometer. Dat is 15 kilometer per dag en gemakkelijk te lopen. De PTT / TPG / TNT kan de bestelbusjes dus in de plomp gooien en Nordic-wandelaars met rugzakken op pad sturen. En passant voer je de verhoging in van de pensioengerechtigde leeftijd van 65 naar 67 jaar. Maar ik was niet van plan te gaan klagen, schelden, grommen, mopperen of katten. Ik ben blij mijn manuscript terug te zien, vol met op- en aanmerkingen in rode inkt en potlood. Rood moet, potlood mag. Ik ben redelijk braaf, maar Indo met een kleine letter i gaat er bij mij echt niet in. Indo met een hoofdletter is namelijk een statement.

Eigennamen krijgen bij mij altijd komma + s. Ik houd niet van geplak van s’en aan namen. Het is bij mij niet Donovans ballade, maar Donovan’s ballade. Ze mogen blij zijn dat ik me aan die bezopen spelling houd. De uitgever had me al gewaarschuwd: ik zou ditmaal een echte muggenzifter krijgen. De stijl van deze corrector lijkt een beetje op die Sonatine voor zes vrouwen (1996) deed. Ik dacht dat dit soort correctoren uitgestorven was, of tenminste wegbezuinigd, maar gelukkig liggen ze nog niet allemaal in hun graf. Wie weet komen ze zelfs weer terug, want we hebben het managerstijdperk nu wel achter ons, dat gedoe van mensen ontslaan en er zelf met de kostenbesparingen vandoor gaan. In het circus van smijten met geld en pletten van personeel is het oog voor zoiets als kwaliteit wat vertroebeld geraakt. Ik heb zelfs gehoord over uitgevers die werkstudenten manuscripten persklaar lieten maken en allerlei turbotaal voorstelden in het proza van een honderdjarige. Nou ja, goed, laat de auteur dan 50 zijn geweest.

De dood van zijn vrouw drukte zwaar op zijn gemoed. Hij baalde er onwijs van dat zijn vrouw de pijp uit was.

Ik verzin maar even een voorbeeld.

Nog eentje? Goed:

Ze gedroeg zich nogal aanminnig die avond bij de Karstens. Ze hing echt de slettebak uit die avond bij de Karstens (ja doei andere naam verzinnen graag, lijkt wel terug naar de vijftiger jaren).

Ja, goed gezien: “vijftiger jaren” is fout. Moet zijn: jaren vijftig.

Enfin, het boek dat twee jaar terug al werd aangekondigd maar door allerlei oorzaken niet verscheen, gaat in productie. De titel luidt nog steeds Rivier de Lossie. Een voorpublicatie in Archipel Magazine is wat gedateerd, de heleboel is herschreven. Als alles meezit, komt het uit in april. In de komende twee jaren komen er, crisis of niet, nog twee boeken achteraan, dus dan weet u dat alvast (smile).

Het is zegge en schrijven negen jaar geleden dat ik met fictie in boekvorm kwam. In de tussenliggende periode heb ik mij bezondigd aan het schrijven van columns, recensies, verhalen, essays en artikelen. Zelfs de journalistiek heb ik niet gemeden met interviews, editing en redactiewerk. Nou viel die periode mooi samen met het opgroeien van mijn zoon. Hij is nu zestien en heeft dus niet zoiets als een afwezige papa gehad, integendeel. Hij gaat me minder nodig hebben en dat is even wennen voor me – ik ben namelijk nogal zorgzaam – maar er komt nu zoveel tijd vrij dat ik wel weer aan een tweede schrijversleven kan gaan beginnen.

Er is veel veranderd in het literaire klimaat, maar ondanks de digitale revolutie zijn sommige zaken hetzelfde gebleven. Zoals het handmatig corrigeren van een manuscript. Er is geen hond die dat op een computer kan, het moet echt met pen of potlood. Papier brengt fouten aan het licht, beeldschermen doen teksten alleen maar mooi schijnen. Ik meen zelfs de geur van tabaksrook van de A4-tjes te ruiken. Volgens mij zijn het sigaren die de corrector rookt. Een vluchtige blik op de graffiti die hij over mijn proza heeft uitgestrooid, doet vermoeden dat hij erg goed is. Toch lijkt een parfumgeur me de volgende keer ook niet gek.

Zeg, kun je me haar telefoonnummer niet even geven? Ik kan haar handschrift niet goed lezen. Hey hallo, aangenaam, even afspreken ergens? Weekje Canarische Eilanden samen? We doen die correcties dan wel ’s morgens bij het ontbijt. Life is a piece of cake, ain’t it baby?

Zendelingen en legerpredikanten

Zo te zien is uitgeverij Athenaeum-Polak en van Gennep bezig de nieuwe Indische uitgeverij, of tenminste een serieuze concurrent van Bert Bakker, voor nonfictie te worden. Dat zou kunnen komen door het succes van Reggie Baaij over zijn boek over de njai. Ik heb het niet gelezen, maar uit wat ik erover hoorde meende ik te moeten opmaken dat de njai een beetje als slachtoffer is neergezet, in elk geval als een persoon om wie de Belanda’s zich nog even schuldig moeten gaan voelen. Een dergelijk perspectief doet het wel aardig hier in Holland. Kom je met een boek over de njai met een grote smoel, dan wordt de boel ineens een stuk complexer. Maar goed, ik moet dat boek nog lezen.

Omdat ik nu en dan een gastrecensie schrijf, weten de auteurs me in elk geval te vinden. Een paar dagen geleden kreeg ik een e-mail van Kristine Groenhart met de mededeling dat haar debuut Leer mij je liefhebben, het bewogen leven van een domineesvrouw op 8 mei aanstaande bij genoemde uitgeverij zal verschijnen. Kristine Groenhart is geboren in Dordrecht (1964) en woont sinds tien jaar in Zuid-Engeland. Ze is Neerlandica.

Het boek gaat over de grootouders van de debutante en verhaalt vanuit het perspectief van de grootmoeder, afgewisseld met fragmenten uit dagboeken, brieven en andere documenten, ook van de grootvader, die van 1934 tot 1948 zendeling en legerpredikant was op Sumatra.

Zendelingen en legerpredikanten vormden een bijzondere groep in de voormalige kolonie. Ik bedoel: ze kwamen geen tabak planten, ze namen geen dienst bij het KNIL, ze waren niet op jacht naar rijke “inlandsche” weduwen (Victor Ido heeft daar een mooie roman over geschreven: In vreemde sferen), nee: ze kwamen God brengen. Bij de kolonisering van Zuid-Amerika door de Portugezen en Spanjaarden was dat allemaal all in, maar de Hollanders hadden elk zo hun specialiteit naast natuurlijk de handel, waarom het allemaal te doen was. Enfin, de Molukken waren al gekerstend, we zullen zien hoe het op Sumatra ging.

De auteur zal met haar boek een dag aanwezig zijn op de 1e editie van de Tong Tong Fair, ofwel op de 51e editie van de Tong Tong Fair voorheen Pasar Malam Besar. Bent u al aan de nieuwe naam gewend?

Spelen met deadlines

Ooit was een deadline een deadline: een tijdslimiet, de laatste datum waarop iets afgewerkt of ingeleverd moest zijn. De uiterste deadline bestond niet, alleen als pleonasme. Bij mijn debuut in 1987 werd al met de deadline gesjoemeld. De uitgever liet je je manuscript gewoon een maand eerder inleveren. Voor de zekerheid. Nu is het geloof ik twee maanden eerder. Een boek kan in no time gefabriceerd worden, dus wat stelt zo’n deadline nou helemaal voor? Je braaf aan de deadline van een uitgever houden is hem wat lucht geven in zijn stressleven, waarin voor alles plaats is behalve het lezen van manuscripten.

Dagbladen kennen nog wel deadlines, daar is weinig voorstellingsvermogen voor nodig. Ik bevind me in de gelukkige omstandigheid dat ik niet meer dagelijks met kranten te maken heb. En als ik eens iets moet schrijven dan is dat voor een cultuurbijlage die pas twee weken later moet verschijnen en in werkelijkheid vier weken later verschijnt.

Met een magazine ligt het anders. Nou heb je week-, maand- en kwartaalbladen. Ik heb morgen, dat is woensdag de vierde februari 2009, als deadline staan voor een bijdrage in een kwartaalblad. Ik kreeg de deadline te horen op de achttiende december van het afgelopen jaar. Ik heb nog geen woord geschreven. Niet omdat ik de redacteur wil plagen, de tijd vloog en ik ben nog maar net bekomen van de griep (ondanks de griepprik, die ik braaf elk jaar haal en die op zijn beurt te braaf is voor de griep).

Misschien heb ik nog wel iets in mijn lade liggen. Er lag altijd nog wel ergens een tekst die ik right away kan opsturen. Dat waren mijn deadline killers. Ik hoefde er alleen maar naar te zoeken. Helaas heeft een crash van mijn pc negentig procent van mijn deadline killers te grazen genomen, maar dat moet ik nu, na een jaar of drie, maar eens gaan vergeten. Trouwens, als ik nu niets instuur, dan krijg ik over vier weken toch wel een mailtje met een, ja daar komt ie: uiterste deadline.

Problem solved. Next one.

Hoe gewaagd is Inez Hollanders aanstaande boek?

De Nederlands-Amerikaanse schrijfster Inez Hollander mailde me dat haar boek Silenced Voices, Uncovering a Family’s Colonial History net in Amerika is verschenen. In het voorjaar verschijnt het in het Nederlands bij uitgeverij Atlas, onder de titel Verstilde stemmen, verzwegen levens.

Inez Hollanders voorzaten waren indertijd de Franckens, die de plantage Kali Djompo beheerden, vlakbij de plantages van de Birnies, mijn voorzaten. Tijdens Hollanders onderzoek een jaar of wat terug mailde ze me over de “martelgang” van haar boek. Ze schreef het eerst in het Nederlands, het boek werd aanvankelijk geaccepteerd door Veen, maar die uitgever trok zich op het laatste moment om onduidelijke redenen terug. Op de zestigjarige herdenking van de Japanse capitulatie schreef Hollander een indringend stuk over de revolutie in Soerabaja. De NRC wilde het hebben, het stuk werd geredigeerd maar een week voor publicatie in de prullenbak geworpen. Een vriendin van Hollander wist te vertellen dat de NRC het stuk “te riskant” vond. Hollander heeft toen haar boekmanuscript ook maar helemaal weggelegd. Ze raakte verbitterd en begon te twijfelen aan de vrijheid van meningsuiting in Nederland.

Een Amerikaanse historicus, die Nederlands kon lezen, vroeg haar herhaaldelijk naar het manuscript en wist het op de tafel van Geert Mak te krijgen er een uitgever voor te vinden. Inez Hollander kreeg contact met Geert Mak toen hij ergens een essay van haar las. Via hem kwam het Met die man hebben Indo’s nog een appeltje te schillen (hij noemde Indo’s Indiërs in zijn bestseller De eeuw van mijn vader), wie weet deed hij daarom zijn best om het manuscript bij uitgeverij Atlas uitgegeven te krijgen terecht. Hollander moest de boel wel zelf terugvertalen naar het Nederlands. Hierdoor is het boek volgens de schrijfster zelf genuanceerder geworden.

Hollander denkt dat de vooroordelen van Amsterdam en hoe men binnen de grachtengordel tegen de Nederlandse koloniale geschiedenis aan kijkt, nog altijd een grote rol spelen. Een redacteur, die waarschijnlijk van toeten noch blazen wist, schreef “foute toon” in de kantlijn bij de volgende zin in Hollanders inleiding:

‘Strikt genomen vertel ik in dit boek het verhaal van onze rubber- en koffieplantage Kali Djompo (1899-1957), en mijn familieleden die daar woonden en werkten. Mijn Indische familieleden waren kolonisten die uiteindelijk zelf gekoloniseerd werden (door de Japanners) en verdreven werden (door de Indonesiërs). Als berooide bannelingen arriveerden ze in Nederland, een land dat nog steeds niet voldoende hun bijdrage, hun pijn en hun verlies onderkend heeft.’

Hollander herinnerde me aan een e-mail van me, waarin ik schreef:

‘Wie ook maar de joodse en Indische episodes in de Tweede Wereldoorlog naast elkaar durft te zetten op wat voor manier dan ook, wordt niet gehoord in Nederland.’

Ze vroeg me of ze dat citaat in haar boek mocht opnemen. Dat vond ik goed, maar ik waarschuwde haar nog maar eens op de gevoeligheid die in Nederland hangt ten gevolge van een diepgeworteld schuldgevoel ten opzichte van joden, die hier tijdens WO-II zonder noemenswaardige problemen werden gedeporteerd naar vernietigingskampen. Een vergelijking tussen joden en Indische mensen loopt altijd verkeerd af en wel in het nadeel van Indische mensen.

Ik zag eens een televisiedocumentaire waarin een verslaggeefster van joodse komaf net zo lang met een cameraman op een pasar malam in de provincie Indische mensen afzocht totdat ze er eentje vond – Emmy Verhoeff – die wel wilde verklaren dat het leed van Indische mensen wel degelijk vergelijkbaar was dat van joodse mensen. Nou, dat hebben we geweten. Die uitspraak is uit zijn verband gelicht en zwaar aangezet op de Nederlandse televisie uitgezonden. Het is wel vaker voorgekomen dat beide groepen tegenover elkaar werden geplaatst en uitgespeeld in het kader van Neerlands kampioenschap slachtofferschap. Ditmaal was het een reactie op het in het leven roepen van de Stichting Het Gebaar. (N.B. De onlangs door mij besproken biografie van Tjalie Robinson van de hand van Wim Willems is onder meer door de Stichting Het Gebaar gefinancierd – het staat niet voorin het boek vermeld, wat niet erg netjes is, maar dat doet aan het feit niets af dat met de middelen van Het Gebaar in elk geval werk gedaan wordt dat anders was blijven liggen.)

Zoals een goed schrijver of publicist betaamt, kent ook Inez Hollander haar eigenwijze kanten. Ze bedankt me voor mijn waarschuwingen, ze weet precies waar ik het over heb, ze zal ongetwijfeld “over een mijnenveld lopen, maar als genoeg mensen dit gaan zeggen en hebben gezegd dan moet het toch een keer aankomen bij die botte Batavieren. Misschien ben ik een idealist, of een naïeveling, maar de stilte, de taboesfeer zoals die in mijn familie rondom het onderwerp Indië geheerst heeft, moet op een gegeven moment doorbroken worden, hoe dan ook. Soms moet men provoceren om gehoord te worden en misschien betekent dit dat ook dit boek doodgezwegen gaat worden in Nederland, maar dan staat daar nog altijd de Amerikaanse markt tegenover en hoe men hier op dit boek gaat reageren. In zekere zin is dat interessanter dan de voorspellingen die we (nu al ) kunnen doen over de receptie van het boek in Nederland.”

Dus zinnen als “in Nederland is het nog steeds taboe om het lijden van de joden te vergelijken met de ellende van de Europeanen, Indo-Europeanen en romusha’s die het slachtoffer werden van de Japanners” blijven gewoon in haar boek staan. Inez Hollander is een verbeten schrijfster, geboren in 1965, de woede straalt soms van haar e-mails: “Je wil niet weten hoeveel Indo’s hier in Californië zitten, weggekeken uit Nederlands destijds, en niettemin hebben ze een misplaatste nostalgie inzake Nederland, koningshuis etc., daarbij voorbijgaand aan het feit dat het een Indische diaspora is geweest waarbij de Indo’s die nu in Californië wonen, twee keer hun vaderland verloren hebben, maar niks geen bittere gevoelens koesteren.”

De ontvangst van het boek is in Amerika tot dusver positief. De aandacht waait al over naar Australië, waar een kleine groep Indo’s actief bezig is met de koloniale geschiedenis. We zullen zien hoe het het boek hier in Nederland zal vergaan, straks in de lente.

Tjalie

tjalie robinson biografie Zou Tjalie Robinson nou echt “de enige Indo-schrijver van Nederland” zijn geweest? Flauwekul natuurlijk. Toch meldt de website van de uitgever het. De flaptekst is op het boek intussen gewijzigd, maar de oorspronkelijke versie gaat vrolijk het internet over. Wim Willems is wél de enige echte biograaf van deze kleurrijke figuur. Geen flauwekul. Tjalie was ooit een gevierd schrijver maar is onderhand vergeten buiten Indische en Indonesische kringen. Zijn naam komt niet voor op de boekenlijsten van middelbare scholen. Hoe is dat mogelijk? Willems opent zijn boek fraai met de begrafenis van het fenomeen, het lijkt wel of je een roman leest. Helaas houdt de schrijver deze verteltrant niet vol. Volgt een degelijk en minutieus verslag van het leven van het “kind tussen Oost en West”. Eigenlijk zijn het drie levens in één: dat van Jan Boon, zoon van een Nederlandse vader en een Indische moeder, dat van Tjalie Robinson, de schrijvende activist, en dat van Vincent Mahieu, de literator. Drie maanden na zijn geboorte in Nederland vertrok hij al naar Nederlands-Indië, ging er later het onderwijs in, werd gevangene van de Japanners in de oorlog, keerde uit Indonesië terug, probeerde in Amsterdam te aarden en oogstte er als schrijver lof in literaire kringen. Vanuit Den Haag bestierde hij een eigen tijdschrift. Hij wilde zijn Indische lotgenoten “porren tot grotere daden” dan zo geruisloos mogelijk in de Nederlandse samenleving opgaan. Hij verwaarloosde zijn schrijverschap en stortte zich als voorman van de Indische gemeenschap in vele avonturen, liep zichzelf voorbij en pleegde roofbouw op zijn gezondheid, onder andere door een avontuur in Amerika in zijn rusteloze zoektocht naar een cultuur die beter aansloot bij de Indische dan die in Nederland. De levensloop van Tjalie brengt een belangrijk weggemoffeld deel van de Nederlandse geschiedenis terug voor het voetlicht. Als biograaf is Willems nergens hinderlijk dweepziek. Hij kan kritisch naar zijn idool kijken en hem met tegenstand van Indo-schrijvers als Beb Vuyk en Rob Nieuwenhuys confronteren. Voor zijn literair-wetenschappelijke analyses leunt Willems wel erg op E.M. Beekman, wiens hoogdravende theorieën hoogstwaarschijnlijk door Tjalie zouden zijn weggewuifd. Verbazingwekkend is het dat Willems, met zijn brede kennis van Nederlands koloniale verleden, de termen “Indo”, “Indisch”, “Indo-Europees”, “Indischman” en zelfs “Indischgast” inconsequent door elkaar gebruikt. In zijn nawoord trekt hij idealistisch de “transnationale gedachte” van Tjalie door naar nieuwe migranten in Nederland, maar laat die potentiële lezers zonder inleidende toelichtingen op genoemde begrippen in het duister tasten. Voorwaar een gemiste kans. Laat onverlet dat geen serieuze Neerlandicus het zich nu nog kan veroorloven deze Indo-schrijver te negeren. De biografie vraagt indirect om een bredere algemene nationale geschiedschrijving. Mocht dat er niet van komen, dan vind je de verklaring daarvoor in de geschriften van Tjalie Robinson himself.

© 2008 Alfred Birney. Verscheen eerder in de boekenbijlage van het Algemeen Dagblad op zaterdag 20 december 2008, waarschijnlijk onder een uitgebreidere titel.

Eén uit een miljoen aspirant-schrijvers

Ik ontving een e-mail van een lezer die op zoek was naar een collega-schrijver van me. Of ik wist waar hij uithing. Ik mailde terug dat ik dat wist, ja. De lezer beloofde me een boek van me te zullen kopen als ik hem vertelde waar mijn collega uithing. Nou leek de persoon me niet direct lid van een terreurgroep, gestoord of buitengewoon onnozel, toch gaf ik de verblijfplaats van mijn collega niet. Natuurlijk niet! Probeer maar eens een uitgever te vragen naar de adresgegevens van een schrijver. Je wordt, als het goed is, met een kluitje in het riet gestuurd. Maar er zijn trucs te verzinnen. Je geeft je uit voor een programmamaker van de een of andere literaire club en je bent al een stuk verder. De rest is een kwestie van talent. Bent u brutaal? Kunt u liegen? Dat soort eigenschappen gaat dan tellen. Ik heb mijn collega overigens op de hoogte gebracht van de fan in kwestie. Was de persoon een jonge dame geweest, dan was mijn collega me om de hals gevlogen. Helaas. Het gaat om een copywriter van middelbare leeftijd. Onlangs meldde hij zich weer. Ditmaal met een manuscript. Nou heb ik het land aan al die mensen die me met hun manuscripten om de oren slaan, maar de eerste bladzijde was goed, de tweede ook, de tiende enzovoort. Bijzonder geestig proza over, zeg, de Nederlandse identiteit. Ik heb hem gelukgewenst met het zoeken naar een uitgever. En bij dezen elke Nederlander die een boek schrijft, gaat schrijven of heeft geschreven.

Kalender

hat logo meneer b Ik werd vandaag verrast met post. Wonderlijk, aangezien de postbode al enige jaren niet meer op maandag langskomt. Wat voor reden men daarvoor had verzonnen kan ik me natuurlijk niet herinneren, ik weet me niet te verplaatsen in het brein van idioten die denken aan besparen en winstmaken tegelijk en met de onzinnigste argumenten voormalige staatsbedrijven zover krijgen zich van hun trouwste werknemers te ontdoen. Misschien is in dit nieuwe jaar een nieuwe oude regeling ingegaan, die zegt dat op maandag voortaan weer gewoon post bezorgd gaat worden? Een uitgever stuurde me een mooie ingebonden novelle met flappen als nieuwjaarsgeschenk. De auteur ken ik niet, maar er zijn er zoveel die ik niet ken. Het is op zich al een genot om naar het boekje te kijken, waarom zou ik het dan nog lezen? Het moet wel proza zijn van zeer hoog niveau wil ik niet worden teleurgesteld. Maar er lag nog iets in mijn brievenbus: een aardige jaarkalender. Als er iets is dat ik nooit zou ophangen, dan is het wel een jaarkalender. Toch wierp ik er een blik op. Vier rijen van drie kolommen. Een doodnormale kalender. Vormgeving: jaren vijftig. Kleurstelling: jaren tachtig. Je blik glijdt vanzelf omlaag langs de seizoenen en blijft rusten op de rivier die onderaan lieflijk langs een oud-Hollandse molen stroomt. Schapen grazen vredig in de wei. Was getekend: *** Uitvaartverzekeringen. De kalender blijkt een uitklapbaar aanvraagformulier te bevatten voor “iedereen die verder kijkt”. Er zijn kraaien die wachten om je kist te mogen schouderen.

Quote

De niet altijd geweldig interessante smaak van de massa (hoe zeg je het vriendelijk) is dominant geworden.

Een aardige observatie uit Nieuwe Rederijkers van Carel Peeters, een column in Vrij Nederland (nr 50/51, 13 dec 2008 – 7 jan 2009, jrg 69), waarin de gewezen godfather van de Nederlandse letteren in een tamelijk harkerige stijl een weinig intelligente poging doet Dirk van Weelden’s pamflet Literair overleven (uitgeverij Augustus, 2008) enig zinvol commentaar mee te geven.

Schrijf een pizza

logo alfred birney Toen ik debuteerde werd het aantal schrijvende mensen in Nederland geschat op 20.000. Eind vorige eeuw was het aantal vertienvoudigd: 200.000. Nou had ik vanavond de televisie aan laten staan na een uitzending over de Olympische Spelen in China. Ik stond wat met vis, rijst en komkommer in de keuken te freaken toen ik iets over Idols voor schrijven hoorde. De verslaggever zei dat er momenteel 1.000.000 Nederlanders aan zoiets als een roman of verhalenbundel bezig zijn. Eén miljoen! Hoe komen ze aan dat getal? Worden webloggers meegeteld? Dat moet haast wel. Veel webloggers dromen van een boekuitgave. Elk mens heeft een verhaal, right? Een groepje wedstrijdvee mag zijn opwachting maken voor de televisiecamera. Well, you can’t judge a book by the cover. Evenwel… de jury… Kwam dat vee dáár de stallen voor uit? Een kandidaat vertelde dat hij energie kreeg van schrijven. Hoe kan dat nou? Je wordt er hartstikke moe van, man! Werk dag en nacht aan een roman, een jaarlang, en je bent zo mager als een lat. Plus volkomen vervreemd van de wereld. Een wereld die nauwelijks begrijpt waar je het eigenlijk over hebt. Maar je schrijft tenminste goed. Daar gaat het om. Helaas, wat ik uit die monden hoorde komen stelde teleur. En hoopvol tegelijk. Er verschijnt al genoeg rotzooi, dat moet maar eens afgelopen zijn. Uitgevers worden dagelijks overladen met manuscripten. Ze klagen over het enorme aanbod. Waarom dan toch een wedstrijd uitschrijven? Het heeft iets weg van een pizza bestellen. Customized. Got it?