Grenzen zijn moeilijk vast te stellen, stelt Peter van Zonneveld vast. Dat doet hij in zijn bijdrage Men weet maar nooit waar de avond eindigt en de nacht begint. Over genres in de literatuur. Er zijn er die er anders over denken, Olf Praamstra bijvoorbeeld. Ook Beekman heeft er geen moeite mee, hoe had hij anders kunnen komen tot het schrijven van zijn Troubled pleasures? Om een dergelijk standaardwerk te kunnen schrijven moet je knopen kunnen doorhakken en bovendien een duidelijk uitgangspunt en richtsnoer hebben.
E.M. Beekman, de Amerikaanse hoogleraar Germaanse talen, richt eenvoudig 16 hoofdgebouwen in voor zijn favoriete auteurs en stopt de rest in bijgebouwen, bijkeuken en hoekjes op de achtergalerij. Verschil mag er zijn. Beekman zegt dat niet hardop. Een apart portret van Kartini moet voor een feministische noot zorgen, anders kan ik zijn keuze voor haar teksten niet verklaren. Hij put zich ook tot vervelends toe uit in het toepassen van literatuurwetenschappelijke theorieën en presenteert vergelijkingen met literaire werken uit de Amerikaanse literatuur waar zelfs de gemiddelde Amerikaanse lezer helemaal geen boodschap aan heeft. Maar zodra hij vertelt over leven en werken van zijn auteurs, schrijft hij bijzonder beeldend en meeslepend.
Peter van Zonneveld heeft Beekman geprezen om zijn werk, al is het maar omdat deze Amerikaan ‘de Indische literatuur een plaats heeft gegeven op de wereldkaart’. Het klinkt een beetje naar het zinnetje ‘wij tellen best wel mee als klein landje in de wereld’, maar goed, Beekmans literatuuroverzicht is heel waardevol naast dat van Nieuwenhuys. Modern bovendien, voor hen die in wetenschappelijk geleuter een bewijs zien dat het hier om literatuur met een grote L gaat. Beekmans boekwerk zou zó naar de Nederlandse Taalunie kunnen, zal ik maar zeggen.
Rob Nieuwenhuys overbodig maken heeft Beekman niet gedaan, en ook niet gewild, getuige zijn hormat aan de nestor door aan hem het boek op te dragen. Waarom zou je ook de vader van de Indische letterkunde ten grave dragen? Per slot van rekening vormt hij de inspiratiebron van vele onderzoekers. Er zijn al geluiden gehoord van mensen die Beekmans voor de Amerikaanse markt bedoelde standaardwerk voor maatgevend zouden willen houden. Uit Indische hoek nota bene. Nogal idioot, je zou er een hoop auteurs door mislopen, op J.J.Th. Boon na de hele rits Indo’s om maar wat te noemen. Anderzijds zijn dergelijke onnozele kreten toch tekenend voor de behoefte aan een nieuw overzicht van de Indische literatuur.
Is die afbakening nou echt nodig? Voor de freak niet. Die vindt de weg wel. Van de gemiddelde lezer kun je echter moeilijk verwachten dat hij of zij eventjes een paar duizend titels leest om een beeld van Indië te kunnen krijgen. Daar heeft die lezer 1) geen tijd voor, 2) geen zin in en 3) de middelen niet voor. Want zie ze maar eens te vinden, die talloze titels van vergeten of marginale werken. Een regelmatig bezoek aan het antiquariaat brengt je al niet veel verder dan bekende namen als Johan Fabricius en P.A. Daum en de pulp die destijds zeer goed verkocht.
Melati van Java is niet moeilijk te vinden, tenzij je haar hele oeuvre bijeen wilt hebben. Het vergt trouwens een enorm uithoudingsvermogen om haar boeken uit te lezen, vanwege de geringe beeldende kracht van haar Indisch huiskamerproza. De gemiddelde prijs van een Melati-boek is een tientje. Voor de boeken van de onterecht vergeten Dé-Lilah worden astronomische bedragen gevraagd: 400 gulden voor haar debuutroman Gecompromitteerd, 800 gulden voor de twee delen van Hans Tangkau’s carrière ( in kopie!) bijvoorbeeld, als je al weet waar je die boeken zoeken moet.
De gemiddelde lezer zou idealiter deze boeken in de openbare bibliotheken moeten kunnen vinden. Die boeken komen daar alleen te liggen als ze aandacht krijgen. Aandacht trek je met een degelijk literatuuroverzicht. Nou, kun je een dergelijk overzicht verwachten van iemand als een wandelende boekenkast genaamd Peter van Zonneveld?
Van Zonneveld is een heel andere figuur dan bijvoorbeeld Beekman met zijn nauwelijks verrassende keuze van schrijvers. Voor Van Zonneveld ligt het aantrekkelijke juist in uitstapjes naar de literaire kampong, waar nog boekjes uit de vuilnishopen zijn te vissen, zo beduimeld dat ze zelfs de boekenkratten op de vlooienmarkt niet meer halen. Voor Van Zonneveld is roman noch verhaal noch toneel als genre toereikend. Daarmee schaart hij zich achter Bert Paasman en Gerard Termorshuizen. Een dergelijke inperking tot die genres volstaat eenvoudig niet voor de onderzoeker, zegt Van Zonneveld. Memoires, dagboeken, brieven, feuilleton, brochure… zelfs het pamflet kan waardevol zijn.
Mee eens, maar dan waar het onderzoek betreft. Nu laat onderzoek zich lastig presenteren buiten de muren van de universiteit.
Overigens merkt Van Zonneveld op dat bij memoires niet valt vast te stellen of de schrijver maar wat verzint of niet. Dat memoires evengoed fictionele aspecten in zich hebben. Voor de beeldvorming of, zo men wil, de representatie van de kolonie, zijn zulke memoires [daarom] van groot belang. Dat L. de Jong in zijn monsterlijk Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog onbekommerd put uit de memoires van Rob Nieuwenhuys, vindt Van Zonneveld opmerkelijk. Omdat, volgens Van Zonneveld, hij (L. de Jong) zich geen rekenschap lijkt te geven van het feit dat hij iemand aan het woord laat voor wie de waarheid niet ligt in de werkelijkheid maar in het verhaal.
Aardig opgemerkt, maar Van Zonneveld dient te weten dat geschiedschrijving ook het vertellen van een verhaal is en dus literatuurgeschiedschrijving ook. Van perspectief vooral. Wat zoekt hij dan? Ook al een soort objectieve waarheid, zoals Termorshuizen wellicht zoekt?
In literatuur speelt de beleving de grootste rol. Je zou kunnen zeggen dat boeken die de sterkste beleving losmaken bij de lezer de waardevolste zijn. Wie leest er nou L. de Jong, om maar even bij dit voorbeeld te blijven? Deze geschiedschrijver telde bij wijze van spreken het aantal bommen en granaten die wel en niet zijn ontploft met zo’n nauwgezetheid dat je bijna zou vergeten dat er mensen door stierven. Dat is dus boekhouden en geen geschiedschrijven.
Strengere eisen stellen bij de afbakening van het gebied, dat moet niet ondergesneeuwd raken door een veelheid aan details waar zelfs de meer dan aandachtige lezer geen boodschap aan heeft. Het onderzoeksgebied moet uiteraard zo ruim mogelijk zijn, al was het maar om de wetenschappers aan het werk te houden, niet? Binnen de afbakening van een corpus is een grenzenloze verruiming onmogelijk, tenzij je wilt afwijken van literatuurgeschiedschrijven en de presentatie van een corpus in een boekpublicatie als passé wilt beschouwen. Maar dat is academisme en de literatuur binnenskamers houden. Schieten we niks mee op. Wij schrijvers laten ons horen en wetenschappers die zich met ons bezighouden dienen zich ook te laten horen en al helemaal als zij vinden dat hun bijbel Oost-Indische Spiegel op de helling moet.
Van Zonneveld bepleit een ruim onderzoeksgebied en geeft als tijdvak de VOC-periode tot en met de postkoloniale tijd, inclusief de Tweede en eventueel Derde Generatie. Waarmee hij Bert Paasman aan zijn kant heeft. Persoonlijke ervaring is géén voorwaarde, zoals Praamstra eist en Paasman met andere woorden suggereert. Men behoeft voor Van Zonneveld niet in Indië te zijn geweest. Zoals gememoreerd is Van Zonneveld zeer ruimhartig als het gaat om genres. Toch wenst hij wel enige restricties te maken. Het moet om Nederlandstalige teksten gaan. Hij onderschrijft wel de waarde van niet-Nederlandstalige boeken, maar tot de Indisch-Nederlandse literatuur horen ze niet. Dat klinkt wat duidelijker dan de woorden van zijn collega Gerard Termorshuizen.
Van Zonneveld herinnert eraan dat met de in 1972 verschenen Oost-Indische Spiegel van Rob Nieuwenhuys feitelijk de Indisch-Nederlandse literatuur voor het eerst is behandeld als een afzonderlijk territorium. Dat die literatuur dus per definitie een eigen karakter heeft. Nieuwenhuys heeft als het ware een nieuwe academische discipline gegrondvest, met een eigen, zij het vooralsnog denkbeeldige leerstoel. De Indisch-Nederlandse letterkunde bestaat bij gratie van de koloniale geschiedenis in de breedste zin van het woord en bestaat daarom ook uit literaire en nonliteraire genres. Peter van Zonneveld lijkt niet van zins de door Nieuwenhuys gegrondveste discipline een eigenzinnige richting te geven. Hoeft ook niet, maar de Oost-Indische Spiegel is al bijna 30 jaar oud en er zijn intussen nieuwe schrijvers bijgekomen, oude schrijvers herontdekt, zoals weer andere schrijvers intussen als waardeloos kunnen worden beschouwd.
Terzijde: of de brief, het dagboek en de memoires überhaupt in de algemene Nederlandse letterkunde nog tot de nonliteraire genres gerekend worden, betwijfel ik. Als ze maar uitstekend geschreven zijn, zo is de mening in het grootboekhoudersgrachtengordelpand in de van Bataviase grachten vergeven hoofdstad van Nederland. Je moet niet raar opkijken als straks opeens de naam van Willem Walraven met zijn epistolaire talenten opduikt in een nieuwe literatuurgeschiedschrijving van de Nederlandse letteren. Indien in Indisch wetenschappelijke kringen de brief, het dagboek en memoires nog altijd twijfelachtige genres vormen, loopt men wel hopeloos achter. Zo’n vervelend stuk heerschap als Bas Veth, ook al zo’n talentvolle knorrepot, zou er volgens mij ingaan als koek bij die grootboekhouders.
Enfin, onze boekhouders van de Indisch Literaire Toko willen alle nuances onderzoeken. Men onderzoekt tot ze een ons wegen. Inmiddels weegt het onderzoeksmateriaal een ton en krijgt het publiek alleen maar boeken van Nederlandse sterren over zich heen, die toevallig in de armen van een baboe hebben gelegen, dan wel kunnen zeggen dat zij in Indië zijn geconcipieerd of als baby onderweg naar patria bijna overboord zijn geslagen door een zwerm vliegende vissen in het licht van een spookachtige volle maan.
Ook de jeugdliteratuur en de populaire literatuur (pulp) hebben in belangrijke mate tot de beeldvorming over Indië bijgedragen; daarom heb ik er in 1992 voor gepleit, ook die genres in de geschiedenis van de Indische literatuur aandacht te geven. Aldus Peter van Zonneveld. Waarop hij de volgende zin laat volgen: Siegfried Huigen wil zelfs alle koloniale teksten in de onderzoek betrekken.
Nou nou, dat gaat me worden. Met de wensen van Gerard Termorshuizen erbij krijgen we dan een eerste editie van DE KOLONIALE LETTEREN VAN EUROPA EN EIGENLIJKE EN ONEIGENLIJKE VROEGERE OVERZEESE GEBIEDSDELEN. Spannend! Nou maar hopen dat mijn familie in Indonesië ergens nog een boodschappenbriefje kan vinden van mijn grootmoeder. Dan kunnen ze ook overwegen om een boodschappenbriefjesgenre toe te voegen aan die toch al zo gevarieerde Indische letterkunde. Mijn grootmoeders taal was een mengeling van Nederlands, Maleis en Chinees, een soort petjôh tjina. Het wordt dan zoeken naar boodschappenbriefjes in het Maleis, het Nederlands, het Duits, het Armeens etc. om te zien of er nog nuanceringen kunnen worden aangebracht in hoe de pasar er in de ogen van diverse Europese stammen uitzag.
Maar nee, zó ver wil Van Zonneveld niet gaan. Dan zou er, om met Praamstra te spreken, van literatuurgeschiedenis geen sprake meer zijn. Maar Praamstra neigt volgens Van Zonneveld weer te ver de andere kant op: zolang het een roman, verhaal of toneelstuk is, is het goed. Een nadere kwaliteitsbeoordeling is voor hem dan niet meer nodig. Het genre bepaalt de kwaliteit dus. Van Zonneveld: Het standpunt dat hij inneemt, dwingt hem een slechte roman te verkiezen boven een goed geschreven egodocument, de treurige draken van mevrouw Renes-Boldingh boven de schitterende brieven van Walraven.
Sterk punt heeft hij hier, Van Zonneveld. Verruiming van de genres zou dus juist een kwaliteitsvermeerdering inhouden. Heel mooi, maar waarin ligt die kwaliteit dan? Op grond waarvan acht Van Zonneveld de teksten van Walraven van betere kwaliteit dan die van mevrouw Renes-Boldingh? Het is bijzonder verrassend te mogen vernemen dat dus ook een freak (voor de duidelijkheid hier als koosnaampje bedoeld, anders is er weer iemand boos) kan uitmaken wat goed is en wat niet. Dat zou betekenen dat Van Zonneveld in staat moet zijn grenzen te trekken.
Maar nee, waar het op afbakening komt, daar laat hij het afweten. Hij bakent niet af, hij voegt toe, hongerig en fanatiek. Hij maakt zich sterk voor opname van jeugdliteratuur binnen het corpus, omdat dit interessant is voor wie zich verdiept in de beeldvorming van Indië. Maar verdiepen in de beeldvorming van Indië is iets anders dan je verdiepen in de Indische literatuur. Ik ben dol op freaks, hun speurzin is onmisbaar, maar ze kunnen erg vermoeiend worden: ze krijgen hun werk namelijk nooit af.
Een voorbeeld van beeldvorming geeft Van Zonneveld aan de hand van een oriënterend onderzoek die hij zijn Leidse studenten liet uitvoeren naar populaire literatuur. In eerste instantie werd gedacht aan avonturenromans, detectives, oorlogsromans, liefdesromans, spionageromans en andere fictie die niet tot de canon van de Indische literatuur behoort. De nieuw beoogde canon zou dan gevormd moeten worden door het werk van auteurs die door Nieuwenhuys in zijn Oost-Indische Spiegel ‘positief zijn besproken, aangevuld met het werk van de Tweede Generatie en enkele anderen,’
Hier maak ik even pas op de plaats. Want dat ‘positief besproken door Nieuwenhuys’ vereist wel enige toelichting. Het is opvallend, maar tegelijk ook niet zo vreemd, dat hoe dichter Nieuwenhuys bij zijn tijdgenoten komt, hoe strenger hij wordt met zijn criteria. Uiteraard komt dat doordat zijn beeld van bijvoorbeeld 1600-1800 per definitie niet zo subjectief kan zijn als dat van de periode waarin hij zelf leefde. Ook schijnt het gemakkelijker een dode schrijver te bewonderen dan een levende.
Missers en opvallende slordigheden zijn Nieuwenhuys ook niet vreemd. Een voorbeeld. Bij zijn bespreking van het werk van J.E. Jasper (1874-1945) verzucht Nieuwenhuys dat deze schrijver maar een Tachtigerepigoon was. Hij ergert zich groen en geel aan Jaspers stijl. Nieuwenhuys moet zich dérmate geërgerd hebben, dat hij Jaspers werk dan ook maar even snel heeft doorgelezen. Hij bestaat het gewoonweg om Jaspers De diepe stroomingen (1910) een verhalenbundel te noemen, waar het toch echt gaat om een tweedelige roman. En een goeie roman ook nog.
Om dan maar in het voetspoor van Nieuwenhuys blindweg een schrijver als Jasper te laten vallen, zou geen recht doen aan deze schrijver, uit wiens boeken méér kennis van de sociale verhoudingen tussen verschillende bevolkingsgroepen spreekt dan uit de boeken van Daum en Couperus. Voor wie goed en vooral rustig leest en even aan zijn stijl leert wennen, die weliswaar wat aanstellerig is maar toch heel wat minder aanstellerig dan de stijl van onze onvolprezen Couperus, die vindt in Jaspers latere werken een waardevolle schrijver.
Ja, ik zag Jasper over het hoofd bij het samenstellen van mijn bloemlezing Oost-Indische inkt. Ik weet het.
Terug naar het oriënterend onderzoek van Peter van Zonneveld en zijn studenten. Van Zonneveld verklaart dat het om een praktische keuze ging, niet om een principiële. Mooi zo, want zonder praktische keuzes verschijnt er niks geen overzicht. Maar de gehanteerde hypothese, namelijk dat in pulp de koloniale samenleving slechts als behang zou dienen en deze samenleving niet ter discussie zou staan, voldeed niet, meldt Van Zonneveld. Opmerkelijk was het grote aantal Aziatische hoofdpersonen. S. Franke bijvoorbeeld toont sympathie voor de door haar beschreven njai (concubine), terwijl Renes-Boldinghs oog eerder ‘dozijnen katachtige wellustige, gewillige inlandsen’ om haar hoofdpersoon laat dartelen.
Dit is een voorbeeld van nuancering, die door Termorshuizen onder andere in niet-Nederlandse werken wordt gezocht. Van Zonneveld heeft een dergelijk uitstapje niet direct nodig, al heeft hij het hier even niet over de VOC-tijd, zoals Termorshuizen in zijn voorbeeld. In Nederlandstalige pulp wordt de koloniale samenleving dus wel degelijk ter discussie gesteld. En daarom zou Van Zonneveld zulke boeken niet buiten beschouwing willen laten.
Maar wat dan bijvoorbeeld te doen met een boek als Njai Dasima van A.Th. Manusama, waarin de koloniale verhoudingen van begin 1800 beschreven worden bij de teloorgang van een njai, zónder dat de koloniale verhoudingen ter discussie worden gesteld? Manusama werpt zijn licht op het reilen en zeilen van de Mohammedaanse inlandse gemeenschap, komt met zeer bijzondere wetenswaardigheden, maar zijn boek begint gaandeweg de lectuur wel bijna op een antipropaganda tegen de islam te lijken.
Bijstellingen van perspectief zijn afhankelijk van mode. Goede literatuur stijgt altijd uit boven een tijdsbeeld en zelfs boven een bepaalde cultuur. Goede literatuur toont mensen en hun in feite onbegrijpelijke motieven in welke tijd dan ook. Kritische geluiden op de koloniale samenleving van toen staan niet garant voor goede literatuur. Ze kunnen ons hooguit sympathiek toeschijnen.
Stel je voor: je moet kiezen uit een werkelijk schitterend geschreven inlanderonvriendelijke roman en een flets geschreven inlandervriendelijke roman. Wat doe je? Beide romans zijn tendensromans en verder niet. De door Van Zonneveld en vele anderen bewonderde Walraven slaat om de zoveel bladzijden weer een zooi Indo’s op het gezicht, zij het met de pen, en ergens vraagt Walraven zich af waarom die Indo’s onderweg op de boot niet gewoon overboord springen. Hij schrijft goed, dat rechtvaardigt zijn opname in de canon, maar inhoudelijk zou je desnoods voor Melati van Java kiezen, om maar wat te noemen, als je dan zo nodig moet gaan nuanceren.
Van Zonneveld weet nog meer, veel meer voorbeelden te noemen, bijvoorbeeld uit avonturenromans en wat al niet meer. Boeken waarin de koloniale samenleving ter discussie wordt gesteld, verdienen aandacht, dus ook pulp, aldus Van Zonneveld. Hetzelfde zal wat hem betreft dan ook wel opgaan voor de door hem bepleite jeugdliteratuur, al blijft dat altijd een link genre. Jeugdliteratuur wordt immers anders gelezen door volwassenen dan door kinderen.
Als Van Zonneveld een lijst zou willen samenstellen met boeken waarin kritiek op de koloniale samenleving wordt geuit, dan zou dat géén volledig beeld geven van die samenleving, juist geen. Een jeugdig lezer zou bijkans de indruk krijgen dat er alleen maar kritiek bestond op die koloniale samenleving. Niets is minder waar. Zelfs hedendaagse schrijvers als Paula Gomes en Helga Ruebsamen laten nauwelijks kritiek op de koloniale samenleving doorschemeren. Ik zeg niet dat het moet, ik zeg alleen dat in zijn zucht naar volledigheid Peter van Zonneveld de lezer waarschijnlijk door de bomen het bos niet zal kunnen laten zien.
Een duidelijke afbakening is van Van Zonneveld denk ik niet te verwachten. Ergens is dat jammer, want hij beschikt over een vlotte pen, kan boeiend vertellen en schrijven en staat met die gave misschien wel het dichtst bij Rob Nieuwenhuys. Dat bewijst hij in zijn Album van Insulinde, waarin hij met ogenschijnlijk speels gemak eventjes een beknopt overzicht geeft van de Indische literatuur en daarbij nauwelijks een periode, belangwekkend feit of genre overslaat. Het in omvang bescheiden boek is ooit geschreven op verzoek en je zou bijna denken dat Van Zonneveld het uit eigener beweging niet zou hebben gedaan. Laat staan dat hij de puf heeft zijn kennis te boekstaven in een werk dat een vervolg kan bieden op Rob Nieuwenhuys’ Oost-Indische Spiegel.
Van Zonneveld besluit zijn artikel met te wijzen op de ruimte die het tijdschrift Indische Letteren biedt aan uiteenlopende benaderingswijzen, literatuurgeschiedschrijving, zowel nationaal als internationaal. In feite zegt hij: lees elk kwartaal Indische Letteren maar, dan blijf je op de hoogte.
Voor wie de moeite neemt om alle veertien jaargangen van Indische Letteren door te ploegen, plus de standaardwerken van Nieuwenhuys en Beekman, die kan best zijn of haar eigen boekenplank samenstellen. Toch blijft het wachten tot er iemand opstaat die met evenveel overtuiging als Nieuwenhuys een overzicht biedt dat verder reikt dan het binnenskamerse Indische Letteren, zodat ook de aandacht van de grootboekhouders van de Nederlandse literatuur kan worden gewekt, en daarmee een hele zwik lezers die weleens zouden willen weten wat nou die Indische literatuur eigenlijk behelst. Het in gang houden van een literair tijdschrift is niet voldoende, er moet een boek komen waarin we de boel op een rijtje zien staan. Honderd tot honderdtwintig gulden neertellen voor een antiquarisch exemplaar van Rob Nieuwenhuys’ Oost-Indische Spiegel – dat kan alleen bestaan omdat er bij het leespubliek behoefte is aan een overzichtswerk.
Bronnen:
‘Men weet maar nooit waar de avond eindigt en de nacht begint’ Over genres in de literatuur. Peter van Zonneveld. Indische Letteren, 14e jrg, nr 2, juni 1999
Album van Insulinde. Beknopte geschiedenis van de Indisch-Nederlandse literatuur. Peter van Zonneveld. Amsterdam University Press, 1995
* * *
Het Yournael van Cyberney werd in april 2000 onder aanvoering van Alfred Birney gelanceerd en verscheen wekelijks tot aan de boekenweek in maart 2001. Ruim 60 afleverigen van Cyberney (Alfred Birney), Frans Lopulalan, Joyce Bloem, Maureen Birney, Widjajanti Dharmowijono, Guno Jones, Esther Captain en Anyes lieten zien dat er nog veel onbesproken was en is in de Nederlandse taal, juist door hen die een mengcultuur in zich dragen. Het Yournael van Cyberney & Co bracht artikelen en verhalen rond literatuur, kunst, cultuur, fotografie, emancipatie en uitgeverspolitiek in het labyrint van mengculturen in binnen- en buitenland. De bijdragen van Alfred Birney verschenen bewerkt en gebundeld met ander proza in een eenmalige uitgave als alternatief boekenweekgeschenk en tegelijk als feestbundel ter ere van het 25-jarig jubileum van Uitgeverij In de Knipscheer. Bestel het boek hier!