Ik heb afgelopen nacht zitten spammen. Denk ik. Zeker weten doe ik het niet, want de betekenissen van het woord zijn niet eenduidig.
Volgens Encyclo, de online encyclopedie, is spammen het versturen van ongewenste post naar een groot aantal e-mailadressen of naar nieuwsgroepen.
Wikipedia bedoelt met een groot aantal e-mailadressen duizenden adressen, dus niet een paar honderd. Verder staat in Wikipedia dat spam kan verwijzen naar:
1. ingeblikt varkensvlees, in Nederland onder de naam Smac in de handel
2. Spam (3FM) – een radioprogramma
3. de bijnaam van de Russische voetbalclub FC Spartak Moskou
4. een televisieprogramma op Canvas
5. een inmiddels opgeheven jeugdtijdschrift
6. ongewenste elektronische post
Nou heb ik maar een stuk of 500 adressen bespammed. Dat maakt van mij een amateurspammertje. Een in de VS tot 9 (negen) jaar cel veroordeelde spammer had 2 miljard spammails op zijn naam staan. Kijk, dát is het ware spammen. En een nogal overdreven strafmaat in een land waar massamoordenaars een standbeeld krijgen.
De netiquette verbiedt spamming en in sommige landen is spammen strafbaar. Het is tegenwoordig zo, dat je eerst iemand moet mailen met de vraag of je hem of haar een spammail mag sturen. Mensen die hun boeken laten uitgeven door print on demand-uitgevers moeten zoiets doen, want die webuitgevers willen geen gedoe. Je stuurt dan mails aan, zeg, 500 mensen, je krijgt er 50 terug, die je vervolgens laat weten dat er een boek van je is gedrukt en uiteindelijk verkoop je er één.
Tussen de 500 adressen die ik heb bespammed was de helft mij bekend – vrienden, kennissen, collega’s en zo meer. De rest kende ik nauwelijks. Tijdens het spammen, geduldig per letter van het alfabet, kreeg ik om de haverklap bericht van mijn ISP dat dit en dat adres niet meer bestond. Ook ontving ik out of the office-berichten en meer van dat soort robotwerk. Toen ik klaar was met spammen heb ik de helft van mijn adressenlijst gewist. Eens per jaar een beetje spammen ruimt zo lekker op: je adressenlijst wordt overzichtelijk.
Afgelopen dag durfde ik mijn mailbox nauwelijks te openen, bang voor narrige reacties. Maar het viel mee. Opvallend is dat collega-schrijvers vrijwel allemaal overgingen tot het kopen van mijn Matchboox. Een kennis speelde met de gedachte aan een Italiaanse vertaling. Enkele very special persons lieten me fijntjes weten dat ze liever een persoonlijke mail kregen. En Michiel van Kempen plaatste op Caribisch Uitzicht een wel heel hilarische tekst. Must read!
Enfin, tot zover De Taart en de Kat, hier afgebeeld zoals het er ongeveer uitziet. Dus niet zo groot als in de vorige post. Nee, ik heb het zelf nog niet in handen gehad…
Ik was het eigenlijk zo’n beetje vergeten, ik heb immers lang niet meer aan iets gewerkt dat omvangrijker is dan een column, een artikel of een schrijfklus voor derden. Maar deze maand staat in het teken van het schrijven aan een stuk proza van ongeveer 20.000 woorden. De lengte van de tekst vraagt dus om een voortdurende concentratie. Het fenomeen creativiteit is vaak onderwerp van onderzoek geweest, maar altijd een raadsel gebleven. Ik dacht dat ik de truc lang geleden had gevonden door gewoon te stoppen met denken aan je manuscript zodra je je schrijftafel verlaat om te gaan slapen. De beste truc kwam van Aya Zikken, die zei dat je moet stoppen wanneer je weet hoe je morgen verder kan. Maar die trucs ben ik verleerd, ik moet ze me weer eigen maken. Zal wel lukken. Zal wel moeten. Het was een rare nacht. Schrijven van 00.00 – 03.00 uur. Naar bed om 03.30 uur. In slaap rond 04.00 uur. Plotseling wakker om 07.00 uur, veel te vroeg, normaal gesproken slaap ik in een ruk door tot noen. Malend blijven liggen tot 08.00 uur. Eruit, slaappil innemen, een boterham naar binnen werken, even met de computer spelen, iets overbodigs downloaden en weggooien. Om 09.00 uur terug naar bed. Wat heeft me wakker gehouden? De gedachte aan het schrijven of de gedachte aan de jungle van uitgevers, redacteuren, schrijvers, kranten, podia? De I Tjing zegt dat je moet doen zonder denken aan het resultaat. In welk hexagram staat dat ook weer?
Als je meewerkt aan een speciale uitgave, onverschillig boek of tijdschrift, dan vraagt men je altijd een minibio te schrijven. Ik vind dat wat armoedig, bijna typisch Hollands, je maakt dit niet snel mee in andere landen, waar redacteuren het een eer vinden om de schrijvers van hun keuze helemaal zelf te mogen portretteren. Waarschijnlijk hebben de redacteuren hier bij ons geen tijd, zoals uitgevers nooit tijd hebben en lezers ook al niet en er niemand lijkt te zijn die gewoon even de tijd neemt. Want tijd moet je nemen, dacht ik zo. Neem de tijd. Dat hoorde je vroeger veel in winkels uit de monden van verkopers komen, wanneer je er rondscharrelde. Neem de tijd. Prachtige zin, zit heel veel in. Ik neem ook echt de tijd om een artikel te schrijven wanneer mij er om gevraagd wordt. Heb ik geen tijd, dan zeg ik: nee, sorry, ik heb geen tijd. Ik zou natuurlijk moeten zeggen: nee, sorry, ik heb geen zin om de tijd te nemen. Maar ja, dan heb je een probleem, want dan hoor je aan de andere kant van de eh… lijn?… dat je toch wel even de tijd kunt nemen? Goed, ik heb inmiddels ruimschoots de tijd genomen om iets over mijn moeder te gaan vertellen, maar ik zit al weer bijna aan mijn geliefde lengte van 250 woorden, dus ik laat het hier maar bij. Niet dat ik geen tijd heb, maar ik vind het wel best zo. Het is wel best zo.
Ik begin een beetje genoeg te krijgen van die redacteuren. Nou waren ze vroeger al niet helemaal in orde, gemankeerde schrijvers in de meeste gevallen, maar enig respect wisten ze nog wel te tonen. Ik denk niet dat ze wisten wat het schrijven van een boek, of ook maar een verhaal, inhield. Maar ze hadden althans een vermoeden. De huidige generatie redacteuren lijkt totaal geen weet te hebben van wat het is een boek te schrijven. Het lijken wel bloggers van het soort dat denkt dat je in twee weken een roman in elkaar flanst. Wat ze goed kunnen: ideeën lanceren. Eén ideetje flits door hun hoofd en ze wanen zich een genie. Ze schreeuwen het van de kansel, brengen allerlei geschut in stelling en dan moet het gaan gebeuren. Hun idee moet vorm krijgen. Hoe? Met de hulp van schrijvers. Ooit stonden die in aanzien, zij staan immers aan de basis van een enorme keten. Zonder schrijvers géén boeken, géén drukkers, géén boekhandel, géén lezers, géén omzet, géén geld. Op één of andere manier zijn redacteuren het in hun hoofd gaan halen dat zij nu aan de basis staan. Waar ze het idee vandaan halen is een raadsel dat uiteraard naar de uitgevers voert. De uitgever, als speculant op de beurs, ziet alleen nog zijn redacteur en houdt hem voor een schrijver. De redacteur, blij om alle lof die hem toevalt, behandelt zijn schrijvers als voetvolk. Alleen slechte schrijvers laten zich geselen en doen wat van hun gevraagd wordt.