Onbekende vrouw

hat logo meneer b Het display op mijn GSM toonde een privé-nummer toen hij overging. Ik had een dutje op de bank gedaan na een iets te drukke dag. Gewoonlijk neem ik niet op, wars van anonieme bellers, maar ik verwachtte een telefoontje van een journalist. Hij was het niet. Het was K., een dolende secretaresse. Ze moet haar adres geheimhouden in verband met de een of andere inlichtingendienst. Haar verhalen waren ooit zo duizelingwekkend, dat ik nog altijd niet weet of ze nou voor of tegen de Palestijnen heeft gevochten. Belt ze steeds met een andere simkaart? Ik had haar lang niet meer gesproken. De sfeer van onze oeverloze telefoontjes op de late avond was direct weer terug. Ze vroeg hoe het ging en ik zei dat het goed ging. Toen ik haar vroeg hoe het ging begon ze opeens over haar ouders. Ik wist niet dat ze die nog had. Ze had altijd alleen maar over haar zoon gesproken. Ik begon er opeens aan te twijfelen of ze díe wel had. Er viel een stilte. Ik ging over op een schertsende toon. Dat doet het goed bij haar. Maar scherts aan de telefoon is voor zakenlui. En flirten dreigt altijd in de richting te gaan van een afspraak ergens in een hotel. K. schijnt alleen te kunnen minnen in een hotel. Haar angst voor intimiteit is net zo groot als die van de man die zich Guy Vincent noemt in Modiano’s novellenbundel Onbekende vrouwen, waarin ik afgelopen nacht las. Heet zij eigenlijk wel K.?

Associatie

hat logo meneer b Een handlanger van de pest verhaalt over zijn zwerftochten door Europa, langs feitelijk één weg, witstoffig dan wel modderig, bochtig of recht, maar altijd van een oneindige lengte. Wanneer een Dominicaan in een rokerige herberg hem een kaart leent, ziet hij alle streken waar hij is geweest verbrokkelen tot landen en schiereilanden van fantastische snit. Het is 1348 en hij loopt net voor de pest uit of er net achteraan. Mijn mond valt open van de beeldende kracht, die de schilderkunst van Jeroen Bosch benadert. Het is de pen van Simon Vestdijk in een kort verhaal, getiteld Het veer (1935), geheimzinnig en technisch bijna volmaakt. Het staat in een vergeelde pocket, die ik kocht in 1976, toen ik door een enorme leeswoede werd geplaagd, of werd bezocht, naar gelang je het bekijkt. Veel is geschreven over de zwarte dood, die woedde van 1348 tot 1351, maar er zijn waarschijnlijk zeer weinig korte literaire verbeeldingen van dit niveau te vinden. Ik haalde vroeger zelden de eindmeet van Simon Vestdijks romans. Ze grepen me meestal bij de strot, sleurden me een eindje mee maar lieten me halverwege los. Dat was niet het geval met De kelner en de levenden (1949), die misschien een zekere invloed had op mijn debuutroman. Van Simon Vestdijks verhalen ken ik alleen Het veer. Gisteravond heb ik er heel lang in mijn rommelige boekenkast naar gezocht. Ik wilde per sé dát verhaal herlezen voor het slapengaan. Misschien omdat ik een dode zwaan had zien drijven in de kade.

Raadsel uit de Maleise bellettrie

logo alfred birney Maya Sutedja – Liem, collega publicist in Archipel Magazine, mailde me naar aanleiding van mijn tweedelig artikel Goena-goena volgens P.A. Daum en Victor Ido in genoemd tijdschrift. Ter sprake komt onder andere een verhouding tussen de zoon van een Indonesische huishoudster en een blanke Europese vrouw, een kwestie waarop in de koloniale tijd een zwaar taboe rustte en waarover veelal slechts angstvallig werd geschreven. Maya kent een boek uit het Maleis, waarin het taboe-onderwerp vrijmoedig bij de kladden wordt genomen.

Het verhaal is getiteld Njai Isah en geschreven door een zekere Ferdinand Wiggers, een Indo-Europeaan die gewoonlijk in het Maleis publiceerde. Het verhaal verscheen aanvankelijk als feuilleton in een Maleise krant in 1903 en daarna in enkele boekdelen. Het gaat over een Nederlands meisje dat een verhouding krijgt met de zoon van hun Indonesische bediende en zwanger raakt. Om haar reputatie niet te schaden moeten man en kind worden weggemoffeld. Het meisje zelf ziet zich gedwongen een Nederlandse man te vinden om mee te trouwen, wat gepaard gaat met goena-goena en meer van die typische motieven uit de koloniale bellettrie.

Maya heeft slechts twee delen in een Leidse bibliotheek kunnen opsporen. Omdat het motief nogal spectaculair was voor die tijd vraagt zij zich af of het boek misschien geen vertaling is van een Nederlands verhaal. Ikzelf neem aan van niet, omdat de fatsoensrakkers eerder in Nederland dan in het voormalige Nederlands-Indië gezocht moesten worden. Het colofon in het boek geeft geen uitsluitsel, wat indertijd niet ongebruikelijk was. Als uitgever wordt genoemd de NV tot exploitatie van Mal. week- en andere bladen in Nederlandsch-Indië. Meer is niet bekend.

Over de schrijver heeft Maya het volgende kunnen achterhalen. Ferdinand Wiggers (1862-1912) was een zoon van de Nederlandse (?) Frederik Ernst Wiggers en de Indonesische Pela (of Helena?). Ferdinand Wiggers huwde eveneens een Indonesische vrouw, genaamd Tjanting (later genoemd Enerstina Hermina?). Van de vijf kinderen die uit dit huwelijk voortkwamen, bleven twee zonen in leven: Norbertus Petrus (1886 – ?) en Ernst Ferdinand (1890-?). Ferdinand Wiggers was redacteur bij verschillende Maleise dagbladen, waarin hij veel publiceerde, wat soms tot een boekuitgave leidde. Daarnaast vertaalde hij ook veel Europese romans naar het Maleis, waaronder Van slaaf tot vorst van Melati van Java.

Maya is bezig stukken uit Njai Isah te vertalen. Ze beoogt de uitgave van haar vertalingen van korte Maleise verhalen in het komende jaar en zit nu met de brandende kwestie: in welke brontaal is het verhaal geschreven: het Maleis of het Nederlands? Stuur even een mail als u Maya Sutedja – Liem kunt helpen.

Narcis en Borges

hat logo meneer b Jorge Luis Borges had het in een van zijn verhalen over de indrukwekkende luchten van Australië. Als ik me niet vergis in ‘De Aleph’. In de tijd dat ik veel naar Egberto Gismonti luisterde, trok Carolina voor drie maanden bij me in. Ze was weggelopen bij haar vriend. Mijn flat was een tussenstop, ze zou emigreren naar Australië. Ik herinner me dat ik haar een keer terugbracht. Haar ex-vriend was ingestort en zij kampte met allerlei tegenstrijdige gevoelens. In hun onderkomen, een uitbouw achter een louche café, hing een Australische vrouw rond, een wereldreiziger. Zij was een kennis van Carolina en haar vliegtuig zou de volgende dag vertrekken. In de kleine voorkamer maakte de Australische aanstalten om in een slaapzak te kruipen en ze nodigde me uit die met haar te delen. Ik zei dat de slaapzak te klein was, dat we genoodzaakt zouden zijn dicht tegen elkaar aan te liggen. Dat vond ze geen probleem. Carolina hoorde het en kwam even een kijkje nemen. Ik kreeg het gevoel in een eigenaardige film te spelen en vluchtte naar huis, waar Carolina me opbelde voor telefoonseks. Ze was verslaafd aan masturberen, maar anders dan Alice, die het voor de spiegel deed en klaarkwam op haar eigen borsten. Dit soort narcistische erotiek vind ik moeilijker te begrijpen dan de literaire esoterie van Jorge Luis Borges. Het is moeilijk om het gewoon maar mooi te vinden, zoals literatuur en muziek. Geen deel uitmaken van iets waarbij je betrokken bent, is een hel.

Het buigsyndroom

logo alfred birney Rudy Kousbroek merkte eens op dat veel frustraties van Europeanen ten opzichte van de Japanners terug te voeren waren, of zouden kunnen zijn, op een diepgeworteld racisme. Ik weet niet meer waar ik dat las, hoogstwaarschijnlijk in Het Oostindisch kampsyndroom (Amsterdam, Meulenhoff: 1992). Irritant tot zeer hinderlijk in de verhalen van Europeanen, en van Indo’s, was het aldoor weer moeten aanhoren hoe men telkens moest buigen wanneer er een ‘Jap’ voorbij kwam. Er is zelfs een Indische vereniging die er haar logo mee versiert.

‘Jap’ was in ‘Indië’ zoiets hier in ‘Holland’ ‘Mof’ was. De term ‘Jap’ heeft het tot de dag van vandaag uitgehouden, langer nog dan ‘Mof’. Zou dat nou komen doordat men hier niet voor de ‘Mof’ hoefde te buigen, maar hooguit had te salueren?

Anyway, vandaag is het 15 augustus: de dag waarop ‘Indisch Nederland’ de capitulatie van Japan herdenkt. Dat geschiedt jaarlijks bij het Indisch Monument bij de waterpartij in Den Haag. Ik ben er nooit bij geweest, ik houd niet van oude Indo’s in uniformen die als malloten nog altijd salueren voor Vorst en Vaderland. En zij houden niet van mij, want ik wordt door die ouwe lui voor zoiets als een ‘linkse Indo’ gehouden.

Er is altijd veel gedoe geweest over de precieze onafhankelijkheidsdatum van Indonesia. De Indonesiërs houden het op 17 augustus, dat doen ze al 60 jaar. Nu dan heeft onze minister van Buitenlandse Zaken in naam van Nederland ‘politiek en moreel’ de datum van 17 augustus 1945 geaccepteerd als de dag van de onafhankelijkheid. Gelul natuurlijk, want we hebben het hier over een onafhankelijkheidsverklaring. De grootste ellende moest toen nog gaan beginnen. Zoals: de oorlog van Nederland tegen Indonesia onder de noemer van ‘Politionele Acties’. Over de verschrikkelijke Bersiap zal ik het maar niet hebben, want dat zegt de gemiddelde Hollander toch geen moer. Die komen toch weinig verder dan hun Hongerwinter van 1944, waarin ze suikerbieten moesten vreten, als ze die al krijgen konden.

De onafhankelijkheidsdatum van Indonesia viel totnogtoe in Nederlandse ogen gelijk aan de soevereiniteitsoverdracht op 27 december 1949. Valt wat voor te zeggen natuurlijk. Ik bedoel een handtekening is een handtekening. Maar principieel hadden de Indonesiërs, althans in mijn ogen, gelijk. Zij waren gekoloniseerd geweest, hadden zich vrijgevochten, dus het was aan hen te bepalen welke dag zij als de dag van hun onafhankelijkheid beschouwden.

Dat hele gedoe, die discussie, heeft dus 60 jaar geduurd. Nu zo’n beetje alle Indische Nederlanders onder de groene zoden liggen, is het hier te lande allemaal wat eenvoudiger om als zijnde minister van BZ het laken alsnog recht te trekken. Maar… doe het dan goed.

Dat de minister himself in ‘Indië’ is geboren, doet er niet toe. Dat geeft hem niet méér recht een besluit als deze uit te voeren dan, zeg, een minister uit het Gooi. Hoe het met zijn kennis van de geschiedenis is gesteld zou ik niet weten, want de Haagsche Courant, waar ik momenteel mijn laatste weken als columnist doormaak, of moet doorstaan, vergeet soms ook maar om quotes af te sluiten. De HC, met de zeis van het AD voor het aangezicht, meldt op haar sterfbed:

De strijd in Nederlands-Indië tussen 1945 en 1949 heeft volgens schattingen aan 150.000 Indiërs en 6000 Nederlanders het leven gekost.

Wat zijn Indiërs? Weet u het? Die versleten term van een eeuw terug is door die sufkous van onze huidige Volksgeschiedschrijver Geert Mak van stal gehaald voor dat vod van zijn boek hem, getiteld De eeuw van mijn vader (Amsterdam, Atlas: 1999). Je moet er toch niet aan denken dat we het daar nog een eeuw mee moeten doen, wah? Enfin, onder Indiërs wordt verstaan Indo’s, als ik het allemaal wel heb, en onder Nederlanders wordt verstaan alles wat Nederlands onderdaan was, dus ook Indo’s.

Over de Romusha’s, Indonesische dwangarbeiders voor de Japanse bezetter, wordt al helemaal met geen woord gerept. Schattingen lopen uiteen van 200.000 tot liefst 2.000.000 slachtoffers onder deze arme jongens. En dan tellen we de gedode Indonesische vrijheidsstrijders nog maar even niet mee, want dat is hun pakkie an.

Het zal nooit wat worden met de geschiedschrijving van Nederland overzee. Nooit ofte nimmer. ‘Het wachten is nu op de Japanners’ (ook al kampioenen in het achterhouden van de feiten in hun schoolboeken). Deze hoop wordt althans gekoesterd door De Stichting Herdenking 15 augustus 1945, die vermoedt dat de tijd voor de Japanners nu ook wel begint te rijpen om met nieuwe spijtbetuigingen te komen inzake hun rol tijdens WO-II in de Archipel.

Niettemin blijft men een stok nodig hebben om een hond mee te kunnen slaan. De nieuwe honden in deze onzalige geschiedenis zijn de Koreanen. ‘Want die waren nog veel en veel erger dan de Japanners’, zo luidt het grote cliché van de laatste jaren. Dus ja, de Haagsche Courant gaat braaf daarin mee door op de voorpagina een spotprent af te drukken van een Koreaanse kampbewaker voor wie een blanke moeder met haar kind moet buigen. Raak je je oude vijand kwijt, dan vind je in no time wel weer een nieuwe.

Zie de mens.

Oom Soen

logo alfred birney Mijn vader kreeg in zijn eerste levensjaar te kampen met een lelijke zweer achter zijn oor, die niet wilde genezen. De artsen van zijn vader, Europeanen van faam, gaven hem op. Moeder Swan kon haar kleine nakomeling niet zien sterven en gaf hem aan haar jongere broer Soen ter genezing mee naar Blitar, een plaatsje niet ver van moeder Swans geboorteplaats Kediri. Mocht oom Soen met zijn Oosterse geneeskunst falen, dan diende hij de kleine diep in de rimboe te begraven, binnen de loop van rivier de Brantas.

Oom Soen wikkelde hem in lompen en een oude sarong en nam hem mee, weg uit het drukke en hete Soerabaja. Ik weet niet hoe oom Soen reisde midden jaren twintig in de vorige eeuw, er waren al auto’s en treinen, misschien ging hij deels te paard langs rivier de Brantas.

In Blitar kreeg Oom Soen hulp van twee zusters en een paar nichten. Na twee jaar werd de kleine nakomeling genezen en enkel nog wat gehinderd door rachitis teruggestuurd naar zijn moeder in Soerabaja. Moeder Swan gaf hem voortaan driemaal daags levertraan te slikken tegen de rachitis. Tegensputteren kwam de kleine op tien zweepslagen te staan.

Oom Soen kwam pas weer terug in mijn vaders verhalen toen de man oud was: half blind en mank, gewapend met een stok. De man scheen over uitzonderlijke gaven te beschikken en moest in zijn jonge jaren de geheimen van de gevechtskunst hebben geleerd van een oude Chinese meester. Naar gelang de aard van de straf die hij wenste uit te delen kon hij met een doeltreffende tik van zijn stok iemands arm of been naar keuze voor een week verlammen, voor een maand of voor drie maanden. Een langzame dood met een looptijd van drie tot zes maanden was ook mogelijk, maar dan met een tik op iemands borst. Het ergste dat oom Soen kon doen was iemand met een uitgesproken vloek naar de andere wereld helpen.

Zoals alle meesters der gevechtskunst verstond oom Soen ook de buitengewone geneeskunst. Zijn handoplegging scheen wonderbaarlijk. De door hem gebrouwde drankjes en zalfjes vonden gretig aftrek tot in de wijde omgeving. En zoals alle grote geesten verstond oom Soen de kunst van het alleen zijn. Hij bewoonde een klein huis ergens aan de rand van Soerabaja, waar hij dagelijks zijn planten verzorgde totdat de rimboe voor hem begon te zingen wanneer de pendule zesmaal sloeg en de avond viel.

Het was lang na de oorlog en mijn vaders vlucht uit Indonesië dat het overlijdensbericht van oom Soen per brief tot hem kwam. De mensen uit de omgeving hadden gezegd dat in het uur van zijn dood de pendule stil was blijven staan en dat tegelijk met hem alle planten in en rond het huis waren gestorven.

Haagsche Courant, vrijdag 14 januari 2005

X-files van de Apachen

logo alfred birney De verhalen over Nederlands-Indië die mijn vader me vroeger vertelde, stonden niet alleen bol van de jacht op wilde zwijnen, toeren op de Harley Davidson of kattenkwaad uithalen in de kampong, zoals in de vertelsels van Tjalie Robinson. Ook hocus-pocus, wonderlijke gebeurtenissen en vervloekingen waren veel terugkerende motieven. Nou komen vervloekingen voor in alle culturen over de hele wereld. Alleen de bijbel al is een groot kookboek van vervloekingen. Ook de Apachen kennen hun vervloekingen. De bekendste is geadresseerd aan een rijtje presidenten van Amerika. Een of ander opperhoofd van een Apachestam zou een vloek hebben uitgesproken over de ‘blanke baas’ van de kolonisten. De werking begon in 1840. Sindsdien zijn zeven hoofden van het Witte Huis tijdens hun ambtsperiode gestorven. Het gaat om presidenten die zijn gekozen tijdens het samenvallen van de planeten Jupiter en Saturnus, een stand die eens in de twintig jaar voorkomt. Het eerste slachtoffer van de Apachenvloek was William Harrison. Hij werd gekozen in 1840 en stierf, amper een maand aan de macht, in de lente van 1841 aan een longontsteking. Abraham Lincoln, de geliefdste president tot nu toe, gekozen in 1860, werd in de lente van 1865 in een theater doodgeschoten door een acteur die de slavernij aanhing. James Garfield, aan de macht gekomen in 1880, werd in de zomer van 1881 op het treinstation van Pennsylvania neergeschoten door een advocaat, wie een baantje als consul was geweigerd. William McKinley, herkozen in 1900, werd aan het einde van de zomer in 1901 door de kogels van een ‘anarchist’ geveld. Warren Harding, gekozen in 1920, stierf in de zomer van 1923 plotseling aan een trombose, enigszins verdacht, al had hij een zwak hart. Franklin Roosevelt, liefst viermaal tot president gekozen, onder meer in 1940, stierf aan een hersenbloeding in de lente van 1945. Het laatste slachtoffer van de vloek was John F. Kennedy, gekozen in 1960. De aanslag op hem in de herfst van 1963 is nu nog een hot issue. De president die twintig jaar later werd gekozen, dus in 1980, was Ronald Reagan. Hij ontsnapte ternauwernood aan een moordaanslag in de lente van 1981. Veel indianen zien hierin het bewijs dat de vloek is ‘opgeheven’. Maar afstammelingen van het Apacheopperhoofd dat de vloek uitsprak, willen dat pas geloven indien George Bush jr., gekozen in 2000, niet in het harnas sterft. Mijn vader zou zeggen: een vloek strekt zich uit tot in het zevende geslacht. Tot en met Kennedy dus. Misschien bedoelen de afstammelingen van het Apacheopperhoofd ook wel te zeggen dat als Bush echt groot wil worden, hij terstond aftreedt. Uit eerbetoon aan de Apachen. Kijk, tegen zo’n zegen kan geen vloek op.

Haagsche Courant, vrijdag 12 december 2003

Broese (2)

logo alfred birney Broese, de jongen in het lichaam van een oude man, droeg een verschoten leren motorhelm op zijn Jawa en deed die pas af als hij binnen was. Wijnvlekken markeerden de kaalslag op zijn hoofd, tussen gekreukte plukken van dunne resten alang-alang, die zich bogen in hun treurzang.

Alang-alang was het hoge tijgergras waarin Soerabaja Papa en Broese als kleine jongens hadden gespeeld. Broese had het graag over die tijd, Soerabaja Papa niet. Broese wilde herinneringen ophalen aan hun jongensjaren van voor de oorlog, maar die jaren lagen gestold in de bloederige modder op het slagveld van Soerabaja Papa’s herinnering.

Er dwalen tijgers door de alang-alang in Broeses herinnering. Giftige slangen doen hun middagdutje in de schaduw en je moet oppassen ze niet op de staart te trappen, anders ben je nog niet jarig, ha ha. Broeses verhalen zijn lichtvoetig, altijd, en als je er niet om lachen kunt dan doet hij het zelf wel met zijn veel te hoge stem.

In Soebaja Papa’s herinnering zijn de alang-alangvelden donker. Nieuwe maan. Verderop hangt iets dat op een vuurvliegje lijkt. Dat denken de Hollandse mariniers, maar niet Soerabaja Papa. Die sluipt er als een tijger op af, stoot zijn bajonet in de rug van de Javaanse vrijheidsstrijder, trekt hem eruit en snijdt met een flitsende beweging de strot open van de jongen die zijn laatste strootje heeft gerookt. Hij laat hem achter voor de mieren.

Broese zong zijn refrein: ‘Vergeet die dingen toch, wij zijn nu hier: in Holland.’

Soerabaja Papa vergat niet. Als Broese niet wilde luisteren, dan moesten de toetsen van zijn schrijfmachine dat maar doen in de slaapkamer.

Mama Helmond hoort verveeld de verhalen aan van Broese, de oude jongen met de hoge lach. Ik lig in bed en volg het verbeten gehamer van Soerabaja Papa op zijn Remington schrijfmachine. Hij verslijt één schrijfmachine per jaar, hij kan het woord ‘pelopper’ blindelings honderden malen achtereen foutloos typen. Zo probeert hij de dingen te bezweren die hij heeft gedaan in de oorlog. Het zal nooit duidelijk worden wát hij precies heeft gedaan, maar mijn nachten vullen zich met de geesten van hen die hij de dood injoeg. Ze komen me bezoeken, ze willen me wurgen want ik ben een zoon van Soerabaja Papa. Als ik geluk heb is Broese nog op bezoek en jaagt zijn hoge jongenslach de spoken weg. Ik blijf wakker liggen totdat ik hem hoor wegrijden op zijn Jawa. Dan hangt het huis weer vol met de schaduwen van die vervloekte oorlog, zoals Mama Helmond die noemt. Zong Broese wel eens op zijn Jawa terwijl hij scheurde langs het Zuiderpark? Een oud krontjonglied misschien? Iemand met zo’n castratenstem kon toch moeilijk zijn eenzaamheid uitschreeuwen?

Haagsche Courant, 26 september 2003

Broese (1)

logo alfred birney Broese. De naam… Mama Helmond kon met een hardvochtige stembuiging de oe-klank in de naam benadrukken, alsof ze een vies woord uitsprak. ‘O God, daar komt die Broe-se weer aangereden. Broe. Se. En er komt juist vanavond een mooie musical op televisie! Moet ík weer die vervelende verhalen aanhoren. Want die vader van je, die zit toch alleen maar op zijn kamer te tikken achter die schrijfmachine van hem, ik wou dat-ie eens wat meer geld op tafel legde, dan hadden we meer brood en spek op de plank. Maar dat denkt alleen maar aan die vervloekte oorlog van hem daar in dat stinkindië, en dan die Broe-se met zijn Indië, dat heeft het ook alleen maar over Indië, Indië en nog eens Indië. Was ik maar nooit gaan corresponderen met die vader van je, wist ik veel dat die vent een tik van die oorlog heeft meegekregen. Zal ik jou eens wat zeggen: al die Indische mensen hebben een tik van de molen gekregen, weet je dat? Ze waren het gewend met bediendes te leven, die krópen voor ze, die deden álles voor ze, nou en nu zitten ze hier zonder hun bediendes én maar klagen, én maar klagen, ze zijn nog te beroerd om de afwas fatsoenlijk te doen, die laten ze gewoon een dag staan tussen al dat stinketen van ze, en die kruidenlucht dat blijft allemaal tussen de kieren zitten, gut dat denkt dat ze nog daar in Indië zitten, nou waren ze er maar gebleven, zie jij dan soms het verschil dan tussen je vader en die kop van Soekarno op die stinkpostzegels op die stinkbrieven van die stinkfamilie van je vader uit dat stinkindonesië? Nee? Nou dan! Ze hebben gewoon tegen hun eigen buurjongens gevochten, tegen hun eigen vlees en bloed, nou snap jíj dat? Het zijn gewoon verraders die Indischen, met je vader erbij, jaa-haa, jouw vader was een verrader, dan weet je dat! Nou, doe jij maar open voor die Broese en laat die vent dat stinkmotorpak van hem aan de kapstok hangen voor-ie binnenkomt, anders stinkt straks de hele huiskamer naar dat vieze leer en die stinkmotorolie, o daar gaat mijn rust…’

Broese. Bijna een pioniersmerk voor een motorfiets. Maar de man reed op een oude Jawa met een opvallend ei als benzinetank, zeg een Jawa type Broese. Wonderlijke man, met het mysterie van een versleten clown. Had Broese die Jawa motorfiets omdat Jawa een andere spelling was van Java? Wilde Broese zijn heimwee naar Java tonen via de naam van zijn motorfiets? Java was zijn geboortegrond, maar ik denk niet dat Broese Oosters bloed had. Zijn ouders zouden onderwijzers kunnen zijn geweest, die rond 1900 de oversteek naar Nederlands-Indië maakten, om er 40 jaar later te sterven in een Japans gevangenkamp.

Broese had een extreem hoge stem voor een man. Soerabaja Papa verklaarde: ‘De Jappen hebben zijn ballen afgesneden. Hoe? Ja, met hun samoeraizwaarden natuurlijk!’

Of dat nou echt was of verzonnen, weet ik nu, na 40 jaar, nog niet.

Haagsche Courant, vrijdag 19 september 2003

Woningnood onder verhalen

logo alfred birney Als iemand mij naar een record zou vragen, dan keek ik naar de tijd die het me kostte een kort verhaal of een roman te schrijven. Mijn snelheidsrecord op de korte baan ligt op drie dagen, op de lange baan negen maanden. Niets bijzonders dus. Mijn traagterecords zijn interessanter. Ik werkte twaalf jaar aan mijn langste roman en had evenveel tijd nodig voor het schrijven van één van mijn korte verhalen.

Het korte verhaal wordt hier ondergewaardeerd, ik snap niet waarom. Misschien omdat je ze moet kopen en columns niet. Verhalenbundels verkopen nauwelijks in Nederland, tenzij het om jumbo-uitgaven van beroemdheden gaat die voor de zomervakantie de markt op worden geslingerd. Die komen doorgaans niet van schrijvers die uitblinken in het korte verhaal. Ikzelf ben ook geen kortverhalenschrijver bij uitstek, al drijft de column me wel steeds meer die richting uit.

Wat een column nou precies inhoudt of in zou moeten houden, is voer voor vele discussies. Gangbaar is de opvatting dat de column zich in het niemandsland bevindt tussen het korte verhaal en de journalistiek. Dus een anekdote of sfeertekening als een loempiavel om een mening gerold. Of, controversiëler, een mening die om een pannenkoek wordt gerold. Een column leren schrijven hoeft niemand. Je kunt het of je kunt het niet. Maar dan: stijl en schrijftechniek even daargelaten. Anders zou de column de laatste jaren nooit het korte verhaal zo enorm hebben kunnen wegdrukken.

Dat columns aantrekkelijk zijn, moet voor een deel liggen in de lengte. Ze zijn nog korter dan het korte verhaal. Je kunt ze lezen bij de bushalte en tijdens het koken. Vreemd genoeg is behalve de column ook de dikke roman enorm populair, de boeken met de dikte van een straatklinker. Het verschil tussen een column van 500 woorden en een roman van 300.000 woorden is te absurd als je met deze getallen wilt gaan goochelen om de populariteit van beide genres te verklaren. Uiteraard hebben ze wel iets gemeen. Een leuke column scheur je uit en geef je aan je tante, een dik boek koop je en geef je aan eh… die zo’n mooie salontafel in de kamer heeft staan. Bloemetje ernaast, flesje wijn en zo meer. Videootje aan, vrijen op de bank, het boek dient als kanonskogel bij relatiecrises.

Een column kun je desgewenst uit je hand te schudden, een kort verhaal niet. Een goed kort verhaal vergt bloed, zweet en tranen. Publicatiemogelijkheden voor dit genre zijn er nauwelijks. De weg naar schimmige literaire tijdschriften voert langs raadselachtige omwegen en onzichtbare redacteurtjes. Dat de landelijke en regionale kranten niet regelmatig ruimte bieden aan nieuw talent van korte verhalen is jammer, zeker nu de literaire tijdschriften hun toevlucht op het internet zoeken. In Indonesië, dat wordt beschouwd als een onliterair land, bieden de kranten juist wél plaats aan nieuw schrijftalent. Daar debuteer je, als aspirant schrijver, gewoon in een krant. En de columns daar? Nou, die worden geschreven door lezers.

Alfred Birney / Haagsche Courant, vrijdag 28 februari 2003