Sura & Baya

soerabaja Ik ben in je voetsporen getreden, duizenden dagen heb ik de seizoenen getrotseerd in liefde, haat, verlangen en verbijstering. Je was gekomen van heel ver, je hebt je opgericht als een monster uit de zee, waar je dacht je verleden van je af te kunnen spoelen. Maar wie waren het die je achter je liet: geslagen, verkracht, vermoord, drijvend in de kali die stonk naar de dood en die jou begeleidde naar de haven aan de monding van de rivier? Ze noemen het de Kali Mas, de Gouden Rivier, waar ooit een Sura en een Baya met elkaar vochten, gedoemd om in een eeuwige omstrengeling te bevriezen in het stadswapen van Surabaya, jouw geboortestad op de Noord-Oostelijke punt van Java. Je vertelde me verhalen van de oorlog, avonden lang, je vertelde me hoe je bloed en verderf zaaide met je krijgsmakkers in de dorpen van je jeugd. Wilde je je jeugd met vlammenwerpers en granaten te lijf gaan, om zo de sporen van schaamte en schande uit te wissen? Je werd nooit erkend door je vader, maar je moeder gaf jou het leven niet om de levens van anderen te verwoesten. Wat heb je gedaan? Wie jaagden jou zo op toen de strijdbijl tussen Nederland en Indonesië was begraven? Een Nederlandse legerkapitein bracht jou naar de boot. Zes weken lang voer je op zee en op het laatst was je zo paranoïde dat je overboord sprong en bent gaan zwemmen. Ben je gek geworden in de oorlog of ben je eenvoudig gek geboren? Ik ben in je voetsporen getreden en heb je verhaal geschreven, keer op keer, en niemand heeft me begrepen, laat staan dat ze jou begrepen. Ik trad in jouw voetsporen en reisde terug naar Java. Ik nam niet de boot, ik nam het vliegtuig en kwam droog en schoon aan land op Java. Ik vond de Jembatan Merah, de Rode Brug over de Kali Mas, waaronder het mythische gevecht plaatsvond tussen de Haai en de Krokodil, die het water rood kleurden van de wonden die de dieren elkaar toebrachten. Wie was jij? De haai of de krokodil? Ben ik de brug die zich over jouw verleden buigt zonder zijn eigen spiegelbeeld in het water te kunnen zien? Is er iemand die me volgen kan, helemaal tot hier?

* * *

Deze tekst schreef ik voor de foto-expositie van Fabio-Romano del Castelletto, november 2011 in de Maldoror Galerie, Den Haag. Op twee van zijn fotowerken, in de traditie van de oude Chinese schilderkunst op papieren rollen (scrolls), bracht ik de tekst met een stift aan. Om het fotopapier niet te bevlekken, droeg ik een speciale handschoen. De scrolls zijn te koop bij Fabio-Romano del Castelletto. Serieuze gegadigden kunnen zich via het contactformulier op deze website tot de kunstenaar wenden.

Dreiging sluiting Museum Nusantara

east magazine Museum Nusantara is nog maar net bekomen van een ingrijpende en geslaagde verbouwing, of de monsters van het kabinet hebben het al in het sloopzuchtige vizier. Het kent maar één mantra: “Het zijn zoals bekend economisch zware tijden en hierin is geen plaats voor de culturele sector. Alles wat niet direct zichtbaar zakken met geld oplevert, moet sneuvelen. Gemeenten moeten drastisch op hun budgetten worden gekort, want zij geven alleen maar geld uit en bieden ons daar niets voor terug.”

Dit is het beleid van de Generatie Nix, die met Nix is opgegroeid, die Nix had om naar uit te zien, die Nix uit de handen liet komen en thans aan de macht is en denkt dat de wereld beter af is met Nix. De geschiedenis begint volgens deze imbecielen in het jaar 2000, en alles wat eerder plaatsvond heeft geen enkele betekenis, een enkele oorlog daargelaten. Dit heeft in Delft tot direct gevolg dat Erfgoed Delft, het overkoepelende orgaan waar museum Nusantara onder valt, ook moet bezuinigen. En hoe!

De directie van Erfgoed Delft dreigt met ingang van 1 januari 2013 Museum Nusantara haar deuren te laten sluiten. De reden is dat het aantal bezoekers te laag is waardoor het museum niet rendabel zou zijn. Hiermee wordt volslagen gedachteloos een zoveelste poging ondernomen om het belangrijkste hoofdstuk van de Nederlandse geschiedenis, die van de VOC, het kolonialisme, de dekolonisatie en de eeuwenoude banden met Indonesië onder de zoden te stoppen.

En nu komt het… Het gebouw zal een jaar later weer voor het publiek open gaan met een presentatie rond Delfts Blauw Aardewerk.

Welnu, wat is Delfts Blauw en hoe en waardoor is het ontstaan?

Aan het einde van de 16e eeuw introduceerden de Portugezen Chinees porselein, met zijn kenmerkende blauwe beschildering, in Nederland. Dat is kort voor voordat de Hollanders op de gestolen zeevaartkaarten van Jan Huygen van Linschoten de zeilen hesen en richting Indië voeren, waardoor al gauw de VOC werd opgericht – Dit geïmporteerde Chinees porselein was fijn en sierlijk en onmiddellijk zeer gewild. Later kwam het via de Hollanders en Zeeuwen met de VOC-schepen naar Amsterdam.

Alleen de zeer rijken konden zich Chinees porselein permitteren. De Delftse majolicabakkers, die nog geen echt porselein konden maken, begonnen toen met veel succes imitaties te maken. Delfts Blauw is dus in het geheel niet los te zien van de geschiedenis van de VOC, en uiteraard is de geschiedenis van de VOC niet los te zien van Neerlands koloniale geschiedenis en ook niet van de oorlog die Nederland voerde in Indonesië, nadat het zelf was bevrijd van de Duitsers.

Een Delfts Blauw Museum betekent dus: een museum rond namaak Chinees porselein. Ik spreek niet tegen dat Delfts Blauw in een latere periode zelfs roem in China zou oogsten. Dat is het punt niet. Ik zeg: een Delfts Blauw Museum in de plaats van Museum Nusantara is een museum dat liegt, een museum dat de oorspronkelijke geschiedenis verknipt.

Concreet betekenen de plannen van de rücksichtslose overheid het einde van Nusantara als internationaal uniek museum voor Indonesisch cultureel erfgoed. De collectie blijft weliswaar in Delft – die wordt nog net niet in zee gedumpt – maar zal een slapend bestaan gaan leiden.

Zijn musea gedoemd om hun voortbestaan op lekkende zolderetages voort te zetten of zoiets?

Uiteraard strijd de conservator voor het behoud van Museum Nusantara. Maar zo’n strijd kan je niet alleen voeren. Neem deze weblogpost dan ook over, als je Museum Nusantara een warm hart toedraagt. Zet er je eigen reactie bij, of bewerk de tekst naar eigen inzicht en stuur het verder de wereld in (weblog, Facebook, Hyves, link hierna toe op Twitter etc.)

Alleen dán kan de conservator, Amy Wassing, gesterkt door alle reacties, opnieuw een dialoog aangaan met de directie in de hoop een zekere toekomst voor Nusantara te bewerkstelligen.

* * *

Bij de heropening van Museum Nusantara op 11 maart jongstleden:

This Balinese court dance was performed by DwiBhumi – Centre for Balinese Dance and Culture in The Netherlands, during the opening ceremony of Museum Nusantara, March 11th, 2011. Title of the dance: Legong Keraton Lasem. Dancers: Febrina Tanoewidjaja, Mirah Ayu Supriyono and Aafke de Jong. See also: Balinese Dans

Schrijvers vanuit de verdediging

letterenhuis Verleden week vierde het Letterenhuis zijn nieuwe onderkomen met een bescheiden feestje voor het team, schrijvers en nog zo wat lui die eromheen hangen. Het is soms wel aardig om een troep van je collega’s bijeen te zien: nieuwkomers en oudgedienden. Ik herinner me te hebben staan babbelen met Anja Sicking, Mohana van den Kroonenberg, Marian Boyer, Kester Freriks en Nicolaas Matsier. Mijn redacteur liep er ook rond en hij gaf me het advies om vooral de ruimte te nemen in mijn roman-in-wording, omdat ik toch al geserreerd kan schrijven. Alsof hij mijn gedachten las. Gepriegel in novellen, waarin geen enkele zwakke bladzijde mag staan, is een geweldige uitdaging, maar als het verhaal vraagt om een roman dan moet dat maar. Het is lang geleden dat ik aan zo’n omvangrijke klus werkte: Het verloren lied.

In het huidige politieke klimaat krijgen kunstenaars de wind van voren. Het grote publiek denkt inmiddels dat kunstenaars vele miljoenen opslurpen uit de subsidiepot zonder er daadwerkelijk iets tegenover te stellen. Ook schrijvers worden intussen gevonden door subsidiespeurders die met de verbetenheid van wolven achter hun gesubsidieerde werkplekken de jachthoorn blazen. Het jongste tijdschrift van het Nederlands Letterenfonds, een jonge fusie van het Fonds voor de Letteren en het Nederlands Literair Productie- en Vertalingenfonds, slaat dan ook een verdedigende toon aan. Stukken van allerlei schrijvers moeten de onwetenden duidelijk maken waar een schrijver staat, wat een schrijver doet en wat een schrijver betekent voor het land en de taal waarin hij of zij schrijft. Het heeft iets weg van roepen in een woestijn, want welke onverlaat leest zoiets als drukwerk van het Nederlands Letterenfonds? Quotes van buitenlandse uitgevers en schrijvers staan op het omslag, dat wordt gesierd door een oude boom, die zich in tweeën splitst:

“De wereld van het woord en dus de boekenmarkt verandert volop. Veel uitgeverijen van nu produceren en gedragen zich alsof ze deel uitmaken van de ‘entertainmentindustrie’ en niet van de markt van ideeën.” – André Schiffrin.

Mwah, niet bijster fraai neergepend, tamelijk onvolledig ook, maar het is een redelijk statement.

“Ik geloof niet dat de digitale technologie de functie van de uitgever radicaal zal veranderen de komende jaren. De selectieve functie is het hart van ons vak. Ik denk dat het papieren boek en het e-book gedurende een heel lange tijd naast elkaar zullen blijven bestaan, en ik geloof niet dat het papieren boek ooit totaal zal verdwijnen.” Jean Mattern.

Hier is de tweede zin het sterkst. Die gaat over het scheiden van het kaf van het koren. Over de rest valt te discussiëren en of het papieren boek nooit zal verdwijnen, daar heb ik mijn twijfels over. Maar dat heeft natuurlijk niets te maken met de creativiteit van de schrijver.

De mooiste quotes staan binnen in het blad. Arnon Grünberg vraagt zelden direct subsidie aan, maar is collegiaal en slim genoeg om zijn broeders en zusters niet af te vallen, zoals Boudewijn Büch gewoon was te doen. Ook grijpt Arnon Grünberg weer eens zijn kans om Nederland met Duitsland te vergelijken. Dat lijkt een olijke hobby van hem. Op zijn weblog liet hij eens weten dat Duitsers Nederlanders in beleefdheid verre overtreffen. Nou is dat natuurlijk al zo sinds de VOC, sla er de scheepsjournalen van Duitse lieden maar op na. Maar toch een enorme sneer voor de goede verstaander.

Iemand als Cees Nooteboom verbaasde zich eens over het respect die de Amerikanen voor schrijvers tonen: in New York rolden ze een rode loper voor hem uit toen hij eens een literaire prijs kwam ophalen. Hopelijk is hij niet door dat ene voorval zo verschrikkelijk naast zijn schoenen gaan lopen, maar dit terzijde. Gauw terug naar Arnon Grünberg:

“Dit kabinet is in het zadel geholpen door kiezers die zich er niet voor schamen dat ze meer van hun auto houden dan van Goethe. Een Nederlands verschijnsel trouwens, soortgelijke geluiden hoor je zelden in Duitsland. Dat zo veel Nederlanders deze voorkeur hebben, valt te betreuren, maar het is de realiteit. Om Brecht te parafraseren: je kunt het volk wel afschaffen, al zal dat ook in 2011 niet zonder bloedvergieten gaan.”

Nogal gammel geformuleerd, maar de parafrase mag er zijn.

De mooiste quote komt van Marjolijn Februari:

“Nederland hecht een groot belang, een publiek belang, aan schrijvers. Het enige probleem is dat niemand ze wil betalen.”

Uiteindelijk kom je uit op het begrip kwaliteit. Wat is kwaliteit? Wie bepaalt het? Het vervelende is, dat kwaliteit een beleving veroorzaakt die direct met taalgevoel verband houdt. En gevoel is een fenomeen zo ongrijpbaar voor de meeste mensen, dat ze het verwarren met emotie.

vrijdag 23 september 2011

Rivier de Lossie – fragment (2)

(2)

Op de eerste dag van mijn bedevaart reisde ik met de trein naar het vliegveld, waar ik als enige door de douane werd gefouilleerd. Er zaten alleen blanke mensen in het vliegtuig, Nederlanders en Schotten door elkaar, de meeste passagiers ongetwijfeld met nauwe familiebanden.

In Schotland aangekomen had ik geen last van de douane. Ik liet me met de eerste de beste taxi naar Aberdeen brengen. In de granieten stad nam ik het eerste het beste logement dat de taxichauffeur me voorstelde. Het was een huis dat zich in krapte en benauwdheid liet vergelijken met een ordinair Nederlands pension ergens in de provincie.

De gastvrouw nodigde me uit in de keuken en serveerde soep met brood. Ze schoof gemoedelijk bij me aan en stak een sigaret op terwijl ze me guitig mededeelde dat het in de overige vertrekken verboden was te roken.

Ik vond haar Hollands aandoen, ze sprak alleen in een andere taal. Misschien was het makkelijker de mensen voortaan maar te onderscheiden in Europeanen en Aziaten, bedacht ik, met mijzelf als Euraziatisch ertussenin.

Ze blies nonchalant een wolk sigarettenrook naar het gebarsten plafond. Net als ik, moest ze een jaar of veertig zijn. Ze zag er gezellig slonzig uit. Ik vroeg me af waar haar echtgenoot uithing, als ze die al had. Ze babbelde tegen me aan over haar dagelijks leven en klaagde over buitenlandse IT-ers die ze vaak in huis kreeg.

‘Ze bevlekken het beddengoed,’ zei ze, ‘en laten ranzige boekjes in de nachtkastjes achter.’

Daarop begon ze over de lasten van het leven, niet de materiële maar de spirituele. Reïncarnatie was volgens haar een troost en vloek tegelijk.

‘Jullie geloven daar toch ook in reïncarnatie, of niet?’

‘Ik weet het niet,’ zei ik, wars van zweverige gesprekken, die ik al te vaak had gevoerd. En ik vroeg me af wat ze bedoelde met ‘jullie daar’. Ze had mijn paspoortgegevens genoteerd en gezien dat ik uit Nederland kwam. Bedoelde ze ‘jullie daar in Nederland’ of ‘jullie Euraziaten’, mocht ze mij voor zo iemand houden? ‘Euraziaat’ was nog een puur Engelse term, die ze tot mijn spijt in Nederland niet gebruikten.

Nergens ter wereld was ik voor een Nederlander aangezien. Meestal voor een Indonesiër, een Indiaan of Maori. In Indonesië, waar komaf een nog grotere rol speelt dan in Nederland, was ik aangezien voor een Molukker, Menadonees of toch gewoon voor een Indo, wat daar weinig meer betekent dan dat je een lichte huidskleur hebt en veel op een acteur lijkt uit de een of andere film of televisieserie. Indonesiërs hebben er weinig weet van dat er een half miljoen Indo’s in Nederland rondlopen met een geschiedenis die teruggaat tot de beginjaren van de VOC. In de negentiende eeuw speelden Indo’s een grote rol in het amusementsleven in Nederlands-Indië, men zag ze veel op de toneel- en muziekpodia en ze zijn ook in het huidige Indonesië nooit van dat imago afgekomen. Dat was voor sommigen zo slecht nog niet, zolang ze de schoonheidsnorm wisten te halen. In Nederland kon Indo-etniciteit juist een hindernis zijn bij casting voor film of toneel, maar weer minder op de muziekpodia, al lagen ook daar beperkingen: een serieuze Surinaamse Country & Western-band, om maar wat te noemen, zou heel wat uit te leggen hebben.

‘Je hoeft denk ik niet iets te wéten om ergens in te geloven,’ poneerde de vrouw nog om het gesprek gaande te houden.

Maar ik zweeg, deed alsof ik vergeten was waar het over ging en boog me peinzend over mijn soepkom.
De vrouw liet het gesprek maar rusten, drukte haar sigarettenpeuk uit en ging de ruiten van de keukenkasten poetsen. Later, toen ik op bed lag te rusten, hoorde ik haar beneden zingen.

Wat zong ze? Was het iets in Gaelic? Waren haar ouders, haar grootouders, haar overgrootouders en allen die hun voorgingen in Schotland geboren? Was zij zo vast geworteld in dit land dat ze er eenvoudig geen weet van had? Dat was voor mij iets om jaloers op te kunnen worden.

Ons Indisch erfgoed

lizzy van leeuwen De invloed van de Indische cultuur op de Nederlandse blijkt zo groot te zijn, dat je beter kunt spreken van een innige vervlechting tussen beide culturen. Althans, volgens Lizzy van Leeuwen, antropologe, die in haar nieuwe boek Ons Indisch erfgoed talloze opvattingen over de Indische geschiedenis van Nederland volkomen op zijn kop zet. Dat doet ze zo overtuigend dat het weleens het belangrijkste boek over de Indische geschiedenis kan worden sinds J.J.P. de Jongs De waaier van het fortuin (1998). Daarin werd de Indische geschiedenis van 1595 tot 1950 beschreven.

Lizzy van Leeuwen neemt de afgelopen zestig jaar voor haar rekening. Voor degenen zonder voorkennis: geen zorgen, ze neemt het complete verhaal vanaf de VOC-tijd in vogelvlucht nog even door. Actueel spilpunt in haar boek is de opkomst en ondergang van het Indisch Huis. Het is een verhaal dat vooral de Haagse gemoederen zeer heeft beziggehouden maar dat gezien de diepe historische achtergronden in heel Nederland bekend zou moeten zijn. Wat ging er aan de bouw van het Indisch Huis vooraf, wat kwam erna en hoe liep het uiteindelijk af? Belangrijker nog is de vraag waarom dat Indisch Huis er zo nodig had moeten komen. Het is hier vanwaar de sporen leiden naar talloze personen, instellingen en ondernemingen.

Lizzy van Leeuwen toont zich een uitstekend gedocumenteerd auteur met oog voor detail én het grote geheel, een intelligente gedachtegang en een meeslepende schrijfstijl, die zoveel van haar wetenschappelijke collega’s ontberen. Heel Indisch Nederland, met al zijn bekende en op de achtergrond opererende figuren, komt ter sprake. Ook de vaderlandse politiek blijkt innig verweven met de Indische cultuur en het is smullen geblazen voor wie van roddels en weetjes houdt. Speels knoopt Lizzy van Leeuwen bekende en onbekende, soms ronduit hilarische feiten aan elkaar. Ze biedt de lezer een bonte kijk op het Indische leven, dat, zo blijkt, eigenlijk nooit een kwestie is geweest van onderonsjes onder Indo’s. Wat dat aangaat is haar invalshoek bijna revolutionair te noemen. Zelfs de opvatting, dat ‘Indo’s een probleem hebben’, weet ze met flair terug te kaatsten naar de bedenkers ervan. De worsteling met de naoorlogse overkomst van scheepsladingen vol Indische mensen met Nederlandse achternamen is niet aan boord van die schepen ontstaan, maar achter onze dijken en duinen. Vanzelfsprekend is de conclusie dat het niet alleen een boek is voor Indische mensen maar ook, of misschien wel juist voor Hollanders, ofwel autochtonen. Welke Hollanders dan? Wat te denken van geschiedenisleraren, ambtenaren, schrijvers, journalisten en webloggers. Als die de Nederlandse geschiedenis in een groter kader leren zien en niet angstvallig in een hoekje blijven zitten, dan kan Nederland zich, bevrijd van allerlei taboes, met al zijn ervaring eens met flair in het internationale culturele debat mengen.

© 2008 Alfred Birney. Verscheen eerder in de boekenbijlage van het Algemeen Dagblad op zaterdag 11 oktober 2008 onder de titel: De Indische literatuur achter de dijken. Antropologe Lizzy van Leeuwen zet in “Ons Indisch erfgoed” de Indische geschiedenis van Nederland op zijn kop.

VOC-viering (3)

logo alfred birney Radio 1 wenste afgelopen woensdag een kritische stem in verband met de VOC-viering. Zit ik in het afgesproken café mijn zoveelste cappuccino naar binnen te werken, belt die journalist van Radio 1 om me te zeggen dat een zeker heerschap hetende Hessing, zijnde voorzitter van het Nationale Comité VOC, gaarne zijn wervende stem wil laten horen rond zijn VOC-feestje. Waarmee hij effe mijn zendtijd rond 3 uur in de middag jat. Ik laat de journalist knarsetandend weten dat-ie mij alleen nog telefonisch kan interviewen, aangezien ik vandaag de omgeving van het Binnenhof boycot. Wat blijkt? Komt die Hessing niet opdagen en moet de journalist uit armoe er een anonieme voorbijganger interviewen. Voor ik mijn stem per telefoon over de radio laat eh… schallen, zit ik verplicht televisie te kijken naar het openingsritueeltje van dat VOC-feessie. Een Batavier achter de gamelan! Wah! En dan dat onbenullig heerschap van Hessing die mijn zendtijd heeft gesaboteerd en zijn jokers een act laat opvoeren rond kruidnagelen, mout, bespuugde zeilen en zo meer. Maar ik word beloond met een schitterende toespraak van de Indonesische minister van Economische Zaken, die op persoonlijke titel met kritische noten rond de VOC de mondhoeken der aanwezige hoogwaardigheidsbekleders eventjes omlaag lult. Waarna Hessing de boel schaamteloos afsluit met de oproep aan de aanwezigen om nu maar flink achter de coulissen te gaan netwerken! Ook zonder Indonesië leidt neokoloniaal denken wel tot de gewenste mondialisering, bedoelt meneer te zeggen met dat reusachtig VOC-bord voor zijn kop.

Haagsche Courant, vrijdag 22 maart 2002

VOC-viering (2)

logo alfred birney De VOC dankte haar welvaart voor een groot deel aan de Chinezen. Zij waren betrokken bij de opbouw van Batavia en de ontginning van de zogenoemde Ommelanden en beschikten over de beste handelscontacten. Het Hollandse gezag probeerde immigratie van Chinezen af te remmen door koelies rechteloos voor Chinese ondernemers te laten werken, zoals men hier thans illegalen door tuinders laat gebruiken. Toen rond 1720 de suikermarkt inzakte door concurrentie van Brazilië gingen vele Chinezen failliet en werden talloze koelies werkloos. In 1740 kondigde het Hollandse gezag de deportatie af van alle koelies uit de Ommelanden naar Hollandse vestigingen buiten Java. Geruchten deden de ronde dat de koelies onderweg in zee zouden worden gedumpt en zo kwam het dat de Chinezen in opstand kwamen. Grote bendes trokken moordend en plunderend door de Ommelanden en het kwam zelfs tot een stormloop op Batavia. De Hollanders vreesden dat de Chinezen uit Batavia zouden gaan samenwerken met die uit de Ommelanden. Een massale huiszoeking bij de Chinezen in de stad mondde uit in een ongehoorde slachting, waarbij het Hollandse gezag premies uitloofde voor elk afgehakt Chinees hoofd. In drie dagen tijd werden ‘met Gods hulp’ vijf- tot tienduizend Chinezen afgemaakt. Het Hollandse gezag vond het toen wel genoeg en herstelde de rust. Chinezen mochten voortaan alleen nog in speciale wijken wonen. In Batavia, het huidige Jakarta, werd dat Glodok, waar nog altijd veel Chinezen wonen. Er kleeft bloed aan de wijnglazen op het Binnenhof. Benieuwd hoe ze er vandaag de afwas gaan doen.

Haagsche Courant, woensdag 20 maart 2002

VOC-viering (1)

logo alfred birney Nog twee nachtjes slapen en dan barst het VOC-feest los. Op 20 maart is het 400 jaar geleden dat die boevenclub werd opgericht. De reden van de viering moet gezocht worden in de ijdele wens van Nederland om mondiaal als de eerste multinational te worden beschouwd. Indonesië is niet blij met het feest, want de Hollanders en Zeeuwen hebben er indertijd flink huisgehouden. Overbekend is het uitmoorden en ontvolken van de Banda-eilanden op gezag van Jan Pieterszoon Coen, die het niet kon verkroppen dat de Bandanezen zich niet aan de handelswetten van de ‘Kompenie’ wilden houden. Terwijl men hier in de Ridderzaal de oprichting van de VOC zal ‘herdenken’, zal in Jakarta worden gedemonstreerd tegen de ‘glorifikasi’ van de VOC door een uit vele organisaties samengesteld comité. Bij de Nederlandse ambassade zullen drie eisen worden gedeponeerd: 1. Excuses aan het Indonesische volk wegens schending van de mensenrechten; 2. Kwijtschelding van alle schuld van de Republiek Indonesia aan Nederland; 3. Compensatie voor de rijkdommen die Nederland eeuwenlang ten koste van Indonesië heeft verworven. Tja, noem het een symbolische eis. Helemaal achterlijk zijn ze hier ook weer niet, gezien het feit dat na herhaaldelijke protesten uit Indische en Molukse hoek het woordje ‘viering’ is veranderd in ‘herdenking’. Te laat voor de Indonesische ambassadeur. Hij heeft ervoor bedankt bij een kranslegging aanwezig te zijn. Een stelliger afwijzing is nauwelijks denkbaar. Nederlanders zijn daar toevallig ongevoelig voor. Smakeloze rijsttafels worden ook wel genuttigd.

Haagsche Courant, maandag 18 maart 2002

Hoezo viering?

logo alfred birney De ophanden zijnde viering van 400 jaar Verenigde Oostindische Compagnie is vooral bij Molukkers niet juichend ontvangen. Hoezo? Eén historisch voorbeeld spreekt al boekdelen. De VOC was een club die handel dreef in de Oost en daar te maken kreeg met concurrerende Portugezen, Spanjaarden, Chinezen, allerlei Oosterlingen en Engelsen. De beroemdste gezagdrager van de club was Jan Pieterszoon Coen, een rigide persoon die de alleenheerschappij wenste over de Molukken. Zijn voorganger Laurens Reael sprak wijs dat een exclusief monopolie uit den boze was ‘want daermede neemt men die mensen het broot uyt den mont’. Coen vond Reael maar een softie. De Bandanezen waren immers zo ‘onbetrouwbaar’ om hun waren, meest kruidnagelen, aan de hoogst biedende te verkopen. Coen zou die ‘vijanden van de christenen’ eens een lesje leren en liet 15.000 mensen vermoorden dan wel verhongeren of van de eilanden verdrijven. Gezellige jongen, die J.P. Coen. Wordt nog altijd geëerd met een zooi straatnamen in gans Nederland. Heeft-ie ook wel verdiend door 44 plaatselijke hoofden in een schijnproces ter dood te laten veroordelen en onthoofden. Door Japanse huursoldaten, voor schone handen. Ziehier het begin van een lange en bloedige oorlog die de Nederlanders op de Molukken zouden gaan voeren. Het is onder meer daarom dat de Molukkers zich afvragen of een viering wel zo gepast is. Je kunt ook kiezen voor zoiets als herdenken of gedenken. Nederlanders hebben hun geschiedenis. Molukkers ook. Ze hebben sámen een geschiedenis. Maar ja, de camera staat zoals gewoonlijk weer op een Hollands schip te snorren.

Haagsche Courant, vrijdag 1 februari 2002

Van schildpadden, vissen en vogels

Bij nader inzien is op een balkon voor je uit zitten dromen misschien toch niet mijn liefste bezigheid of ledigheid. Zet me op een boot en ik ben gelukkig. Zo gingen ze vroeger ook naar Indië. Vast en zeker erfelijk meegekregen.
     
Alle congresgangers en studenten hebben zich verzameld aan de rede van Marina Ancol. Het weer is schitterend, na een paar regenachtige dagen. Er liggen twee boten, een grote en een kleine. Waar de loopplanken zich splitsen, staat een man, aan wiens voorkomen ik direct zie dat hij een Indo pur sang is.
     
Ik wil de loopplank op die naar de grote boot leidt, maar de oude Indo houdt me tegen.
     
‘Meneer, die boot is voor de studenten.’
     
‘Ja, daar wil ik juist bij.’
     
‘Voor de gasten hebben we een aparte boot, meneer.’
     
‘Ja, maar daar wil ik niet in.’
     
De oude Indo maakt een spijtig gebaar. Dan krijg ik hulp van een paar vriendjes: de secretaris van de ambassadeur en de bebaarde boekhouder van de Indische Letteren.
     
‘Ook wij zitten liever tussen de studenten, meneer!’
     
‘Is dat uw wens, heren?’
     
‘Jazeker.’
     
‘Geaccepteerd. Gaat uw gang.’
     
Terwijl applaus voor onze actie van boord klinkt, waar de studenten waarschijnlijk al een uur op vertrek zitten te wachten, flikkeren wij drietjes bijna de gammele loopplank af, het water in.

Varen. Ben je blij, dan is het mooi op de boeg. Varen. Ben je droevig, dan is het mooi op het achterplecht.
     
Aan boord is het een schoolreisje. De secretaris, de boekhouder en de schrijver gaan om de haverklap op de foto met een stel studenten.
     
De boottocht gaat naar Pulau Onrust, waar in vervlogen tijden gehavende VOC-schepen werden hersteld. We blijven er niet lang, misschien een half uur, het is er heet, we gaan weer aan boord en varen door, langs Pulau Kelor (voorheen Kerkof, zonder h) naar Pulau Bidadari (voorheen Purmerend). Geen idee waarom we het eiland met het kerkhof overslaan. Misschien is de zondag geen goede dag om er voet aan wal te zetten, ik weet het niet.
     
Rond het hete middaguur komen we aan op Pulau Bidadari. Er staan, zoals in jaren zestig in Nederland, glazen ranja klaar. Ik voel me een jochie en ik verdenk de secretaris en de boekhouder ervan zich ook zo te voelen.
     
Ik krijg gezelschap van een studente met de naam Nane. Ze viel me al op onderweg, omdat ze een boek zat te lezen. Het is zeldzaam om iemand in het openbaar een boek te zien lezen in Indonesië, zelfs onder studenten.
     
Ze heet eigenlijk Anneke, zoals mijn moeder. Op mijn vraag waarom ze een Nederlandse voornaam heeft, antwoordt ze dat haar grootvader een Nederlander was.
     
‘O, en wat was hij, die grootvader, wat deed hij?’
     
‘Ik weet niet. Iets bij KNIL.’
     
‘Officier bij het KNIL?’
     
‘Mijn familie vertelt niet veel over hem.’
     
‘Hm, komt wel meer voor,’ mompel ik.
     
‘Wat zegt u, meneer?’
     
‘Ik bedoel: onder Indo’s in Nederland wordt ook vaak gezwegen over voorouders.’
     
‘Waarom, meneer?’
     
Lastige vraag. Moet je het hele Indoschap gaan verklaren, wat al een klus is wanneer je, zeg, een Nederlandicus voor je hebt.
     
‘Waarom wordt bij jou thuis gezwegen over jouw grootvader, Nane?’
     
‘Dat weet ik niet.’
     
‘Ik weet het dus ook niet. Ik weet alleen dat er vaak wordt gezwegen over voorouders.’
     
‘Waarom, meneer?’
     
‘Hm. Nou, het is dan vaak zo, dat er kinderen kwamen zonder dat de ouders met elkaar waren getrouwd.’
     
‘Ah, ik begrijp het. Dus misschien waren mijn grootvader en grootmoeder niet met elkaar getrouwd?’
     
‘Misschien.’
     
‘Is dat erg?’
     
‘Ik vind van niet. Jij?’
     
‘No problem.’
     
‘Maar als jouw grootvader een Nederlander was, dan is jouw moeder eigenlijk een Indo.’
     
‘Nee, zij is geen Indo.’
     
Hier maak ik een fout. Herstel: ‘Als jouw grootvader met zijn vrouw was getrouwd, dan had jouw moeder zijn naam gedragen. En dan was zij een Indo geweest.’
     
‘Ja. En dan ik een Indokind.’
     
‘Ja, zo zit het.’
     
‘Veel van mijn vrienden en vriendinnen hebben Nederlandse voorouders. Maar die kennen zij niet.’
     
Ik doe er het zwijgen toe. Want ze herinnert me aan de geschiedenis van de Indo en meer dan ooit besef ik dat een Indo niets anders was dan een Euraziaat die toevallig door zijn of haar vader is erkend. Een halfbloed, zoals dat toen heette, met de status van een Europeaan. Een bevoorrecht wezen, voor een poos.
     
Het meisje dat naast me loopt door de tuinen van Bidadari, is evenveel Indo dan ik, als je de bloedband bekijkt. Je moet hier in Indonesië alleen niet de fout maken de Indo als een gemengdbloedig persoon te zien. Want dan kun je meer dan tien procent van Java als Indo bestempelen.
     
Het is ingewikkeld, ook door wat Jugiarie zei. Voor mij. Niet voor Nane. Zij is Indonesisch, met ook nog Chinees bloed in zich, net als ik. Waar komt het op aan? Op een dak boven je hoofd, te eten hebben, en de rest is luxe. Ik kom uit een rijk land, waar het leven koud is. Nane komt uit een arm land, waar het leven warm is. Ik denk dat het goed leven is in Indonesië. Zij denkt dat het goed leven is in Nederland.
     
Ik heb er geen zin in over deze dingen van gedachten te wisselen. Wil ze niet gaan pootjebaden? Hm. Ik trek mijn sandalen uit, stroop mijn broekspijpen op en wandel de zee in. Zij doet hetzelfde. Ik heb iemand beloofd om schelpen te zoeken, mocht ik ergens op een strand terechtkomen.
     
Nane heeft een scherp oog voor de mooiste schelpen. Ik vind er nauwelijks een die het aanzien waard is. Maar ze geeft me al die schelpen mee, een beetje lacherig, het heeft iets belachelijks voor haar om schelpen te zoeken en die mee te nemen naar Nederland.
     
Ze wijst me op een inktvis die ligt te slapen. Ze maakt een prikkende beweging naar het dier en het schiet weg. Dan ziet ze kleine visjes zwemmen en probeert die met de hand te vangen.

Ik ga zitten op de aanlegsteiger en drink van mijn fles aqua. Nane heeft een visje gevangen, ik houd de fles omhoog. Ze rent naar me toe en stopt het visje in de fles. Mineraalwater is niks voor een zeevisje. Ik vul de fles snel met zeewater, maar het is al te laat: het visje is stervende.
     
Nane krijgt hulp van Johnny, de gitarist die de meisjes op het podium en op de veranda begeleidde. Samen vangen ze een kleine zwarte vis met snorharen, zo te zien een meervalachtige.
     
Nou had ik gedacht met mijn catfish dinner in Iowa afscheid van die vis te hebben genomen en zit ik alsnog een besnord visje in een plastic fles gade te slaan. Johnny vangt er nog eentje en nu hebben we een stel van die kleine gitzwarte meervalachtige visjes.
     
Nane wil de visjes niet teruggooien in het water, ook niet het halfdode. Ze neemt de fles mee en zet die op een tafeltje waaromheen ik met haar en een paar andere studentes ga zitten.
     
We proberen te spreken over literatuur. De schrijver heet Kahlil Gibran, van wie Nane een boek leest. Libanees schrijver, mateloos populair onder jongeren in Indonesië. Waar schrijft hij over? Over de liefde.

Ik laat de studenten alleen, dwaal wat over het eiland. In de verte staan huizen op palen. Ik loop erheen en krijg gezelschap van een paar jongens die dagelijks de campus in Depok bewaken. Ze vertellen me dat het vakantiehuisjes zijn. Met een van hen loop ik een eindje de plankiers op om de vakantiehuisjes te bekijken.
     
Wanneer ik me omdraai, zie ik boven een groepje hoge bomen zwarte vogels vliegen. Geen raven, ze zijn veel groter, bijna arenden. De jongen vertelt me hoe ze heten, ik vergeet het, ik denk alleen terug aan 12 jaar geleden, toen ik een raaf zag vliegen boven het graf van mijn grootmoeder.
     
Ik loop terug naar de centrale uitspanning. Daar ontdek ik een klein bassin waarin twee enorme schildpadden zwemmen. Jonge schildpadjes zwemmen in een provisorische quarantainebak met een bodem van horrengaas.
     
Een van de reuzenschildpadden probeert aldoor bij de jongen te komen, nadert de quarantainebak van onderen en geeft het dan een zetje. Er is een ogenblik waarop ik beide reuzenschildpadden samen zie.
     
Nane, die bij me is komen staan, wil ze ook samen zien. We zien ze een voor een bovenkomen, met de kop half boven water ademhalen en dan weer ondergaan. Nane zal ze niet samen te zien krijgen. Ook niet de andere meisjes die nieuwsgierig een kijkje komen nemen.
     
‘Misschien krijg je ze samen te zien als je die twee zwarte visjes teruggeeft aan de zee,’ zeg ik tegen Nane.
     
Nee, die wil ze meenemen naar huis.
     
Ik zeg dat ze daar dood zullen gaan.
     
‘Er is genoeg vis in de zee,’ zegt ze droog.

We lunchen met bord op schoot. Ik kijk naar de handen van de studenten om me heen, naar hoe ze hun lepel beroeren bij het eten van de rijst, de tahoe en de kip. Ze hebben die Indische manier van eetbestek hanteren: de lepel is zowel een stuk eetgerei, waarmee ze lijken te spelen, als een verlengstuk van hun fraaie tanige vingers.
     
Na de lunch zoek ik de heren op aan een tafel onder een grote overkapping. Gerard T., Jaap Harskamp en vooral Olf Praamstra willen alles weten over die dekselse Birnies. Wanneer ik begin over mijn grootvader, de enfant terrible in de familie, geef ik ze een ander beeld dan het bekende dat ze hebben van die plantersfamilie uit Oost-Java. Al vertellende begin ik me onderhand af te vragen hoeveel kinderen die man eigenlijk op Java heeft achtergelaten.
     
Misschien zit er ergens een nichtje van me tussen de studenten en sta ik samen met haar op een foto te wachten op kura-kura timbul: het ogenblik dat de reuzenschildpad zijn teug van de buitenlucht komt nemen en dan weer kopje onder gaat in zijn lange, dromerige leven.

* * *

Het Yournael van Cyberney werd in april 2000 onder aanvoering van Alfred Birney gelanceerd en verscheen wekelijks tot aan de boekenweek in maart 2001. Ruim 60 afleverigen van Cyberney (Alfred Birney), Frans Lopulalan, Joyce Bloem, Maureen Birney, Widjajanti Dharmowijono, Guno Jones, Esther Captain en Anyes lieten zien dat er nog veel onbesproken was en is in de Nederlandse taal, juist door hen die een mengcultuur in zich dragen. Het Yournael van Cyberney & Co bracht artikelen en verhalen rond literatuur, kunst, cultuur, fotografie, emancipatie en uitgeverspolitiek in het labyrint van mengculturen in binnen- en buitenland. De bijdragen van Alfred Birney verschenen bewerkt en gebundeld met ander proza in een eenmalige uitgave als alternatief boekenweekgeschenk en tegelijk als feestbundel ter ere van het 25-jarig jubileum van Uitgeverij In de Knipscheer. Bestel het boek hier!