Promotour (2) In Jakarta

logo alfred birney Het was al donker toen ik arriveerde, het vliegtuig had een dubbele vertraging. Op Schiphol vanwege het slechte weer. In Singapore vanwege handelslustige Chinezen die ter plekke het ruim hadden overladen. Richard Oh, schrijver, boekhandelaar en uitgever, kwam me afhalen met een vriend in een enorme Toyota. Ik liet me ontvallen dat de straten opvallend rustig waren, zo anders dan ik gewend was van Jakarta. Ze gaven als oorzaak de naderende verkiezingen. Dus niet die bom die een paar dagen eerder voor chaos zorgde? ‘Chaos? Ha ha! Je denkt toch niet dat wij wakker liggen van zo’n bom? Hey vriend, wij gaan gewoon door met ons leven, bommen zijn voor de media, wij hebben de literatuur, hey!’

Ze brengen me naar mijn hotel, maar geven me nauwelijks de tijd mijn kamer te betrekken. Ze slepen me naar een plek waar schrijvers elkaar ontmoeten, en inderdaad: geen woord over zoiets ordinairs als een bom.

Het weekend voor de verkiezingen neemt Richard Oh me echter in huis in het zuiden van Jakarta, ver weg van mijn hotel in het centrum. Hier is het toch rustiger en veiliger, de luchtverontreiniging is hier beter te harden en de wijk is absoluut oninteressant voor autobommen. Ik zie hier de muurhagedissen jagen op de muggen, ik hoor de cicaden bij nacht, het balkon van mijn kamer biedt uitzicht op palmen, bedienden staan dag en nacht klaar, het lijkt wel tempo doeloe hier.

Indonesiërs zijn enorm flexibel en grote improvisators. Mijn tourschema wordt in een oogwenk aangepast aan de situatie rond de presidentsverkiezingen. De officiële lancering van mijn tweede in het Indonesisch vertaalde roman wordt een paar dagen uitgesteld en bekendgemaakt per sms, het meest gebruikte medium ter plaatse.

Op de verkiezingsdag bezoek ik een stemlokaal in de open lucht. Van mensen die een stem hebben uitgebracht wordt een vingertop gedoopt in dieppaarse inkt, die zich de eerste dagen onmogelijk laat verwijderen. Dit is om te voorkomen dat ze in een ander stemlokaal nog eens gaan stemmen. Een avond eerder was mijn kamer in Richard Oh’s huis een salon voor een groepje schrijvers, stuk voor stuk moslims met stuk voor een stuk een bloedhekel aan bidden, en aan stemmen… Ze schatten dat maar 40 procent van de mensen zou gaan stemmen. Politiek was geen thema, we spraken over de hausse van verhalende literatuur in Indonesië. Uitgevers schieten als paddestoelen uit de grond, schrijvers vullen de kranten met hun verhalen, uniek in de hele wereld, mooi geïllustreerd. Ik ben een van de weinige buitenlandse schrijvers die met vertaald werk dit land bereiken. Niet omdat ze hier geen vertaalde literatuur willen, integendeel, maar omdat veel Europese uitgevers geen brood zien in dit land. Zodoende zien ze zich gedwongen om goed Engels te leren lezen om literaire voorbeelden te kunnen vinden anders dan hun eigen schrijvers. Ik geef ze het advies om Japans te leren. Veel mooier wat daar allemaal aan literatuur vandaan komt, vergeleken met die Engelstalige zooi die de wereld overspoelt.

Haagsche Courant, vrijdag 24 september 2004

Apartheid in de literaire kritiek

Korte verhalen hebben hun geschiedenis. Wilde je halverwege de jaren zeventig schrijver worden, dan stonden de regels al vast. Ideaal was om met poëzie te beginnen, je vervolgens aan het korte verhaal te wijden en dan de sprong te maken naar de roman. Die route, zeiden ze, hadden de huidige arrivés bijna allemaal afgelegd. Poëzie als stijloefening, het korte verhaal als vingeroefening. Natuurlijk werd de poëzie hier heel braaf beschouwd als de hoogste vorm van literaire kunst, maar het waren vooral de romans waarover in de literaire salon werd gesproken. Tussen de genres in lag het niemandsland van het korte verhaal: speelplaats voor debutanten.

Als er één positief aspect aan de traditionele route van de schrijver kleefde, dan was het wel dat er bijzonder werd gelet op stijl. Helaas verstond men onder stijl voornamelijk een erudiete manier van schrijven. Wist je te suggereren dat je je klassieken goed kende, door middel van speelse verwijzingen bijvoorbeeld, dan zat je goed. Je bewees dan in elk geval dat je niet van de straat was. Uiteraard met de westerse klassieken in je bagage, de rest van de wereld telde niet mee.

Het was een tijd waarin men niet meer sprak over een kort verhaal maar over een tekst. Je leverde dus een tekst in bij een literair tijdschrift. De redacteuren van die tijdschriften, meestal zelf schrijvers, bekeken de tekst en retourneerden je die met een opmerking over je stijl, in het beste geval met de uitnodiging nog eens wat in te sturen. Een verhaal waarin iets verteld werd, heette anekdotisch, was een zonde en ging rechtstreeks naar de hel van de prullenbak. Pas met een verhaal waarin niets gebeurde, bewees je te kunnen schrijven, juist door niets te laten gebeuren.

Een debuut in een van de literair tijdschriften was belangrijk. Die werden immers uitgegeven door de grote uitgeverijen in Amsterdam. Daar konden ze dan je ontwikkeling als schrijver op de voet volgen en kijken of er al iets over je geschreven werd in de kranten en de invloedrijkste recensenten je misschien al in hun vizier hadden. Was dat het geval, dan kon je eens komen praten. Snel waren ze niet met publiceren. Jij was de wijn die in hun kelders moest rijpen. En wel zo, dat je je enigszins ontwikkelde naar hun normen. Immers: jij was voorbestemd tot hun stal, jou wachtte het keurmerk van hun label, jouw paspoort naar de literaire pers.

In die tijd zag je geen schrijvers uit minderheidsgroeperingen bij de gevestigde uitgeverijen debuteren. Die schrijvers spraken een ander soort Nederlands, en, wat erger was: zij hadden werkelijk iets te vertellen, vooral verhalen die men hier liever niet hoorde of die hen eenvoudig onverschillig liet. Deze schrijvers konden terecht bij de kleinere, idealistische uitgevers, die hen later op hun beurt weer zagen vertrekken naar de rijkere uitgevers, toen die eenmaal geld begonnen te ruiken.

In de jaren zeventig kon een roman of verhalenbundel zeven jaar op de schappen van de winkels liggen wachten om ontdekt worden door het publiek. Momenteel is dat zeven weken. Eerst daalde het proces naar twee jaar in de jaren tachtig, toen het literaire bedrijf big business begon te worden. Literaire tijdschriften werden voortaan doorgebladerd op korte verhalen. Voor de poëzie was dit een harde klap.

Kreeg daarmee het korte verhaal een herwaardering? Integendeel, want je hoefde er maar één schrijven, als een soort proefwerk. Eén goed kort verhaal was voldoende voor een contract en moest desnoods een hele bundel vol haastwerk en troep dragen. Zo’n debuut was meer dan ooit een sprong naar de roman: het genre waar het uiteindelijk om ging en waar het heden ten dage vrijwel alleen nog maar om draait.

Inmiddels heeft het korte verhaal als examenstuk of paspoort afgedaan. En schrijvers worden minder dan ooit beoordeeld op hun werk alleen: hun imago telt zwaar. Imago’s hebben een gezicht en kunnen het stellen met, als het moet, nog minder inhoud dan een literaire vingeroefening. De fusten in de kelders van de literaire tijdschriften zijn ernstig begonnen te rotten, uitgevers zijn achter hun redactiebureaus vandaangekomen en naar buiten gegaan om in jeugdhonken en universiteitskantines de vangnetten uit te werpen.

Op zich is het vreemd dat in het huidige tijdgewricht, waarin informatie met de dag toeneemt, en mensen ook steeds meer informatie uit verschillende kanalen tot zich willen nemen, dat juist nu het korte verhaal weinig serieus genomen wordt. Ik maak me sterk dat al die kopers van die lijvige megasellers, en al die recensenten die die boeken bespreken niet ook ‘s avonds naar de televisie kijken, een uurtje gaan surfen op het Internet, naar de kroeg gaan en concerten bezoeken, of musea, tentoonstellingen en wat er al niet bij een zogenaamd cultureel leven hoort. In zo’n manier van leven zou toch juist het genre van het korte verhaal uitstekend passen.

Het klinkt misschien vreemd, maar een lijvige roman kan zich sneller laten lezen dan een verhalenbundel, interpreterenderwijs welteverstaan, met wat geblader door de minder sterke pagina’s. Een verhalenbundel laat zich moeilijker veroveren: de lezer moet bij elk verhaal als het ware aan een nieuw boek beginnen. En een goed verhaal kent geen zinnen en als helemaal geen bladzijden die men kan overslaan.

Een bundeling van korte verhalen van één schrijver eist meer tijd, aandacht en kundigheid van de recensent om er iets zinnigs te kunnen zeggen. Een aanwijzing hiervoor is de grotere aandacht die anthologieën krijgen. De recensent pikt er een paar schrijvers uit en laat de rest voor wat het is. Mijn verhalenbundel Fantasia heeft na lezing door een recensent nog een aardig verhaal opgeleverd. Daarover straks meer.

Toen ik serieus begon te schrijven, dat wil zeggen, schrijven met het oog op publiceren, had ik een probleem. Het klinkt misschien wat dubbel, maar ik had een vrij groot arsenaal waaruit ik kon putten. Complex ook. Mijn vader was afkomstig uit het voormalige Nederlands-Indië, mijn moeder uit Nederland. Ze ontmoetten elkaar na de Tweede Wereldoorlog in Nederland en gaven mij daar het leven, of het leven mij, een vraag die onuitgesproken in mijn hele literaire werk doorklinkt.

Laat ik nog even bij mijn ouders blijven. In de meeste gevallen lag de verhouding als volgt waar het om een interraciaal huwelijk ging: de man was een Hollander, de vrouw een al dan niet gemengdbloedige uit Nederlands-Indië. Bij mijn ouders lag dat andersom. Mijn moeder werd als blanke vrouw met argusogen bekeken wanneer ze met haar bruine kroost over straat ging. En mijn vader werd beschouwd als een exotisch dier dat er eigenlijk maar beter aan deed naar zijn geboorteland op te krassen, en al helemaal met zijn tengels van een blanke vrouw af te blijven.

Dat hij als gemengdbloedige Indo-Europeaan reeds in Nederlands-Indië een Europees paspoort had en in zijn patriottistische hoedanigheid aan de kant van de Nederlanders had gevochten tijdens de vrijheidsstrijd van de Indonesiërs, daar wist men hier in Holland niets van af. Zij hadden de Duitse bezetting gehad en iedereen met een andere geschiedenis werd niet gehoord, en al helemaal niet als aan die geschiedenis iets ‘koloniaals’ kleefde. Dat Nederland haar welvaart voor een groot deel juist aan die voormalige kolonie Nederlands-Indië had te danken, werd voor het gemak maar even niet onderwezen op de scholen.

De oorlog in Nederlands-Indië – eerst de Japanse bezetting, daarna de Indonesische vrijheidsstrijd en ten slotte de uittocht van 300.000 Indo-Europeanen die de wijk naar Nederland namen – had mijn vader dermate getraumatiseerd dat het hem niet meer gegeven was zoiets als een normaal gezinsleven te leiden. Problemen in het Hollandse maatschappelijke leven, zo anders dan in zijn geboorteland, communicatieproblemen met zijn vrouw, al spraken ze dezelfde taal, racisme die ook zijn kinderen moesten ondergaan, en vooral de achtervolgingswaan die hem parten speelde, maakte hem bij tijd en wijlen onmogelijk om mee te leven.

Het idee dat een harde opvoeding zijn kinderen later weerbaar zou maken, dreef hij te ver door. Zijn rigide lijfstraffen pasten nauwelijks in de cultuur waarin hij terecht was gekomen. En zijn gekte al helemaal niet. Ik was dertien toen ons gezin uiteenviel en moest, met mijn twee broertjes en twee zusjes, mijn verdere jeugd in tehuizen doorbrengen.

Een nieuw leven, ver weg van de verhalen over de oorlog, die mijn vader dagelijks na het eten als dessert op onze borden had gekwakt. Een ander rumoer kwam er voor in de plaats: de hardheid binnen tehuismuren, waar ongeschreven wetten zwaarder telden dan geschreven wetten, waar je moest vechten voor je plaats temidden van twaalf jongens per afdeling, die door één groepsleider in toom gehouden moesten worden. Een ander bestaan, niet minder wereldvreemd dan het leven in het vroegere gemengd-culturele gezin, waarin cultuurbotsingen en verhuld racisme tussen echtelieden voor een kind nauwelijks te bevatten waren.

Op mijn achttiende jaar had ik dus mijn eigen beladen tehuisverleden en droeg ik ook nog dat van mijn ouders vroeger thuis en dat van mijn vaders oorlog in Nederlands-Indië met me mee.

Verder zag de wereld er ook nog eens lelijk uit. Ik was onderhand tenminste de bomen en de velden rond de muren van het tehuis gaan liefhebben. Nu zwierf ik van stad naar stad en verafschuwde ik elke plek waar ik terechtkwam. Het zou nog tien jaar duren eer ik de rust vond ergens langer dan een seizoen te wonen. En zo vond ik ook de rust te gaan schrijven, ik was dertig inmiddels, het werd eens tijd. Maar waarover moest ik nou gaan schrijven?

Een slechte jeugd is een goudmijn voor een schrijver, zeggen ze. Dat betekent niet dat je ermee kunt volstaan je handen aan het papier af te vegen. Voor wie zijn of haar levensverhaal wil vertellen, kan eventueel zonder veel liefde voor het schrijversambacht dat verhaal gratuit op papier smijten en er de loterij van de boekentoptien mee in. Daarvoor is de roman een uitstekend middel. Zeker in de huidige tijd, waarin een boek vooral dik, om niet te zeggen lijvig moet zijn.

Veel woorden over een catchy issue tegen een aantrekkelijke verkoopprijs. Zulke boeken zetten zelfs de meest vooraanstaande critici op het verkeerde been. Je vindt ze veel onder de huidige bestsellers. Sommige komen gelukkig van immigranten en immigrantenkinderen en worden bejubeld, niet zozeer vanwege de literaire waarde, waar men anders de mond vol van heeft, maar denkelijk vanwege de antipropaganda die zulke boeken impliciet bevatten.
Nederlandse critici zijn vrijwel allemaal blank en ik hoor ze zachtjes jubelen: zie je wat voor prachtig democratisch en openminded land wij zijn? Ze wijden hele krantenpagina’s aan één zo’n boek, waarmee ze zichzelf profileren als progressief dan wel als cultureel correct en gaan de volgende dag weer verder met hun geleuter in hun traditionele westerse denken en vooral hun voelen.

Natuurlijk worden er nog altijd verhalen gepubliceerd. Maar dan vooral verzamelde werken van nog levende romanciers die tussen de bedrijven door even hun vingers warm willen houden en liefdeloos hun metroproza voor kranten en weekbladen schrijven, verhalen die je als een hamburger tussen halte 1 en 3 even tot je neemt. Verhalen die naar niks smaken, maar waar althans een beroemde naam boven staat. Het zijn dikke bundels en worden in hardcover voor spotprijzen aangeboden onder titels die tot dan toe alleen verzamelde werken sierden. Het enige aardige is dat zo’n schrijver niet meer eerst hoeft dood te gaan voor er een dergelijk overzicht verschijnt. Minder prettig is, dat het verhaal bijkans alleen nog in honderdtallen gesleten kan worden. Als schrijvers en uitgevers zelf het korte verhaal niet echt meer serieus nemen, ja dan kunnen de recensenten moeilijk achterblijven.

Ik wil niet direct een lans breken voor de overdreven en veelal harkerige stijloefeningen die ooit veel van de literaire tijdschriften bijkans onleesbaar maakten. Woordkunst zonder een duidelijke verhaallijn kan boeiend zijn, maar dan vooral voor wie wil leren schrijven of voor wie intussen zo veel heeft gelezen dat alleen virtuositeit nog kan bekoren.

Toen ik mijn eerste verhalen begon te schrijven, hield ik me veel bezig met vorm en stijl. Die manier van werken bood me het grote voordeel om me niet met het verleden van mijzelf, mijn moeder of mijn vader en zijn plantersfamilie uit Nederlands-Indië bezig te hoeven houden, en al helemaal niet met zoiets als mijn huidskleur.

Ook ik heb geleerd een tekst te schrijven met een dédain voor het narratieve element. Ik heb er geen gewoonte van gemaakt, want ik wilde gaan vertellen, het moest eruit. Dus ben ik gaan zoeken naar een balans tussen vorm en inhoud. Zoek ik dan naar zoiets als het literaire midden? Nee, ik probeer talent en bagage te verenigen. Waarmee het volgende probleem in de receptie optreedt:

Recensenten lijken te beschikken over een linkeroog voor vorm en een rechteroog voor inhoud. Met het linkeroog bekijken ze de verhalen van ‘autochtone’ schrijvers. Met het rechteroog de verhalen van die men hier ‘allochtonen’ noemt (om niet het woord ‘immigrant’ of ‘immigrantenkinderen’ te hoeven gebruiken, wat kennelijk not done en wat mij betreft tamelijk schijnheilig is). Het linkeroog kent een literaire norm. Het rechteroog merkt de werken van immigranten uit niet westerse culturen op, herkent het nog niet en geeft het het voordeel van de twijfel. Zodra beide ogen samen moeten kijken naar het werk van schrijvers die, al is het in de tweede graad, een mengcultuur in zich dragen, gaan ze scheel zien.

Verhalen uit de Nederlandse literatuur die zich afspelen in de lage landen, zijn doorgaans saai. De thema’s verschillen nauwelijks van die uit de andere Europese literaturen. Op zich interessant, maar veel Nederlandse verhalen missen brille, hebben geen schwung, wel emotie maar geen gevoel. De koloniale letteren zijn lang zo saai niet. Het is niet toevallig dat de Nederlandse meesterwerken met de langste adem in Nederlands-Indië spelen. Het zijn de pijlers waarop de Nederlandse literatuur rust: boeken die een Europese vorm en perspectief paren aan een, zeg, exotische inhoud.

Over het leven aan de andere kant van de oceaan viel dan ook meer te vertellen. De kolonie verleidde de Nederlanders tot uitspattingen die in het moederland onacceptabel zouden zijn geweest. Je hoeft maar enkele verhalen uit de koloniale letteren te lezen en losbandigheid, zedeloosheid, corruptie, vrouwenhaat, moordzucht, machtswellust, tovenarij, racisme, seksisme, taalstrijd, spot en laster slaan je tegemoet.

Zijn dat nou de motieven die ze ook van een postkoloniale auteur verwachten? In zekere zin wil men er een vervolg op zien, maar dan wél het liefst in problematisch perspectief. Ben je van gemengde afkomst, dan moet je daar een probleem mee hebben. Zo niet, dan speel je niet mee.

Waarmee een bekend dilemma aan den dag treedt: representeer je een groep of jezelf? In mijn geval: representeer je de Indische groep van je vader, de Hollandse groep van je moeder of beide? Op grond van mijn uiterlijk is het eerste gewenst, niet direct het tweede.

Zo kom je op de vraag: als je beide groepen representeert, doe je jezelf en je kunstenaarschap dan daarmee vanzelfsprekend het meeste recht? Ik draai het liever om en zeg dat ik hoe dan ook beide groepen representeer, zo lang ik trouw blijf aan mezelf. Dat lijkt mij althans vanzelfsprekend.

Waarom geef jij je verhaal geen Indo-Europese achtergrond mee? Die vraag werd mij gesteld toen ik in een tijdschrift debuteerde waarin plaats was voor verhalen waarin ook nog iets verteld mocht worden. Mijn antwoord luidde dat er voor mij geen reden was het verhaal van een Indisch behang te voorzien. Omdat het verhaal dat niet nodig had, er niet om vroeg.

Toen ik daarna een verhaal over een roots-reis naar Indonesië in een krant publiceerde, luidde de vraag: waarom schrijf je nu over je Indo-schap? Dat deed je eerst toch ook niet? Kortom: zwijgen over mijn Indische achtergrond riep een kennelijk dwingende vraag op en het tegenovergestelde ook. Achter die vraag schuilt de eis dat je één van beide groepen vertegenwoordigt. Beide groepen tegelijk vertegenwoordigen wordt (onbewust?) gezien als vals spel, onduidelijk gedrag, op zijn ergst als verraad.

Elke lezer kent het fenomeen van zich willen verzetten wanneer je een verhaal begint te lezen. Dat is de gewone uitdaging van de lezer aan het verhaal: kom op, verover me maar. Hier gaat het om een ánder verzet. Ze willen niet veroverd worden, ze willen gewoonweg lezen wat ze van je willen lezen.

Voor mijn verhalenbundel Fantasia uitkwam had ik louter romans gepubliceerd. Afgaande op de receptie van mijn romans was één ding duidelijk geworden: er waren recensenten die alleen mijn ‘Nederlandse’ romans bespraken en er waren er die alleen voor mijn ‘Indische’, of ‘postkoloniale’ romans belangstelling hadden. Uitzonderingen op die apartheid zaten niet in Nederland maar in België, waar men dezelfde taal spreekt als hier maar althans niet zit opgezadeld met een koloniaal verleden in de Oost, om maar even te zwijgen over hun eigen koloniale verleden in Congo.

Recensenten die de vinger wisten te leggen op één overkoepelend thema dat in ál mijn verhalen en romans terugkeert, kwamen dus uit het buitenland. Zij noemen het eenvoudig ‘vervreemding’, een thema dat terug is te vinden in de hele wereldliteratuur. Dat thema kan verbonden worden met kwesties rond iemands afkomst, verleden, sekse, seksuele geaardheid, neurosen, fantasieën, gekte, kortom met alles wat je je maar kunt indenken. Vervreemding kent geen vasteland, vervreemding zoekt ernaar. En zolang het niet gevonden is, is de vervreemding het vasteland zelf.

Natuurlijk heeft de lezer het recht de vervreemding die mijn protagonisten beheerst, te kunnen plaatsen. Ik geef die lezer althans het vasteland van de taal en het verhaal. Maar de recensent, de beroepslezer, wil meer. Die wil op zijn beurt de lezer tonen dat hij de schrijver die hij bespreekt volledig begrijpt dan wel doorziet. Daarom zijn schrijvers die zich op welke manier dan ook duidelijk profileren voor hen gemakkelijker te bespreken dan zij wier werk een persoonlijke synthese ademen van diverse culturele invloeden die zij hebben ondergaan.

Wanneer ik een verhaal schrijf zonder een expliciet Indisch accent, dan is dat verhaal nog altijd geschreven door iemand die Indische accenten in zich draagt. Vanuit mijn achtergrond leg ik vanzelfsprekend andere accenten, ook zónder die achtergrond expliciet te berde te brengen. En dát is nu juist iets waar men geen oog voor heeft of wenst te hebben.

Ik vind niet dat ik, om maar wat te noemen, een spookverhaal tegen een Indische achtergrond hoef te plaatsen om het voor een Nederlandse lezer geloofwaardiger te maken. Een spookverhaal is in Indische kringen niets bijzonders, in Nederlandse kringen nog altijd wel. Daarom moeten spookverhalen bij voorkeur uit het buitenland komen. Of van een schrijver zoals ik, maar dan wél geplaatst in een Indisch kader. Dan kunnen ze je een plaats geven en vorm je verder geen bedreiging voor de ‘autochtone’ auteurs, die zo hun eigen thema’s hebben en die men kennelijk voor die groep gereserveerd wenst te houden. Wij de magie, zij de liefde.

In het hedendaagse Nederland, waar men de mond vol heeft van ‘multiculturele uitingen’, wordt een separatisme gehandhaafd die teruggaat tot ver in de koloniale geschiedenis van het land. Niet wenst men hier tot zoiets als wederzijdse beïnvloeding te komen. Nee, men wenst dat iedereen zijn eigen cultuur binnenskamers houdt. Men kan dat aflezen aan de boeken van, daar gaan we weer, ‘autochtone’ schrijvers, die in een periode waarin de discipline ‘filosofie’ mode was, bol stonden van de verwijzingen naar de meest uiteenlopende Westerse filosofen. Oosters gedachtegoed wordt in het beste geval beschouwd als een aardige uiting van een andere cultuur, passend bij ‘allochtone’ schrijvers. Zij mogen sprookjes vertellen, Hollandse rivieren verleggen en geesten over de Amsterdamse grachten laten zweven.
De ‘autochtone’ schrijver die dat doet, wordt gestraft dan wel overdreven bejubeld, vooral als hij of zij als blanke dat ‘goede oude Nederlands-Indië’ nog heeft meegemaakt en er nog maar eens, als de zoveelste in vier eeuwen letterkunde, de Eurocentrische blik over laat schijnen.

Ik vraag me af wat de recensenten zouden doen met een liefdesverhaal spelend in de Hollandse polder, geschreven door een Marokkaan. Misschien toch maar heel hard juichen omdat nu dan eindelijk die langverwachte multiculturele droom gestalte heeft gekregen in de Nederlandse letteren? Daar zullen ze dan toch zeker eerst een symposium over willen beleggen. Even elkaar besnuffelen om te zien of er geen luchtje van schaamte rond hun zetels hangt.

Als schrijver met een Indische achtergrond, geboren en getogen in Nederland, feitelijk ‘autochtoon’ noch ‘allochtoon’, ben ik belast met het erfgoed van mijn vader én dat van mijn moeder: een Indo uit het voormalige Nederlands-Indië en een schoenmakersdochter uit het zuiden van het land. Ik herinner me dat mijn Nederlandse grootvader mij als kind spijkertjes liet wegen in zijn schoenmakerij. Die werden voor 15 cent per zakje verkocht aan arme mensen die zelf hun schoenen moesten repareren.

Ik zie na twaalf jaar schrijversschap nog altijd geen noodzaak om een jongetje dat in de schoenmakerij van zijn grootvader spijkertjes staat te wegen, een Indische achtergrond mee te geven. Ik heb weliswaar de keus, afhankelijk van wat ik wil tonen. Maar elke keus houdt in het huidige tijdsgewricht een diskwalificatie in. Geef ik het jongetje een bruin gezicht, dan tel ik niet meer mee met de Nederlandse letteren. Geef ik het jongetje een wit gezicht, dan tel ik niet mee met de Indische of postkoloniale letteren.

Tot nog toe heb ik het meestal zó gedaan: mijn protagonisten géén gezicht meegegeven. Wat ik ze áltijd heb meegegeven is een gevoel van vervreemding, met de achterliggende vraag: wat doe ik hier?

Als schrijver wens ik uiteraard te worden beoordeeld op mijn kunstenaarschap en niet op mijn afkomst, die in vette letters in een flaptekst op mijn boeken komt te staan. Die behandeling geven ze blanke schrijvers ook niet wanneer ze eens zin hebben een verhaal in het voormalige Nederlands-Indië te situeren. Ja, hen wordt zoiets zonder meer toegestaan en daarna mogen ze weer overgaan tot de orde van de dag. Leest u die laatste vier woorden nog maar eens.

U heeft nog een verhaal van mij tegoed. Toen mijn verhalenbundel Fantasia op de markt kwam, bleven de recensies vrijwel uit. Dat overkomt wel meer schrijvers, verhalenbundels zijn niet populair bij recensenten, maar zo’n magere ontvangst was ik toch niet gewend.

In die periode maakte ik kennis met het Internet. Mijn broer bouwde een website voor me en er begonnen e-mails binnen te rollen. Op zekere dag meldde zich een recensent. Hij wilde alleen maar even zeggen dat hij mijn website zo mooi vond.

Nou, dank u wel.

Er ontwikkelde zich een correspondentie per e-mail en hij liet zich ontvallen dat hij binnenkort aan mijn verhalenbundel zou beginnen. Een tijdlang hoorde ik niets. Toen mailde hij me dat hij mijn verhalenbundel had gelezen, dat hij had genoten van de stijl maar dat hij zo gauw niet wist wat hij erover moest schrijven.

Waarom niet? Nou, hij had geen kapstok om de verhalen aan op te hangen. De recensent gaf me het advies om voortaan bij elke nieuwe uitgave met een persmap te komen, liefst met een review van mijn oudere werk waartegen het nieuwe werk geplaatst kon worden. Kortom hij vroeg me of ik voortaan niet zelf alvast de helft van zijn recensie wilde schrijven, dan maakte ik het hem een stuk eenvoudiger. Ik had het al vermoed, dat ze lui waren, die recensenten.

Ik heb de man, die overigens behoort tot de groep van recensenten die alleen mijn postkoloniale boeken bespreken, geen sleutel tot mijn verhalen gegeven. Dat was mijn eer te na. Een recensent moet mijn verhalen waardig zijn, behoort de kunst van het lezen te verstaan.

Wat is een goede lezer? Eén die niet alleen met de ogen maar ook met het gevoel leest. Ik vertrouw op mijn publiek. Dat kan mijn verhalen waarderen zonder verhaaltheoretische kennis, zelfs zonder kennis van de achtergronden van de mengcultuur die een schrijver indirect representeert. Kwestie van openstaan. Voor wat mijn recensenten aangaat, die mijn persoonlijke vervreemding alleen maar bevestigen, veronderstelt dat onderhand wel het aanleren van een andere manier van lezen. Waarmee de vraag blijft wie van de beroepslezers bereid is opnieuw te leren lezen.

Oorspronkelijk geschreven voor de Amerikaanse lezer naar aanleiding van de Sixth International Conference on the Short Story, october 2000, Iowa, USA.

* * *

alfred birney yournael van cyberney Het Yournael van Cyberney werd in april 2000 onder aanvoering van Alfred Birney gelanceerd en verscheen wekelijks tot aan de boekenweek in maart 2001. Ruim 60 afleverigen van Cyberney (Alfred Birney), Frans Lopulalan, Joyce Bloem, Maureen Birney, Widjajanti Dharmowijono, Guno Jones, Esther Captain en Anyes lieten zien dat er nog veel onbesproken was en is in de Nederlandse taal, juist door hen die een mengcultuur in zich dragen. Het Yournael van Cyberney & Co bracht artikelen en verhalen rond literatuur, kunst, cultuur, fotografie, emancipatie en uitgeverspolitiek in het labyrint van mengculturen in binnen- en buitenland. De bijdragen van Alfred Birney verschenen bewerkt en gebundeld met ander proza in een eenmalige uitgave als alternatief boekenweekgeschenk en tegelijk als feestbundel ter ere van het 25-jarig jubileum van Uitgeverij In de Knipscheer. Bestel het boek hier!

De CPNB en Oranje

Kent u de voorspelling van het meisje van de Azijnfabriek, heren van de CPNB? Staat geboekstaafd in de vorige aflevering van het Yournael door Frans Lopulalan.*** En u, meneer Rushdie, kent vast het Nederlands Elftal, is het niet? Wij spreken van O-ran-je, de vaandel van het Koningshuis.

Huh, Mister Birney, I am afraid I miss your point. What problem could one have in that beautiful and peaceful country you do represent so faithfully in your wonderful letters? Zo’n jaarlijks boekenweekgeschenk is toch gewoon zo’n shabby boekkie, so to speak, dat je gratis krijgt als je in de derde week van maart bij toeval in een kiosk of warenhuis een boek aanschaft van negentienguldenvijftig of hoger of zo?

Klopt, dear fellow writer. Meestal zijn het haastwerkjes van afgedankte manuscripten die de laureaten per ongeluk nog in hun la hadden laten liggen. Voor de megaseller-auteurs vaste gast werden, zat er nog weleens iets aardigs bij. Ja wat, dat weet ik ook niet meer. Nu u dan de eerste bent in de rij der Literaire Goden zou ik zeggen: schrijf een wonderful universal fairy tale, dan duik ik mijn YVC-papieren in. Vergeet vooral niet in navolging van uw Engelstalige collega Kazuo Ishiguro een verwijzing te plaatsen naar het Nederlands Elftal, teneinde het Hollandse publiek te behagen. Thanks for the job, by the way.

Ter zake. Voor de handel maakt het weinig uit of een boekenweekgeschenk goed is of niet. Zou het de CPNB om kwaliteit gaan, dan schreven ze elk jaar een prijsvraag uit. En konden ze kiezen uit vele manuscripten, ook van volslagen onbekenden. Nou moet je je over de beoordeling door weer zo’n stel suffe commissieleden niet al te veel voorstellen. Kijk maar naar wie de vetste jaarlijkse literaire prijzen gaan. Iemand als Astrid Roemer zul je niet snel zien aan de tafel waaromheen de genomineerden nerveus het ogenblik afwachten waarop de winnaar bekend wordt gemaakt. Astrid Roemer! Moeten we zeker Surinaams voor gaan koken. Ja doei. En ze rookt sigaren, stel je voor, dat is toch geen dame!

Van die kleintjes rookt ze, volgens mij.

Een vette sigaar wordt gerookt door de auteur die het boekenweekgeschenk mag schrijven. Die krijgt een voorschot overgemaakt dat ongeveer gelijkstaat aan het salaris van een minister plus declaraties, steekpenningen even daargelaten. Heb ik geen problemen mee, met zo’n voorschot bedoel ik. Schrijvers zijn al arm genoeg. Tot ze bejaard zijn. Dan keert het tij. Hella Haasse kreeg op haar oude dag nog eens een uitnodiging, een herkansing zal ik maar zeggen. Waarmee ze kampioen boekenweekgeschenkschrijver onder de celebrities is. Gelukkig had ze het in haar laatste geschenk niet over Indië, want dan hadden we mooi another halve eeuw met een Oeroeg II opgescheept gezeten.

Een hele vette sigaar wordt gerookt door de uitgever die de auteur in haar stal heeft. Boekwinkels richten complete etalages in met de boeken die zo’n schrijver eerder heeft laten verschijnen. Restanten, pockets, speciale uitgaven worden tevoorschijn getoverd. Wat meer telt: het boekenweekgeschenk staat garant voor vertalingen in onder meer het Duits, Frans en als het even meezit in het Engels. Kortom, de uitgever kan met de omzet van één zo’n boekenweekgeschenk weer even vooruit.

De auteur, als die een beetje werk maakt van de opdracht, kan in het buitenland doorbreken en rekenen op nog meer vertalingen van eerder en later werk. Cees Nooteboom heeft zo ooit de vruchten mogen plukken van zijn boekenweekgeschenk. Maar wat werkelijk belangrijk is: Nederland heeft de kans om elk jaar een nieuwe auteur buiten de landsgrenzen te brengen. Waarmee niet alleen voor de schrijver in kwestie, maar ook voor collega’s nieuwe deuren kunnen worden geopend.

Denkt Papa Cyberney dan aan zoiets als culturele expansie? Nee, ssst! Papa Cyberney kijkt naar voetbal. En stelt vast dat het Nederlands elftal voor een niet onbelangrijk deel het resultaat is van een roemrucht koloniaal verleden. Buitenlanders moeten wel raar opkijken. Kunnen ze dan alleen maar voetballen en neuken, die voormalige rijksgenoten van jullie? Onze Marokkaantjes en Martiniquaantjes kunnen, behalve koken, wél schrijven! Kijk maar naar Tahar Ben Jelloun en Patrick Chamoiseau, die hebben wij geprézen!

Met permissie, Monsier de Prix Goncourt, ik bied u even een blik in de gaarkeukens van Het Hollands Literair Bedrijf.

De CPNB wordt voor het grootste deel gefinancierd door de de Nederlandse Uitgeversbond, de NUV. De boekenweek, met het boekenbal en het boekenweekgeschenk, is een feestje van uitgevers die bij het NUV zijn aangesloten. Alleen schrijvers van díe uitgevers worden uitgenodigd om het boekenweekgeschenk te schrijven. Is dat een wet? Ja. Ongeschreven.

De kosten van een lidmaatschap zijn aanzienlijk. Een kleine uitgever kan die vaak niet opbrengen. En juist de kleine uitgevers spannen zich meestal in om het werk van onbekende multiculturele schrijvers onder de aandacht te brengen. Als dat zo’n uitgever eens lukt, dan staat er direct een groot huis klaar om zo’n auteur weg te kapen. Maar dit terzijde.

Het persbericht dat ik in aflevering 2 heb besproken, is ondertekend door drie uitgevers: De Geus, Van Gennep en Vassallucci. In het persbericht wordt een vierde uitgever genoemd: In de Knipscheer. Het persbericht is echter niet ondertekend door In de Knipscheer. Want deze uitgever is geen lid van de NUV. Waarom heeft het drietal dan wél deze uitgever genoemd in het persbericht?

Insiders weten dat In de Knipscheer een voortrekkersrol heeft gespeeld bij het op de markt brengen van schrijvers uit Afrika, de Antillen en Indische en Surinaamse schrijvers uit Nederland. Het is dus sterk om deze uitgever in een dergelijk persbericht te noemen, maar evenzo zwak om vervolgens in de opsomming van multiculturele schrijvers in datzelfde persbericht geen enkele auteursnaam uit het Fonds van In de Knipscheer te zetten.

De ondertekenaren kunnen zeggen dat In de Knipscheer sowieso geen kans maakt op het Boekengeschenk. De CPNB wijst immers traditiegetrouw het boekenweekgeschenk toe aan een lid van de club. Maar de CPNB hoeft deze omgeschreven wet niet per sé te volgen. Dus hadden De Geus, Van Gennep en Vassallucci uit fatsoen ook wel enkele auteursnamen uit het fonds van In de Knipscheer mogen noemen. Maar goed, dan doen we hier later in het YVC dan wel. Even een lijst samenstellen en die naar de CPNB sturen. Ter herinnering, met een passende zwarte tulp erbij.

Er zijn echter ook léden van de NUV die minder aan bod komen. Dat houdt verband met andere connecties, namelijk de kranten. De Veen-groep heeft jarenlang geklaagd dat er nooit eens een auteur uit hun eigen stal het boekenweekgeschenk toegewezen kreeg. Misschien vond de CPNB dat de Veen-groep nu maar eens aan de beurt moest zijn? Zeer wel mogelijk. Maar welke auteurs heeft deze uitgeversgroep in huis?

Contact zal stellig hebben geroepen dat Veen en Atlas bij dit buitenkansje hun bek maar moesten houden omdat van Contact toch maar mooi elk jaar weer de grote winsten moeten komen. Nou, vooruit dan. Maar wel graag iets met ‘land van herkomst’, dames en heren.

Birney?

Een kanjer, maar tot ons leedwezen teruggezwommen naar Uitgeverij In de Knipscheer. Trouwens, die Indo’s hebben net een kwart miljard op hun bankrekening gestort gekregen. Laat ze dáár hun poen maar gaan halen.

Naima El Bezaz dan?

Ja jee zeg! Komt net kijken! Nee, we moeten wel meteen hoog scoren, want deze kans krijgen we voorlopig niet meer.

Weet je wíe we nemen…? Je raadt het nóóit! Een échte buitenlander! Een échte! Jongen, we krijgen een rel! Brengt poen in het laatje! Zeg, bel jij die lul van de CPNB even? We spreken wel af op de Frankfurter Buchmesse. Ik moet nu even naar het Damrak.

*** Niet op dit weblog heruitgebracht wegens copyrights.

* * *

Het Yournael van Cyberney werd in april 2000 onder aanvoering van Alfred Birney gelanceerd en verscheen wekelijks tot aan de boekenweek in maart 2001. Ruim 60 afleverigen van Cyberney (Alfred Birney), Frans Lopulalan, Joyce Bloem, Maureen Birney, Widjajanti Dharmowijono, Guno Jones, Esther Captain en Anyes lieten zien dat er nog veel onbesproken was en is in de Nederlandse taal, juist door hen die een mengcultuur in zich dragen. Het Yournael van Cyberney & Co bracht artikelen en verhalen rond literatuur, kunst, cultuur, fotografie, emancipatie en uitgeverspolitiek in het labyrint van mengculturen in binnen- en buitenland. De bijdragen van Alfred Birney verschenen bewerkt en gebundeld met ander proza in een eenmalige uitgave als alternatief boekenweekgeschenk en tegelijk als feestbundel ter ere van het 25-jarig jubileum van Uitgeverij In de Knipscheer. Bestel het boek hier!

De CPNB en André Hazes

De directeur van de CPNB had een hoop uit te leggen. Dagblad Trouw citeerde: ‘We promoten het boek in de Nederlandse taal, dus ook vertalingen. Als je het strikt hebt over Nederlandse schrijvers, dan hadden de Vlamingen, zoals Hugo Claus, ook niet mee mogen doen. Nederland heeft wat vertalingen aangaat een zeer bijzondere positie in de wereld. In welke taal er ook geschreven wordt, binnen de kortste keren is het boek in het Nederlands te krijgen.’

Wat een spitsvondigheden. Die geven toch aardig de werking van het brein van deze koopman weer. Nee, meneer: de CPNB maakt propaganda voor het Nederlandse boek en dat is een in het Nederlands geschreven boek. Er zijn grenzen en als je die wilt opheffen, hef ze dan helemaal op. Henk Kraima – zo heet die man – doet net alsof zijn critici per sé een Nederlands boek willen. En heeft er zeker nooit bij stilgestaan dat een in het Nederlands gesteld boek ook Indisch, Surinaams, Antilliaans, Marokkaans, Turks, Iraans, Irakees, Afrikaans of Haags kan zijn. Om maar even wat te noemen. Als de CPNB nou de N uit haar banier schrapte en zich de CPB ging noemen, dan was ze meteen van alle gezeur af.

Ziet hoe meneer wijst op de snelheid waarmee een buitenlands boek in het Nederlands te lezen is. De snelheid, dames en heren! Het boek als waar met een beperkte houdbaarheidsdatum. Nog even en je moet ze bij Albert Heyn uit de diepvriezer halen. Zul je nog eens zien dat ware gastvrijheid hier letterlijk beneden het vriespunt ligt.

De directeur van die schimmige club weet donders goed wat Nederland aan immigrantenschrijvers in huis heeft. Desgevraagd noemt hij de namen van Abdelkader Benali, Hafid Bouazza en Kader Abdolah, die alle drie in het Nederlands schrijven. Waarom niet een van hen benaderd? De directeur: ‘Het geschenk staat los van het thema. In 1998 hadden we het Nederlandse landschap als thema, en voor het geschenk Arnon Grünberg, toch eerder grote stad-schrijver. De mogelijkheid deed zich nu voor om Rushdie te vragen, die laat je niet voorbijgaan.’

Een beetje Hollandse koopman doet dat niet, nee. Zelfs als hij het niet kan verkopen dat met de keuze van deze schrijver het boekenweekgeschenk volgend jaar nou juist níet losstaat van het thema. Tot op het eiland Bikini is bekend dat Rushdie een immigrant is levend tussen verschillende culturen.

Harry Mulish, eveneens in Trouw, vond de keuze van de CPNB ‘weer heel wat anders’. Weergaloos zoals zo’n man toch maar weer even de universele gedachte van het volk verwoordt. HM zag in Rushdie ook nog een waardige opvolger van zichzelf. Ja, met zo’n schrijver kun je nog eens de hemel ontdekken.

Bijzonder collegiaal voor zijn Nederlandstalige broeders en zusters is HM toch al nooit geweest. Toen het voormalige Vertaalfonds werd opgeheven en men HM weer eens om zijn mening vroeg, zei hij tam dat het Vertaalfonds onderhand toch niet meer nodig was. Nee, de boeken van HM waren met de jarenlange hulp van dat fonds immers al lang en breed vertaald.

Maar de schrijver leert bij. En hoe. Hij besloot zijn commentaar op de keuze van de CPNB met: ‘Ze moeten het misschien om en om doen: om het jaar een buitenlander.’

Dat is nog eens kruidenieren. Laat ze het maar niet horen binnen het Hollands Literair Bastion, dat HM al levenslang bescherming biedt tegen onbestaande vijanden. Onverwacht klinkt het niet uit zijn mond, let maar eens op zijn benepen interpunctie, in het bijzonder zijn gebruik van de puntkomma.

Als HM zou willen pleiten om het jaarlijkse boekenweekgeschenk te delen met onze fellow writers all around the world, dan moet hij zo genereus zijn om elk jaar een ander land aan bod te laten komen. Het wordt dan wel wat lang wachten – zeg een jaar of 270 – eer het boekenweekgeschenk hier weer terugkomt, maar dat doet er dan niet meer toe voor een land dat dan Nedereuro heet of zoiets, en waar men dan Nederengels spreekt. Hier mist HM toch maar mooi een kans om voorgoed als profeet de geschiedenisboeken in te gaan.

Ook uitgevers lieten van zich spreken. De Geus, Van Gennep en Vassallucci sloegen de handen ineen en stuurden een persbericht rond, waarin ze zich sterk maken voor de multiculturele schrijvers uit hun fondsen. Ze verwijten onder andere de gevestigde uitgevers dat ze te weinig oog tonen voor de multiculturele ontwikkelingen in de samenleving.

Nou, bovengenoemde uitgevers profileren zich weliswaar met een multicultureel fonds, maar volgen in wezen gewoon een trend. Okay, Van Gennep loopt al langer mee die richting uit, maar voornamelijk met nonfictie. De Geus is later de multiculturele markt opgegaan, toen zelfs De Arbeiderspers al was begonnen met het binnenhalen van Marion Bloem trassi door de drukinkt te mengen. Ja, De Geus heeft een mooi fonds. Dat moet gezegd.

Vassallucci is de jongste van het stel en betrad de arena toen nota bene in Engeland immigrantenliteratuur allang een hype was geworden en elke boerenkinkel intussen wel vond dat Nederland niet kon achterblijven.

Toen Vassallucci verleden jaar een voor Nederlandse begrippen ongehoorde reclamecampagne rond de Chinese immigrantenschrijfster Lulu Wang startte, kreeg de uitgever de hele media over zich heen. De jongens van Vassallucci brachten Wangs boek linea recta naar het grote publiek, sleepten de schrijfster dag in dag uit van boekhandel naar boekhandel. Deze actie sprong zo in het oog dat de pers wel over het boek moést schrijven. De slechte kritieken waren niet van de lucht, maar dat deerde niet: een slechte kritiek doet evenveel als een goede kritiek, zo lang de stukken maar lerpen van krantenpagina’s beslaan.

Critici begonnen bijkans te jammeren dat zij tegenwoordig niet eens meer als eerste iets over een boek mochten zeggen. Tja, het viel de literaire keurmeesters niet mee om de macht naar de commercie te zien gaan. En Vassallucci lachte in het vuistje.

Vassallucci’s credo: als wij onze schrijvers niet naar de mensen brengen, zal de literaire kritiek het zeker niet doen.

Sterk. Enerzijds vanwege het feit dat schrijvers uit minderheidsgroeperingen over het algemeen genegeerd worden, totdat natuurlijk een van die groepen op een negatieve manier in de publiciteit komt. Anderzijds omdat Vassallucci de collega’s van de gevestigde uitgevershuizen gewoon even liet zien hoe je tegenwoordig een boek moet uitgeven. Als je tenminste louter op grote winsten uit bent.

Uitgeverij Vassallucci begon wel wat te overdrijven en bracht een Limburgs streekromannetje als een literair meesterwerk op de wereldmarkt. Misschien wel als multicultureel? Wie weet bepleit zij straks als variant op HM’s idee om het maar per provincie te gaan doen.

‘Er is een kans voorbijgegaan om inhoudelijke motieven te laten zegevieren boven groepsbelangen.’ Zo eindigt het persbericht.

Valt veel in te lezen. Voor hetzelfde geld kwakt Vassallucci de volgende week het Verzameld Werk van André Hazes op de markt. Met cd-rom.

* * *

Het Yournael van Cyberney werd in april 2000 onder aanvoering van Alfred Birney gelanceerd en verscheen wekelijks tot aan de boekenweek in maart 2001. Ruim 60 afleverigen van Cyberney (Alfred Birney), Frans Lopulalan, Joyce Bloem, Maureen Birney, Widjajanti Dharmowijono, Guno Jones, Esther Captain en Anyes lieten zien dat er nog veel onbesproken was en is in de Nederlandse taal, juist door hen die een mengcultuur in zich dragen. Het Yournael van Cyberney & Co bracht artikelen en verhalen rond literatuur, kunst, cultuur, fotografie, emancipatie en uitgeverspolitiek in het labyrint van mengculturen in binnen- en buitenland. De bijdragen van Alfred Birney verschenen bewerkt en gebundeld met ander proza in een eenmalige uitgave als alternatief boekenweekgeschenk en tegelijk als feestbundel ter ere van het 25-jarig jubileum van Uitgeverij In de Knipscheer. Bestel het boek hier!

De CPNB en de VOC

Je zal het toch maar in je hoofd halen om bij het wakker worden direct de radio aan te zetten. Ik heb een oude buizenradio naast mijn bed staan, maar die is bedoeld voor mijmeringen bij het zachte gele licht van de zenderplaat in de nacht. Wat deed mij onlangs besluiten om bij het ontwaken toch de radio aan te zetten? Een voorgevoel?

De nieuwslezer meldde dat het boekenweekgeschenk voor de boekenweek van 2001 zal worden geschreven door Salman Rushdie. Deze schrijver werd ooit wereldberoemd toen hij vanwege zijn boek De Duivelsverzen door het Iraanse bewind vogelvrij werd verklaard en jarenlang moest onderduiken. De nieuwslezer liet weten dat het voor het eerst in onze geschiedenis is dat het boekenweekgeschenk door een buitenlander wordt geschreven. Voor wie het nog niet verbaasde.
Nou, rejoice maar dan?

Een woordvoerder van de CPNB verklaarde on the record dat het ‘natuurlijk niet de bedoeling is dat we de komende tien jaar alleen nog maar buitenlanders het boekenweekgeschenk laten schrijven. Maar als niemand minder dan Salman Rushdie als ambassadeur van het boek wil optreden, dan laten we die kans natuurlijk niet lopen.’

Ho! Wacht even. Heeft Salman Rushdie soms de GSM gepakt en zich persoonlijk bij de CPNB gemeld? Het schrijven van het boekenweekgeschenk geschiedt immers op uitnodiging, dus de vraag is eerder of Salman Rushdie die kans niet heeft willen laten lopen.

De boekenweek van 2001 krijgt als thema ‘het land van herkomst’. Gut. De zoveelste afgezaagde verwijzing naar een titel of zinsnede uit de Indische Letteren. Ditmaal krijgt E. du Perron de knipoog, die in de canon overigens een andere strofe zong dan Multatuli met zijn ‘gordel van smaragd’ en Couperus met zijn ‘stille kracht’.

Du Perrons boektitel wordt door de CPNB voor een bedenkelijk oogmerk gebruikt. Kansen missen wordt in Nederland onderhand bijna fenomenaal, zou je denken. Zo had de CPNB eens de kans om een Indische schrijver uit te nodigen voor het boekenweekgeschenk. Dat was in 1992, toen de boekenweek in het teken stond van Nederlands-Indië. Dus vroegen ze voor die gelegenheid maar eens een door en door Nederlandse schrijver als A.F.Th. van der Heijden.

Tja, een jaar eerder had deze celebrity van het Grachtengordelgenootschap zich nog enorm opgewonden omdat hem de AKO-literatuurprijs was onthouden. De schrijver kreeg ruimschoots de gelegenheid van de pers zijn gal daarover te spuwen. AKO kreeg een slechte naam, niet onterecht overigens, want die club had niet eens alle boeken in de schappen die ze op hun shortlist hadden staan. Nou, de CPNB zou deze boekhandelketen wel eens laten zien wat zij onder goede literatuur verstonden en boden Van der Heijden in 1992 een inhaalslag.

Hoe genereus toch. De schrijver trok zich overigens weinig aan van het boekenweekthema en schreef iets over weerborstels en Einsteins relativiteitstheorie, als ik het me goed herinner. Het had natuurlijk erger gekund: iets met palmbomen en Soerabaja Johnny of zo.

Om de boekenweek toch een Indisch tintje te geven, nodigde de CPNB een zwik schrijvers uit die ‘iets met Indië of Indonesië hebben’. Het boekenbal zou worden opgesierd met een Pasar Malam Look. Een oude droom van E. du Perron, namelijk het oprichten van een tijdschrift genaamd ‘Nusantara’ werd van stal gehaald en heel schrijvend Indisch Nederland mocht zich eens fijn in een nulnummer gaan uitleven.

Nou, bedankt. Het was ons een genoegen.

Thans heeft de CPNB na een obligate terugblik op de Griekse en Latijnse klassieken eens om zich heen gekeken en zowaar vastgesteld dat er een sterke toename is aan multiculturele uitingen in de literatuur. Die komen van immigranten en immigrantenkinderen, in Nederland met de term ‘allochtonen’ aangeduid. Immigranten bestaan maar overzee, vraag maar aan de CPNB.

Nederland telt inmiddels volop schrijvers die mengculturen vertegenwoordigen. Goddank, want die geven wat kleur aan onze polderliteratuur. En ja: ze schrijven in het Nederlands. Moet dat? Niks moet. Ik stel alleen vast dat ze het doen. Er zijn er ook die hun boeken in hun eigen taal schrijven en die via vertaalfondsen in het Nederlands uitgegeven krijgen. Mijn sympathie gaat in de eerste plaats uit naar de eerste groep, want zij verrijken in directe zin de Nederlandse literatuur en zijn een lichtend voorbeeld voor hun groepsgenoten.

De CPNB staat voor de Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek. Wat is een Nederlands boek? Dat is een in het Nederlands geschreven boek. Zijn dus alle in het Nederlands gestelde boeken typisch Nederlands? Nee, niet alles is omkeerbaar. Sommige boeken zijn Indisch, andere Surinaams, Antilliaans of anderszins gemengcultureel. Dat is de kwestie ook niet.

De kwestie is dat een schrijver als Salman Rushdie zijn boeken in het Engels schrijft. Zijn moedertaal is het Kurdu, hij spreekt tevens Hindi, en zijn Engels proza is een mix van Indiaas-Engels en Brits. Interessant, ook zijn preoccupatie met mengculturen. Maar… hij schrijft niet in het Nederlands.

Waarmee de CPNB zichzelf opeens als een propagandamachine voor de Mondiale Multiculturele Literatuur opwerpt. Wat zou daarachter zitten? Culturele correctheid? Het is tegenwoordig niet cultureel correct om cultureel correct te zijn. Politieke motieven? Zijn ze wat laat mee. De fatwa over Salman Rushdie is inmiddels herroepen.

Kijk je naar wie er de laatste jaren zijn uitgenodigd om het boekenweekgeschenk te schrijven, dan tref je louter arrivés aan. Hun werk staat niet garant voor kwaliteit, lees de laatste boekenweekgeschenken er maar op na. De tijd is voorbij waarin schrijvers werden uitgenodigd om onder motto een manuscript in te leveren. Zo is Hella Haasse ooit haar carrière begonnen. Toegegeven, het is wat hinderlijk om daardoor al een halve eeuw opgescheept te moeten zitten met een tuttig Eurocentrisch romannetje genaamd ‘Oeroeg’.

De tijden veranderen, boekenlijsten niet (dit terzijde) en de CPNB e-vo-lu-eert zal ik maar zeggen. Ze maken mij niet wijs dat er tussen de tientallen namen uit ‘minderheidsgroeperingen’ geen in het Nederlands schrijvende auteur te vinden is die de mensen naar de boekhandel weet te lokken. Schaamt Nederland zich soms voor hun literatuur?

Men klaagt weleens dat Nederland geen eigen cultuur heeft. Een eeuw of vier geleden werd met de oprichting van de VOC de eerste multinational geboren. Met een beetje fantasie kun je zeggen dat de Hollanders de toon hebben gezet van de huidige hysterie van winstbejag. En toch staat inmiddels het Nederlandse Handelshuis moervast met de heipalen in de klei haar eigen koloniale verleden te vergeten. Dat is knap.

De macht van het getal zal stellig heersen in het huis van de CPNB. Nog even en ook zij gaan de beursgang maken. Boeken hoeven niet gelezen, ze moeten verkocht worden. Daarvoor heb je, als spiering, een grote vis nodig. En de lekkerste heeft natuurlijk de schaduw van een fatwa boven zijn zwemwater hangen.

* * *

Het Yournael van Cyberney werd in april 2000 onder aanvoering van Alfred Birney gelanceerd en verscheen wekelijks tot aan de boekenweek in maart 2001. Ruim 60 afleverigen van Cyberney (Alfred Birney), Frans Lopulalan, Joyce Bloem, Maureen Birney, Widjajanti Dharmowijono, Guno Jones, Esther Captain en Anyes lieten zien dat er nog veel onbesproken was en is in de Nederlandse taal, juist door hen die een mengcultuur in zich dragen. Het Yournael van Cyberney & Co bracht artikelen en verhalen rond literatuur, kunst, cultuur, fotografie, emancipatie en uitgeverspolitiek in het labyrint van mengculturen in binnen- en buitenland. De bijdragen van Alfred Birney verschenen bewerkt en gebundeld met ander proza in een eenmalige uitgave als alternatief boekenweekgeschenk en tegelijk als feestbundel ter ere van het 25-jarig jubileum van Uitgeverij In de Knipscheer. Bestel het boek hier!