Zomaar een film

hat logo meneer b De laatste tijd kijk ik tenminste één film per week uit op de televisie. Dat is veel voor mijn doen. Meestal doe ik het om bij te komen van de een of andere afspraak. The mind clearen. De programmamakers moeten zoveel mogelijk kijkers trekken, dus echt goede films zijn zeldzaam. Meestal zijn ze oud voor het grote publiek, zoals Panic (2000) van Henry Bromell. De film gaat over een huurmoordenaar. Ik schreef ooit een verhaal over een huurmoordenaar, dus het thema sprak me aan. Gaat het in mijn verhaal over fictie en werkelijkheid en vrouw versus man, in deze film gaat het tussen vader en zoon. De vader is namelijk de opdrachtgever, een control freak met duistere kanten. De moeder is the godmother maar blijft vrijwel buiten beeld. De zoon komt in gewetensconflict en gaat bij een psychiater te rade. Omdat zijn vader erachter komt, zet hij uitgerekend de psychiater van zijn zoon op de lijst van veroordeelden. De zoon raakt in een uiterst lastig parket. In flashbacks krijgen we te zien hoe vroeg de vader al is begonnen zijn zoon te leren schieten. Eerst op eekhoorns. Wanneer nu zijn eigen zoontje, pas zes, thuiskomt met het verhaal dat hij iets ergs heeft gedaan, samen met zijn grootvader – een eekhoorn doorgeschoten – neemt de huurmoordenaar een besluit. Het is moeilijk om geen begrip voor de vadermoord aan het slot van de film te krijgen.

AH

Buurvrouw 1: Het was eerst Noord: de Konmar. West: C1000. Zuid: Albert Heyn.
Buurvrouw 2: Ja, klopt. Ik ging altijd naar C1000. Lekker dichtbij.
Buurvrouw 1: Toen werd het Noord: Albert Heyn. West: C1000. Zuid: Albert Heyn.
Buurvrouw 2: Ja, klopt. Ik ging altijd naar C1000. Lekker dichtbij.
Buurvrouw 1: Nu is het Noord: Albert Heyn. West: Albert Heyn. Zuid: Albert Heyn.
Buurvrouw 2: Nee! Echt? Maar dan kan ik nergens meer heen!

Koloniaal brievenproza (2)

De brieven in het boekje en de DVD vullen elkaar mooi aan. De tekst komt van Rien Kuyck, de filmbeelden komen van haar man, die waar hij maar kan het Nederlands-Indië in de late jaren twintig van de vorige eeuw vastlegt. Opwindend beeldmateriaal is het niet als je al tientallen fotoboeken over die tijd onder ogen hebt gehad. Het enige dat me bijblijft is een shot van een dagje naar het strand. Je ziet Europese mannen een duik nemen en hun vrouwen onder parasols in stoelen kwekken over dezelfde dingen waar men nu over kwekt, morgen over kwekt en over honderd jaar nog over zal kwekken. De vertelster – de stem op de DVD geeft een beknopte bloemlezing uit het brievenboek – beseft wel dat ze van een afstandje afkeurend worden gadegeslagen door de “inlanders”, die men nu Indonesiërs noemt.

Wie zitten er aan het strand? Een dikke Chinese familie. Luidruchtige en uiterst modieuze joden. Verder de zogenoemde Europeanen. De beurskrach van New York is dan al een feit, maar de vertelster zegt dat er in “Indië” nog niet veel over wordt gesproken.

Wat ik jammer vind is dat de zeereis niet wordt beschreven. Nou kon je natuurlijk moeilijk brieven vanaf de boot versturen. Maar ze had die kunnen bewaren. Wellicht was het bijhouden van een dagboek voorbehouden aan de creatievere geesten. Zo iemand was Rien Kuyck niet. Ze was gewoon een aardige Haagse vrouw zonder uitgesproken kenmerken die haar tot zoiets als een uitgesproken persoonlijkheid zouden hebben gemaakt. Zo vindt ze het wonderlijk hoe snel kinderen bedienden gaan commanderen, zonder dat ze zich afvraagt van wie die kinderen dat nou zouden hebben afgekeken. Racistisch kun je haar niet noemen, ze is een kind van haar tijd en spreekt met respect over haar bedienden. Koloniaal is ze uiteraard wel te noemen. Aan de enorme weelde is ze al snel gewend en hoewel ze in het begin van haar vijfjarige verblijf op West-Java nog gewoon Hollandse kost tot zich neemt, tot en met havermoutpap toe, zie je op de filmbeelden dat haar zoontje gewoon rijst krijgt toegediend door de baboe. Aardig is dat zij schrijft dat er mensen zijn die er alles aan doen om vooral niet te verindischen. Daar doet zij niet aan mee. Rien Kuyck vindt dat een mens zich zo goed mogelijk moet aanpassen aan omgeving en gebruiken, al zijn er natuurlijk grenzen en verlangt ze naar Holland terug, waar het leven uiteindelijk beter is volgens haar.

De observaties van Rien Kuyck zijn soms erg herkenbaar. Ze vergelijkt bepaalde delen van Java met de Achterhoek. Dat deed ik ook op mijn reizen over Java. Hoewel Rien Kuyck zo te oordelen een luizenleven leidt terwijl haar man werkt, klaagt ze soms toch nog over haar kinderen, die ze lastig vindt. Zonder die kinderen zou ze heerlijk wekenlang door dat prachtige landschap kunnen zwerven, etc.

Aan het einde van haar epistels heeft Rien Kuyck het over opstandelingen, “communisten” die de buurt onveilig maken. Ze worden opgepakt, maar Rien zelf vindt dat ze beter doodgeschoten kunnen worden. Tijdgeest, right? Het valt haar verder op dat de bedienden zich allengs vrijer en brutaler gaan gedragen. Sommigen durven haar zelfs ongevraagd aan te spreken tijdens een feest, bijvoorbeeld om haar te wijzen op een stoffig portierraampje van de auto. Wat dat betreft is het brievenboek wel interessant. Achter de naïviteit van een doorsnee Hollandse vrouw in de “Oost” zie je toch, uiteraard met de kennis die je nu bezit, de verhoudingen tussen de dominate en onderdrukte groep behoorlijk veranderen. Indo’s worden slechts een paar keer zijdelings genoemd. Nee, ze heten geen “Indiërs”, zoals onze Geert Mak maar eigenwijs blijft volhouden.

Tja, wat moet je met zo’n boekje + DVD? Ik zou zeggen: het is aardige kost voor de Indië-freak, mensen die maar geen genoeg kunnen krijgen van gedachteloos terug te reizen naar de koloniale tijd van Nederland. Ik vraag me weleens af of zulke mensen ooit op het idee komen de heleboel eenvoudig om te draaien. We gaan honderd jaar terug in de tijd. Nederland wordt onder de duim gehouden door een kleine minderheid Chinezen, die de economie in handen hebben, aan het hoofd van het leger en de politie staan en spoorlijnen laten aanleggen. Ze houden er Hollandse bedienden op na, gaan flaneren op het strand terwijl de “inlanders’, die men nu Hollanders noemt, zich uitsloven met het uitbaggeren van sloten, het aanleggen van wegen voor de auto’s waarin de Chinezen zich voortbewegen, en zich in fabrieken in het stof werken met producten die zeer veel geld opleveren. De woekerwinsten gaan naar China. Wie zich dit niet kan voorstellen, vindt misschien wel dat kolonialisme alleen is voorbehouden aan een kleine blanke elite. Wie zich dit wél kan voorstellen, is misschien wel een leugenaar. Of een toekomstvoorspeller? Dat kan ook.

Medicijnen tegen een kameleontische vijand

medicijnen Een journalist, voormalig presentator en niet-roker, bij wie longkanker is vastgesteld, leest wekelijks een column voor op BNR-nieuwsradio. Hij doet mee aan een onderzoek in een academisch ziekenhuis en moet toegeven dat artsen tegenwoordig heel veel weten en heel veel kunnen. Ik neem die uitspraak maar even voor lief, want, zo zegt hij zelf, longkanker is grillig en onvoorspelbaar. Hij probeert momenteel twee geneesmiddelen tegelijk uit, om te zien in hoeverre ze samengaan dan wel elkaar tegenwerken. Maar nu komt het: iedere deelnemer krijgt zelfde dosis. De journalist vraagt zich af waarom. Waarom krijgt een vrouw van 50 kilo dezelfde dosis als een man van 100 kilo? Ik vroeg mezelf zoiets een poosje terug ook al af. Waarom krijgt iedereen die bij de cardioloog komt standaard drie geneesmiddelen voorgeschreven? Mijn cardioloog wilde de discussie niet met mij aangaan, mompelde wat over ‘wetenschappelijk bewezen’ en wees me beleefd de deur. Ik ben naar mijn huisarts gestapt en stelde hem een test voor. Ik zou van het cholesterolverlagend middel Lipitor drie maanden lang slechts de halve dosering nemen. Dat vond hij een goed idee, want mijn waarden zijn al jarenlang perfect, sterker: ze zijn altijd perfect geweest. Nu komt het: na drie maanden op halve dosering waren de gemeten waarden nóg lager!

Terug naar de journalist die vandaag zijn column voorlas op de radio. Na veel doorvragen treft hij een arts die hem eerlijk zegt dat de onderzoekers het waarschijnlijk eigenlijk ook allemaal niet weten. Het is, kortom, trial and error. Maar het is niet alleen maar treurnis, want die vervelende middelen, met al die bijverschijnselen, werken nog ook. Nou heb je goede, slechte en wispelturige kankercellen. Ze gedragen zich uiteraard niet allemaal hetzelfde. En zo voert de journalist ‘een oorlog tegen een steeds wisselende vijand’. Zoals de wetenschapper strijdt tegen wat hij noemt ‘biochemische terroristen’: de vrije radicalen. Plaats dit eens in levensbeschouwend perspectief. Misschien komen we dan tot een herwaardering van wat men hier in het Westen fatalisme noemt. En vervolgens tot een herformulering van het gezegde: ‘De mens wikt en God beschikt.’

Whodunit

postzegel Een vriendin stuurde me een maffe ansichtkaart . Ik dacht dat ze nogal vroeg was voor mijn verjaardag, maar daar was die kaart niet voor. Wat betekende die kaart dan? Nou, dat ik moest blijven fietsen. Oef! Ik had me zeker in een e-mail laten ontvallen dat dat gefiets me onderhand de strot uitkwam. En dat ik wel weer eens zin kreeg in een sigaretje na tweeëneenhalf jaar niet roken. Zij heeft na vijf rookvrije jaren ook weleens zin in een sigaretje, toch steekt ze er geen op. Nah vooruit, begrepen.

Vandaag mijn mountainbike maar weer van stal gehaald. Ja, ik rijd tegenwoordig op een mountainbike, ik ben de racefiets ontgroeid. Bedoeling was een oudemannenrondje van mijn huis via de watertoren naar de boulevard en dan weer terug om lekker op balkon te gaan zitten lezen. Maar bij de watertoren dacht ik: kom, ik rijd nog wel even de Oliebollenberg op. Op de flank van dat beruchte duin werd ik evenwel syckerig voorbijgefietst door een stel op afzichtelijke fietsen. De man bereed een ATB, de vrouw iets wat vroeger een trimfiets heette. Afschuwelijk was het dat de vrouw een racebroek onder haar shorts droeg, zo typisch voor zondagsfietsers. Ik dook in hun wiel, ze waren jong en ik was ook weer even jong. Ze blikten herhaaldelijk nerveus achterom en probeerden nu en dan amechtig een gesprekje te voeren.

Voor ik er erg in had stond ik voor de waterpomp bij Wassenaar. Het stel sloeg rechtsaf, ik vulde mijn bidon en reed door tot de vervelendste uitspanning met de vervelendste bediening in het vervelendste duingebied tussen Wassenaar en Katwijk. Daar draaide ik en reed op mijn gemak terug. Totdat ik weer syckerig voorbij werd gereden door stel bejaarden op elektrische fietsen. Ik schakelde een hogere versnelling in en sjeesde terug naar de watertoren, waar nog de verkoolde sporen van de snackcar liggen, die in het voorjaar op een nacht in de fik is gevlogen. De snackcar had er jarenlang gestaan, totdat de Gemeente stampei begon te maken. Er moest een stenen gebouwtje komen, maar de eigenaar wilde dat niet. Op een nacht was er kortsluiting en brandde het geval tot op de bodem af. Over de toedracht wordt natuurlijk veel gespeculeerd. Zoals: van welke importkrachten zou de Gemeente nou gebruik hebben gemaakt? Polen? Roemenen? Bulgaren? Of toch maar gewoon de duinwachter, die zich toch al nooit laat zien?

Freeze your darlings

logo alfred birney Het leven is afscheid nemen en voor de verandering ging dat gisteren op een feest en niet op een begrafenis. Ja, ik heb drie maanden niets van me laten horen, nou dan weet u het wel ongeveer. Ongeveer, hè? Ik bedoel het is niet elke dag begrafenis. Wij zwaaiden uit in een bibliotheek aan een Amsterdamse kade de directeur van een befaamd literair mecenaat, een instantie die het schrijverspeloton bijeenhoudt. Die is nodig om te voorkomen dat er voortaan maar een stuk of tien literaire schrijvers in de boekhandel liggen. Vergelijk het met kijken naar een wielerronde met maar tien renners. Het programma bestond uit verschillende onderdelen. Het lopend buffet met nazit en dans was uiteraard het leukst. De receptie had ik overgeslagen, want zo’n tocht naar Amsterdam ervaar ik als een hele onderneming, zwaarder dan een vliegreis van zestien uur naar Jakarta, om maar wat te noemen. Ik kon vrijwel direct het theater in. Het onderhoudendst was de een of andere Vlaamse schrijver, die zich als enige aan de toegemeten tijd van zeven minuten hield. Hij slingerde een geweldige tekst de zaal in, vol virtuose kwinkslagen die niet door iedereen werd begrepen en gewaardeerd, want ook onder literatoren bevinden zich stupide personen. Later zag ik nog een meisje – ik bedoel een jonge vrouw – heel aardig dansen, een tikje bestudeerd. Ze herinnerde me aan de tijd waarin ik nog kon woekeren met mijn energie. Als aandenken kregen we mee een boekje getiteld: Kill your darlings. Het mecenaat was nieuwsgierig naar ons werk-in-uitvoering, de rotzooi die achterblijft tijdens het proces van schrappen, waarover ooit ene Sir Arthur Quiller-Couch een kleine eeuw geleden schreef: “Whenever you feel an impulse to perpetrate a piece of exceptionally fine writing, obey it – whole-heartedly – and delete it before sending your manuscript to press. Murder your darlings.” Eén van de gevraagde auteurs voor het boekje had deze boodschap écht begrepen en zijn computers met darlings aan de straat gezet. Anderen hadden hun geschrapte teksten ingevroren. Ik las hun kruideniersproza in de stoptrein bij nacht huiswaarts. De afgedankte teksten lieten het beste proza van webloggers met schrijfaspiraties ver achter zich. Helaas zegt dat niets meer in een tijd dat het om hele andere dingen gaat dan zoiets als kwaliteit. Dansende meisjes? Nou, vooruit dan.

Watermanvriendinnen

hat logo meneer b Ik heb drie Watermanvriendinnen, ze zijn stuk voor stuk heel snel in het maken van afspraken en heel traag in het nakomen van die afspraken vanwege de neiging tussen die afspraken weer andere afspraken te wurmen en amourettes aan te gaan met de postbode, de groentenboer of de glazenwasser. Ze kennen het verschil niet tussen belangrijk en onbelangrijk, want dat is van geen belang. Dat is op zich geen probleem, tenzij je met zo’n Watermanvrouw moet samenwerken. Overschreden deadlines worden keurig op andermans bord gelegd. Afspraken over andere werkstrategieën hebben geen zin, je moet met die chaotische agenda’s van die dames leren leven (waar hebben ze die agenda’s eigenlijk voor nodig?). Gisteravond kreeg ik nog even een tekst van 1600 woorden per e-mail om te redigeren. Het aantal woorden moest terug naar 1000. Ik kreeg spontaan een enorme zin om te gaan liggen maffen op de bank. Ik sms’te de freelance Watermanvrouw dat ik, gezien de wurgdeadline, de klus alleen wilde aannemen als ze de tekst eerst zelf terugbracht tot 1200 woorden. Na nog wat gesteggel over de prijs viel ik in slaap. Ik werd wakker met een rothumeur, want ik haat krappe deadlines, je kunt je eigen moment namelijk niet kiezen. Ik heb de telefoon gepakt en probeerde me op de Watermandame af te reageren. Helaas kreeg ik haar niet aan het huilen. Ze kreeg me zelfs aan het lachen! Ik ontving de tekst na tien mislukte mails, wat natuurlijk aan haar Mac lag en niet aan haar. De tekst zelf was wel een uitdaging. Ik ben dol op schrappen en herschrijven. Goedbetaald ook, vergeleken met een literaire tekst. Ik heb er wel een literaire formulering in verwerkt, anders voel ik me zo’n teksthoer. Intussen ligt mijn tekstpooier te snurken. Ik bedoel niet te zeggen dat alle Watermanvrouwen snurken.

Schrijfles

hat logo meneer b Ik ontving vandaag een jonge vrouw die mij maanden geleden een manuscript te lezen gaf. Het was een novelle en toch heeft het me veel werk gekost. Ze is de laatste persoon voor wie ik dit soort klussen gratis doe, want het kost veel tijd je in te lezen, het manuscript te ontleden en er dan ook nog redactionele aanwijzingen bij te zetten. Redacteuren die bij uitgeverijen werken, doen dat in de regel heel vluchtig – dat is onder meer een reden waarom ze zoveel manuscripten terugsturen, ze hebben gewoon geen tijd voor al dat werk – maar ik ben consensieus te werk gegaan. De novelle had dat ook wel verdiend, de jonge vrouw ook want haar moeder kan heerlijk rijsttafel maken en is zo ongeveer een zus van me. Bent u uitgever en uit commerciële overwegingen nieuwsgierig naar de schoonheidsfactor van deze jonge vrouw, dan kan ik u zeggen dat die hoog ligt. Goed gebekt ook, kan zó in een late night talkshow. Verder is ze intelligent en heeft ze niet éénmaal gezegd dat ze het eigenlijk zus of zo bedoelde, wat je bijna altijd hoort van schrijvers in spé. Ik heb haar verteld over het klassieke verschil tussen de novelle en de roman, haar gebruik van trucs ontbloot en gezegd dat ze niet bang moet zijn voor eenvoud. Toen ze vertrok droomde ze hardop over een uitgever en ze liet zich ontvallen dat er momenteel wel héél erg veel mensen zijn die schrijver willen worden. Was het niet zo? Ja…

Meelezen (2)

hat logo meneer b Ik heb Het dwaallicht (1946) van Elsschot ook maar herlezen. Er was weinig over van de magische bekoring van weleer. Ik herinner me dat ik vroeger bijna als een aap op de rug van de verteller had gezeten op zijn dwaaltocht door de havenstad. Nu bekeek ik de tekst met distantie. De tekst moest me weer opnieuw zien te veroveren. Ik ben onderhand zo’n verwende lezer, dat ik gemakkelijk iets beters uit de kast kan trekken. Maar ik lees nu mee met mijn zoon. Van Elsschot werd ooit gezegd dat zijn Nederlands vlekkeloos was. Nou valt dat wel mee. Maar hij schrijft wel fraaie zinnen soms, die ogenschijnlijk eenvoudig zijn neergepend maar waar waarschijnlijk lang over is nagedacht. Er zijn ook schrijvers die zinnen typen waaraan je kunt zien dat er flink aan is geschaafd. Dat idee krijg je bij Elsschot nergens. Het dwaallicht is een goed voorbeeld voor wie iets in de onvoltooid tegenwoordige tijd wil schrijven. In de meeste gevallen mislukt dat. In enkele gevallen krijg je iets heel goeds. Het dwaallicht heeft iets kleinburgerlijks en zuinigs, maar de betwijfelde Jezusfiguur in het geloof van de christelijke hoofdpersoon en het medelijden dat hij krijgt van de islamitische Afghaanse zeelui maken de novelle weer actueel. Het racisme van toen had overigens weinig consequenties. In de novelle kwamen de Afghanen maar even passagieren aan wal, op zoek naar een vrouw, om vervolgens te vertrekken. Nu blijven ze liever en krijgen ze niet alleen spot over zich, zoals weleer, maar haat.

Superieur Indisch proza van Theodor Holman

tjon Oorlog houdt niet op wanneer ergens de vrede wordt getekend. De herinnering blijft getroffenen voor de rest van hun leven achtervolgen, dat is bekend. Minder bekend is het relaas van hun kinderen. Ouders met een oorlogsverleden kunnen een gedrag vertonen of gewoonten ontwikkelen met verregaande, vaak desastreuze gevolgen voor hun kinderen. Dat is het uitgangspunt van Theodor Holmans jongste roman Tjon.

De gelijknamige held is een jongen van 12. We volgen zijn geschiedenis tot zijn 14e jaar, maar zien hem nauwelijks groter en volwassener worden, eerder kleiner en kinderlijker. Het boek is geschreven in de van Theodor Holman bekende hilarische schrijfstijl, wat de lectuur snel, licht en soms buitengewoon amusant maakt maar toch nergens de diepe tragiek wegneemt die het gezin achtervolgt vanaf de Japanse bezetting in Nederlands-Indië tot het burgerleven in Amsterdam.

Bijzonder, als een statement bijna, is dat de ervaringen van de ouders in de Japanse kampen tijdens WO-II via hun zonen tot ons komen. De ouders hebben een heden, hun zonen een verleden. De verhalen worden, verwrongen en vol verzinsels, doorgegeven via Joost, de vier jaar oudere broer van Tjon. Joost heeft een voorsprong in kennis ten opzichte van Tjon, maar is al zo verknipt in zijn gedrag dat hij zijn broertje bijna alleen maar kan pesten met de gruwelijke verhalen die hij van zijn ouders kent. De vader zit dan al in een inrichting, terwijl de moeder vruchteloos probeert de ontwikkeling van haar telgen te sturen. Ze is een liefhebbende maar tegelijk onbereikbare moeder in de beleving van Tjon, door wiens ogen wij het hele verhaal volgen.

Het speelt in de jaren zestig ten tijde van The Beatles en The Rolling Stones. De cultuur die tussen beide Indische broers heerst – de manier van met elkaar omgaan, de onderlinge codes, manipulaties, chantages en overlevingsstrategieën – is levensecht neergezet. Theodor Holman is van huis uit journalist, columnist en scenarioschrijver en dat kun je zien aan de korte hoofdstukken en de veelheid aan dialogen. Wie het boek leest zou gemakkelijk kunnen denken: dat kan ik ook. Vergeet het. Deze schrijver heeft een buitengewone subtiele manier van vertellen, met bijna muzikale herhalingen, een uitstekende timing en veel gevoel voor drama. Hij is een vakman die precies weet wat hij doet, zoals ook zijn held Tjon precies weet wat hij doet wanneer hij in de tuin zijn eigen “Jappenkamp” bouwt en er met zijn schoolvriendjes scenario’s probeert te bedenken om wraak te kunnen nemen op “de vijand”, die zijn vader uiteindelijk ten onder heeft doen gaan.

Tjons puberteit breekt aan en Theodor Holman voert Truusje op als onbereikbare liefde, die zich in rap tempo tot een aantrekkelijke jonge vrouw ontwikkelt. Tjons eerste feestje, bij Truusje, schitterend beschreven, loopt ellendig af voor de jongen, die inmiddels psychisch werkelijk ziek begint te worden. Broer Joost zit intussen om min of meer onduidelijke redenen voor 3 maanden in de gevangenis en het is juist bij afwezigheid van zijn grootste treiterkous dat het voor Tjon werkelijk mis zal gaan. Tjons moeder heeft kennis gekregen aan een andere man, in wie Tjon, hunkerend naar zijn moeder, een vijand ziet. De jongen komt terecht bij een psychiater, ontwikkelt militaristische waanideeën en treedt regelmatig in dialoog met zijn overleden vader. Hoe ellendig alles ook is, Tjon heeft een toekomst, een ideaal, en dat is een medaille krijgen van de koningin. De oorlogsgekte is zijn kop niet meer uit te krijgen, al slaat hij die zelf nog zo hard tegen de muur. Ik ga niet vertellen hoe het verhaal afloopt. Ga het boek zelf maar lezen. Anders mis je een absoluut hoogtepunt in de literatuur van de naoorlogse Indische generatie.

Eerder gepubliceerd in: Indisch Anders, 2e jrg. – nr 01 – april 2007