Verplicht meubelstuk

Transportschip de Groote Beer, die mijn vader naar Nederland bracht.

groote beer schip

Op gevoel (2) Verplicht meubelstuk

Er zat geen gitaar in mijn vaders hutkoffer op zijn bootreis van Java naar Holland in 1950. Zo snel mogelijk na aankomst schafte hij een goedkoop ding van triplex aan, in mijn ogen een pronkjuweel, en hing het aan de muur. Mijn vader speelde niet veel. Ik herinner me maar één avond waarop ik met mijn broertjes en zusjes rond hem op bed zat om te zingen van de stencils die hij in een strenge ordner bewaarde.

Hij speelde niets uit het volksrepertoire van zijn moederland. Terang Bulan. Nina Bobo. Bengawan Solo. Niets van dat. Zijn favoriete liedjes kwamen van Jim Reeves, een Amerikaanse zanger die in de jaren vijftig populair was onder Indo’s, vanwege zijn zoetheid en weemoed. Verder ordinaire Amerikaanse liedjes, die hij ongetwijfeld van zijn geallieerde makkers moest hebben geleerd, zoals South of the Border, waarin de bezongen liefde in Mexico woont. Mexico! Mijn vader koesterde The American Dream, maar zijn hart ging uit naar Mexico, misschien omdat hij dacht dat hij daar als Indo minder zou opvallen.

Met zijn verleden op Java, zijn struggle in Holland en zijn droom in Mexico moest hij toch een sterk motief hebben om gitaar te spelen? Maar ik hoorde vaker geratel van de hamertjes uit zijn schrijfmachine komen dan muziek uit het klankgat van zijn gitaar.

Misschien speelde hij wel stilletjes, zodat we het niet hoorden. Soms zag ik dat zijn gitaar van de muur was gehaald en dus ergens in de slaapkamer moest staan. Het was verboden zijn gitaar aan te raken. Ze was nauwelijks een instrument, eerder een meubelstuk en ze kreeg die behandeling ook: regelmatig werd ze in de teakolie gezet, nogal fnuikend voor de hals, die door het vocht krom ging trekken.

Als ik eens het streng verboden gebied van mijn ouders slaapkamer betrad, viel ik op mijn knieën voor het instrument, pakte voorzichtig de hals vast zodat de gitaar niet om zou vallen en liet mijn duim zachtjes langs de snaren gaan. Die vreemde moderne gitaarstemming was betoverend en angstaanjagend tegelijk. E A D G B E… díe stemming, zo anders dan de harmonieuze krontjong- of Hawaiian-stemmingen. De klank van die open snaren roept zelfs nu nog de herinnering in mij op aan de oorlogsboeken die rond het bed van mijn ouders lagen opgestapeld, en aan die koude mariniersdolk onder zijn hoofdkussen voor als de een of andere Indonesische vrijheidsstrijder ’s nachts uit de lucht kwam vallen om hem de strot door te snijden om wat hij had gedaan, dáár, ooit, op Java.

De gitaar was een verplicht meubelstuk, omdat elke Indo nu eenmaal zo’n ding moest hebben. Dat wist ik toen niet. Ik verlangde naar de muziek uit het klankgat, als zalving voor de bloederige oorlogsverhalen die mijn nimmer zwijgende vader avond aan avond door de huiskamer liet galmen. Waarom hield die man nooit eens op met zijn slachtoffers te tellen? Waarom zweeg hij niet en speelde hij niet gewoon gitaar, zoals zijn vrienden deden? Waarom beantwoordde hij niet gewoon aan het cliché van de Indo?

Fragment uit het verhaal “Op gevoel”
Copyright © 2006 Alfred Birney
Meulenhoff, 2006: Indisch leven in Nederland (red. Annemarie Cottaar)

Verhaal in Archipel Magazine

archipel magazine winter 2009-2010

Voor het eerst van mijn leven had ik een kerstverhaal geschreven, speciaal voor de wintereditie van Archipel Magazine. Dat het een kwartaaltijdschrift is, had ik eventjes over het hoofd gezien. De redactie niet. Er staat dan ook gewoon “verhaal” boven de titel Een Indo kwam voorbij. Het is een mistroostig stuk proza dat je altijd kunt lezen, kerst of geen kerst. Ikzelf ben dol op mistroostig proza, vooral als ik even niets te mopperen heb. Dat gemopper van me wordt de laatste tijd wel wat minder. De schone kunst van het schrijven heeft me namelijk weer te pakken gekregen. Houdt u ook van mistroostige verhalen – of van Alfred Birney – koop dan de wintereditie van Archipel Magazine. Bent u niet dol op dat soort proza, of op mij, dan is er nog altijd wel wat opwekkenders in het blad te vinden. Columns van Emma Kwee, Roy Piette, Hans Vervoort en Kirsten Vos. Voor de reisliefhebber zijn er reportages met mooi fotowerk uit Sulawesi, Malakka en Taiwan. Verder zijn er artikelen over zangeres Julya Lo’ko, gemengde huwelijken in de kolonie, de vaste boekenpagina’s, de culinaire rubriek en nog veel meer. Enfin, rennen naar de kiosk! Het kan nog, ook ná de jaarwisseling.

Reisgids-in-wording

Uitgeverij Open Kaart werkt aan de uitgave van een bijzondere reisgids voor Indonesië. Er zijn al zat reisgidsen voor dat land, Bill Dalton’s Indonesia Handbook voorop. Maar een reisgids die voert langs historische plekken, zoals musea, erevelden en gedenkplaatsen, is er nog niet. De reisgids-in-wording moet een synthese gaan vormen tussen routebeschrijvingen, geschiedschrijving en vrij proza. Er worden twaalf routes uitgestippeld en in kaart gebracht. Daarnaast zorgen enkele historici van Museum Bronbeek voor toelichtingen rond de oorlog die in Nederland zoveel mogelijk verzwegen wordt. Ik ben gevraagd voor de derde component en herzie momenteel een gefictionaliseerd reisverslag van 5000 woorden, dat overigens al is goedgekeurd door de redactie. De verschijning van het boek wordt komend jaar verwacht.

Waar werk je aan?

Iemand mailde me laatst met de vraag waar ik momenteel aan werk. Ik dacht een ogenblik dat ik helemaal niets te doen had, ik zat immers veelvuldig op mijn balcon in de zon. Maar nu ik alles even op een rijtje zet, krijg je dit:

1. Schrijven aan een novelle (deadline 1 november)
2. Werken een een artikel voor een tijdschrift (deadline 1 augustus)
3. Afronden van een verhaal voor in een reisgids (deadline 1 augustus)

Er gebeuren natuurlijk ook allerlei dingen omheen in de – zo noemt men dat – privésfeer. Fun & Stress. Verder ben ik druk bezig achterstallige administratie weg te werken. En al e-mail ik gemiddeld twee uur per dag, toch loop ik daarmee achter, het zijn slechts enkele dagen maar toch… Soms besluit ik om enkele mails maar helemaal niet beantwoorden, zo erg is dat niet, het overkomt mij ook weleens dat ik geen antwoord krijg, vooral wanneer iemand mij iets schuldig is of iets idioots onderneemt.

Ik voer ook nog een huishouden. Als ik een beroemd schrijver was, dan had ik uiteraard een secretaresse, een literair agent, een kok en een huishoudster die alle zooi van me overnamen. Ik zou contracten ondertekenen en vette voorschotten innen op boeken die ik beloof te zullen schrijven maar die nooit zullen komen.

Enfin, het artikel… Dat zal gaan over Nederland leest, editie 4. Boven mijn stuk staat geschreven: Nederland leest niet. Got it?

Iemand vraagt me of

Iemand vraagt me of ik voor het verhaal voor de reisgids uit eigen ervaring put. Dat doe ik altijd, in dialoog met mijn verbeelding.

Doch er is een drawback – 1

Wie in zijn familiegeschiedenis duikt, komt vroeg of laat wel ergens een wapenschild of beroemdheid tegen. Op een dag keek ik terug op wat ik geschreven had en welke familieleden model in mijn romans hadden gestaan. Dat waren mijn vader en mijn grootmoeder. Er restte nog één figuur die ik moest ontdekken langs de Indische lijn in mijn familie: mijn overgrootmoeder. Onderzoek plegen hoefde niet, gegevens over haar werden me mettertijd ongevraagd aangereikt door historici en literatuurwetenschappers die mijn schrijverspad kruisten en verdwenen ongelezen in mijn lade. Die hoefde ik slechts open te trekken toen ik aan een novelle begon te werken en haar – dit klinkt oneerbiedig – als bijfiguur nodig had.

Rabina heette ze, geboren ergens op Oost-Java, zonder achternaam. Niet direct iemand die je in de negentiende eeuw ergens in Overijssel zou tegenkomen, dacht ik. En zo dachten indertijd Anne Busken Huet en Sophie Potgieter ook. Anne was de vrouw van de schrijver, criticus en journalist Conrad Busken Huet, die zijn heil in Batavia was gaan zoeken. Sophie was de zuster van E. J. Potgieter, mede oprichter van het tijdschrift waar u nu in leest: De Gids.

Wie een beetje thuis is in de Indische bellettrie, weet dat schandalen bij voorkeur in de kolonie werden gesitueerd en dat de beschaving begon en eindigde in Nederland. Je ziet het in de werken van Couperus en Multatuli, maar de echte liefhebber haalt zijn informatie uit de boeken van niet gecanoniseerde schrijvers.

De naam Dé-lilah zal alleen de ingewijde iets zeggen. Haar verbeelde werkelijkheid van onverschillig Hollanders, Chinezen of Indo’s was meedogenlozer dan die van haar voorgangers, al dweepte zij als Indo-Europees kind van haar tijd enorm met het beeld van ‘de aristocratische westerling’. Dit zal haar literaire positie in de ogen van diezelfde westerling ironischerwijs wel hebben verzwakt, als er al een kans was dat de smaakmakers van de Nederlandstalige literatuur haar boeken opensloegen.

Dé-lilah geboortejaar wordt door haar ontdekker Joop van den Berg rond 1850 geschat. Zekerheid over haar ware naam is er niet. Maar ze heeft tenminste een pseudoniem én een hilarische wijze van zichzelf aan de lezer voorstellen.

In het verhaal Een zuinige huisvrouw uit de bundel Een Indisch dozijntje (1898) gaat ze met haar vriendin naar de markt, een verschrikkelijke onderneming voor iemand zo ongeschikt voor het huishouden als Dé-lilah. Het verhaal is in zoverre interessant, dat de schrijfster een coming out inlast, tamelijk uniek voor die tijd:

Hanna, mijne vriendin is een aardig indisch vrouwtje, precies zooals ik, dat wil zeggen, dat ik ook een indiesche ben, of ik aardig ben daarover zullen we maar zwijgen.

Deze zin luidt een boosaardige scène in, die zich later op de markt afspeelt:

Vol afschuw sloegen we een ander paadje in, dat nog voller was dan al de andere wegen. Ik ergerde me vreeselijk. Ik was al uit mijn humeur over hetgeen ik gezien had en nu overkwam mij weêr de ergernis, als een pilaar vastgemetseld te moeten blijven staan en me niet te kunnen bewegen door deze foule van menschen. En wat voor menschen? Armoedige, vuile, magere inlanders, menschen met huid- en andere ziekten, vrouwen met ongekamde haren en natuurlijk het noodige gezelschap bij zich, of met een enkele sarong aan, met ontbloot bovenlijf; mannen, vuil en verwilderd, waaronder echte galgentronies.

Ik werkte geducht met mijn ellebogen, maar ’t hielp niet veel. Daar staat een Soendanees naast me met een rits, nog levende, spartelende goudvischjes aan een touwtje, en ik merk tot mijn ontzetting, dat hij dat zoodje tegen het aardbeien satijn mijner kabaija houdt en dat daar een leelijke vies ruikende vlek op gekomen is.

In mijn boosheid stoot ik met de punt van mijn parasol in zijn ribbenkast. Het schijnt aangekomen te zijn, want de kerel valt achterover, precies op een oude vrouw, die zwarte boeboer ketan verkoopt en hij trapt met zijn eene voet in de pan kokende toeboer. De vrouw schreeuwt en scheldt vreeselijk, maar de consternatie wordt nog grooter, wanneer diezelfde man, die van pijn brult, al strompelende terecht komt in een hoop katjang. Gelukkig is er nu ruimte gekomen en kan ik verder gaan

Dé-lilah is waarschijnlijk de allereerste overduidelijke Indo-Europese vrouw die zich aan verhalend proza wijdde. Ze kende het plantersmilieu goed, vooral in de uithoek Deli (Dé-lilah) aan de Oostkust in het Noorden van Sumatra, dat indertijd als een staat in een staat functioneerde. Daar gaf de zogenaamde ‘Koelie-ordonnantie’ planters de vrijheid hun arbeiders naar eigen goeddunken te berechtigen. Een dergelijke bizarre autocratische samenleving kende men op Java niet.

(wordt vervolgd)
© Eerder verschenen in De Gids, mei 2007

Correcties

logo alfred birney weblog Ik ben een week of twee bezig geweest met de laatste correcties aan mijn boek. Dat wil zeggen: ik heb wat zinnen verbeterd en voor de rest ben ik gaan zitten piekeren over zaken waarmee ik u maar niet lastig zal vallen. Ik ben slecht in keuzes maken. Nou zegt men dat het niet maken van keuzes ook een keuze is, maar met die onzin kom je niet ver als je een definitieve versie van je manuscript moet inleveren. Ik treuzelde enorm, totdat afgelopen zondag – ja de zevende dag – mijn uitgever opeens vroeg of ik de tekst nog die avond wilde inleveren. Dan kon de persklaarmaker er de volgende dag mee aan de gang. Ik beloofde het manuscript uiterlijk middernacht per e-mail in te leveren en ging als een gek aan de slag.

Om tien over half twaalf zag ik dat ik het nooit zou redden. Ik verklaarde 00:00 uur als zijnde een ontijd en pakte er nog maar wat uurtjes bij. Ik was die middag namelijk op het zotte idee gekomen om nog wat te gaan schuiven met twee hoofdstukken, zodat er een soort van parallelle vertelling door het verhaal kon gaan stromen, als u begrijpt wat ik bedoel. Maar de tekst was al zo gelaagd, al zie je dat er niet direct aan af (en zo hoort het ook). Ten leste besloot ik om de twee hoofdstukken eenvoudig weg te gooien, te deleten, te ditchen, te dumpen, te wissen – wat is het heerlijk om daar allerlei werkwoorden voor te zoeken. Pas toen dat eenmaal gebeurd was, voelde ik dat het goed was. Dat het die twee hoofdstukken waren die me de afgelopen twee weken zo in de weg hadden gezeten. Niet omdat ik ze steeds tegenkwam, maar vanwege hun simpele bestaan. Ze hadden geen bestaansrecht in mijn verhaal, ze voegden er niets aan toe, maakten de boel nodeloos gecompliceerd.

Vraag me niet waarom een schrijver zoiets niet eerder ziet. Het is als het optrekken met een stel vrienden, onder wie er een paar zitten die niet helemaal deugen. Ik zal maar niet met een analogie met liefdesrelaties komen.

Huiselijk geweld als gevolg van oorlog

mishandeling Ik heb eergisteren een verhaal ingeleverd bij Archipel Magazine. En geen bevestiging van ontvangst gehad, want schrijvers krijgen aldoor minder respect, wat waarschijnlijk het gevolg is van het feit dat er momenteel zo ongelooflijk veel mensen schrijven. Redacteuren worden blasé. Ik geloof dat er in Nederland alleen al een miljoen mensen rondlopen met het idee schrijver te worden. Er zitten veel bloggers bij. Uitgevers struinen dagelijks blogs van jonge mensen af, op zoek naar nieuw talent. Waar moet je aan voldoen om in aanmerking te komen voor een gesprek met een uitgever? Ten eerste moet je iets bijzonders te vertellen hebben. Dus als je een blog hebt over je kat, dan is dat op zich niets bijzonders, integendeel, je bent de zoveelste die over zijn of haar kat blogt, maar… als jij dat op zo’n originele wijze doet, of verschrikkelijk virtuoos schrijft, ja dan nemen ze zeker je weblog onder de loep. Zie je er een beetje goed uit? Is wel handig in verband met je televisieoptredens, want zonder televisie breng je je boek niet aan de man. Maar ik dwaal af. Ik zei dat ik eergisteren een verhaal heb ingeleverd bij Archipel Magazine. Gisteren kon ik weinig anders doen dan bami maken voor mijn zoon, die naar de sportschool moest, en vandaag sliep ik bijna het klokje rond. Het schrijven van het verhaal duurde vijf dagen, een eerdere versie was twee jaar oud, in één keer op de harde schijf geramd om er niet meer naar om te kijken. Het is een verhaal over huiselijk geweld als gevolg van oorlog, gezien door de ogen van een achtjarige jongen. Vrouwenmishandeling, kindermishandeling. Ik schreef hier eerder over in een boek dat in 1995 uitkwam: De onschuld van een vis. In de afgelopen jaren is het motief me weer komen bezoeken. Mijn schrijfstrategie is wel veranderd. Het belevend perspectief heb ik verruild voor een meer beschouwende toon. Toch put het schrijven me uit. Ik registreer herinneringen, noteer beelden, zet ze op hun plaats, verschuif ze, vervorm ze, werp er hier en daar voor de fijnproevers een korte, oppervlakkig aandoende overpeinzing tussen en zorg dat het verhaal recht overeind staat en ook zo blijft staan. Een verhaal over mishandeling heeft altijd een beul en een slachtoffer nodig. De beul in mijn verhaal is op zijn beurt slachtoffer van een oorlog. Via hem krijgt oorlog iets abstracts. De echo is huiselijk geweld. Voor een kind is dat onbegrijpelijk. Wat begrepen wordt, hoeft niet te worden beschreven.

Uit het leven van een schrijver

Hallo A.,

Hoe gaat het? Ga je dit jaar iets doen op de Pasar Malam, ik bedoel de Tong Tong Fair? Ik heb een vraag. Op verzoek van Johnny Rahaket, violist en koorleider van het 100-koppig Colourful City Koor in Nijmegen, ga ik een bundel samenstellen met een aantal verhalen van zes auteurs, Indisch, Indonesisch en één Nederlander voor het contrast, met als onderwerp de PUPUTAN op Bali, ruim honderd jaar geleden. Ik heb al een paar namen, waar jij er een van bent. Het is onderdeel van de voorstelling PUPUTAN in juni van dit jaar. Hij wil de bundel presenteren op de Tong Tong Fair. Dit betekent dat ik je verhaal, als je mee wilt en kunt doen, – wat ik van harte hoop! – uiterlijk 10 maart moet hebben. Wanneer je ja zegt, mail ik je de voorwaarden. Ik zeg er meteen bij dat er geen vorstelijke gage achter zit, maar vast wel eeuwige roem.

Ik hoor graag van je.

Intussen hartelijke groet van

Z.

Hallo Z.,

Dank voor je uitnodiging, al is het wat kort dag vanwege overige opdrachten. In principe wil ik wel meedoen, maar eerst wil ik de volgende dingen weten:

1. het aantal woorden van het verhaal
2. de termijn waarin het verhaal niet in een andere uitgave mag worden geplaatst
3. het honorarium
4. de namen van de andere schrijvers
5. de uitgever van de bundel
6. de omvang van de bundel
7. de verkoopprijs van de bundel

Hartelijke groet,

A.

Hallo A.,

Fijn dat je zo snel antwoordt. Ik kan je nog niet op alle vragen antwoord geven, maar wel zo snel mogelijk. Ik ben van 5 t/m 25 februari niet thuis, maar we kunnen wel mailen. Johnny Rahaket wil dit boek koppelen aan de voorstelling Puputan (waarvan het script geschreven wordt door Frans Lopulalan), omdat hij (en ik) steeds weer ontdekken dat men er nauwelijks iets van weet. Schuldgevoel van de Nederlandse kant? Verdringing? De première is op 11 juni en dan volgen er nog een paar voorstellingen in het land. Er wordt hard gewerkt voor en achter de schermen. Zo, nu weet je in elk geval weer iets meer.

Hartelijke groet,

Z.

Hallo Z.,

Ik antwoord zo snel omdat de uitnodiging erg laat komt. Bij zulke projecten wordt een schrijver gewoonlijk een half jaar tot een jaar tevoren gepolst en niet anderhalve maand voor een deadline. Wordt het boek in eigen beheer uitgegeven misschien? Ik kan Frans Lopulalan wel mailen, maar wat zou hij me dan verder weten te vertellen? Het aantal woorden en de hoogte van het honorarium kun je toch wel alvast noemen? Een goed verhaal heeft tijd nodig, ik ga niets afraffelen, de thematiek is al lastig genoeg. Dus geef de eerste gegevens die een schrijver nodig heeft en niet eerst de deadline.

Hartelijke groet,

A.

Hallo A.,

Het idee van een boekje is pas een week geleden geboren. We zaten met de gedachte dat we iets moesten doen om wat kennis over de puputan te verspreiden. Het zijn toch zeer tragische en bittere momenten in de geschiedenis van Indonesië en ik denk ook een beetje van Nederland. Vandaar mijn vrij late verzoek. Het aantal woorden heeft een ruime marge: 2000 -3000. Het honorarium: dat kunnen wij niet geven. Behalve natuurlijk een aantal boeken voor elke auteur. Wij hopen dat de auteurs deze gelegenheid willen aanpakken als een vorm van PR. In elk geval schrijft Paula Gomes een verhaal, en Carola Eijsenring, een beginnend schrijfster die al verschillende prijzen won in Brabant. Verder zal mijn opdrachtgever Johnny Rahaket overleggen met Frans Lopulalan om een fragment van zijn script in het boek op te nemen. De Indonesische auteur die wij hebben benaderd is Agus Sarjono, een grote naam in de Indonesische literaire wereld en daarbuiten. Heeft in opdracht van de Universiteit Leiden en de Heinrich Böll Stichting gewerkt en verbleef daarvoor twee keer acht maanden in respectievelijk Nederland en Duitsland. Hij gaat deze verhalen ook vertalen in het Indonesisch en wij gaan praten over publicatie, in en na overleg met de auteurs. Hij is onder meer redacteur van het literaire tijdschrift Horizon. Ik meen uit je mail op te maken dat je “not amused’ ofwel een beetje geïrriteerd bent. Terecht, ik ben niet duidelijk genoeg geweest, waarvoor mijn excuses. Ik ken jou als een gedegen werker en je zult zeker niets afraffelen, dat hoort niet bij jou. Maar de tijd is inderdaad krap en hoe dit komt heb ik hierboven uitgelegd. Als je, na dit gelezen te hebben, denkt dat je het onder deze omstandigheden niet kunt of wilt, even goede vrienden. Ik hoop alleen dat je aan me denkt als overenthousiast voor de goede zaak: een beetje eerherstel voor de Balinees.

Hartelijke groet,

Z.

Hallo Z.,

Nou, dat “not amused” is natuurlijk iets dat door gaat klinken in mijn mails omdat ik wel vaker vage uitnodigingen krijg met summiere informatie. Te vaak heb ik iets geschreven en er niets voor betaald gekregen, zelfs geen boek opgestuurd gekregen en ga zo maar door, ook voor buitenlandse contacten. Deze gang van zaken wordt met de tijd ook “normaler”: men krijgt een idee, men stuurt even een mailtje en dan ziet men wel weer. Nou blijk jij ook al aan die rare mode mee te gaan doen. “Het idee voor het boekje is een week geleden geboren.” Wat is dat nou, Z.? Ik ben toch geen beginner of zo? Als jij het niet was geweest, dan had je mail allang weggemieterd ja, maar ik vind jou toevallig aardig. Kijk, die vragen van me zijn doodsimpel en de antwoorden daarop horen gewoon in een uitnodiging, zelfs al heb je er geen antwoord op. Dus: uitgever, aantal woorden, eventueel honorarium, oplage etc. Of: wij kunnen u helaas geen honorarium bieden, het idee is pril etc. Dan kan ik direct bepalen of ik er mijn energie in moet gaan stoppen. Maar dat weet je nu wel. Het heeft trouwens niets met Indo’s te maken, de hele wereld werkt zo en dat bevalt me in het geheel niet, amen. Schrijvers als sluitpost van de begroting, dat zit me tot hier, dat moet zo niet doorgaan, dat is een schande. Maar goed, ik blijf in principe, uit sympathie voor jou, nog een klein beetje beschikbaar. Rest mij nog één vraag: wordt het een “boekje” (zo’n stapeltje ingelijmd papier met een kris erop die door het hart van de een of andere Balinees gestoken wordt) of wordt het een serieuze uitgave? Dus: wordt het gewoon een aardige gelegenheidsuitgave dat tijdens en na de voorstellingen wordt uitgedeeld of verkocht, of wordt er een ISBN-nummer aan vastgeplakt en staat er de naam van een uitgever op? Laat me dat nog even weten. Waarom kwamen jullie hier trouwens niet drie jaar eerder mee? Deze zaak is in 1906 al ruimschoots herdacht, een van mijn uitgevers is met de heruitgave gekomen van een boek over die rare actie van die stomme Belanda’s. Beetje mosterd na de maaltijd.

Hartelijke groet,

A.

Hallo A.,

Natuurlijk heb je gelijk. Ik ín mijn enthousiasme spring ik erin, ja, gaan we doen. Laat ik even voorop stellen dat ik niets betaald krijg voor dit project, zal ik maar zeggen. Ik ga nu proberen je het verhaal te vertellen vanaf het begin.

1. Johnny Rahaket zei zo’n anderhalf jaar geleden in een gesprek tegen mij: Eigenlijk gaat een bepaalde vorm van puputan nog steeds door, anno nu. Ik wil er iets mee doen. Uitgangspunt was zijn vader, KNIL-man, je moet doden als het moet, want je bent militair. Ik heb Johnny ooit geïnterviewd en het is een bitter verhaal. Hij stelde zijn koor voor om naar Bali te gaan en les te nemen in kecak, in de opmaat naar de puputan-voorstelling. Dat was in juni/juli vorig jaar. Zo’n zestig koorleden zijn gegaan. Ik was erbij als tolk. Ik heb het zien groeien. De lessen zijn allemaal gefilmd, zodat de bewegingen en ‘commando ‘s’ etcetera goed waren. Praktisch niemand had nog ooit van de puputan gehoord. Er is een puputan kerkhof op Bali, maar die is van recente datum, van 1947. Terug in Nederland heeft Johnny Frans Lopulalan benaderd om het script te schrijven. Als je ziet wat het koor nu doet en kan ben je sprakeloos. Het is een groot project en ik heb begrepen dat de TV belangstelling heeft. Mijn rol in het geheel is op de achtergrond meekijken, meelezen, meedenken.

2. Het boek. Om de draad met het publiek nog een beetje vast te houden, leek het een goed idee een boek(je) samen te stellen over de puputan. Johnny gaf mij de vrije hand in het benaderen van auteurs. Omdat ik Indische ben, and proud to be one, wilde ik aanvankelijk alleen Indische auteurs. Maar al pratende leek het ook spannend er een Nederlandse en een Indonesische auteur bij te halen. Ik had iemand in gedachten omdat hij een prettige schrijfstijl heeft, al is hij meer een Midden-Oosten kenner. Maar na een gesprek met Frans kwam ik op Ewald van Vugt die twee jaar geleden een boek over de puputan heeft geschreven. Zijn uitgever In de Knipscheer heb ik gepolst en die heeft er wel oren naar. Wanneer het te lang gaat duren, wil Johnny het in eigen beheer uitgeven. Gebonden met een hard kaft, of gelijmd met een gelamineerde kaft, dat weet ik nog niet.

Hartelijke groet,

Z.

Hallo Z.,

Dat boek van Ewald van Vugt was een heruitgave, het was al eerder in 1986/87 uitgebracht. Ik heb me het lazarus lopen zoeken maar ik heb het waarschijnlijk uitgeleend en zoals je weet komen geleende boeken nooit retour. Beroerd geschreven vond ik het, niet om doorheen te komen, maar Ewald VanVugt is wel dé kenner bij uitstek over Puputan 1906, hij heeft er ook lezingen over gegeven. Ik ben nu dat boek van Edita Morris aan het lezen, Poepoetan, want mijn kennis van de Balinese geschiedenis is slecht, ik heb me altijd verdiept in de Javaanse zooi, dat vond ik al meer dan genoeg. Ik ben nu aan het kijken of ik inderdaad iets zinnigs of iets moois over Puputan zou kunnen schrijven. Technisch kan ik dat wel, maar je moet ook een drive hebben, een wil om het te doen, en die ontbreekt nog bij mij, niet omdat ik niet betaald krijg maar omdat ik helemaal niets heb met Puputan, het verhaal heeft me eenvoudigweg nooit aangesproken. Dus dat is momenteel het probleem: kan ik iets met het thema? Dat Johnny Rahaket liefst zestig koorleden meeneemt, moet wel heel veel geld hebben gekost. Ik vind het nu nog absurder en idioter dat die man niet eerst even normaal over zijn begroting nadenkt. Het is mij allemaal veel te veel van hup we gaan eens even op Bali kijken, we smijten er al het geld tegenaan, we stoppen alles in het koor en… o ja, nu we anderhalf jaar verder zijn, gut laten we Frans Lopulalan eens voor het script vragen, helaas is er geen geld, we moesten namelijk een half vliegtuig afhuren, begrijpt u wel? Ik vind dit zo verschrikkelijk idioot van die man, dat mag je hem gerust zeggen hoor, dat ie een beetje collegialer moet zijn in plaats van als een kinderjuf maar even met een enorme groep naar Bali te vliegen – weet je wat dat kost, Z.? En weet je wat een schrijvertje kost? Nog geen zitplaats in zo’n vliegtuig. Nou, waar hebben we het dan eigenlijk over? Laat die vent maar extra subsidie aanvragen.

Hartelijke groet,

A.

Hallo A.,

Een onmogelijke love story, een sprookje of zo, zit dat er niet in? Mij spreekt dat verhaal nog steeds aan hoor. Ik voel woede naar de Hollanders die een volk, dit volk, koste wat kost wilden onderdrukken en zo trots was dat zij zich niet liet onderdrukken. Iedereen heeft zijn eigen reis en verblijf betaald, zo enthousiast waren de koorleden. Ik ook. De korting die we kregen vanwege het grote aantal werd hoofdelijk omgeslagen. En nu zeg ik, net als Tjalie tegen zijn vriendje zei: Kallem dong. Vriendje met opgeheven vuist: Ini kallem. Uit: Piekerans. Tot nu toe heeft dus iedereen er zijn eigen geld ingestoken. Het is iets van: geloven in een droom, in dit geval een mooie productie. Want mooi wordt het.

Hartelijke groet,

Z.

Hallo A.,

Hierbij een artikel dat ik uit Australië ontving. Misschien heb je er iets aan. Verder wil ik je zeggen dat ik voor het eerst over de puputan hoorde, of liever las in het boek Liebe Und Tod auf Bali van Vicky Baum. Ik vind het nog steeds een mooi, ingetogen geschreven boek. Het fragment staat op de laatste pagina ‘s. Het is vertaald en heet dan Liefde en dood op Bali. Vast overbodige info voor jou, maar ik geef het toch maar voor alle zekerheid. Verder ga ik op Bali dichter/schrijver Nyoman Wijaya ontmoeten die over de puputan heeft geschreven. Hebben we dus de Indonesische invalshoek. Ik ga dat fragment in het Nederlands vertalen. Ik heb achteraf gezien het grote geluk gehad een deel HBS en helemaal SMA te hebben gedaan in Indonesië. Daarna heb ik cursussen Bahasa Indonesia gedaan. Ik heb dus the best of both worlds gehad.

Salam,

Z.

Hallo Z.,

Het enige dat ik kan verzinnen is een monoloog met scheldproza dat zo ongeveer zegt dat het die stomme Belanda’s toch allemaal niets kan schelen en dat dat hele puputan-verhaal niet eens vergeten hoeft te worden, simpel omdat het nooit gekend is, etcetera – dat is het enige dat me na een paar dagen van gepeins te binnen schiet. Het puputan-verhaal vervult me namelijk met zoveel weerzin dat ik er alleen maar over kan schelden en mopperen, maar dat schijn ik goed te kunnen – dus geen geseyck over liefde en al dat Vicky Baum- en Evita Morris-gezwam, gewoon lekker schelden, te beginnen op Multatuli met zijn Saidjah en Adinda en dan komen die Batavieren vanzelf wel aan de beurt. Wil je scheldproza? Ja? Nee? Let me know.

Groet,

A.

Dag A.,

Sorry dat ik je nu pas antwoord. Bedankt voor je antwoord. En nogmaals, de schrijvers waren niet een sluitpost. Ik heb gedacht en gehandeld vanuit mijn Indisch-zijn: gotong royong, samen sterk. Ik ben lekker een dagje op familiebezoek geweest. Ik vertrek 5 februari naar Bali via Hong Kong en ben 25 februari terug. En oh zaligheid, ik ga ook een paar dagen naar Surabaya, waar ik ben geboren. Ik heb goed nagedacht over je voorstel en ik denk dat “scheldproza”, zoals jij dit noemt, niet zal passen met de rest van de inhoud van het boekje. Het zou er geen recht aan doen en aan de andere auteurs ook niet. Dus met heel veel spijt moet ik je bedanken voor je moeite tot nu toe. Mocht zich ooit weer iets voordoen, mag ik dan terugkomen? En dan wel met zoveel mogelijk informatie. Ik heb hier echt van geleerd. Dank je voor je duidelijkheid hierin.

Salam manis,

Z.

Zeg F.,

Nou heb ik die Z. waerachtig een schitterend voorstel gedaan, gratis en voor niets, en nu vindt ze mijn idee te eh… kasar! Wat moeten die Batavieren nou met een sprookje of een liefdesverhaal? Dat is voer voor neokoloniale sentimenten. Gescheld, gemopper en gekanker, dat is het enige wat bij dit project past.

Nah,

A.

Ze denken zeker dat ik niks te doen heb

Volgens mij lezen ze mijn weblog. Ze denken zeker dat ik niks te doen heb. Klopt! Maar een mens hoeft toch niet altijd wat te doen hebben? Nou, ik was nog niet onder de douche vandaan of mijn redacteur van het AD belde. Tijdens mijn ontbijt, die ’s middags plaatsvindt, belde ik hem terug. Tussen de gebruikelijk roddels door polste hij me of ik zin had in een of ander boek over kolonialisme tussen 1890 en 1950 of zoiets. Hij wist er ook het fijne niet van, maar het boek is in elk geval onderweg naar de krant. Het is een uitgave van het KITLV, onze schatbewaarder van Neerlands koloniale verleden, dus ik ben natuurlijk razend benieuwd naar wat voor schitterends of flets de ijverige uitgeverij van het instituut nu weer op de markt brengt. Het boek zal een dezer dagen bij me in de bus vallen en het KITLV kennende zal het wel weer een kloeke uitgave zijn. Kost me dagen om te lezen, dus de volgende week ben ik in elk geval van de straat.

Ook de redacteur van Archipel Magazine liet van zich horen. Hij geeft me een week extra in het deadlinespelletje. Maar met die klus voor de krant in het vooruitzicht heb ik daar helemaal niets aan. Het is dus gokken of werken. Gokken betekent: het boek van het KITLV afwachten, er een recensie over schrijven en dan pas iets voor Archipel Magazine doen. Ik loop dan het risico dat ik te laat ben en zo de kans mis om onderaan mijn nieuwe bijdrage de komst van een nieuw boek van mijzelf aan te kondigen. Feitelijk is de klus voor Archipel Magazine belangrijker dan die voor het AD, dat toch wel wekenlang de tijd heeft, ze lieten mijn recensie van de biografie over Tjalie Robinson toch ook een maand in de koelkast liggen.

Maar hoe schrijf ik zo snel een behoorlijk verhaal voor Archipel Magazine? Een verhaal kost me een week, anders wordt het niks. Heb ik echt niets meer in mijn archieven liggen? Het is werkelijk een zootje in mijn mappen, veel doublures, verschillende versies, er zit niets anders op dan er de bezem doorheen te halen. Dan blijft er vast wel wat hangen. Ja hoor, een verhaal van krap 500 woorden en een verhaal van ruim 1000 woorden. Beide verhalen was ik straal vergeten. Het eerste is een melancholieke schets en voorlopig afgerond op 16 mei 2008. Het tweede is een nogal heftig stuk autobiografisch proza, dat ik waarschijnlijk in één keer uit mijn toetsenbord hamerde. Het is gedateerd 7 november 2007 en hoeft alleen nog maar geredigeerd te worden. Dat red ik makkelijk in een week, zelfs al metamorfoseert het.

Dit is toch wel dé perfecte manier van werken voor me. Verhalend proza schrijven wanneer je wilt, de boel vergeten en pas opgraven zodra iemand iets van je nodig heeft. Zo verras je jezelf ook nog eens.