Spammen

alfred birney Ik heb afgelopen nacht zitten spammen. Denk ik. Zeker weten doe ik het niet, want de betekenissen van het woord zijn niet eenduidig.

Volgens Encyclo, de online encyclopedie, is spammen het versturen van ongewenste post naar een groot aantal e-mailadressen of naar nieuwsgroepen.

Wikipedia bedoelt met een groot aantal e-mailadressen duizenden adressen, dus niet een paar honderd. Verder staat in Wikipedia dat spam kan verwijzen naar:

1. ingeblikt varkensvlees, in Nederland onder de naam Smac in de handel
2. Spam (3FM) – een radioprogramma
3. de bijnaam van de Russische voetbalclub FC Spartak Moskou
4. een televisieprogramma op Canvas
5. een inmiddels opgeheven jeugdtijdschrift
6. ongewenste elektronische post

Nou heb ik maar een stuk of 500 adressen bespammed. Dat maakt van mij een amateurspammertje. Een in de VS tot 9 (negen) jaar cel veroordeelde spammer had 2 miljard spammails op zijn naam staan. Kijk, dát is het ware spammen. En een nogal overdreven strafmaat in een land waar massamoordenaars een standbeeld krijgen.

De netiquette verbiedt spamming en in sommige landen is spammen strafbaar. Het is tegenwoordig zo, dat je eerst iemand moet mailen met de vraag of je hem of haar een spammail mag sturen. Mensen die hun boeken laten uitgeven door print on demand-uitgevers moeten zoiets doen, want die webuitgevers willen geen gedoe. Je stuurt dan mails aan, zeg, 500 mensen, je krijgt er 50 terug, die je vervolgens laat weten dat er een boek van je is gedrukt en uiteindelijk verkoop je er één.

Tussen de 500 adressen die ik heb bespammed was de helft mij bekend – vrienden, kennissen, collega’s en zo meer. De rest kende ik nauwelijks. Tijdens het spammen, geduldig per letter van het alfabet, kreeg ik om de haverklap bericht van mijn ISP dat dit en dat adres niet meer bestond. Ook ontving ik out of the office-berichten en meer van dat soort robotwerk. Toen ik klaar was met spammen heb ik de helft van mijn adressenlijst gewist. Eens per jaar een beetje spammen ruimt zo lekker op: je adressenlijst wordt overzichtelijk.

Afgelopen dag durfde ik mijn mailbox nauwelijks te openen, bang voor narrige reacties. Maar het viel mee. Opvallend is dat collega-schrijvers vrijwel allemaal overgingen tot het kopen van mijn Matchboox. Een kennis speelde met de gedachte aan een Italiaanse vertaling. Enkele very special persons lieten me fijntjes weten dat ze liever een persoonlijke mail kregen. En Michiel van Kempen plaatste op Caribisch Uitzicht een wel heel hilarische tekst. Must read!

Enfin, tot zover De Taart en de Kat, hier afgebeeld zoals het er ongeveer uitziet. Dus niet zo groot als in de vorige post. Nee, ik heb het zelf nog niet in handen gehad…

Schrijven en slapeloosheid

Ik was het eigenlijk zo’n beetje vergeten, ik heb immers lang niet meer aan iets gewerkt dat omvangrijker is dan een column, een artikel of een schrijfklus voor derden. Maar deze maand staat in het teken van het schrijven aan een stuk proza van ongeveer 20.000 woorden. De lengte van de tekst vraagt dus om een voortdurende concentratie. Het fenomeen creativiteit is vaak onderwerp van onderzoek geweest, maar altijd een raadsel gebleven. Ik dacht dat ik de truc lang geleden had gevonden door gewoon te stoppen met denken aan je manuscript zodra je je schrijftafel verlaat om te gaan slapen. De beste truc kwam van Aya Zikken, die zei dat je moet stoppen wanneer je weet hoe je morgen verder kan. Maar die trucs ben ik verleerd, ik moet ze me weer eigen maken. Zal wel lukken. Zal wel moeten. Het was een rare nacht. Schrijven van 00.00 – 03.00 uur. Naar bed om 03.30 uur. In slaap rond 04.00 uur. Plotseling wakker om 07.00 uur, veel te vroeg, normaal gesproken slaap ik in een ruk door tot noen. Malend blijven liggen tot 08.00 uur. Eruit, slaappil innemen, een boterham naar binnen werken, even met de computer spelen, iets overbodigs downloaden en weggooien. Om 09.00 uur terug naar bed. Wat heeft me wakker gehouden? De gedachte aan het schrijven of de gedachte aan de jungle van uitgevers, redacteuren, schrijvers, kranten, podia? De I Tjing zegt dat je moet doen zonder denken aan het resultaat. In welk hexagram staat dat ook weer?

N.B. Het plaatje is van Amano.

Neem de tijd

logo alfred birney Als je meewerkt aan een speciale uitgave, onverschillig boek of tijdschrift, dan vraagt men je altijd een minibio te schrijven. Ik vind dat wat armoedig, bijna typisch Hollands, je maakt dit niet snel mee in andere landen, waar redacteuren het een eer vinden om de schrijvers van hun keuze helemaal zelf te mogen portretteren. Waarschijnlijk hebben de redacteuren hier bij ons geen tijd, zoals uitgevers nooit tijd hebben en lezers ook al niet en er niemand lijkt te zijn die gewoon even de tijd neemt. Want tijd moet je nemen, dacht ik zo. Neem de tijd. Dat hoorde je vroeger veel in winkels uit de monden van verkopers komen, wanneer je er rondscharrelde. Neem de tijd. Prachtige zin, zit heel veel in. Ik neem ook echt de tijd om een artikel te schrijven wanneer mij er om gevraagd wordt. Heb ik geen tijd, dan zeg ik: nee, sorry, ik heb geen tijd. Ik zou natuurlijk moeten zeggen: nee, sorry, ik heb geen zin om de tijd te nemen. Maar ja, dan heb je een probleem, want dan hoor je aan de andere kant van de eh… lijn?… dat je toch wel even de tijd kunt nemen? Goed, ik heb inmiddels ruimschoots de tijd genomen om iets over mijn moeder te gaan vertellen, maar ik zit al weer bijna aan mijn geliefde lengte van 250 woorden, dus ik laat het hier maar bij. Niet dat ik geen tijd heb, maar ik vind het wel best zo. Het is wel best zo.

Redacteuren

hat logo meneer b Ik begin een beetje genoeg te krijgen van die redacteuren. Nou waren ze vroeger al niet helemaal in orde, gemankeerde schrijvers in de meeste gevallen, maar enig respect wisten ze nog wel te tonen. Ik denk niet dat ze wisten wat het schrijven van een boek, of ook maar een verhaal, inhield. Maar ze hadden althans een vermoeden. De huidige generatie redacteuren lijkt totaal geen weet te hebben van wat het is een boek te schrijven. Het lijken wel bloggers van het soort dat denkt dat je in twee weken een roman in elkaar flanst. Wat ze goed kunnen: ideeën lanceren. Eén ideetje flits door hun hoofd en ze wanen zich een genie. Ze schreeuwen het van de kansel, brengen allerlei geschut in stelling en dan moet het gaan gebeuren. Hun idee moet vorm krijgen. Hoe? Met de hulp van schrijvers. Ooit stonden die in aanzien, zij staan immers aan de basis van een enorme keten. Zonder schrijvers géén boeken, géén drukkers, géén boekhandel, géén lezers, géén omzet, géén geld. Op één of andere manier zijn redacteuren het in hun hoofd gaan halen dat zij nu aan de basis staan. Waar ze het idee vandaan halen is een raadsel dat uiteraard naar de uitgevers voert. De uitgever, als speculant op de beurs, ziet alleen nog zijn redacteur en houdt hem voor een schrijver. De redacteur, blij om alle lof die hem toevalt, behandelt zijn schrijvers als voetvolk. Alleen slechte schrijvers laten zich geselen en doen wat van hun gevraagd wordt.

Nar (1)

hat logo meneer b Iemand sprak me aan bij de kassa in een supermarkt. Ze wilde weten of ik degene was die ze dacht voor zich te hebben. Ik knikte kortaf en vroeg wie zij was. Toen ze zich bekend maakte, zag ik het meisje van 40 jaar terug in haar gezicht. Het einde van de lopende band, waar mensen veelal gestresst hun boodschappen in plastic tassen frommelen, is geen prettige plek om bij te praten. Ze gaf me haar kaartje, een mooi kaartje; het is tamelijk knap om nu nog met een opvallend smaakvol kaartje te komen. Nar handelde intussen in lingerie. Ik geef niets om lingerie, wel vind ik het boeiend om van iemand te horen hoe er wordt gehandeld in lingerie. Ik had geen kaartje bij me, die dingen zijn op, ik roep meestal: kijk maar op Google, wat waarschijnlijk arrogant en ongeïnteresseerd overkomt. Maar ik haat winkelen, bestellen, de stad in moeten, en eigenlijk haat ik ook wel kaartjes. Ik heb een la vol kaartjes en overweeg om ze maar met Oud en Nieuw op de brandstapel te gooien. Wat moet ik nou met die obligate kaartjes van politici, radiomakers, kunsthandelaren, mensenrechtenactivisten, uitgevers en ga zo maar door, als ik er de gezichten niet bij zie? Maar Nar, dat is wat anders. Ze was ooit een van de drie schoonheden uit de meisjesvleugel van kindertehuis Nieuw-Voordorp in Voorschoten. Een heldin in onze ogen, een onverbeterlijke wilde meid in de dossiers van de kinderbescherming. Hoe was het haar die jaren vergaan?

Vergankelijkheid

hat logo meneer b De zomer was kort, heet. De zomer is een herinnering nu. Mijn lichaam houdt van warmte, hitte zelfs, maar misschien is ook dat een herinnering straks. Ik was maar één keer op het strand, met mijn zoon en een vriendje van hem, en fietsend op de terugweg stortte ik in, kwam amper nog vooruit. Ik had me te druk gemaakt om het gedrag van de jongens op het strand. Ik heb er de fut niet meer voor op een stel van die snotneuzen te letten. Had ik mezelf overschat? Welnee. Een door mijn cardioloog verordonneerde fietstest gaf een afwijking aan de kransslagader te zien. Hij was ondanks de goede waarden in mijn bloed, altijd achterdochtig gebleven. Nu had hij eindelijk iets gevonden waarmee hij het team in het concurrerende ziekenhuis – want dat zijn ze hier in Holland: concurrenten – kon overtuigen van de noodzaak mij nogmaals op de behandeltafel terug te zien. Doet me deugd, al blijft het knarsetanden met dat getreuzel van ze, reden waarom veel Nederlanders hun heil in Belgische ziekenhuizen zoeken. Het is een kwestie van wachten nu: twee, drie, vier, vijf weken. Misschien zal ik dan een nieuw hoofdstuk aan een roman-in-wording hebben toegevoegd. Ik ben weer een beetje gaan geloven in fictie, ja. Nooit gedacht, nee. Waar ik niet in geloof, is een commercieel succes. Mijn ambitie is een andere. Helaas gedragen uitgevers zich aldoor vaker als speculanten, en hun redacteuren zich als managers. Het publiek begrijpt dat. Kunst moet lonen. Wie wil zulk publiek?

Burn-out

hat logo meneer b Het internet begint me stierlijk te vervelen. De meerstemmigheid van weleer verstomt bijkans bij het mondiale gesprek van de dag, wat thans neerkomt op berichten over christenen versus moslims en vice versa. Duizenden weblogs besteden aandacht aan dezelfde issues. Wie niet voor mij is, is tegen mij. Die leus regeert. Genuanceerd denken past niet bij de snelheid van een muisclick, dus ik grijp maar terug op de papieren krant. Helaas dreigt de krant, na de verloren race met de televisie, nu achter het internet aan te hollen. Het zappen gaat evenwel sneller met zo’n tabloid in je handen. De krant is verder vrij van virussen, pop ups, pop unders, floating ads, spyware en ad aware en je leest een artikel eerder helemaal uit. Zoals het bericht van de nieuwste richtlijnen van psychologen, dat je bij een burn-out zo snel mogelijk weer aan het werk moet. Uitrusten is uit den boze dus. Interessant is dat de krant verplegend personeel als eerste risicogroep noemt, terwijl Wikipedia softwareontwikkelaars hoog op de lijst heeft staan. Nou meen ik zelf een burn-out te hebben, maar aangezien schrijven niet als werken wordt beschouwd, behalve dan door de Belastingdienst, lijkt het me lastig om weer als een idioot op een volslagen zinloze roman te gaan zitten broeden. Trouwens: tegen de tijd dat je boek in de pers besproken wordt, is het uit de winkelschappen verdwenen. Nog even en de uitgevers zetten een houdbaarheidsdatum op onze omslagen. Het is dit soort geklaag waarmee ik u even wilde vervelen.

Mijn literair agente

hat logo meneer b Mijn literair agente laat maar niets van zich horen. Zo lang er geen nieuws is, is er geen slecht nieuws. Mogelijk heeft ze zich in een zoveelste amourette gestort en is ze mij voor een poosje vergeten. Ik meen me te herinneren zoiets over haar te hebben gedroomd, maar ik kan het ook in een eerdere log hebben geopperd en zijn mijn fantasie en dromen in een kruisbestuiving terechtgekomen. Is dat ook een vorm van liefde? Dit lijkt mij een zeer literaire en nutteloze vraag. Literatuur is heden ten dage nauwelijks nuttig te noemen, vandaar die cynische opmerking. Het heeft, anders dan, zeg, vijf jaar terug, geen zin meer om zonder een contract op zak een boek te schrijven. Zelfs vingeroefeningen kunnen onder de noemer bezigheden voor idiote idealisten worden gerangschikt. Mijn agente is op de hoogte van vijf boeken die ik in principe zou kunnen schrijven en gaat met haar notitieboekje uitgevers langs. Er is één jonge redacteur bij een uitgeverij over wie zij aldoor spreekt. Omdat mijn agente vanwege belastingtechnische motieven niet door mij betaald wil worden, moeten haar belangen elders worden gezocht. Misschien gebruikt me mij om als redacteur ergens onderdak te krijgen. Maar het kan ook zijn dat ik het stuifmeel ben dat haar een dekmantel geeft voor haar amoureuze uitstapjes. Ik mag hopen dat ze op dit ogenblik ergens lekker ligt te neuken. Of is ze nog zo dwaas om in zoiets als een vaste relatie te geloven? Ze is de veertig gepasseerd. Hopeloos geval.

Punt noch komma

hat logo meneer b Het moeten nakijken van redactioneel gekriebel in de kantlijn van een tekst die ik maanden terug schreef is een straf. Wat redacteuren op mijn taalgebruik hebben aan te merken, weet ik onderhand wel en het kan me nauwelijks meer boeien, zelfs niet ergeren. Hier en daar wenst men een grammaticaal correcte komma. De ene keer ga ik akkoord, de andere keer niet. Erger is het wanneer men een puntkomma voorstelt. Ik haat puntkomma’s. De puntkomma is namelijk punt noch komma. De puntkomma is al even erg als de broekrok. Broek noch rok. Alice die de hoer wilde spelen, alleen voor mij, ik haatte dat. Het is gruwelijk om in de fantasie van een ander te moeten figureren. Een soort puntkommaseks krijg je dan. Toen ik vanmiddag mijn tekst doornam, moest ik wederom verveeld vaststellen dat het gevoel voor andermans tekst niet bij redacteuren moet worden gezocht. Nu moet ik dat gepeuter ook nog gaan invoeren en per e-mail terugsturen. Je hebt te maken met het soort mensen dat zich verkneukelt bij het idee aan het jaarlijks nationaal dictee, een werkelijk gênant schouwspel voor de creatieve geest. Ik denk dat ik die uitgevers voortaan maar carte blance geef. En in geen geval mijn werk teruglees na publicatie. Dat doe ik toch al jaren niet meer. Wie schept, kijkt niet terug. Hij denkt aan de prooi van zijn volgende schepping. In de liefde schijnt het ook zo te werken. Maar daar is het zo, dat mensen zichzelf aldoor corrigeren. Amusant is dat.

Er was geen regen

hat logo meneer b Er is niets fijners dan bij zware regen in je bed te blijven liggen. Ik heb medelijden met al die mensen die vroeg in de ochtend eruit moeten om mee te draaien in de krankzinnige economische molen, al is mijn leven zwaarder, zeker nu uitgevers ons schrijvers tot schrijfvee hebben gedegradeerd. Terwijl de regen viel en ik naar het plafond staarde, klonk David Crosby’s ‘What are their names’ (1971) in mijn hoofd. Meerstemmig klinken de woorden: ‘I wonder who they are, the men who really run this land, And I wonder why they run it with such a thoughtless hand…’ De muziek komt dan net op toeren. Aanvankelijk plukt iemand wat aan de snaren van een gitaar, een tweede en derde vallen in, ze vinden een eenvoudig motief en wanneer de hele band eenmaal draait, ben je deelgenoot van een commune die een mantra zingt. Die leidt naar een climax en ebt traag weg. Mooi. Muziek die als een orkaan op je afgevuurd vind ik een gruwel. Net als die studente van hierachter in de tuinkamer. Ik denk dat ze een jongen uit de kroeg had meegenomen. Ze hieven de glazen, ze trok haar broek uit en vroeg hem om cunnilingus. Het hele ritueel voltrok zich zo snel dat ze de tijd niet hadden de gordijnen te sluiten. Even later was ze alleen, ze keek televisie en at snacks. Het was zomer, een jaar terug. Het was warm, er was geen regen nodig om dit samenzijn zo armzalig te maken.