Nieuwe Indo’s in Depok, kikkers en leguanen

In verband met een ophanden zijnde excursie wordt de laatste conferentiedag geopend met een lezing over VOC-grafzerken in Jakarta. De Kepala Program Studi, het Indonesische studiehoofd die de lezing verzorgt, spreekt zoals ik dat vroeger aardige oudere Indo’s hoorde doen: zachtjes, met veel ja’s ertussen. Ik luister niet naar wat hij zegt, ik hoor alleen de muziek van zijn Nederlands.
     
Een heel ander geluid komt van een meneer die al 30 jaar in Londen woont. Een rijzige man, die zijn Nederlands op een Britse manier ten gehore brengt: met de handen uiteen op de katheder, de schouders naar achteren, spreekt hij monter de zaal toe. Geen lezing, nee, hij komt gewoon 20 minuten reclame maken voor de Britisch Library. Laat een ordner de zaal rondgaan met een overzicht van boeken, manuscripten en particuliere handschriften, die alle gaan over het Nederlands-Indonesisch conflict, dat dus nog altijd geen oorlog genoemd wordt.
     
De man, Jacob Harskamp, beweert dat zijn afdeling van de deftige bibliotheek nú al kan wedijveren met de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag en dat naar zijn verwachting de collectie van de Britisch Library die van de KB in de toekomst waarschijnlijk zelfs zal overtreffen! Komt u dus allen naar Londen wanneer u zich stort op die dramatische periode die leidde tot de onafhankelijkheid van Indonesië en het deficit van Nederland als wereldnatie.
     
Even testen in de koffiepauze: ‘Meneer Harskamp, mijn naam is Alfred Birney, en ik heb twee boeken geschreven die bij u op de plank thuishoren. Vogels rond een vrouw en De onschuld van een vis. Geeft u mij uw kaartje, dan laat ik ze u toesturen.’
     
‘Hoeft niet, die hebben we al. Maar eh… gesigneerde exemplaren voor in mijn privé-boekenkast zijn natuurlijk altijd welkom,’ zegt de Amsterdamse Londenaar breeduit grijnzend.

Tijd voor woede. Iemand genaamd Jugiarie Soegiarto, voor wie alle studenten een beetje bang schijnen te zijn, komt haar gal spuwen over het medium film, in het bijzonder de hantering van de camera vanuit Nederlands gezichtspunt. Hoe tal van vooroordelen en stereotyperingen in oude filmbeelden worden onderstreept, eenvoudig door de keuze van de cameramensen, de hand van de regisseur en door simpele censuur. Ze noemt een hele rits filmmakers, allen Nederlanders, en daartussen zit één Indo.
     
Wanneer ik Jugiarie in de lunchpauze vraag of de filmbeelden van die ene Indo misschien afweken van die van zijn totokcollega’s, krijg ik een ontwijkend antwoord. Misschien omdat ze mijn vraag niet positief kan bevestigen en zij tenslotte tegen een Indo-Belanda zit te praten.
     
‘Over Indo’s gesproken,’ zegt Jugiarie. ‘Weet je dat hier in Depok een hele wijk vol zit met mensen die zich Indo noemen? Terwijl er helemaal geen Indo tussen zit! Ze geven hun kinderen Hollandse voornamen zonder dat ze Nederlandse voorouders in de familie hebben. Dat doen ze alleen omdat ze in Depok wonen! Je weet: Depok was vroeger een Hollandse kolonie, waar veel Indo’s zaten. Nou, die lui die daar tegenwoordig wonen die noemen zich alleen daarom al Indo, terwijl ze net zo donker zijn als ik!’
     
‘Ik ben ook zo donker als jij.’
     
‘Ja, maar jij komt uit Nederland, jij hebt een Nederlandse moeder.’
     
‘Dus de kleur telt niet.’
     
‘Hier in Indonesië wel. Kijk maar naar de televisie. Acteurs, in films, in televisiereclames, presentatoren – het zijn allemaal Indo’s. Ze zijn allemaal licht van huidskleur.’
     
‘Is dat voldoende om Indo te zijn tegenwoordig?’
     
‘Wij noemen dat Indo. Het heeft feitelijk niets meer te maken met afkomst. Maar ze voelen zich wél meer dan de Indonesiër.’
     
‘Net als vroeger dus?’
     
‘Ja, net als vroeger. Ze gedragen zich net als Indo’s in de koloniale tijd. Je moet die meisjes uit die wijk horen in de bus. Zitten altijd bij elkaar en ze gooien expres Nederlandse woorden door hun Indonesisch, om te laten zien dat zij ánders zijn dan wij.’
     
‘Een soort omgekeerd petjôh dus?’
     
‘Zo zou je het kunnen noemen. Zoals jullie nu en dan wat Maleis door jullie Nederlands doen, zo doen zij nu en dan wat Nederlands door hun Bahasa.’
     
‘Maar aan wie spiegelen zij zich dan?’
     
‘Aan de Indo van vroeger. Ze hebben hier hun eigen kerk. Ze gaan bij elkaar op bezoek. Ze proberen iets in stand te houden dat er niet meer is.’
     
‘Een subcultuur in stand houden. Is dat erg?’
     
‘Het is aanstellerij.’

kampus depok indonesia

Het hoofd Culturele Zaken van de ambassade geeft die avond, wanneer de conferentie ten einde is, een cocktail buffet bij haar thuis in de wijk Kemang. Op de uitnodiging staat mijn achternaam in de oude spelling geschreven: Birnie. Misschien heeft het hoofd Culturele Zaken dat opzettelijk gedaan omdat ik haar naam op de dinnerparty ten huize van de ambassadeur even was vergeten. Of omdat ze onnadenkend vasthoudt aan de originele familienaam. Ik zelf schrijf namen niet zo snel fout, ben weer reuzegoed in het vergeten van namen, maar niet van gezichten, personen, wat zij zeggen, doen. En daarom schrijf ik, dames en heren.
     
Het eten dat de gastvrouw laat serveren is Europees. Dat is weer eens wat anders dan dat eentonige Indonesische eten in het hotel, al is het behoorlijk van kwaliteit. Onze gastvrouw heeft pasta laten maken, salades, en er ligt brood. De Indonesische bedienden zijn onzichtbaar, net als in de ambassadeurswoning en net als in het leeuwendeel van de koloniale letteren.
Ik raak in gesprek met Olf P., niet over zijn lezing maar over de Birnies in verband met zijn proefschrift over Busken Huet. Ik begin zijn droge humor te leren kennen.
     
Hij vraagt me of ik al op het Ijen Plateau ben geweest, dat door de oudste broer van mijn grootvader in cultuur is gebracht, en ik zeg nee. Hij legt me uit hoe je er het beste heen naar toe kunt gaan, waar je kunt slapen in een oud koloniaal hotel eer je omhooggaat enzovoort. Hij heeft de plek bezocht, met vrouw en kinderen.
     
Er komt iemand aanwaaien wiens houding lichtelijk anders is dan die van de overige gasten, die over het algemeen enige eruditie uitstralen. Ik raak met de jongeman in gesprek en hij blijkt een restaurateur te zijn. Hij is net aangekomen, heeft heerlijk geslapen in het vliegtuig omdat hij voor het eerst sinds een half jaar een nacht had zonder een baby aan zijn zijde. Hij is gekomen om onderzoek te plegen naar de toestand van allerlei cultureel erfgoed in diverse musea in Indonesië. Hij glundert wanneer hij zegt dat hij, en hij alleen, alles mag aanraken dat achter vitrines ligt: batik, wajangpoppen, beelden, noem maar op.
     
Ik loop met hem de tuin in om het zwembad van de gastvrouw te bewonderen. Het bad is omgeven met een schitterende flora, bijna surrealistisch zo midden in de helse stad Jakarta. Er zwemt een kikker in.
     
Op het gazon, ergens in een rustige hoek, zit de secretaris van de ambassadeur met enkele vrienden. Ik stel de restaurateur aan hem voor, want ik moet ertussenuit kunnen knijpen. Gerard T. is nog altijd ziek, hij zal goed moeten slapen omdat ons morgen een excursie wacht naar twee van de 1000 eilanden voor de kust van Jakarta. Onder het mom ‘samen uit, samen thuis’ blijf ik stand-by voor als hij een taxi laat komen.
     
De secretaris zegt dat hij nog geen kikker in zijn zwembad heeft gehad. Dat het waarschijnlijk geen kikker is geweest die ik zag, maar een pad. Hij vertelt dat hij ook nog nooit een tokèh heeft gehoord. Wel heeft zijn vrouw bij het weghalen van ongerechtigheden in haar gazon bijna eens per ongeluk de staart van een leguaan afgeknipt. Het beest joeg haar de stuipen op het lijf, maar inmiddels zijn ze nu wel gewend aan leguanen in de tuin.
     
‘We hebben allemaal een zwembad in de tuin,’ zegt de secretaris. ‘Anders is het hier niet uit te houden in Jakarta.’
     
Kan ik me voorstellen, al klinkt het oneerlijk. Hoe houden die miljoenen arme mensen het uit in hun minuscule krotten langs de autowegen? Kunnen die armelui houden van mensen die het hier in hun stadsvilla’s zo goed hebben? Er liggen evacuatieplannen klaar, voor als er weer ernstige rellen uitbreken en de volkswoede zich richt op blanken en Chinezen.
     
De secretaris maakt zich zorgen. Aanstonds zal een grote mate van zelfbestuur worden ingevoerd in Indonesië. Hij is bang dat allerlei patsers dictatortje zullen gaan spelen in hun ‘eigen gebiedjes’. Hij zegt het zonder dédain, hij meent het.
     
Elke discussie die je aangaat naar aanleiding van dit soort toestanden leidt tot het uitroepen van de democratie als ideale staatsvorm. De democratie is wellicht de intelligentste staatsvorm die er bestaat. Ook in een democratie heerst macht, een sterkere dan in welke dictatuur dan ook. Het is een geleide macht die zichzelf reproduceert zonder dat de machthebbers daar erg in hebben. Men vermoordt anderen zonder er weet van te hebben.

* * *

Het Yournael van Cyberney werd in april 2000 onder aanvoering van Alfred Birney gelanceerd en verscheen wekelijks tot aan de boekenweek in maart 2001. Ruim 60 afleverigen van Cyberney (Alfred Birney), Frans Lopulalan, Joyce Bloem, Maureen Birney, Widjajanti Dharmowijono, Guno Jones, Esther Captain en Anyes lieten zien dat er nog veel onbesproken was en is in de Nederlandse taal, juist door hen die een mengcultuur in zich dragen. Het Yournael van Cyberney & Co bracht artikelen en verhalen rond literatuur, kunst, cultuur, fotografie, emancipatie en uitgeverspolitiek in het labyrint van mengculturen in binnen- en buitenland. De bijdragen van Alfred Birney verschenen bewerkt en gebundeld met ander proza in een eenmalige uitgave als alternatief boekenweekgeschenk en tegelijk als feestbundel ter ere van het 25-jarig jubileum van Uitgeverij In de Knipscheer. Bestel het boek hier!

De boekhouders van de Indische letteren (7) – Uit het ghetto met Jacqueline Bel

Na de bijdragen van haar collega’s is het een verademing om die van Jacqueline Bel te lezen. Er is geen zin die je drie keer terug moet lezen en Bel blijft als enige van het boekhoudersgezelschap het dichtste bij het thema: de afbakening. Waar haar collega’s alinea’s menen te moeten vullen over de complexiteit van de materie, daar ramt Bel maar vast een stevige openingszin uit haar schrijfmachine: Wie een definitie wil geven van Indisch-Nederlandse literatuur komt gegarandeerd in de problemen. Dat klinkt helder en onthoudbaar. Haar bijdrage heet Indische letteren en het ghetto van de Nederlandse literatuur. Een betere titel vind je niet boven de andere bijdragen, al had ik in plaats van ghetto liever kampong zien staan.

Jacqueline Bel onderschrijft zonder omhaal het grote probleem in de verhouding tussen de Indische letteren en de Nederlandse literatuur. De toko van de Indische letteren ligt voor een habbekrats aan maandhuur in het ghetto, een achterafstraatje zonder uitzicht op de Amsterdamse grachten, terwijl het Nederlands Literaire Bastion een nieuwe locatie neemt met uitzicht op het IJ. Is dat erg? Ja, want zolang de Indische letteren in de marge blijft sukkelen, zal er van opname in de canon van de Nederlandse letteren geen sprake zijn. Dat althans schemert door in het betoog van Bel en daarmee is zij de enige van de hele ploeg die het belang onderkent van duidelijke stellingnames. Want alleen die vestigen de aandacht van de grootboekhouders. Om gekruidenier wordt toch gewoon gelachen, zelfs in Nederland.

Zonder de naam van Olf Praamstra te noemen, merkt Bel op dat de purist die alle Indische literatuur voor 1800 en na 1945 buiten beschouwing laat de boel te veel inperkt. En wie de pre- en postkoloniale perioden er wel bij betrekt, vervolgt Bel, lijkt weer anachronistisch bezig. Bert Paasman zou dus anachronistisch bezig zijn? Hier laat Bel de lezer voorlopig even raden naar haar bedoelingen, door te schrijven dat het zo lijkt.

Ze onderkent dat definities noodzakelijk zijn voor de algemene discussie maar dat te strakke definities ‘ghettovorming’ bevorderen. Een tolerante omschrijving van het begrip Indisch-Nederlandse literatuur lijkt haar het meest houdbaar. Dat hebben we vaker gehoord en hiermee wijkt ze nauwelijks af van de anderen, minus einzelgänger Praamstra. Bel memoreert nog maar even dat de Indische literatuur niet in de Nederlandse literatuurgeschiedenis terecht is gekomen en geeft als voorbeelden de grote handboeken van Knuvelder en Anbeek. Het is maar dat u het weet, ja. Ik meen me te herinneren dat Anbeek zelfs Hella Haasse uit zijn boek heeft gelaten, nou als de grote lieveling van het totokpubliek er al niet in staat, dan kan de rest het ook wel vergeten.

Bel brengt de weg in kaart die de Indische literatuur een eigen geschiedenis heeft gegeven. Die begint bij Broms Java in onze kunst (1931) en ontwikkelt zich via Du perron verder naar Rob Nieuwenhuys’ Oost-Indische Spiegel. Brom beoogde met dat boek trouwens geen literatuurgeschiedenis, Du Perron leefde te kort om zich er verder nog tegenaan te bemoeien en Nieuwenhuys had zijn boek eigenlijk helemaal niet als standaardwerk bedoeld, maar goed, Bel laat zien dat Nieuwenhuys niet zomaar uit de lucht is komen vallen. Het tijdschrift Indische Letteren is nu het voorlopige eindpunt, als we Beekman even vergeten.

Bel merkt ook nog fijntjes op dat de Indische literatuur weliswaar een marginaal imago heeft, maar dat zonder deze tak veel Indische boeken gewoonweg buiten beschouwing zou zijn gebleven en geheel zouden zijn vergeten. Hier raakt zij aan de botsing tussen de literaire opvattingen in de Indische toko en het Hollandse bastion. Alles bijeengenomen kun je rustig stellen dat de Indische literatuur bestaat door onverschilligheid bij de geleerden die wel even zullen uitmaken wat er onder schone letteren moet worden verstaan en wat niet. En ook dan stuit je op een consensus die leunt op een Hollandse dijk, waar de mist het zicht op de Overzeesche Gebiedsdeelen belemmert.

Net als Siegfried Huigen gaat ook Bel in op Edward Saids interpretaties en neemt als (bekend) voorbeeld Jane Austens Mansfield Park (1814). Het boek gaat over Engelse mensen, speelt zich uitsluitend af in Engeland en níet in de koloniën. Said noemt het boek niettemin koloniaal omdat de rijkdommen van de familie slechts in stand kunnen worden gehouden door de plantages die de familie heeft in de West. Verwijzingen naar die plantages zijn vrijwel niet te vinden in de roman, maar omdat Said juist de invalshoek kiest vanuit die enkele verwijzing die hier en daar opduikt, krijgt deze niet-koloniale roman opeens de classificatie van een koloniale roman.

Contrapuncties kun je in elke tekst zoeken. Boeken van bijvoorbeeld Bordewijk worden door iemand als Henk Maier als Indische roman aangeduid met de leestechniek die Said zoveel wetenschappers voor zich heeft doen winnen. Maar ja, op die manier kun je hele bakken met Nederlandse boeken als Indisch bestempelen. Jacqueline Bel geeft toe dat deze manier van lezen geen praktische bijdrage levert aan de afbakening van de Indische literatuur. Maar… de Indische literatuur kan door deze benadering uit de marginaliteit worden gehaald, zegt ze.

Een nieuwe leeshouding als poort naar de Indische literatuur. Dat lijkt me een utopie, maar de gedachte is interessant, in elk geval optimistisch. Er ademt ook wel een verlangen naar literaire integratie, zeg maar naar zoiets als de Nederlandstalige letteren.

Bel gaat als enige uitvoerig in op de literatuur van de Indische Nederlanders en komt met een opvallende afwijkende definitie op de proppen van wat Indisch-Nederlandse literatuur zou kunnen zijn: literatuur geschreven door Indische mensen. Kijk eens aan, wat een lef. Maar ze stuit al direct op een probleem: wie is Indisch? Want daarover lopen de meningen nogal uiteen, er wordt wat over afgezanikt, is het niet tussen de eerste en tweede en derde generaties, dan toch tussen blanke, lichtbruine en donkerbruine Indo’s. Als je doorgaat met etiketteren, dan blijven er uiteindelijk individuen over. Maar zo werkt dat helaas niet.

Indo’s hebben een ingewikkelde geschiedenis, vervolgt Bel. Zij zijn erfelijk verbonden met zowel de kolonisator als de Indonesiër en vormen dus een groep met een eigen identiteit. Dat op zich zou al een reden kunnen zijn om voor deze groep met een eigen literatuurgeschiedenis te komen, een standpunt dat al eerder door Edy Seriese is geopperd en door Bel wordt geciteerd. Bell zag dit idee ook doorschemeren in mijn bloemlezing Oost-Indische inkt.

Uit een nawoord van Liesbeth Dolk in het themanummer van Indische Letteren blijkt dat Jacqueline Bel het in kaart brengen van een literaire Indo-tak nog niet had geopperd of er kwam al een verontwaardigde reactie uit de zaal. Nou komt er eindelijk eens een wetenschapper met een werkbaar idee aandragen en ze wordt uitgefloten. Tja, dat krijg je als je weigert je te hullen in wetenschappelijke nevelen. Maar, moet Bel geantwoord hebben: een studie van de Indische literatuur vanuit dit perspectief zou een interessante, nieuwe bijdrage kunnen leveren.

Dat dacht ik ook.

Zonder direct persoonlijk stelling te nemen geeft Bell te kennen dat het hele complex teksten van prekoloniaal via koloniaal naar postkoloniaal het beste op zo veel mogelijk manieren moet worden bestudeerd. Hoe strakker de vraagstelling per deelonderzoek, hoe interessanter de resultaten. Een eigen invulling geeft Bel dus niet, ze wekt op de een of andere manier de indruk ietwat orakelend boven de materie te zweven.

Jacqueline Bels bijdrage is wellicht het meest optimistisch. Ze ziet, lijkt het wel, aankomen dat de boel zich gaat opsplitsen. Misschien bedoelt ze dát met haar opmerking dat het een anachronisme lijkt om de prekoloniale en postkoloniale perioden bij de koloniale periode te betrekken. Maar in het opdienen van die perioden zit niets anachronistisch, zeker niet met het nagerecht van de postkoloniale periode, want alleen de huidige Indische generaties die nu nog schrijven houden alles uiteindelijk nog levendig. Wordt er niets meer geschreven door Bloem, Ruebsamen, Van Dis of Lopulalan, om maar enkele schrijvers te noemen die enorm van elkaar verschillen, dan kunnen we wel een mausoleum inrichten voor de Indische letteren.

Door de Indisch-Nederlandse literatuur telkens in een andere context te plaatsen kunnen er telkens andere aspecten van die literatuur belicht worden. Zo blijft ze levend, zal ze niet gemarginaliseerd worden en kan ze niet meer buiten het ‘officiële verhaal’ worden gehouden , aldus Bel, die misschien ook wel beter wil wonen dan in haar ghetto. Opname van desnoods delen uit de Indische literatuur in de canon van de Nederlandse letteren kan broodnodig zijn. Maar misschien worden juist die hele Nederlandse letteren onderhand wel marginaal terwijl de Indische letteren op de multiculturele golven aansluiting vinden op het volgens Huigen zo belangwekkende internationale podium. Welaan, met de leestechniek van Edward Said zouden veel Nederlandse boeken inderdaad als koloniaal kunnen worden aangemerkt en zelfs op die manier aan de vergetelheid kunnen ontsnappen. Je zou bijna gaan denken dat het Nederlandse bastion die Indische toko nog gaat nodig hebben. Te laat natuurlijk, als het Nederlandstalige koopvaardijschip al zinkende is, de Amerikanen de Amsterdamse grachtengordel hebben bezet en de cirkel vanaf de VOC-tijd dan echt is gesloten.

Bron:

Indische letteren en het ghetto van de Nederlandse literatuur. Jacqueline Bel. Indische Letteren, veertiende jrg, nr 2, juni 1999

* * *

alfred birney yournael van cyberney Het Yournael van Cyberney werd in april 2000 onder aanvoering van Alfred Birney gelanceerd en verscheen wekelijks tot aan de boekenweek in maart 2001. Ruim 60 afleverigen van Cyberney (Alfred Birney), Frans Lopulalan, Joyce Bloem, Maureen Birney, Widjajanti Dharmowijono, Guno Jones, Esther Captain en Anyes lieten zien dat er nog veel onbesproken was en is in de Nederlandse taal, juist door hen die een mengcultuur in zich dragen. Het Yournael van Cyberney & Co bracht artikelen en verhalen rond literatuur, kunst, cultuur, fotografie, emancipatie en uitgeverspolitiek in het labyrint van mengculturen in binnen- en buitenland. De bijdragen van Alfred Birney verschenen bewerkt en gebundeld met ander proza in een eenmalige uitgave als alternatief boekenweekgeschenk en tegelijk als feestbundel ter ere van het 25-jarig jubileum van Uitgeverij In de Knipscheer. Bestel het boek hier!

De boekhouders van de Indische letteren (5) – Pasar Buku Pan Zonnepel

Grenzen zijn moeilijk vast te stellen, stelt Peter van Zonneveld vast. Dat doet hij in zijn bijdrage Men weet maar nooit waar de avond eindigt en de nacht begint. Over genres in de literatuur. Er zijn er die er anders over denken, Olf Praamstra bijvoorbeeld. Ook Beekman heeft er geen moeite mee, hoe had hij anders kunnen komen tot het schrijven van zijn Troubled pleasures? Om een dergelijk standaardwerk te kunnen schrijven moet je knopen kunnen doorhakken en bovendien een duidelijk uitgangspunt en richtsnoer hebben.

E.M. Beekman, de Amerikaanse hoogleraar Germaanse talen, richt eenvoudig 16 hoofdgebouwen in voor zijn favoriete auteurs en stopt de rest in bijgebouwen, bijkeuken en hoekjes op de achtergalerij. Verschil mag er zijn. Beekman zegt dat niet hardop. Een apart portret van Kartini moet voor een feministische noot zorgen, anders kan ik zijn keuze voor haar teksten niet verklaren. Hij put zich ook tot vervelends toe uit in het toepassen van literatuurwetenschappelijke theorieën en presenteert vergelijkingen met literaire werken uit de Amerikaanse literatuur waar zelfs de gemiddelde Amerikaanse lezer helemaal geen boodschap aan heeft. Maar zodra hij vertelt over leven en werken van zijn auteurs, schrijft hij bijzonder beeldend en meeslepend.

Peter van Zonneveld heeft Beekman geprezen om zijn werk, al is het maar omdat deze Amerikaan ‘de Indische literatuur een plaats heeft gegeven op de wereldkaart’. Het klinkt een beetje naar het zinnetje ‘wij tellen best wel mee als klein landje in de wereld’, maar goed, Beekmans literatuuroverzicht is heel waardevol naast dat van Nieuwenhuys. Modern bovendien, voor hen die in wetenschappelijk geleuter een bewijs zien dat het hier om literatuur met een grote L gaat. Beekmans boekwerk zou zó naar de Nederlandse Taalunie kunnen, zal ik maar zeggen.

Rob Nieuwenhuys overbodig maken heeft Beekman niet gedaan, en ook niet gewild, getuige zijn hormat aan de nestor door aan hem het boek op te dragen. Waarom zou je ook de vader van de Indische letterkunde ten grave dragen? Per slot van rekening vormt hij de inspiratiebron van vele onderzoekers. Er zijn al geluiden gehoord van mensen die Beekmans voor de Amerikaanse markt bedoelde standaardwerk voor maatgevend zouden willen houden. Uit Indische hoek nota bene. Nogal idioot, je zou er een hoop auteurs door mislopen, op J.J.Th. Boon na de hele rits Indo’s om maar wat te noemen. Anderzijds zijn dergelijke onnozele kreten toch tekenend voor de behoefte aan een nieuw overzicht van de Indische literatuur.

Is die afbakening nou echt nodig? Voor de freak niet. Die vindt de weg wel. Van de gemiddelde lezer kun je echter moeilijk verwachten dat hij of zij eventjes een paar duizend titels leest om een beeld van Indië te kunnen krijgen. Daar heeft die lezer 1) geen tijd voor, 2) geen zin in en 3) de middelen niet voor. Want zie ze maar eens te vinden, die talloze titels van vergeten of marginale werken. Een regelmatig bezoek aan het antiquariaat brengt je al niet veel verder dan bekende namen als Johan Fabricius en P.A. Daum en de pulp die destijds zeer goed verkocht.

Melati van Java is niet moeilijk te vinden, tenzij je haar hele oeuvre bijeen wilt hebben. Het vergt trouwens een enorm uithoudingsvermogen om haar boeken uit te lezen, vanwege de geringe beeldende kracht van haar Indisch huiskamerproza. De gemiddelde prijs van een Melati-boek is een tientje. Voor de boeken van de onterecht vergeten Dé-Lilah worden astronomische bedragen gevraagd: 400 gulden voor haar debuutroman Gecompromitteerd, 800 gulden voor de twee delen van Hans Tangkau’s carrière ( in kopie!) bijvoorbeeld, als je al weet waar je die boeken zoeken moet.

De gemiddelde lezer zou idealiter deze boeken in de openbare bibliotheken moeten kunnen vinden. Die boeken komen daar alleen te liggen als ze aandacht krijgen. Aandacht trek je met een degelijk literatuuroverzicht. Nou, kun je een dergelijk overzicht verwachten van iemand als een wandelende boekenkast genaamd Peter van Zonneveld?

Van Zonneveld is een heel andere figuur dan bijvoorbeeld Beekman met zijn nauwelijks verrassende keuze van schrijvers. Voor Van Zonneveld ligt het aantrekkelijke juist in uitstapjes naar de literaire kampong, waar nog boekjes uit de vuilnishopen zijn te vissen, zo beduimeld dat ze zelfs de boekenkratten op de vlooienmarkt niet meer halen. Voor Van Zonneveld is roman noch verhaal noch toneel als genre toereikend. Daarmee schaart hij zich achter Bert Paasman en Gerard Termorshuizen. Een dergelijke inperking tot die genres volstaat eenvoudig niet voor de onderzoeker, zegt Van Zonneveld. Memoires, dagboeken, brieven, feuilleton, brochure… zelfs het pamflet kan waardevol zijn.

Mee eens, maar dan waar het onderzoek betreft. Nu laat onderzoek zich lastig presenteren buiten de muren van de universiteit.

Overigens merkt Van Zonneveld op dat bij memoires niet valt vast te stellen of de schrijver maar wat verzint of niet. Dat memoires evengoed fictionele aspecten in zich hebben. Voor de beeldvorming of, zo men wil, de representatie van de kolonie, zijn zulke memoires [daarom] van groot belang. Dat L. de Jong in zijn monsterlijk Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog onbekommerd put uit de memoires van Rob Nieuwenhuys, vindt Van Zonneveld opmerkelijk. Omdat, volgens Van Zonneveld, hij (L. de Jong) zich geen rekenschap lijkt te geven van het feit dat hij iemand aan het woord laat voor wie de waarheid niet ligt in de werkelijkheid maar in het verhaal.

Aardig opgemerkt, maar Van Zonneveld dient te weten dat geschiedschrijving ook het vertellen van een verhaal is en dus literatuurgeschiedschrijving ook. Van perspectief vooral. Wat zoekt hij dan? Ook al een soort objectieve waarheid, zoals Termorshuizen wellicht zoekt?

In literatuur speelt de beleving de grootste rol. Je zou kunnen zeggen dat boeken die de sterkste beleving losmaken bij de lezer de waardevolste zijn. Wie leest er nou L. de Jong, om maar even bij dit voorbeeld te blijven? Deze geschiedschrijver telde bij wijze van spreken het aantal bommen en granaten die wel en niet zijn ontploft met zo’n nauwgezetheid dat je bijna zou vergeten dat er mensen door stierven. Dat is dus boekhouden en geen geschiedschrijven.

Strengere eisen stellen bij de afbakening van het gebied, dat moet niet ondergesneeuwd raken door een veelheid aan details waar zelfs de meer dan aandachtige lezer geen boodschap aan heeft. Het onderzoeksgebied moet uiteraard zo ruim mogelijk zijn, al was het maar om de wetenschappers aan het werk te houden, niet? Binnen de afbakening van een corpus is een grenzenloze verruiming onmogelijk, tenzij je wilt afwijken van literatuurgeschiedschrijven en de presentatie van een corpus in een boekpublicatie als passé wilt beschouwen. Maar dat is academisme en de literatuur binnenskamers houden. Schieten we niks mee op. Wij schrijvers laten ons horen en wetenschappers die zich met ons bezighouden dienen zich ook te laten horen en al helemaal als zij vinden dat hun bijbel Oost-Indische Spiegel op de helling moet.

Van Zonneveld bepleit een ruim onderzoeksgebied en geeft als tijdvak de VOC-periode tot en met de postkoloniale tijd, inclusief de Tweede en eventueel Derde Generatie. Waarmee hij Bert Paasman aan zijn kant heeft. Persoonlijke ervaring is géén voorwaarde, zoals Praamstra eist en Paasman met andere woorden suggereert. Men behoeft voor Van Zonneveld niet in Indië te zijn geweest. Zoals gememoreerd is Van Zonneveld zeer ruimhartig als het gaat om genres. Toch wenst hij wel enige restricties te maken. Het moet om Nederlandstalige teksten gaan. Hij onderschrijft wel de waarde van niet-Nederlandstalige boeken, maar tot de Indisch-Nederlandse literatuur horen ze niet. Dat klinkt wat duidelijker dan de woorden van zijn collega Gerard Termorshuizen.

Van Zonneveld herinnert eraan dat met de in 1972 verschenen Oost-Indische Spiegel van Rob Nieuwenhuys feitelijk de Indisch-Nederlandse literatuur voor het eerst is behandeld als een afzonderlijk territorium. Dat die literatuur dus per definitie een eigen karakter heeft. Nieuwenhuys heeft als het ware een nieuwe academische discipline gegrondvest, met een eigen, zij het vooralsnog denkbeeldige leerstoel. De Indisch-Nederlandse letterkunde bestaat bij gratie van de koloniale geschiedenis in de breedste zin van het woord en bestaat daarom ook uit literaire en nonliteraire genres. Peter van Zonneveld lijkt niet van zins de door Nieuwenhuys gegrondveste discipline een eigenzinnige richting te geven. Hoeft ook niet, maar de Oost-Indische Spiegel is al bijna 30 jaar oud en er zijn intussen nieuwe schrijvers bijgekomen, oude schrijvers herontdekt, zoals weer andere schrijvers intussen als waardeloos kunnen worden beschouwd.

Terzijde: of de brief, het dagboek en de memoires überhaupt in de algemene Nederlandse letterkunde nog tot de nonliteraire genres gerekend worden, betwijfel ik. Als ze maar uitstekend geschreven zijn, zo is de mening in het grootboekhoudersgrachtengordelpand in de van Bataviase grachten vergeven hoofdstad van Nederland. Je moet niet raar opkijken als straks opeens de naam van Willem Walraven met zijn epistolaire talenten opduikt in een nieuwe literatuurgeschiedschrijving van de Nederlandse letteren. Indien in Indisch wetenschappelijke kringen de brief, het dagboek en memoires nog altijd twijfelachtige genres vormen, loopt men wel hopeloos achter. Zo’n vervelend stuk heerschap als Bas Veth, ook al zo’n talentvolle knorrepot, zou er volgens mij ingaan als koek bij die grootboekhouders.

Enfin, onze boekhouders van de Indisch Literaire Toko willen alle nuances onderzoeken. Men onderzoekt tot ze een ons wegen. Inmiddels weegt het onderzoeksmateriaal een ton en krijgt het publiek alleen maar boeken van Nederlandse sterren over zich heen, die toevallig in de armen van een baboe hebben gelegen, dan wel kunnen zeggen dat zij in Indië zijn geconcipieerd of als baby onderweg naar patria bijna overboord zijn geslagen door een zwerm vliegende vissen in het licht van een spookachtige volle maan.

Ook de jeugdliteratuur en de populaire literatuur (pulp) hebben in belangrijke mate tot de beeldvorming over Indië bijgedragen; daarom heb ik er in 1992 voor gepleit, ook die genres in de geschiedenis van de Indische literatuur aandacht te geven. Aldus Peter van Zonneveld. Waarop hij de volgende zin laat volgen: Siegfried Huigen wil zelfs alle koloniale teksten in de onderzoek betrekken.

Nou nou, dat gaat me worden. Met de wensen van Gerard Termorshuizen erbij krijgen we dan een eerste editie van DE KOLONIALE LETTEREN VAN EUROPA EN EIGENLIJKE EN ONEIGENLIJKE VROEGERE OVERZEESE GEBIEDSDELEN. Spannend! Nou maar hopen dat mijn familie in Indonesië ergens nog een boodschappenbriefje kan vinden van mijn grootmoeder. Dan kunnen ze ook overwegen om een boodschappenbriefjesgenre toe te voegen aan die toch al zo gevarieerde Indische letterkunde. Mijn grootmoeders taal was een mengeling van Nederlands, Maleis en Chinees, een soort petjôh tjina. Het wordt dan zoeken naar boodschappenbriefjes in het Maleis, het Nederlands, het Duits, het Armeens etc. om te zien of er nog nuanceringen kunnen worden aangebracht in hoe de pasar er in de ogen van diverse Europese stammen uitzag.

Maar nee, zó ver wil Van Zonneveld niet gaan. Dan zou er, om met Praamstra te spreken, van literatuurgeschiedenis geen sprake meer zijn. Maar Praamstra neigt volgens Van Zonneveld weer te ver de andere kant op: zolang het een roman, verhaal of toneelstuk is, is het goed. Een nadere kwaliteitsbeoordeling is voor hem dan niet meer nodig. Het genre bepaalt de kwaliteit dus. Van Zonneveld: Het standpunt dat hij inneemt, dwingt hem een slechte roman te verkiezen boven een goed geschreven egodocument, de treurige draken van mevrouw Renes-Boldingh boven de schitterende brieven van Walraven.

Sterk punt heeft hij hier, Van Zonneveld. Verruiming van de genres zou dus juist een kwaliteitsvermeerdering inhouden. Heel mooi, maar waarin ligt die kwaliteit dan? Op grond waarvan acht Van Zonneveld de teksten van Walraven van betere kwaliteit dan die van mevrouw Renes-Boldingh? Het is bijzonder verrassend te mogen vernemen dat dus ook een freak (voor de duidelijkheid hier als koosnaampje bedoeld, anders is er weer iemand boos) kan uitmaken wat goed is en wat niet. Dat zou betekenen dat Van Zonneveld in staat moet zijn grenzen te trekken.

Maar nee, waar het op afbakening komt, daar laat hij het afweten. Hij bakent niet af, hij voegt toe, hongerig en fanatiek. Hij maakt zich sterk voor opname van jeugdliteratuur binnen het corpus, omdat dit interessant is voor wie zich verdiept in de beeldvorming van Indië. Maar verdiepen in de beeldvorming van Indië is iets anders dan je verdiepen in de Indische literatuur. Ik ben dol op freaks, hun speurzin is onmisbaar, maar ze kunnen erg vermoeiend worden: ze krijgen hun werk namelijk nooit af.

Een voorbeeld van beeldvorming geeft Van Zonneveld aan de hand van een oriënterend onderzoek die hij zijn Leidse studenten liet uitvoeren naar populaire literatuur. In eerste instantie werd gedacht aan avonturenromans, detectives, oorlogsromans, liefdesromans, spionageromans en andere fictie die niet tot de canon van de Indische literatuur behoort. De nieuw beoogde canon zou dan gevormd moeten worden door het werk van auteurs die door Nieuwenhuys in zijn Oost-Indische Spiegel ‘positief zijn besproken, aangevuld met het werk van de Tweede Generatie en enkele anderen,’

Hier maak ik even pas op de plaats. Want dat ‘positief besproken door Nieuwenhuys’ vereist wel enige toelichting. Het is opvallend, maar tegelijk ook niet zo vreemd, dat hoe dichter Nieuwenhuys bij zijn tijdgenoten komt, hoe strenger hij wordt met zijn criteria. Uiteraard komt dat doordat zijn beeld van bijvoorbeeld 1600-1800 per definitie niet zo subjectief kan zijn als dat van de periode waarin hij zelf leefde. Ook schijnt het gemakkelijker een dode schrijver te bewonderen dan een levende.

Missers en opvallende slordigheden zijn Nieuwenhuys ook niet vreemd. Een voorbeeld. Bij zijn bespreking van het werk van J.E. Jasper (1874-1945) verzucht Nieuwenhuys dat deze schrijver maar een Tachtigerepigoon was. Hij ergert zich groen en geel aan Jaspers stijl. Nieuwenhuys moet zich dérmate geërgerd hebben, dat hij Jaspers werk dan ook maar even snel heeft doorgelezen. Hij bestaat het gewoonweg om Jaspers De diepe stroomingen (1910) een verhalenbundel te noemen, waar het toch echt gaat om een tweedelige roman. En een goeie roman ook nog.

Om dan maar in het voetspoor van Nieuwenhuys blindweg een schrijver als Jasper te laten vallen, zou geen recht doen aan deze schrijver, uit wiens boeken méér kennis van de sociale verhoudingen tussen verschillende bevolkingsgroepen spreekt dan uit de boeken van Daum en Couperus. Voor wie goed en vooral rustig leest en even aan zijn stijl leert wennen, die weliswaar wat aanstellerig is maar toch heel wat minder aanstellerig dan de stijl van onze onvolprezen Couperus, die vindt in Jaspers latere werken een waardevolle schrijver.

Ja, ik zag Jasper over het hoofd bij het samenstellen van mijn bloemlezing Oost-Indische inkt. Ik weet het.

Terug naar het oriënterend onderzoek van Peter van Zonneveld en zijn studenten. Van Zonneveld verklaart dat het om een praktische keuze ging, niet om een principiële. Mooi zo, want zonder praktische keuzes verschijnt er niks geen overzicht. Maar de gehanteerde hypothese, namelijk dat in pulp de koloniale samenleving slechts als behang zou dienen en deze samenleving niet ter discussie zou staan, voldeed niet, meldt Van Zonneveld. Opmerkelijk was het grote aantal Aziatische hoofdpersonen. S. Franke bijvoorbeeld toont sympathie voor de door haar beschreven njai (concubine), terwijl Renes-Boldinghs oog eerder ‘dozijnen katachtige wellustige, gewillige inlandsen’ om haar hoofdpersoon laat dartelen.

Dit is een voorbeeld van nuancering, die door Termorshuizen onder andere in niet-Nederlandse werken wordt gezocht. Van Zonneveld heeft een dergelijk uitstapje niet direct nodig, al heeft hij het hier even niet over de VOC-tijd, zoals Termorshuizen in zijn voorbeeld. In Nederlandstalige pulp wordt de koloniale samenleving dus wel degelijk ter discussie gesteld. En daarom zou Van Zonneveld zulke boeken niet buiten beschouwing willen laten.

Maar wat dan bijvoorbeeld te doen met een boek als Njai Dasima van A.Th. Manusama, waarin de koloniale verhoudingen van begin 1800 beschreven worden bij de teloorgang van een njai, zónder dat de koloniale verhoudingen ter discussie worden gesteld? Manusama werpt zijn licht op het reilen en zeilen van de Mohammedaanse inlandse gemeenschap, komt met zeer bijzondere wetenswaardigheden, maar zijn boek begint gaandeweg de lectuur wel bijna op een antipropaganda tegen de islam te lijken.

Bijstellingen van perspectief zijn afhankelijk van mode. Goede literatuur stijgt altijd uit boven een tijdsbeeld en zelfs boven een bepaalde cultuur. Goede literatuur toont mensen en hun in feite onbegrijpelijke motieven in welke tijd dan ook. Kritische geluiden op de koloniale samenleving van toen staan niet garant voor goede literatuur. Ze kunnen ons hooguit sympathiek toeschijnen.

Stel je voor: je moet kiezen uit een werkelijk schitterend geschreven inlanderonvriendelijke roman en een flets geschreven inlandervriendelijke roman. Wat doe je? Beide romans zijn tendensromans en verder niet. De door Van Zonneveld en vele anderen bewonderde Walraven slaat om de zoveel bladzijden weer een zooi Indo’s op het gezicht, zij het met de pen, en ergens vraagt Walraven zich af waarom die Indo’s onderweg op de boot niet gewoon overboord springen. Hij schrijft goed, dat rechtvaardigt zijn opname in de canon, maar inhoudelijk zou je desnoods voor Melati van Java kiezen, om maar wat te noemen, als je dan zo nodig moet gaan nuanceren.

Van Zonneveld weet nog meer, veel meer voorbeelden te noemen, bijvoorbeeld uit avonturenromans en wat al niet meer. Boeken waarin de koloniale samenleving ter discussie wordt gesteld, verdienen aandacht, dus ook pulp, aldus Van Zonneveld. Hetzelfde zal wat hem betreft dan ook wel opgaan voor de door hem bepleite jeugdliteratuur, al blijft dat altijd een link genre. Jeugdliteratuur wordt immers anders gelezen door volwassenen dan door kinderen.

Als Van Zonneveld een lijst zou willen samenstellen met boeken waarin kritiek op de koloniale samenleving wordt geuit, dan zou dat géén volledig beeld geven van die samenleving, juist geen. Een jeugdig lezer zou bijkans de indruk krijgen dat er alleen maar kritiek bestond op die koloniale samenleving. Niets is minder waar. Zelfs hedendaagse schrijvers als Paula Gomes en Helga Ruebsamen laten nauwelijks kritiek op de koloniale samenleving doorschemeren. Ik zeg niet dat het moet, ik zeg alleen dat in zijn zucht naar volledigheid Peter van Zonneveld de lezer waarschijnlijk door de bomen het bos niet zal kunnen laten zien.

Een duidelijke afbakening is van Van Zonneveld denk ik niet te verwachten. Ergens is dat jammer, want hij beschikt over een vlotte pen, kan boeiend vertellen en schrijven en staat met die gave misschien wel het dichtst bij Rob Nieuwenhuys. Dat bewijst hij in zijn Album van Insulinde, waarin hij met ogenschijnlijk speels gemak eventjes een beknopt overzicht geeft van de Indische literatuur en daarbij nauwelijks een periode, belangwekkend feit of genre overslaat. Het in omvang bescheiden boek is ooit geschreven op verzoek en je zou bijna denken dat Van Zonneveld het uit eigener beweging niet zou hebben gedaan. Laat staan dat hij de puf heeft zijn kennis te boekstaven in een werk dat een vervolg kan bieden op Rob Nieuwenhuys’ Oost-Indische Spiegel.

Van Zonneveld besluit zijn artikel met te wijzen op de ruimte die het tijdschrift Indische Letteren biedt aan uiteenlopende benaderingswijzen, literatuurgeschiedschrijving, zowel nationaal als internationaal. In feite zegt hij: lees elk kwartaal Indische Letteren maar, dan blijf je op de hoogte.

Voor wie de moeite neemt om alle veertien jaargangen van Indische Letteren door te ploegen, plus de standaardwerken van Nieuwenhuys en Beekman, die kan best zijn of haar eigen boekenplank samenstellen. Toch blijft het wachten tot er iemand opstaat die met evenveel overtuiging als Nieuwenhuys een overzicht biedt dat verder reikt dan het binnenskamerse Indische Letteren, zodat ook de aandacht van de grootboekhouders van de Nederlandse literatuur kan worden gewekt, en daarmee een hele zwik lezers die weleens zouden willen weten wat nou die Indische literatuur eigenlijk behelst. Het in gang houden van een literair tijdschrift is niet voldoende, er moet een boek komen waarin we de boel op een rijtje zien staan. Honderd tot honderdtwintig gulden neertellen voor een antiquarisch exemplaar van Rob Nieuwenhuys’ Oost-Indische Spiegel – dat kan alleen bestaan omdat er bij het leespubliek behoefte is aan een overzichtswerk.

Bronnen:

‘Men weet maar nooit waar de avond eindigt en de nacht begint’ Over genres in de literatuur. Peter van Zonneveld. Indische Letteren, 14e jrg, nr 2, juni 1999

Album van Insulinde. Beknopte geschiedenis van de Indisch-Nederlandse literatuur. Peter van Zonneveld. Amsterdam University Press, 1995

* * *

alfred birney yournael van cyberney Het Yournael van Cyberney werd in april 2000 onder aanvoering van Alfred Birney gelanceerd en verscheen wekelijks tot aan de boekenweek in maart 2001. Ruim 60 afleverigen van Cyberney (Alfred Birney), Frans Lopulalan, Joyce Bloem, Maureen Birney, Widjajanti Dharmowijono, Guno Jones, Esther Captain en Anyes lieten zien dat er nog veel onbesproken was en is in de Nederlandse taal, juist door hen die een mengcultuur in zich dragen. Het Yournael van Cyberney & Co bracht artikelen en verhalen rond literatuur, kunst, cultuur, fotografie, emancipatie en uitgeverspolitiek in het labyrint van mengculturen in binnen- en buitenland. De bijdragen van Alfred Birney verschenen bewerkt en gebundeld met ander proza in een eenmalige uitgave als alternatief boekenweekgeschenk en tegelijk als feestbundel ter ere van het 25-jarig jubileum van Uitgeverij In de Knipscheer. Bestel het boek hier!

De boekhouders van de Indische letteren (4) – Het oog van Gerard Termorshuizen

Voor wie het niet weet: Gerard Termorshuizen is de bezorger van de Verzamelde Romans van P.A. Daum. Tien werken in drie fraai uitgevoerde delen, met leeslint. Ik heb, helaas, een blinde vlek voor Daum, of, helaas, een goede smaak, dus toen ik het artikel van Gerard Termorshuizen onder ogen kreeg, dacht ik dat hij vast wel de afgrijselijkste schrijvers zou noemen die je maar kan bedenken. Valt reuze mee, al begint hij zijn bijdrage aan het ‘eigen gebied’ van de Indische letteren met een verwijzing naar Hella Haasse. Weer zo’n overgewaarde auteur die ik-weet-niet-waarom zo overdreven veel aandacht krijgt. Straks ga ik die Termorshuizen nog tegenkomen in Jakarta, waar een congres gehouden wordt ter ere van het zestigjarig bestaan van de letterenfaculteit van de Universitas Indonesia. Stel je voor, zit je toevallig met die man aan een tafel… als-ie dan maar niet over Daum en Haasse begint, want dan begin ik over Sei Shonagun en Kawabata. Of over mijn overgrootvader, als Termorshuizen misschien gezellig een sigaartje wil roken.

Termorshuizens bijdrage aan de bijeenkomst van de boekhouders van de Indische letteren heet Anders gezien, andere beelden. Buitenlandse auteurs over Indië: houd ze in de buurt en koester ze. Alstublieft: de hele inhoud van zijn betoog reeds in de titel samengevat. Duidelijker kan niet. Maar is Termorshuizen echt zo duidelijk?

Hella Haasse is de directe inspiratiebron achter zijn betoog. Mooi zo, want van schrijvers moet je het uiteindelijk hebben. De grand old lady publiceerde in 1993 in Indische Letteren haar Albert Verwey-lezing, waarin zij zich de vraag stelt of het werk van sommige buitenlandse auteurs wellicht een aanvulling kan geven op de ons vanuit de Indisch-Nederlandse letterkunde vertrouwd geworden belevingswereld. Die vraag beantwoordt Haasse maar alvast bevestigend en waarom ook niet: het is niet slecht als auteurs zich een beetje met literatuurwetenschap gaan bemoeien (mits ze er geen gewoonte van maken, Cyberney!). Haasse wijst op werk van Joseph Conrad en Somerset Maugham, die een ándere blik werpen op de door onze literatuur gesuggereerde belevingswereld. Voor Termorshuizen spreekt het in navolging van Haasse ook vanzelf dat in andere talen geschreven literaire teksten over Indië ‘onze’ aandacht verdienen. Hij zegt zelfs dat als hij een antwoord moet geven op de vraag of zulke buitenlandse werken dan ook tot de Indische letteren behoren, hij geneigd is daarop met ‘ja’ daarop te antwoorden.

Belangrijk is te weten dat Termorshuizen met Indische bedoelt: over Indië handelende teksten. Of die auteurs daar dan ook geweest moeten zijn, dat zegt hij niet, al komt hij later in zijn bijdrage wel met voorbeelden van auteurs die er allemaal hebben rondgedard.

Maar er is hem ten behoeve van de discussie gevraagd: horen de bedoelde teksten bij de Indisch-Nederlandse letterkunde? Men krijgt het volgende, diplomatieke antwoord: Omdat er volgens mij geen andere mogelijkheid is daarop met ‘nee’ te antwoorden, en ik met dat antwoord moeilijk vrede kan hebben, stel ik een wat voorzichtiger vraag: is het mogelijk om die buitenlandse literatuur over Indië, zonder ze daarin te incorporeren toch in de buurt van de Nederlandse Indische letteren te houden?

Waarmee Termorshuizen zich feitelijk buiten de discussie plaats. Waarom geen ‘ja’ zeggen als je geen ‘nee’ wilt zeggen? Wat bedoelt hij met: ‘in de buurt houden’? Eens kijken waar hij zijn grenzen trekt, die in elk geval zonder Praamstraëske slagbomen gemarkeerd zullen worden.

Termorshuizen besteedt een groot deel van zijn betoog aan geschriften uit de VOC-tijd. Ha! Heeft die man dus tóch smaak? Hij vertelt dat de archipel ook op buitenlanders een geweldige aantrekkingskracht had en dat het dus voor de hand ligt dat ook door niet-Nederlanders heel wat over Indië is geschreven. Als ‘prachtig voorbeeld’ noemt hij de brievenroman van de Franse Paul Adam (1862-1920): Lettres de Malaisie (1922). In dit boek wordt een Utopia op Borneo geschetst, waarin Europese mannen, inlandse vrouwen en Chinezen zich, niet gehinderd door racistische barrières, vermengen. Toch acht Termorshuizen dit boek als een op zichzelf staande curiositeit en hij vindt dan ook dat hij zich beter kan richten op buitenlandse auteurs die op grond van persoonlijke ervaringen hun boeken hebben geschreven. Hier komt Termorshuizen dicht in de buurt van Paasman, die ‘expressieve teksten die een sterk engagement met Indië hebben’ als belangrijke ‘tekstuele kenmerken’ ziet.

Veel is er geschreven in de Engelse, Franse, Duitse, Poolse en Hongaarse Indische letteren, aldus Termorshuizen, wiens kosmopolitisch gebruik van de term ‘Indische letteren’ mij wel amuseert. Termorshuizen wijst op een proefschrift van Roelof van Gelder, die liefst 79 teksten vond van 47 Duitse soldaten en matrozen in dienst van de VOC. Die teksten zijn vaak boeiend omdat zij soms nieuwe informatie bevatten en soms informatie uit Nederlandstalige geschriften nuanceren. Geschriften van bijvoorbeeld Hongaren bevatten interessante informatie, al is het maar door hun andere cultureel-sociale achtergrond.

Tijd dus ook voor hem om in te gaan op de verschillen tussen literaire en niet-literaire genres. Hij vraagt zich af of het wel juist is om bijvoorbeeld het reisverhaal, het dagboek en de brief uit te sluiten. Voor veel auteurs, die in ‘normale’ omstandigheden nooit tot schrijven zouden zijn gekomen, was Indië de drijfveer dat wél te doen.

Ja, hier raakt Termorshuizen inderdaad aan een zeer specifiek kenmerk van de Indische letteren – je zou het bijna een oorzaak noemen – al kun je hetzelfde beweren met oog op bijvoorbeeld de Tweede Wereldoorlog. Die oorlog heeft tallozen tot schrijven gebracht en tallozen zijn ondertussen allang door de sorteermachine van de grootboekhouders der Nederlandse letteren gegaan. Het grote verschil is natuurlijk, dat die geschiedenis jonger is, veel ooggetuigen heeft nagelaten en bovendien zo bekend is, dat er nauwelijks nog valt te zoeken naar verhalen die verborgen zijn gebleven. In die zin is het dan ook opvallend dat Termorshuizen geen namen noemt van Indonesische schrijvers, terwijl hij toch maar mooi nieuwsgierig is naar nuanceringen van buitenlandse schrijvers. Hij zegt zelfs dat nuanceringen van niet-Nederlandse auteurs niet mogen ontbreken. Benieuwd wat-ie zou doen met een in het Japans geschreven boek van, zeg, een Japanse soldaat tijdens de Japanse bezetting van Indië.

Termorshuizens kennelijke behoefte aan nuancering lijkt in tegenspraak met zijn gewenste persoonlijke karakter in de door hem beoogde teksten. Want waarom moeten Nederlandstalige teksten over Indië, die vaak zwaar leunen op persoonlijke ervaringen, zo nodig worden bijgesteld door geluiden uit bijvoorbeeld de Hongaarse hoek? Je zou bijna denken dat Termorshuizen zijn Nederlandstalige auteurs niet helemaal gelooft, terwijl hij toch op zoek is naar zoiets als het subjectieve element, dat per definitie de persoonlijke ervaring kenmerkt. Hij zou vast tegenwerpen dat het hem gaat om een zo ruim mogelijke kijk op Indië. Dat ligt dan wel een eindje weg van zoiets als literatuurgeschiedenis, dunkt mij.

Klopt, want Termorshuizen benadrukt het sterke documentair-persoonlijke karakter van de teksten. Hij acht de sociologische context wezenlijk. Geen lezer ontkomt eraan. En al helemaal niet de onderzoeker. Daarom ook is Rob Nieuwenhuys’ Oost-Indische Spiegel blijven hangen tussen literatuurgeschiedenis en sociale geschiedenis, aldus Termorshuizen. Hij denkt niet, zoals Praamstra, voor wie het literaire uiteindelijk toch de boventoon moet voeren, dat aan die sociologische aspecten onevenredig veel aandacht is geschonken. En hij geeft een voorbeeld van Haasse, die in haar Albert Verwey-lezing tussen de grote namen van Conrad en Somerset Maugham ineens gewag doet van de reisverhalen van ene Mrs. Ponder, een in de letteren onbekende Engelse dame die in de jaren dertig over Java reisde. Volgens Peter van Zonneveld was zij overigens een Australische dame, maar dit terzijde.

Termorshuizens boodschap is duidelijk, althans waar het om genres gaat. Uitsluiting van welk genre dan ook is taboe en daarin heeft hij Bert Paasman aan zijn zijde en Olf Praamstra tegen zich. Maar hoe zit dat nu met die niet-Nederlandstalige teksten?

Nou, Termorshuizen bedoelt alleen maar te zeggen dat die teksten van wezenlijk belang zijn bij literatuursociologisch gericht onderzoek. En dat het niet zijn bedoeling zou zijn de Indisch-Nederlandse, Indisch-Engelse, Indisch-Duitse en Indisch-Hongaarse of wat voor Indische letteren dan ook, tot één literatuurgeschiedenis om te smeden. Wél dat ze te gebruiken zijn. Voor ónderzoek. Hij zou ze in de Indisch-Nederlandse letterkunde opnemen als een subcategorie. Dat bedoelt hij met ‘in de buurt houden’. Zeg maar een flink voetnotenapparaat om de Indische literatuur wat internationale allure te geven.

In de buurt waarvan precies, zou ik nog altijd niet weten. Want hoe ziet dat Nederlandstalige corpus – dat toch de basis moet vormen van de Indische literatuur, niet? – er volgens hem dan uit? VOC-teksten mogen erin, dat is duidelijk. Dat is dus het startpunt. Nou, waar ligt het eindpunt?

Eén zin in Termorshuizens tekst wekt mijn wantrouwen op als ik aan de naoorlogse generatie denk: Vanaf het begin van de VOC-tijd tot aan het moment dat Indië Indonesië werd, hebben zich naast Nederlanders veel andere Europeanen op Oost-Indisch grondgebied opgehouden. Dus: tot aan het moment dat Indië Indonesië werd.

Dat heet terugblikken naar, ja, Oost-Indisch grondgebied. Termorshuizen lijkt progressief door te kijken naar niet-Nederlandstalige teksten over Indië. Maar hij kijkt louter terug. Hij mist een oog.

Bron:

Anders gezien, andere beelden. Buitenlandse auteurs over Indië: houd ze in de buurt en koester ze. Gerard Termorshuizen. Indische Letteren, 14e jrg, nr 2, juni 1999

Het Oost-Indisch avontuur. Duitsers in dienst van de VOC (1600-1800). Roelof van Gelder. Nijmegen, 1997

* * *

alfred birney yournael van cyberney Het Yournael van Cyberney werd in april 2000 onder aanvoering van Alfred Birney gelanceerd en verscheen wekelijks tot aan de boekenweek in maart 2001. Ruim 60 afleverigen van Cyberney (Alfred Birney), Frans Lopulalan, Joyce Bloem, Maureen Birney, Widjajanti Dharmowijono, Guno Jones, Esther Captain en Anyes lieten zien dat er nog veel onbesproken was en is in de Nederlandse taal, juist door hen die een mengcultuur in zich dragen. Het Yournael van Cyberney & Co bracht artikelen en verhalen rond literatuur, kunst, cultuur, fotografie, emancipatie en uitgeverspolitiek in het labyrint van mengculturen in binnen- en buitenland. De bijdragen van Alfred Birney verschenen bewerkt en gebundeld met ander proza in een eenmalige uitgave als alternatief boekenweekgeschenk en tegelijk als feestbundel ter ere van het 25-jarig jubileum van Uitgeverij In de Knipscheer. Bestel het boek hier!

De boekhouders van de Indische letteren (3) – Het corpus volgens Bert Paasman

Bert Paasman zet in zijn Grenzen en grenscorrecties in de Indisch-Nederlandse literatuur eens op een rij wat Olf Praamstra onder de Indisch-Nederlandse letterkunde verstaat. Dat is a) literatuur geschreven in de koloniale periode (1800-1942); b) literatuur geschreven door mensen die in Nederlands-Indië geleefd of gewoond hebben; c) literatuur binnen de algemeen erkende genres voor volwassenen (proza, poëzie, toneel). Paasman erkent, uiteraard, het belang van begrenzingen, anders kun je niet tot zoiets als een nieuwe beschrijving van de Indische letterkunde komen. Hij erkent ook dat de grenzen die Praamstra trekt niet anders dan helder zijn te noemen. Paasman merkt ook fijntjes op dat Praamstra’s voorgestelde literaire teksten zich zelfs laat tellen. Leuk, want van zo’n strenge afbakening heb ik ook nog nooit gehoord.

Hoe wil Paasman het dan?

Eerst maar een kijken hoe hij Praamstra te lijf gaat. Paasman vindt het niet ‘natuurlijk’ om bij het voorstel van een presentatie van een corpus teksten uit te gaan van een historische periode en bovendien nog die periode voor te behouden aan auteurs die toevallig hun stappen op Nederlands-Indische bodem hebben gezet. Veeleer pleit Paasman om van ‘tekstuele kenmerken’ uit te gaan. Voor hem behoren alle expressieve teksten die een sterk engagement hebben met Indië én ‘het Indische’ tot de Indisch-Nederlandse literatuur. Teksten uit de VOC-tijd, zowel uit de tijd van de kolonie als uit ‘Indisch Nederland’ kunnen een dergelijk engagement hebben.

Het begrip ‘expressief’ is bewust door Paasman gekozen. Hij wenst het begrip ‘literair’ namelijk te vermijden, omdat dat begrip aan sterke veranderingen onderhevig is. Die veranderingen schrijft hij op naam van de schrijvers zelf en van de beoefenaren van de literatuurgeschiedenis en -wetenschap. Of hij bij die laatste groep ook critici rekent, is niet duidelijk. Waarschijnlijk niet. Zou hij een broertje dood aan ze hebben?

Critici hebben toch een stem, dat valt niet te ontkennen. Wie de mode, of ontwikkeling, volgt, zal weten dat critici steeds minder geneigd zijn hun literaire normen aan te passen aan de boeken die ze te lezen krijgen. Critici missen steeds vaker die onbevangenheid die wij schrijvers graag zouden willen zien. Sommige hebben het zo hoog in hun bol dat ze ons zelfs hun normen willen opleggen. Over redacteuren zal ik het maar even niet hebben, onder wie sommige net doen alsof ze eigenhandig hele boekwerken herschrijven eer zij het hun uitgever op de markt laten gooien.

Andere critici, de zwakkere, passen hun normen soms zelfs aan aan het imago van de krant waarvoor zij hun kritieken schrijven. Ze moeten hun brood verdienen, niet? En dan zwijg ik nog maar even over wat er achter de schermen gebeurt, hoe stukken van critici weliswaar financieel worden gehonoreerd door kranten en tijdschriften maar gewoonweg niet geplaatst worden omdat het onderwerp toevallig wat minder actueel is.

Deze toevoeging van mij doet niets af aan Paasmans signalement van een zwevende literaire norm en bevestigt dat eerder. Toch is er altijd, in welke tijdvak ook, sprake van een consensus. Die consensus bestaat bij gratie van hen die de macht hebben, zij die kranten en tijdschriften volschrijven met hun literaire beschouwingen en zij die de stoelen achter de radiomicrofoon en televisiecamera bezetten. Het is nauwelijks zo, dat wanneer een mode verdwijnt, er opeens zogenaamde vergeten auteurs uit de voorbije tijd komen opduiken. Het kan weleens voorkomen, maar zeer sporadisch, en dan alleen pas na zeer ijverige inspanning van een bewonderaar, zoals Gerard Termorshuizen de werken van P.A. Daum weer onder de aandacht wist te brengen (overigens niet zonder de belangstelling van die duizenden Indische mensen die deze schrijver altijd in de boekenkast hadden liggen). Grosso modo telt wie rond 1900 niet werd besproken in de pers, nu hoogstwaarschijnlijk vergeten is. Thans ligt de zaak nog extremer: wie nú niet wordt besproken, die is morgen niet vergeten, nee, die heeft eenvoudig nooit bestaan.

Paasmans opmerking dat het literair-esthetische standpunt van de negentiende eeuw – waarin slechts proza, poëzie en toneel tot de literatuur gerekend worden – passé is, klopt niet helemaal. Hij noemt het een gedateerd standpunt. Intussen wordt er momenteel wat afgeklaagd over de enorm verzwakkende aandacht voor het essay, om maar wat te noemen. Als er één genre is dat wij tot in de huidige 21e eeuw hebben meegenomen, dan is het de roman wel. Poëzie is onverkoopbaar geworden en wordt door uitgevers als waardeloos beschouwd, toneel bestaat alleen nog enigszins bij gratie van subsidie. Het momentum van deze woorden ligt op Prinsjesdag 2000, waarop het Haagse toneelgezelschap De Appel definitief te horen heeft gekregen dat het geen subsidie meer zal krijgen. En de roman? Die bloeit net zo waanzinnig als 100 jaar geleden in Indië.

Welke romans krijgen momenteel de aandacht? In wezen geldt dezelfde vraag voor de boekhouders van de Indische letteren, al blikken die voornamelijk terug. Mode telt nu uiteraard in veel mindere mate mee wanneer het gaat om zoiets als de afbakening van een stel teksten. Het overzicht is eenvoudiger wanneer je terugkijkt, althans zo zou het moeten zijn. Niet voor de Indische letterkunde. Zo vreemd is dat niet, want die is nog relatief jong, er is relatief weinig over geschreven, afgezet tegen wat er allemaal niet is geschreven over de Nederlandse literatuur.

Om zijn ‘tekstuele kenmerken’ nog wat te verduidelijken legt Paasman nadruk op een sterk engagement. Het vermelden van Indië of het Indische in een tekst volstaat niet, wat hem betreft. De tekst moet zich in presentatie en thematiek op indringende wijze met de expansie, kolonisatie of dekolonisatie bezighouden. Waarmee Paasman dus ook de boeken tot op heden beoogt: van de Tweede Generatie en, mocht er nog wat van komen, de Derde Generatie. Klinkt goed, maar wat is een indringende tekst?

Indringendheid kan evengoed als een algemene literaire norm worden beschouwd. ‘Overtuigend… navoelbaar… geloofwaardig… ontroerend… authentiek…’ Dat zijn allemaal termen uit de pen van hedendaagse critici en kunnen allemaal onder de noemer ‘indringend’ worden gerangschikt. Zal Paasman misschien bedoelen dat een tekst als het ware geschreven had moéten worden? Dat de schrijver bijna geen andere keuze had dan juist díe tekst te schrijven? Ook dát was ooit een stokpaardje van de modegevoelige critici. Maar ook dan: maakt dat zo’n tekst dan per definitie waardevol?

Een voorstel van de veel geciteerde Henk Maier om bijvoorbeeld ook Nederlandse vertalingen van bijvoorbeeld Pramoedya Ananta Toer bij het corpus te betrekken, wordt door Paasman verworpen. Het bestuderen van zulke teksten kan zeer waardevol zijn, maar dat mag niet worden gelijkgesteld aan het afbakenen van een corpus Nederlandse teksten. Terecht een belangrijk onderscheid. Je kunt Salman Rushdie lezen als een waardevol schrijver, maar de CPNB moet hem geen verlaat literair asiel bieden binnen de Nederlandstalige gelederen, waar het wemelt van de Nederlandstalige schrijvers met een ander land van herkomst dan het laagland achter de duinen. Als je zo ver gaat, laat die Nederlandse letteren dan ook maar voor wat ze zijn en voer het Euromerk in voor de Europese literatuur. Zo ook Indië en Indonesië. P.A. Toer erbij? Noem het dan de Indische en Indonesische literatuur.

Paasman maakt dus strikt onderscheid tussen bestudering van de Indisch-Nederlandse literatuur en de teboekstelling van deze literatuur. Vele boeken zijn dus waardevol gelezen en bestudeerd te worden, maar niet alle waardevol of geschikt genoeg om in een overzichtswerk op een rijtje gezet te worden. Welke dan wel en welke dan niet? In elk geval hebben zijn beoogde werken een substantiële band met Oost-Indië, Nederlands-Indië en Indisch Nederland.

Dit laatste is interessant. Paasman bedoelt met ‘Indisch Nederland’ de thema’s van repatriëring, aanpassing, herinnering, Indisch leven buiten Indië, Indische identiteit, terugkeerreizen, roots-reizen, enzovoort. Hiertoe rekent hij literatuur van Indo’s, Nederlandse Molukkers én totoks, zowel die van de eerste als de tweede generatie. Wie hem met die tweede generatie totoks voor ogen staan, zou ik niet weten. Adriaan van Dis en Kester Freriks misschien? Hoe dan ook, Paasman komt zelfs met de bewering dat het engagement van de Tweede Generatie schrijvers, geboren en getogen in Nederland, zeker niet minder sterk is dan die van de eerste generatie. De literatuur van de Tweede Generatie níet tot de Indisch-Nederlandse letterkunde rekenen, zou in zijn ogen absurd zijn.

Vriend Paasman. Komt u eens een bordje nasi rames bij mij eten? Vooral mijn tahoe en tempé zijn niet te versmaden.

Paasman geeft ook enig inzicht in de benaming van de literatuur. De docent koloniale en postkoloniale letteren (van het Indische én het Caribische gebied) beschouwt Indisch-Nederlandse literatuur als een overkoepelende aanduiding. De literatuur geschreven door Mestiezen, Indo-Europeanen, Indo’s, Indische Nederlanders etc. (Molukkers?) zou men dan als subcategorie met de term Indische literatuur kunnen aanduiden. Goddank zegt hij even niets over de omkering Nederlands-Indische literatuur, want dat zou de boel weer ingewikkeld maken, al zou ik me kunnen voorstellen dat dát weer literatuur is dat van Nederlands-Indische bodem komt. Misschien iets voor Praamstra?

Benieuwd trouwens naar werken van Mestiezen. Zijn die er wel? Of bedoelt Paasman dat hij de uit de orale traditie overgebleven verhalen van de Mestiezen ook mee zou willen rekenen?

Over de annexatiegedachte van contemporaine literatuur óver Indonesië, of verhalen die zich afspelen ín Indonesië, heeft Paasman ook zijn gedachten. Werken die slechts een band hebben met het onafhankelijke Indonesië zijn voor hem hetzelfde als werken die een band hebben met Finland of Peru. Boeken van allerlei reizigers naar Indonesië horen dus niet thuis in de Indisch-Nederlandse literatuur en daarmee schaart hij zich eens aan de kant van Olf Praamstra maar gaat hij weer in tegen de ideeën die onder anderen Rob Nieuwenhuys en Peter van Zonneveld hierover hebben geuit.

Engagement met Nederlands-Indië blijft een vereiste. Hierin maakt hij geen onderscheid tussen zij die wel en zij die niet in Nederlands-Indië zijn geweest. De door Praamstra te verbannen Onno Zwier van Haren bijvoorbeeld, die nooit een voet op Indische bodem zette, hoort volgens Paasman wel degelijk thuis in het corpus, juist vanwege zijn engagement.

Hoe zou Paasman eigenlijk een dichter als G.J. Resink plaatsen, die na de soevereiniteitsoverdracht opteerde voor het Indonesische staatsburgerschap en toch zijn bijkans Javaanse poëzie in het Nederlands schreef?

Tenslotte wijst Paasman op de lijn van motieven vanaf de VOC-tijd tot op heden. Goena-goena, gemengde relaties, een vrijere seksualiteit, sociale en raciale verhoudingen, de lijn van expansie, kolonisatie en dekolonisatie, dat alles vormt toch een duidelijk waarneembare continuïteit. Kijk eens aan. Dat is iets wat zelfs de ‘Nederlandse literatuur’ niet kan zeggen.

Tot zover alles tamelijk duidelijk en helder. Waarmee voor mij nog slechts één vraag rest: het selectiecriterium expressief, zo expressief verwoord door deze sympathieke wetenschapper. Als Bert Paasman dit criterium nader zou kunnen omschrijven, wisten we al iets meer. Zou hij, in navolging van zijn pendant Olf Praamstra, het lef hebben om een voorkeurslijst van titels aan het universitaire prikbord te hangen? Je kunt moeilijk een serieus overzichtswerk opsieren met Indische schetsjes en krabbels, dat muffe voer dat historici en literatuursociologen tot zich nemen. Goed, dát onderkent hij dus.

Er zou maar één reden kunnen zijn om níet met een voorlopige lijst te komen: eenvoudig afzien van het daadwerkelijk beschrijven van de Indische literatuur door Bert Paasman himself. Noem het een uitweg. Kan ook. En dan wel eentje zónder uitzicht op een fatsoenlijk vervolg van het zo geprezen en verguisde standaardwerk van Rob Nieuwenhuys, de Oost-Indische Spiegel.

Bron:

Grenzen en grenscorrecties in de Indisch-Nederlandse literatuur. Bert Paasman. Indische Letteren, veertiende jrg, nr 2, juni 1999

* * *

alfred birney yournael van cyberney Het Yournael van Cyberney werd in april 2000 onder aanvoering van Alfred Birney gelanceerd en verscheen wekelijks tot aan de boekenweek in maart 2001. Ruim 60 afleverigen van Cyberney (Alfred Birney), Frans Lopulalan, Joyce Bloem, Maureen Birney, Widjajanti Dharmowijono, Guno Jones, Esther Captain en Anyes lieten zien dat er nog veel onbesproken was en is in de Nederlandse taal, juist door hen die een mengcultuur in zich dragen. Het Yournael van Cyberney & Co bracht artikelen en verhalen rond literatuur, kunst, cultuur, fotografie, emancipatie en uitgeverspolitiek in het labyrint van mengculturen in binnen- en buitenland. De bijdragen van Alfred Birney verschenen bewerkt en gebundeld met ander proza in een eenmalige uitgave als alternatief boekenweekgeschenk en tegelijk als feestbundel ter ere van het 25-jarig jubileum van Uitgeverij In de Knipscheer. Bestel het boek hier!

De boekhouders van de Indische letteren (2) – Het corpus volgens Olf Praamstra

In zijn bijdrage aan het boetseerwerk van het corpus verwijst Praamstra naar de twee belangrijkste literatuurgeschiedenissen die er over de koloniale literatuur van Nederlands-Indië zijn geschreven. Dat zijn Troubled Pleasures (1996) van E.M. Beekman en de Oost-Indische Spiegel (1972) van Rob Nieuwenhuys. Hij kan moeilijk anders, want buiten deze werken zijn er geen serieuze te noemen. Hier ligt kennelijk een hoge drempel voor de literatuurhistorici. Het overzichtswerk van Nieuwenhuys is al meer dan een kwart eeuw oud, rammelt aan alle kanten, is tegelijk inspiratiebron en mikpunt van kritiek, maar niemand kan er omheen. Beekmans verse publicatie geeft een beperkter overzicht en zit vol met verwijzingen naar de Amerikaanse literatuur, waar de gemiddelde Nederlandse lezer met Nederlands-Indië als aandachtsveld weinig boodschap aan heeft. Beide werken, de Oost-Indische spiegel en Troubled pleasures, bestrijken de periode 1600 tot 1950. Dat – het tijdvak – is waar Olf Praamstra het in eerste instantie over wil hebben. In tweede instantie gaat zijn betoog over de persoonlijke ervaring van de schrijver binnen het door hem voorgestelde corpus van de koloniale literatuur.

Praamstra beweert dat een tegenwoordig onder historici gangbare opvatting zegt dat de geschiedenis van de kolonie Nederlands-Indië zich afspeelt in de periode tussen de ineenstorting van de VOC en het ontstaan van de Republiek Indonesië. Waarmee hij maar even het laatste standaardwerk over de Nederlandse aanwezigheid in Azië en de Indonesische Archipel (1595 – 1950), De waaier van het fortuin (1998) van J.J.P. de Jong terzijde schuift. Praamstra baseert zijn betoog op een artikel die hij in 1997 publiceerde in Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde: De omstreden bloei van de Indisch-Nederlandse letterkunde, een afbakening van het corpus. De Jongs Waaier van het fortuin was dus nog niet uit, maar Praamstra had intussen wel even kennis kunnen nemen van dat boek, waarin de geschiedenis die leidt tot het feitelijke koloniale tijdvak moeilijk daarvan kan worden losgezien. Kortom: de VOC stortte dan wel in, maar de prelude klonk toch zeker door van die twee vroege eeuwen binnen de gehele Indische suite.

Praamstra heeft echter geen boodschap aan bijvoorbeeld de werken van Van Linschoten, Bontekoe en Haafner, omdat Indië in die tijd een veel groter geheel besloeg. Hij wenst zich op het gebied te concentreren dat men Nederlands-Indië noemt en stelt voor de literatuurgeschiedschrijving te laten beginnen in 1800. Het eindpunt ervan geeft wat meer problemen. Omdat de Japanse bezetting in 1942 voorgoed een einde maakte aan de koloniale maatschappij zou Praamstra het liefst dáár de streep trekken. Maar ja, ook de ondergang van de kolonie tot en met de erkenning van Indonesië in 1949 zal er bij gerekend moeten worden. En dan: veel schrijvers hebben pas jaren nadat ze Indië verlieten van zich laten horen en dat gaat door tot de dag van vandaag.

Nou, goed, dan is het een kwestie van wachten op de dood van de laatste schrijver die Nederlands-Indië uit eigen ervaring heeft gekend, aldus Praamstra. Zullen ze fijn vinden (Paula Gomes, Rudy Kousbroek, Helga Ruebsamen, Yvonne Keuls, Wies van Groningen, Aya Zikken, Hella Haasse, Bouke Jagt, Loes Nobel, F. van den Bosch en nog zo wat namen) dat er iemand zit te popelen op de finale begrafenis, opdat Praamstra dan eindelijk zijn corpus in de oven kan bakken. Zal hem toch ettelijke bossen bloemen kosten, die Olf.

Praamstra benadrukt het gesloten karakter van de koloniale letteren: Indië als kolonie ontstond zo ongeveer met de invoering van het cultuurstelsel en stierf met de uitvoering van de dekolonisatie. Feitelijk zijn daarmee de koloniale letteren dood en is het dus hoog tijd om de balans op te maken. Bij het opmaken van de balans hanteert Praamstra als belangrijkste criterium de persoonlijke ervaring. Onno Zwier van Haren en W.J. Hofdijk hebben nooit een voet op Indische bodem gezet en zijn toch opgenomen door Rob Nieuwenhuys in zijn Oost-Indische Spiegel. Onzin, vindt Praamstra en hij hekelt het voorstel van Peter van Zonneveld, die in 1990 tijdens een symposium verklaarde dat wat hem betreft álles tot de Indisch-Nederlandse letterkunde hoort wat er in het Nederlands over Nederlands-Indië én Indonesië was geschreven en nog geschreven zal worden. Waar Praamstra het mausoleum als ultieme bibliotheek voor ogen heeft, daar droomt Van Zonneveld van de onsterfelijkheid.

Om zijn criterium van de persoonlijke ervaring wat meer kracht te geven, verwijst Praamstra naar Henk Maier. Die vond dat het gelijkstellen van Nederlands-Indië en Indonesië neerkwam op het negeren van het onderscheid tussen koloniale en postkoloniale literatuur. Toch voelde Maier wel iets voor verruiming van het begrip Indische letterkunde: zolang het onderwerp maar de koloniale samenleving in Nederlands-Indië is. Maier vraagt zich wél af of een schrijver werkelijk in Indië moet zijn geweest om erover te kunnen schrijven. Moet een schrijver in de dertiende eeuw zijn geweest om een ridderroman van formaat te kunnen schrijven. Moet hij op de maan zijn geweest om er een gedicht over te kunnen schrijven.

Kan wel zijn, maar als Frans Lopulalan een Molukse Elckerlyc zou schrijven, kan hij daarmee toch moeilijk tot de Middelnederlandse literatuur worden gerekend. Een acrostichon van Marion Bloem maakt haar nog geen representant van de Rederijkers. Wanneer Peter van Zonneveld de Javaanse brieven van mijn vriend Kees Ruys tot een bijdrage rekent van de Indisch-Nederlandse letterkunde, krijgt hij terecht kritiek van Praamstra. Omdat Indonesië daarin beschreven wordt zónder enige verwijzing naar het koloniale verleden, aldus Praamstra.

Praamstra gaat niet zo ver om de Tweede Generatie er wel te betrekken, ook al komen die geschriften van die groep voort uit de erfenissen van de koloniale samenleving, waar hij zo’n fascinatie voor aan den dag legt. Daarin verschilt hij van Nieuwenhuys, die in een toespraak gehouden in 1985 deze groep wél wilde meerekenen, juist vanwege die erfenis, al zag hij geen kans meer zijn Oost-Indische Spiegel tot en met die groep uit te breiden. Een mens wordt per slot een keer oud.

Een aardig lijkend voorbeeld van Praamstra voor zijn criterium persoonlijke ervaring haalt hij uit een reisverslag van Louis Couperus. Wanneer Couperus op een tradionele Arabische markt een aantal moderne naaimachines aantreft, schrijft hij dat die dingen hem vreemd aandoen. Ze detoneren bij zijn voorstelling van de Oriënt en wekken daarom zijn ergernis. Praamstra zegt dat als Couperus over die Arabische markt had geschreven zónder er geweest te zijn, hij zich niet had kunnen ergeren.

Een schrijver met talent draait overigens zijn hand niet om om met zulke trucs zijn romans geloofwaardig te maken. Een goede schrijver gaat zitten in de wereld die hij of zij beschrijft, beschikt over zoveel inlevingsvermogen, fantasie en techniek, dat het net is alsof hij of zij er werkelijk is geweest. Joâo Ubaldo Ribeiro beschrijft in zijn roman Viva o povo Brasileiro (1984) quasi uit de losse pols 400 jaar Brazilië: waar zijn romanfiguren hun stappen zetten, daar ruik je de aarde. Niet dat zo’n schrijver daarmee tot de klassieke Braziliaanse schrijvers zou moeten worden gerekend, maar geloofwaardigheid én authenticiteit zijn eerder afhankelijk van schrijfkunst dan van waar enige schrijver wel of niet heeft rondgelopen.

Jan ten Brink was maar een jaartje in Indië, en zijn Oost-Indische dames en heeren wordt zonder mokken tot de Indische letterkunde gerekend. Louis Couperus kreeg een groot deel van zijn stof overgeleverd van zijn zwager G. Valette, bij wie hij een poos logeerde en zonder wie hij wellicht nooit De stille kracht zou hebben kunnen schrijven. Als Onno Zwier van Haren en W.J. Hofdijk nu eens wél in Indië waren geweest, al was het maar voor even, dan zou dat dus voor Praamstra al reden genoeg zijn ze wél tot de Indische letterkunde te rekenen. Eigenaardig toch, dat hij hiermee het kijken naar een tekst op de tweede plaats stelt. Wanneer je de persoonlijke ervaring als belangrijk criterium neemt, dan zal die toch ook indringend in een tekst tot uiting moeten komen. Een schrijver kan nog zo veel hebben gezien en meegemaakt: schrijft hij of zij slecht, dan stelt die persoonlijke ervaring voor de lezer weinig voor.

Iets over de kunst van het ondergraven van de eigen stellingen: Praamstra neemt als voorbeeld de manier waarop Rudy Kousbroek de bekende roman Rubber (1931) van Madelon Székely-Lulofs verdedigt tegen de kritiek van Menno ter Braak. Ter Braak vond het een boek van niks; Kousbroek noemt het een hoogtepunt in de Indische letterkunde. Wat deze roman zo authentiek maakt is het observatietalent van de schrijfster, aldus Kousbroek. Hier is iemand aan het woord die zelf in Indië is geboren en getogen en die hoedanigheid gebruikt bij bij zijn beoordeling van boeken. Olf Praamstra zelf kent dat Indië op zijn beurt niet uit eigen ervaring en zal dus blind moeten varen op de teksten die anderen over de boeken binnen zijn aandachtsterrein schrijven. Op zo’n manier kán hij nauwelijks verder komen dan wat boekhouden. Dat is althans ook wat hij zelf aangeeft aan het eind van zijn betoog: Een eventuele herdruk van de Oost-Indische Spiegel zou [...] niet dikker, maar juist dunner worden. Waarom waagt hij zich niet zélf aan een serieus en overtuigd overzicht van zijn beoogde koloniale letteren?

In het eerder door hem gepubliceerde artikel in Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde legt Praamstra de bibliografie van Dorothée Buur, Persoonlijke documenten, Nederlands-Indië/Indonesië, keuze-bibliografie (1973) voor zich en neemt het snoeimes ter hand. Wat zij allemaal opsomt aan kinderboeken, jeugdlectuur, dagboeken, reisverhalen, memoires en brieven, dat mag van hem in de afvalcontainer. Tenzij zulk werk is gepubliceerd door een auteur die werk heeft geleverd dat behoort tot de voor hem typisch literaire genres: poëzie, verhalend proza en toneel, bedoeld voor volwassen lezers. Dus Couperus zijn reisverhalen mogen blijven, maar Het dagboek van W. Schermerhorn verdwijnt.

Wie zal daar rouwig om zijn? Maar de fraai beschreven herinneringen van Wim Walraven jr. aan zijn vader Wim Walraven zouden dan zeker ook het veld moeten ruimen. Praamstra wenst de nadruk op fictie en het Indische element en wenst verder geen briefjes in flessen van schipbreukelingen.

Na snoeiing van de bibliografie blijven er van de 2068 titels die Dorothée Buur heeft geselecteerd 1325 over. Praamstra zal met deze snoeiing stellig het literaire karakter van het geheel wat willen opvijzelen. Wellicht om een overzichtelijke koloniale letterkunde te kunnen presenteren uit een diepe wens dat zijn corpus serieus wordt opgenomen in de geschiedenis van de Nederlandse letteren? Daarin wordt de Indische letterkunde immers weinig serieus genomen, al is het maar vanwege de enorme hoeveelheid ‘onliterair materiaal’ die, zeg, het hele arsenaal verruwt. Met een klein overzicht van de koloniale literatuur zou Praamstra misschien wat kunnen potten breken in het gezelschap der grootboekhouders van de Nederlandse literatuur en wie weet droomt hij wel van een professoraat. Enfin, dromen is geoorloofd.

Nee, Praamstra zou de Indisch-Nederlandse literatuur, ook niet na snoeiing, een zelfstandig bestaan willen ontzeggen: De ervaring leert dat als de Indische letterkunde in de Nederlandse wordt geïncorporeerd, de meeste Indische auteurs buiten de boot vallen. Dat is onvermijdelijk, evenals dat het geval is met de meeste Nederlandse auteurs, als zij in een Europese literatuurgeschiedenis behandeld worden. Eén van de functies van de literatuurgeschiedenis, en niet de onbelangrijkste, is aandacht vragen voor auteurs die anders onherroepelijk in de vergetelheid zouden raken.

Zo eindigt Praamstra zijn artikel, dat als basis diende voor zijn verkorte lezing in het openbare debat met zijn vakgenoten. Het klinkt integer en tegelijk vreemd uit de mond van een kruidenier – misschien moet ik hem houthakker noemen – die de tuinschaar hanteert en de boeken van Van Linschoten tot, zeg, Haafner buiten wil sluiten, plus daarbij de hele naoorlogse Indische generatie. Waar de boeken uit de VOC-tijd en die van de naoorlogse generatie dan wél terecht moeten, schrijft hij niet in zijn om aandacht vragend betoog voor auteurs die anders in de vergetelheid zouden raken. Praamstra wenst een symphonie zonder inleiding en zonder finale, hij is er zo eentje die het liefst alleen de adagio’s beluistert. In bewerkte vorm, ook dat nog.

Toch is Praamstra duidelijk. En wie duidelijk is krijgt de wind mee dan wel van voren. Anderszijds hoor je hem niet expliciet over zoiets als literaire kwaliteit. Hij acht het voldoende de hele reut aan schetsjes en herinneringen buitenboord te gooien. Kwaliteitsverhoging zal hem dus niet direct voor ogen staan, slechts overzicht van wat je hier met recht zou kunnen: de Nederlandse koloniale letteren.

Bronnen:

De ergernis van Couperus, de Nederlands-Indische letterkunde en de persoonlijke ervaring. Olf Praamstra. Indische Letteren, 14e jrg, nr 2 juni 1999

De omstreden bloei van de Indisch-Nederlandse letterkunde. Een afbakening van het corpus. Olf Praamstra. Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde 113, 1997

* * *

alfred birney yournael van cyberney Het Yournael van Cyberney werd in april 2000 onder aanvoering van Alfred Birney gelanceerd en verscheen wekelijks tot aan de boekenweek in maart 2001. Ruim 60 afleverigen van Cyberney (Alfred Birney), Frans Lopulalan, Joyce Bloem, Maureen Birney, Widjajanti Dharmowijono, Guno Jones, Esther Captain en Anyes lieten zien dat er nog veel onbesproken was en is in de Nederlandse taal, juist door hen die een mengcultuur in zich dragen. Het Yournael van Cyberney & Co bracht artikelen en verhalen rond literatuur, kunst, cultuur, fotografie, emancipatie en uitgeverspolitiek in het labyrint van mengculturen in binnen- en buitenland. De bijdragen van Alfred Birney verschenen bewerkt en gebundeld met ander proza in een eenmalige uitgave als alternatief boekenweekgeschenk en tegelijk als feestbundel ter ere van het 25-jarig jubileum van Uitgeverij In de Knipscheer. Bestel het boek hier!