Sexy woordinflatie

Een greep uit 4.360.000 resultaten op Google:

Het Van Abbe moet meer sexy worden. Qurius moet meer sexy worden. Tijdens het openingsdebat werd gesproken over het meer sexy maken van het onderhoudsvak. ICT moet weer sexy worden. Je moet opleiden, coachen, groeien als mens én als professioneel aantrekkelijker maken, meer sexy. Wij laten zien waarom de langdurige zorg wel sexy is. Over het algemeen boek ik alleen de vrouwelijke, de wat meer sexy opdrachten. Wanneer is iets te sexy. Sexy boeken kopen bij Selexyz. Single & Sexy is een boek dat zeker niet mag ontbreken in je strandtas! Echt sexy van Renate Dorrestein, een boek dat je echt moet lezen. Is onze maatschappij echt te sexy geworden? Twitter is sexy? Tweetbot is een nieuwe Twitter-applicatie voor de iPhone en iPod touch, met een bijzondere interface. Maar geen is zo sexy als de nieuwe Asus 1008HE. Volkswagen lanceerde de sexy New Beetle. Binnenshuis kan alles natuurlijk wel een tikje meer sexy! En van wie het wel wat meer sexy mag. De bedoeling van een galajurk is toch wel dat je er sexy uitziet. Is het nodig dat de kerk meer sexy wordt? Een lastig thema? Maak sexy reclame. Welkom op de site van een creatief, bevlogen en sexy elftal. WK-tweets Zuid-Afrika: geen sexy voetbal meer. Vrouwen die van voetbal houden zijn sexy. De krant halen met sexy projecten is daarom niet voldoende. Roken is niet meer sexy. Journalistiek is niet sexy meer. Dat was met cabaret zo, met mijn studie en met de reclame, maar van al die dingen is schrijven voor mij toch het meest sexy. En dan denk ik weer: waarom moet het sexy? Het Fries is gewoon niet sexy. Wandelen in het zand, sexy, vakantie. Kan erotiek in literatuur nog wel sexy zijn? Koken is sexy! Ik ben altijd van mening dat een merk sexy moet zijn. Duurzaam geproduceerde mode die ook nog eens hartstikke hip en sexy is. Is je merk wel sexy genoeg voor Social Media? Maar een beetje meer initiatief vinden de meeste mannen al sexy. Is ecologisch sexy? Slimme mannen zijn sexy, zo blijkt uit onderzoek naar de relatie tussen intelligentie en vruchtbaarheid. Jongens die hockey spelen zijn sexy is lid geworden van Facebook. Pizza eten kan zo sexy zijn. Saai is het nieuwe sexy. Etc. Etc.

Hoofdkussenboek

hoofdkussenboek Waar een blog al niet goed voor is… Ik had nog maar net geschreven dat er weinig dommers bestaat dan je lievelingsboeken uitlenen of ik kreeg een e-mail van degene die het in bezit had. Die wilde het wel terug komen brengen, maar ik had haast en ben het gaan halen. De reden dat ik Sei Shōnagon’s Hoofdkussenboek zo nodig heb is natuurlijk niet de ellende die momenteel over Japan komt met aardbevingen, tsunami’s en een dreigende vérstrekkende ramp met kerncentrales. En ook niet vanwege een link tussen mijn jongste boek Rivier de Brantas en Japan. Het is gewoon het weer. Als de zon schijnt en ik zit op balkon, dan wil ik in het Hoofdkussenboek lezen. Sei Shōnagon was de eerste blogger van de mensheid (ja, ik overdrijf) en dat deed ze zonder muis en toetsenbord. Ze bezat, zoals elke hofdame, notitieboeken en bewaarde die in het laatje van haar houten hoofdsteun. Ze heeft een scherpe pen, kan erg spotziek en dweepziek zijn en komt nogal ijdel en opschepperig over. Ze beweert dat ze haar “krabbels” louter voor eigen plezier heeft geschreven, maar ik verdenk haar ervan dat ze haar hoofdkussenboek gewoon een keer heeft laten rondslingeren. Haar laatste zin – Wat men ook van mijn boek moge denken, ik betreur het nog altijd dat het aan het licht is gekomen. – neem ik dan ook niet serieus. Met haar schitterende observaties brengt ze het feodale Japan van 1000 jaar terug tot leven: een samenleving die heel wat overzichtelijker was dan, zeg, Nederland anno 2000. Ze laat ook zien dat het gedoe tussen mannen en vrouwen nauwelijks is veranderd. Het belangrijkst is dat ze me op een of andere manier inspireert tot schrijven. Zaken die ik niet op mijn weblog zet en tot nog toe nooit in boekvorm heb laten uitgeven. Want dát is het werkelijke schrijven: niet denken aan publiceren; dat zit je alleen maar in de weg. Wie weet schrijf ik ooit nog haar laatste zin over: Wat men ook van mijn boek moge denken, ik betreur het nog altijd dat het aan het licht is gekomen.

Pasen

hat logo meneer b Pasen is koud in Den Haag. Het algemene weerbericht is zelden van toepassing op de plaatsen direct aan de kust. Een vriend sms’t me dat het in Utrecht stralend weer is. Tweede Paasdag is al net zo saai als de Tweede Kerstdag. Gelukkig woon ik in een multiculturele buurt. Multiculturele samenlevingen zijn een zegen. Kijk maar over duizend jaar, dan is de hele wereld multicultureel. Turkse moslims hebben vandaag hun winkels open. Ze lijken op de Hollandse kruideniers uit de zestig. In een zelfbedieningszaak spreken klanten Engels, Duits, Pools, Hongaars, Turks, Nederlands en nog wat, Servokroatisch of zo. Oost-Europese vrouwen dragen petjes en lange getailleerde jassen, ze zijn vaak wat fragieler dan Hollandse vrouwen. Ze durven nog steeds niet naar andere mannen te kijken, zijn verlegen. Een Indonesisch meisje vroeg me in het Engels of ik haar wilde helpen met het uitkiezen van bloem. Ze zocht gewone bloem. Voor cake, roti kukus iets. Haar vriend was blank, lang, misschien Zweeds.

Pasen is koud in Den Haag

Pasen is koud in Den Haag. Het algemene weerbericht is zelden van toepassing op de plaatsen direct aan de kust. Een vriend sms’t me dat het in Utrecht stralend weer is. Tweede Paasdag is al net zo saai als de Tweede Kerstdag. Gelukkig woon ik in een multiculturele buurt. Multiculturele samenlevingen zijn een zegen. Kijk maar over duizend jaar, dan is de hele wereld multicultureel. Turkse moslims hebben vandaag hun winkels open. Ze lijken op de Hollandse kruideniers uit de zestig. In een zelfbedieningszaak spreken klanten Engels, Duits, Pools, Hongaars, Turks, Nederlands en nog wat, Servokroatisch of zo. Oost-Europese vrouwen dragen petjes en lange getailleerde jassen, ze zijn vaak wat fragieler dan Hollandse vrouwen. Ze durven nog steeds niet naar andere mannen te kijken, zijn verlegen. Een Indonesisch meisje vroeg me in het Engels of ik haar wilde helpen met het uitkiezen van bloem. Ze zocht gewone bloem. Voor cake, roti kukus iets. Haar vriend was blank, lang, misschien Zweeds.

Doch er is een drawback – 2

Als verhalen voor kinderen bij sprookjes beginnen, waarom dan niet verhalen voor volwassenen bij driestuiverromans. Dé-lilah schreef pulpfictie van hoge kwaliteit, boeken die helaas vrijwel niet meer te vinden zijn. In haar plantersroman Hans Tongka’s carrière (1898), een Indische soap superieur, is álles maar dan ook álles te vinden over vrouwenlevens in de kolonie, door alle rangen en standen heen, met diverse Europese en Aziatische nationaliteiten. Je bent als lezer onder meer getuige van de gevechten die Aziatische vrouwen moeten leveren om een blanke man te kunnen huwen. En je krijgt te zien dat het de ene vrouw wél en de andere niet lukt.

In Dé-lilah’s tweedelige roman worden twee zogeheten njais opgevoerd, vrouwen die dansen op het koord tussen huishoudster en minnares van een blanke man. De ene heet Kim, de andere Yum. Kim is mooi, opstandig, geraffineerd en boosaardig. Yum is onooglijk, dociel, naïef en goedmoedig.

Kim gaat door voor een Chinese, maar heeft een Javaanse moeder. Dat wordt uitdrukkelijk gesteld, want dat krengerige in Kim moet toch érgens vandaan komen. Dé-lilah is met haar Indo-Europese achtergrond in haar etnische typeringen veel preciezer dan veel van haar zogeheten ‘volbloed’ Nederlandse collega-schrijvers, wat een gevolg is van een groter etnisch bewustzijn bij Indo-Europese schrijvers. Iemand met een gemengde achtergrond is eerder, en niet zelden sociaal gedwongen, met zijn of haar afkomst bezig. Dat is het raciale oog, wat heel iets anders is dan de racistische blik.

Yum is een volle Chinese, maar het wordt nergens duidelijk of zij in Nederlands-Indië geboren is, of als immigrante direct afkomstig is uit China. Kim en Yum moeten een jaar of twintig zijn wanneer Dé-lilah een rond 1885 gesitueerde historische scène beschrijft, waarin twee Chinese losarbeiders (koelies) zonder enige vorm van proces worden opgehangen (dat was mogelijk in het toenmalige Deli). Mijn overgrootmoeder Rabina is dan tweemaal zo oud en heeft dan al de status bereikt waar Kim en Yum zo naar smachten: een huwelijk met een blanke man.

De dekselse Dé-lilah, met haar enorme, sardonische talent voor soap, gekoppeld aan een cynische, parodiërende blik op het Nederlands-Indische leven, wil wel zo goed zijn om aan het einde van haar boek de onooglijke Yum met een Hollander te laten trouwen. Maar dan wél in Deli, ver van het beschaafde Europa vandaan. Met de mooie, vol streken zittende Kim loopt het slechter af: ze sterft.

Een huwelijk met een blanke man, inclusief een villa ergens in de Nederlandse provincie, is in Dé-lilah’s roman slechts weggelegd voor blanke Hollandse vrouwen. Dat op zich is niets bijzonders in de Indische bellettrie. En daarom is het verhaal van mijn overgrootmoeder Rabina zo bijzonder. Zij was immers een Javaanse. Toch trouwde ze met een blanke man en ging zelfs met hem mee naar Nederland. Er is nog nooit een kenner van de Indische literatuur geweest die mij een boek kon wijzen waarin zo’n verhaal verteld wordt. Verbintenissen tussen Javaanse vrouwen en blanke mannen spelen zich in de Indische bellettrie altijd af op het scandaleuze Java. Indo-Europese vrouwen kwamen wél met hun blanke mannen naar Nederland, maar dat is een ander verhaal, vaak genoeg verteld ook.

(wordt vervolgd)
© Eerder verschenen in De Gids, mei 2007

Beerput – verhaal in Archipel Magazine

Het zuiden van Nederland was nog niet bevrijd door de geallieerden of de slogan Indië verloren, rampspoed geboren galmde als een mantra in de Haagse regeringsgebouwen. De eerste scheepsladingen met mariniers, gerekruteerd in Brabant en Limburg, bleken niet voldoende en na een grondwetswijziging waren dienstplichtigen de klos. Onder die jongens bevond zich mijn oom Jan. ‘Ons Jan’, zo genoemd in het Helmondse, kwam tegen zijn zin als soldaat in de zelfgeproclameerde republiek Indonesië terecht, wendde direct na aankomst buikkrampen voor, misselijkheid, hoofdpijnen en een volslagen afkeer van de tropische hitte.

Mijn vader was een jaar of twintig toen hij in zijn geboorteplaats Soerabaja de pantserwagens van de geallieerden binnen zag rijden en zich als tolk aanbood. Nu, na de Japanse capitulatie, de Nederlanders het stokje van de geallieerden kwamen overnemen, trok hij op met de mariniers en voerde een oorlog die in onze geschiedenisboeken de Politionele Acties genoemd wordt. Koloniale inkt, kroontjespennen, simpel.

Nederlandse jongens speelden domme bijrollen in mijn vaders heldenverhalen, anders dan de Britse en Amerikaanse die hij had meegemaakt. Belanda’s staken een sigaret op in het pikkedonker met de vijand op een steenworp van ze vandaan. Dat soort dingen. Dorpjes platbranden viel niet onder de noemer heldenverhalen, dat was gewoon marinierswerk, er school geen romantiek in. Romantiek kwam pas tot leven wanneer werd besloten om een dorpje níet plat te branden.

Vrouwen, dat.

‘Niet doen, er zit een liefje van mij daar in die kampong.’

‘Hey, daar zit een meid die beweert een kind te hebben van een oom van me, ha ha! Die Belanda’s naaien ook maar raak hier. Mogen wij Indo’s dat dáár ook in Holland? Vreemd is het wel dat die Belanda’s hun vrouwen niet slaan. Hoor je dat? Die Belanda’s slaan hun vrouwen niet, in Holland slaan de vrouwen hun mannen, duh! Die meiden daar hebben haren op hun tanden, loh!’

Oost-Java, vage geschiedenissen alom, op elk niveau. Lijken dreven nooit lang in de kali, de krokodil zwom er nog. Tegen de tijd dat Politionele Actie numero 1 werd ondernomen, had onze lepe Jan de terugreis per schip al aanvaard, hij veegde zich de krokodillentranen van zijn snoet en floot schijnheilig deuntjes van heimwee door de patrijspoort van zijn scheepshut. Gezeten op een truck die hem naar de haven bracht had hij hilarisch zijn correspondentieboekje in de richting van een stel tolken geworpen. Mijn vader had het opgevangen en koesterde het als een juweel. Limbo’s en Brabo’s zwaaiden vaker vlijtig met hun correspondentieboekjes. Er stonden portretten in van bekoorlijke Nederlandse meisjes: godinnen in de ogen van elke Indo.

Mijn vader had de pech Adolf te heten, maar ook het geluk in een land te wonen waar bijnamen belangrijker zijn dan geboortenamen. Hij werd Do genoemd, soms Dodo. Mooie Do kreeg drie correspondentievriendinnetjes: een hoogopgeleide Amsterdamse dame die zich liet fotograferen op een hemelreikende trap in een chique studio, een dame uit de Haagse middenstand poserend met parasol voor het Kurhaus en dan nog een vrolijk lachend kamerolifantje uit het Brabantse Helmond, zeg maar het Kediri van Nederland.

De Amsterdamse schreef haar vlekkeloze brieven in schoonschrift met groene inkt en bestrikte haar enveloppen met paarse lintjes. De Haagse gebruikte een schrijfmachine waarvan de e en de o versleten waren. Daar stond tegenover dat ze naar eigen zeggen zeer hoge snelheden tot wel 200 aanslagen per minuut haalde. Do was daar eigenlijk wel jaloers op. Alsof het niet genoeg was wat zijn elegante vingers op de papierrol hamerden van wat Indonesische verzetsstrijders uitschreeuwden onder de martelingen van de Nederlanders.

Do maakte deel uit van een drietal tolken. Hij sprak en schreef Nederlands, Engels, Frans, Duits, Hoog-Javaans, Midden-Javaans, Laag-Javaans, Madoerees, Soendanees, Pidgin-Chinees, Kantonees, Japans, een beetje Arabisch en natuurlijk Maleis, de voertaal in de kustgebieden van de archipel. Het Helmondse kamerolifantje was erg onder de indruk van Do’s Nederlands. Andersom verbaasde hij zich over haar kinderlijke schrift, idiote interpunctie en onnozele mededelingen. Maar ze had een paar zusters, van wie de leukste serieus uit was op een knappe tropenjongen. Ze dicteerde haar oudste zus, het kamerolifantje, dat ze ‘als boter zo geyl is van je augen’.

‘Dat is geen Nederlands,’ grijnsde een marinier naast hem op een pantserwagen. Een ogenblik later reed mooie Do tijdens Politionele Actie numero 1 op een landmijn en tuimelde tachtig meter een ravijn in. Tot zijn leedwezen kon hij vanwege verwondingen aan zijn rug niet aan Politionele Actie numero 2 meedoen. Hij verbleef een poos in de Willemsoordkazerne. Hij ging wel eens op stap, totdat hij vaker en vaker zijn naam op de wind voorbij hoorde komen, die was opgestoken in de achtertuin van Soekarno. Zijn naam stond op de zwarte lijst. De strijd was beslecht, voor Do verloren, de dekolonisatie kon beginnen. Het ene na het andere schip vol militairen of burgers vertrok richting Holland. Mooie Do kreeg het bevel permanent binnen de muren van de kazerne te blijven. Hij zou hulp krijgen van een schimmige Nederlandse kapitein, zonder wiens netwerk hij nooit zijn land had kunnen ontvluchten, waar zijn toekomst in de maag van een krokodil lag.

Daags voor zijn vertrek nam hij tijdens de stille en minder onveilige middaguren afscheid van zijn moeder, de kokkin en de huisbediende. Alle anderen waren afwezig. In de avond sloop hij de kazerne uit met Ben, een Ambonese vriend, die een goede Chinees wist aan de Embong Malang. Volgens Ben was het varkensvlees bij die Chinees het beste van de stad en wellicht van heel Oost-Java, zo niet van het hele eiland. Hij kende ook het geheim van de Chinees, maar wilde dat niet zeggen. Hij liet alleen maar een hilarisch gegrinnik horen.

‘Ik kom er toch wel achter,’ zei Do, ‘ik kom overal achter, dat wéét je.’

Do doelde op de ondervragingstactieken die hij kende om Indonesische gevangenen aan het praten te krijgen. Een lange bootreis wachtte beiden. Hij had dan alle tijd Ben aan het praten te krijgen.

* * *

U bent op ongeveer eenderde van Alfred Birney’s verhaal Beerput. Verder lezen? Click hier voor het nemen van een abonnement of het aanvragen van een proefnummer van Archipel Magazine. Of hol naar een goede boekwinkel of kiosk. Geen idee waar in uw woonplaats? Vraag het Archipel Magazine per e-mail.

Een ander beeld

hat logo meneer b Ik ben een televisiehater en daar heb ik een goede reden voor. Vijfennegentig procent van het programma-aanbod bedient de niet-avontuurlijk kijker. Een halve eeuw van Amerikaanse dominantie heeft de televisiekijker murw gemaakt en gehersenspoeld. Afgelopen nacht had ik het geluk een Koreaanse remake van een Amerikaanse remake van een Franse remake te ontdekken. Ik had wel behoefte aan wat afleiding, want mijn pc had kuren en het nationale voetbalelftal had een slechte avond en vloog uit het toernooi. Welke voetbaltrainer laat dan ook een B-team opdraven zodra de volgende ronde is gehaald, zodat het A-team liefst een volle week kan gaan rusten? Zelfs vrouwen mochten komen overnachten. Een voetbaltoernooi dient in volkomen afzondering benaderd te worden, spelers zijn monniken, ze hebben geen recht op een gewoon leven en waarom zouden ze dat willen? Enfin, mijn naam is Meneer B. en ik heb een geweldige smaak. Voor werkelijk fraaie cinema moet je naar China, Japan en Korea. De film was uit 2003 en speelde in het achttiende-eeuwse Korea. Alleen de kostuums en de subtiele mimiek van de spelers waren al een genot om naar te kijken. Erotische scènes waren niet expliciet en dus een verademing. Maar dan: op driekwart van de film breekt het beeld horizontaal, de spelers worden onthoofd, hun voeten en de ondertiteling komen in de lucht te hangen en hun rompen dansen onderin. De storing in de uitzending duurde zeker een kwartier. Waarom is de film niet teruggespoeld tot waar het misging? Waarom is schoonheid gedoemd te sterven?

Het zijn maar foto’s

logo alfred birney Ik heb mijn boekenkast afgezocht naar een essay van een schrijfster die ooit beweerde dat fotograferen geen kunst is. Ik kon het niet vinden, of ik was te lui om het te vinden, mijn boekenkast is een doolhof, werkelijk. Als ik me nou de naam van de schrijfster maar herinnerde, dan zou dat het zoeken een stuk makkelijker maken. Het is een Amerikaans schrijfster, geliefd bij literatuurwetenschappers die met hun hoofd en niet met hun hart lezen. Ze schreef of zei ooit dat fotograferen niets anders is dan simpelweg een knopje indrukken. Ik ben het daar wel mee eens. Natuurlijk heb je zoiets als een oog nodig, timing, gevoel voor verhoudingen and all that, maar voor de rest is het toch echt simpelweg een knopje indrukken. Kijk maar op het internet: de fotoblogs zijn niet van de lucht. Veel foto’s van luchten trouwens, zonsondergangen, de regenbogen vliegen je om de oren. Ik heb een simpel cameraatje, een paar jaar geleden inderhaast gekocht ergens in Indonesië, ik dacht dat ik wel foto’s kon gebruiken voor een beetje couleur locale. Nooit gebruikt. Ik kijk naar binnen als ik schrijf. Kortom, ik neem fotografie niet serieus. Natuurlijk mag niemand daaronder lijden. Toch heb ik gisteren een slachtoffer gemaakt: niemand minder dan mijn eigen tweelingbroer. Now, ain’t that no shame? De jongen moest op voor een jujutsu-examen en ik zat tussen het publiek. De sensei vroeg me of ik foto’s van mijn broer wilde maken en griste diens fototoestel bij hem vandaan (wat moet een jujutsuka ook met een camera op de mat, dat is tegen alle regels). Ik kreeg het in mijn handen geduwd en zag meer dan één knopje. Het duizelde me, werkelijk. Fotograferen is in elk geval moeilijker gemáákt dan toen in de jaren dertig die Amerikaanse schrijfster, wier naam u maar van me tegoed moet houden, zo op dat ene knopje afgaf (niks Freudiaans, I presume). Ik keek wat dom om me heen en vond een slimmerik die het toestel op automatic zette. Daarna ben ik gaan schieten: veel broer, veel mooie vrouwen. Het gaat tegenwoordig bijzonder snel met die foto’s, dus ik kreeg vandaag al bericht. Ze waren allemaal mislukt, vanwege een verkeerde instelling, iets met een knopje. Plus… ik had alle voorgaande 400 foto’s die mijn broer had gemaakt, overschreven. Dat betekent: uitgegomd. Mijn broer was niet boos, zijn examen was immers geslaagd. En ik heb de persoonlijke herinnering weer eens een dienst bewezen.

Buzz

logo alfred birney Gisteren was ik op een ouderwetse boekpresentatie van collega Kees Ruys, een reisverslaafde romanticus die erg goed kan schrijven over zijn belevenissen in Indonesië. De boekpresentatie was lekker ouderwets. Ze vond plaats in een knusse boekhandel die zich specialiseert in reisboeken: Reisboekhandel Stanley & Livingstone in het Haagsche. Een stapel boeken, wijn, hapjes en een signerende schrijver. Dat. Plus het weerzien met mensen van wie ik dacht dat ze al dood waren of die dachten dat ik al dood was. Een enkeling zag er nog even jong uit als weleer en later hoorde ik dat hij speciaal zijn baard liet staan om er ouder uit te zien. Ooit gehoord dit? Nee? Zet die televisie dan eens uit. Voor wie schrijfambities heeft en alvast een moderne boekpresentatie wil boeken, volgen hier enkele tips. Huur Krasnapolsky af. Laat de NOS, BBC en CNN aanrukken met hun cameraploegen. Huur een colonne mooie vrouwen in die de VIPS van de Amsterdamse Grachtengordel naar het hotel lokt. Hoe onnozeler de VIP, hoe beter voor u. Zorg voor een flitsende demo on stage (niet te lang, de mensen hebben haast), indien mogelijk met Oprah Winfrey als interviewer. Vergeet geen trailer te laten maken voor uw speciaal in het leven geroepen flashy website. Het kost wat geld, maar als je het zo aanpakt dan hoef je je geen zorgen te maken over wat er allemaal aan zin of onzin in je boek staat. Zelf heb ik liever de ouderwetse manier, dus na de borrel bezoeken wij met een stuk of 15 personen een Indonesisch restaurant aan de Grote Markt. Erg gezellig. Mooie eloquente vrouwen, keurige erudiete heren. Ik licht één van mijn tafelgenotes in dat ik op dergelijke avonden altijd wel wat verkeerds zeg. En neem me voor dat op die avond niet te doen. Het lukt, bijna… Helaas schiet ik vlak voor ons vertrek nog even uit mijn slof tegen een oudere heer, die volgens mij iets totaals verkeerd zegt. Ik vraag de welingelichte tafelgenote of ik zonet misschien wat agressief was. Ze beaamde dat ik het was, ja, agressief, en ze liet er nog wat opvoedkundige woorden achteraan komen. Die ben ik helaas weer vergeten. Al dat ik kan zeggen is dat ik weer eens helemaal mezelf was. U zult begrijpen dat het internet nog niet bijster leeft in Haagsche literaire kringen, maar dat een ouderwetse boekpresentatie natuurlijk geen zin heeft zonder buzz. So buzz this one please…***

*** Hier stond een link, die is thans dood.

De Gids met Indische schrijfsters

logo alfred birney Wie in zijn familiegeschiedenis duikt, komt vroeg of laat wel ergens een wapenschild of beroemdheid tegen. Op een dag keek ik terug op wat ik geschreven had en welke familieleden model in mijn romans hadden gestaan. Dat waren mijn vader en mijn grootmoeder. Er restte nog één figuur die ik moest ontdekken langs de Indische lijn in mijn familie: mijn overgrootmoeder. Onderzoek plegen hoefde niet, gegevens over haar werden me mettertijd ongevraagd aangereikt door historici en literatuurwetenschappers die mijn schrijverspad kruisten en verdwenen ongelezen in mijn lade. Die hoefde ik slechts open te trekken toen ik aan een novelle begon te werken en haar – dit klinkt oneerbiedig – als bijfiguur nodig had. Rabina heette ze, geboren ergens op Oost-Java, zonder achternaam. Niet direct iemand die je in de negentiende eeuw ergens in Overijssel zou tegenkomen, dacht ik. En zo dachten indertijd Anne Busken Huet en Sophie Potgieter ook. Anne was de vrouw van de schrijver, criticus en journalist Conrad Busken Huet, die zijn heil in Batavia was gaan zoeken. Sophie was de zuster van E. J. Potgieter, mede oprichter van het tijdschrift waar u nu in leest: De Gids…

Zo begint mijn bijdrage van bijna 5.000 woorden aan het jongste nummer van De Gids, dat met zijn leeftijd van 170 jaar het oudste culturele tijdschrift van Europa is en misschien wel van de hele wereld. Toen het werd opgericht, leefde mijn overgrootmoeder nog niet, die rond 1880 als een der eerste Oost-Javaanse vrouwen in Nederland kwam wonen en er, dat begrijpt u, niet bijster warm werd onthaald. Nu mag zij als historisch figuur De Gids van mei 2007 openen, en zo richt ik dan een standbeeld voor haar op.

Het themanummer van De Gids heet Indische schrijfsters. Mijn, zeer impliciete, kritiek op deze Indische schrijfsters is dat zij nooit een Javaanse in Nederland hebben beschreven. Ze kwamen niet verder dan Indo-Europese vrouwen, wat enerzijds nogal voor de hand liggend was maar anderzijds toch ook weer niet getuigde van een progressieve blik.

Zoals gewoonlijk in het huidig tijdsgewricht houdt bijna geen hond zich precies aan zijn of haar opdracht en zo vliegt het ook in deze Gids, met instemming van de redactie uiteraard, zo’n beetje alle kanten op met onder meer Basha Faber, Henk Mak van Dijk, Greddy Huisman, Arjen Mulder, Frank Okker, Anneloes Timmerije en Vilan van de Loo. Ik vind de cover wat smakeloos met een lezende Madelon Székely-Lulofs naast een door haarzelf zelfgeschoten krokodil. Maar goed, met palmbomen, vulkanen, batik en wajangfiguren kun je onderhand toch ook niet meer aankomen.

De Gids is verkrijgbaar bij de betere boekhandels in Amersfoort, Amsterdam, Arnhem, Baarn, Bergen, Bilthoven, Boxtel, Brugge (B.), Den Bosch, Den Haag, Dronten, Eindhoven, Gorinchem, Groningen, Haarlem, Hilversum, Hoofddorp, Krimpen a/d IJssel, Laren, Leiden, Maastricht, Makkum, Middelburg, Naarden, Nijmegen, Nootdorp, Oss, Papendrecht, Ridderkerk, Roermond, Rotterdam, Tilburg, Turnhout (B.), Utrecht, Velp, Venlo, Voorburg, Winterswijk, Zeist en Zutphen.