Teksten voor foto-installatie Fabio-Romano del Castelletto

raamvertelling Op vrijdagavond, 4 november a.s. om 19:00 uur vindt de opening plaats van de foto-expositie van Fabio-Romano del Castelletto in de Maldoror Galerie, Den Haag. Er hangen vier hedendaagse fotowerken, in de traditie van de oude Chinese schilderkunst op papieren rollen (scrolls). Deze zijn vermengd met teksten van de de Turkse schrijver Murat Tuncel, de Chinese kalligrafist Wu Park en de Indische schrijver Alfred Birney.

De laatste, Alfred Birney, zal zijn teksten tijdens de opening live op twee van de ‘scrolls’ aanbrengen. Dit is livestream te volgen.

De tentoonstelling is na de opening te bezoeken op alle zaterdagen in november van half twee tot half zes ’s middags. Verder op afspraak en tijdens Hoogtij #27! (Persbericht)

Opzet van de installatie:

De Wagenstraat in Den Haag functioneert als het ware als een sluis, via welke verschillende culturen komen en gaan. Hollanders die uit andere buurten naar het centrum komen om te shoppen, Turken die op weg gaan naar de Grote Moskee, kunstenaars die er wonen en het unieke gedeelte van het oude centrum delen met de Chinezen van China Town. En… elkaar nu ontmoeten in de intieme galerie van Stichting Maldoror.

De bedoeling van Fabio-Romano del Castelletto is om de reacties van de bezoekers van de expositie vast te leggen, terwijl die kijken naar het werk van de schrijvers uit verschillende culturen en de fotografische observaties ondergaan van wat door de zee aan onze kust aanspoelt.

Murat Tuncel, die op een minimalistische manier, als op een schoolbord, een ritmische klank proza in zijn moederstaal (Turks) toevoegt aan het bijna kalligrafisch aangespoelde zeewier.

Wu Park, die zijn met indische inkt vloeiende, vluchtige poetische indrukken op foto’s van zware en concrete objecten achterlaat. Zijn observaties zijn, zoals de Chinese dichters en schilders die in het China van de 17de eeuw ze op papieren rollen uitwisselden: poëtisch en filosofisch tegelijk.

Alfred Birney reageert op dood materiaal en natuur, die symbolisch zijn voor het Indische verleden van zowel hem als Fabio-Romano del Castelletto.

Het geheel is een interactie van vier personen met verschillende cultuurhistorische achtergronden, tegen het licht van de natuur die op foto’s zijn vastgelegd.

Rivier de Lossie – fragment (1)

(1)

Het was in mijn veertigste levensjaar. Door het plotselinge uiteenvallen van een band die me had gecontracteerd voor een festival in Schotland leek mijn vliegticket waardeloos geworden. Maar ik had mijn komende afwezigheid overal al aangekondigd. Ik greep de gelegenheid aan om de bedevaart te ondernemen die ik mezelf ooit als jongeling had voorgenomen te maken. Sluipenderwijs zou het lot me aan een hiaat in mijn bestaan komen herinneren.

Tijdens de voorbereidingen op mijn reis herinnerde ik me uit een donkere episode van mijn verleden een scène waarin de voetsporen van mijn leven onzichtbaar voor me uit dansten. Ik had mijn gitaar achtergelaten op een feestje bij een Amerikaanse jongen die na zijn schooltijd op de Nederlandse American High School in Den Haag was blijven hangen. Met een buurjongen, die net in het studentenhuis waar ik zat was komen wonen, wandelde ik naar het huis van de Amerikaanse jongen aan de Conradkade. Het was een huis van expats, er werd niet opengedaan. Mijn buurjongen, ook een gitarist, dacht dat er politie aan de deur werd vermoed en dat de voordeur daarom gesloten bleef. Amerikaanse kinderen van kosmopolitische ouders waren vaak huiverig voor politie-invallen in die tijd, ze waren dat gewend in eigen land.

Toch maakte het me wantrouwig. Ik was bang dat ik mijn gitaar voorgoed kwijt zou zijn. Mijn buurjongen schudde misprijzend zijn hoofd, maakte een geruststellend gebaar en stelde voor terug te gaan naar huis.

Ik voelde me wat verloren, de wind joeg duizenden herfstbladeren over de brug, we doken diep in onze jassen. Ik vroeg me af hoe mijn nieuwe buurjongen gitaar zou spelen en bekeek zijn vingers, die zich kromden rond de revers van zijn ouderwetse loden jas.

Mijn buurjongen werd geroepen door een Iers stel aan de overkant. We schoolden met ons vieren samen op de vluchtheuvel tussen de tramrails op de kruising van de Laan van Meerdervoort en de Conradkade. De Ierse jongen droeg een lange jas met capuchon en had zijn gitaarkoffer volgeplakt met kleurige stickers die een reis om de wereld verrieden. Zijn gezellin had een vioolkoffer onder haar arm.

De jongens beraadslaagden waarheen te gaan. Het meisje en ik zwegen, het was op een avond in 1971, ik was twintig, zij misschien wat jonger, de jongens waren iets ouder. De Ierse jongen wilde naar Café Chantant aan het Noordeinde. Maar volgens mijn buurjongen was het dringen geblazen als je daar op zaterdagavond wilde spelen. Hij bleek de stad goed te kennen, was al vaak verhuisd, en wist wel iets anders.

We liepen over de laan richting bioscoop Metropole en sloegen af bij de ambassadewijk. Uit een villa klonk jazzmuziek, ik zag mensen in avondtoilet voor de ramen en droomde er het pluche en de kroonluchters bij. Het meisje en ik liepen zwijgend achter de jongens aan. Ik hoorde ze spreken over David Crosby, die een solo-elpee had uitgebracht. Ik kende de plaat, ik huiverde altijd bij het laatste nummer, een soort gregoriaans uit de kelen van spoken in een onwezenlijk escheriaans trappengewelf. De titel was I’d swear there was somebody here en vormde een verhaal zonder woorden met de elpeetitel: If I could only remember my name

De jongens doodden de tijd onderweg langs de Scheveningse Bosjes met een discussie over de betekenis van David Crosby’s lyriek. De een hield het op een hang naar de reïncarnatieleer, de ander op een diep gemis zonder duidelijke voorstelling van wat dat gemis precies kon zijn. Misschien bedoelden ze hetzelfde maar luisterden ze niet goed naar elkaar.

Een clandestiene folkclub lag ergens boven in een hoekhuis in het Renbaankwartier, waar je de zee kon ruiken. Er was geen alcohol of marihuana, wel hete soep. Schaakborden, gedempte conversaties. Op een barkruk zat een jongen met een bebrild vollemaansgezicht, varkenslijf en worstvingers geweldig gitaar te spelen. De jongen zong in het Gaelic. Ik verstond hem niet maar begon een land te missen waar ik nog nooit geweest was.

Het verloren lied 12

radio-antenne Ik lig avonden lang te staren naar het lichtspleetje tussen de gordijnen. Voordat de slaap me vindt, zie ik de grote oceaanstomer met al zijn lichtjes, een fonkelende parelketting in de donkere zee. Mijn grootvader zit ergens verstopt in de grote buik van de danszaal, waar hij speelt voor de mensen in avondkleding. Hij reisde de liedjes na die de wind voor het schip uit blies, de noten dansten boven de golvende ruggen van dolfijnen. Toen verdween hij. Waar is hij gebleven? Als er ¡emand was die me kon helpen het lied van toen op te sporen, dan was hij het.

Meer lezen over de jaren zestig?
Lees het komende fragment.
Of bestel het boek

Het verloren lied 1

radio-antenne Ik hoorde ooit een lied en ben het altijd blijven zoeken. Misschien hoorde ik het op een van die avonden nadat mijn grootvader was vertrokken, ik weet het niet. De laatste keer dat hij scheep ging was aan de vooravond van 1960, in een vreemd huis ergens in de buurt van de haven. We logeerden er rond de jaarwisseling, maar mijn ouders waren uitgegaan. Mijn grootouders hielden de gastheer en gastvrouw beneden gezelschap en ik lag onder een wollen deken op een divan in een halfduistere kamer met om me heen de spookachtige silhouetten van voorwerpen die bij oude mensen hoorden.
     
Een buizenradio verspreidde zijn zachte gele licht. Zijn geruis herinnerde aan een Nederlandse zender die met een sluitingsmelodie van verontrustend eentonige carillonklanken de ether had verlaten. De glazen zenderplaat met zijn toverachtige muizentrappen vol namen van grote radiostations lokte me, maar ik durfde de divan niet af in de vreemde kamer. Ten slotte kwam mijn grootvader boven kijken en zag dat ik nog wakker lag.
     
De man reikte me zijn oude, gebruinde hand en leidde me naar een rookstoel bij het raam. Hij ontstak het schemerlampje op de radio en liet me bij zich op de brede stoelleuning zitten. Achterover geleund fluisterde hij dat ik de laatste uren voor middernacht beslist wakend moest meemaken.
     
Het licht van de radio legde de groeven in zijn gezicht bloot. Men zei dat je kon zien dat hij vaak in de tropen was geweest. De pianist was aan wal geweest, had thuis in Den Haag verlof gevierd, maar hij miste de deining alweer van de zee, de geur van de danszalen op de schepen, het applaus van de passagiers en misschien miste hij nog meer, heel ver overzee.
     
Hij neuriede wat en begon met de knoppen en de toetsen in de grote houten lijst van het radiotoestel te spelen. Ik volgde de kalme bewegingen van zijn tanige vingers. Zijn vingertoppen streelden de ivoren toetsen van de golfbanden met hun confetti van namen en getallen, en hij begon zachtjes te praten. De lange golf noemde hij een lege balzaal, de korte golf een eng doolhof. Ik moest maar op de middengolf zoeken, de brede boulevard. Daar werd het `s avonds druk en spannend en kon je op de zwakste zenders gaan jagen: die waren eigenwijs en brachten je vaak de mooiste muziek. De Nederlandse zenders moest ik overslaan, de buitenlandse waren beter. Als mijn vader eens een wereldontvanger op de kop tikte, wie weet vond ik dan ooit een zender uit een land waar hij, grootvader, toevallig verbleef.
     
Hij zou teruggaan naar Indonesië, voor de laatste keer, al was het land niet meer als toen. Sinds de oorlog was het Indië niet meer, zei hij, de mensen waren niet meer zo gastvrij. Maar hij zou nog één keer gaan, op uitnodiging, en dan nooit meer. Als hij terugkwam zou hij zijn oude koffer vol bladmuziek met tango’s openmaken en er Scheveningen mee gaan veroveren.
     
Hij, grootvader Langenacht, hield van Indië maar droomde van Argentinië. Mocht ik eens een tango op de radio horen, dan moest ik maar aan hem denken.
     
Ik knikte.
     
En wilde ik hem beloven later piano te gaan spelen?
     
Ik knikte weer maar voelde me vreemd ongerust.
     
‘Maak je geen zorgen,’ zei hij, ‘als muzikant ben je nooit alleen, zul jij nooit alleen zijn later. Maar bij de radio kan een mens beter wel alleen zijn.’
     
Hij kwam uit de rookstoel en deed iets wat hij nooit gedaan had: hij kuste me op mijn voorhoofd. Toen ging hij weer naar beneden.
     
Ik voelde me een ingewijde en begon omzichtig met de toetsen te spelen, liet bijna vroom de zenderstaaf dwalen langs de zenderschaal. Soms, tussen twee grote zenders weggedrukt, klonk een lied vol heimwee. Dan bewoog ik de afstemwijzer zachtjes heen en weer om te voorkomen dat de muziek wegstierf en vroeg me af hoe dat lied van toen ook weer had geklonken.
     
Ik was het liefst de hele nacht in de rookstoel blijven zitten, met de geur van grootvader om me heen, maar ik werd weggeroepen van de radio door mijn teruggekeerde ouders van beneden aan de trap.
     
Het grote licht in de huiskamer deed me pijn aan de ogen. Mijn ouders, grootmoeder en de heer en mevrouw des huizes vormden een kring rond de salontafel om te proosten op het nieuwe decennium, de jaren zestig, een getal dat een geheimzinnig aanlokkende klank voor me had.
     
De klok sloeg twaalf en de lucht werd versierd boven de daken van IJmuiden. Een lichtkogel trok een streep tussen de kleurige anemonen en hoepelrokken hoog boven de haven.
     
Ze vroegen me of ik het mooi vond, het geknal en gekanonneer in de verte. Ik knikte maar vroeg me aldoor af of grootvader werkelijk naar bed was gegaan, zoals ze hadden gezegd. Misschien zat hij met zijn oor bij de radio en zou hij dat de hele nacht blijven doen.

Meer lezen over de jaren zestig?
Lees het komende fragment.
Of bestel het boek

Eindredactie, enfin

hat logo meneer b Ziezo, ik heb mijn naschrift teruggekregen van mijn eindredacteur. Het kon haar goedkeuring wegdragen. Een groot geluk voor haar, want ik was niet van plan er iets aan te veranderen. Haar kritische kanttekeningen betreffen alleen formuleringen en spelling. Elke zin, elk woord is gewikt en gewogen. Gelukkig ging het per e-mail. Verleden keer moest ik het doen met haar gekriebel in de kantlijn, wat een straf is. Ze kwam heel hulpvaardig langs om haar aantekeningen voor te lezen en toe te lichten. Ze zei dat meer schrijvers moeite hebben met haar kriebelhandschrift. Corrigeren en redigeren op het beeldscherm gaat niet, dat levert tekstverwerkersproza op, of weblogproza of zelfs cms-proza. Ik neem aan dat ze eerst dat dunne potlood van haar heeft gebruikt. Ik vraag me af hoe het bij de krant gaat tegenwoordig. Mij dunkt loopt niet de eerste de beste recensent langs de brievenbus van zijn krant of er zijn bijdrage te posten. Zo ging dat ooit. Een recensent van de Volkskrant zag de hele week uit naar dat ene loopje van zijn huis naar de brievenbus. Wat een opwindend leven had die man toch. Dat was het echte papierwerk. Zo werk ik ook nog. En ook mijn leven is, dat begrijpt u, zeer opwindend. Zo trotseerde ik vandaag het hectische verkeer op mijn mountainbike, om maar iets te noemen. Dat was werken geblazen. De dwarrelende wind was zo venijnig dat ik niet eens naar de zee kon kijken terwijl ik over de boulevard fietste. Ik was voortdurend bedacht op auto’s die van hun lijn weken. De badplaats is nog vol toeristen. Vakantielezers…

Non-communicatieve sms’jes

strandstoel Zit aan een Carslberg op 10 meter van de Middellandse Zee op Cyprus. Echt genieten. Lekker weer hier.

Hier 34 graden, zeewindje, zonnebril, lekkere wijven.

Hi ik zit hier op Bali en wordt lekker gemasseerd op het strand. Ik zie overal mensen die op jou lijken.

Hallo allemaal! Het is echt fantastisch hier in Roemenië! Kosmische ervaringen, overweldigend natuurschoon, heerlijk weer – jullie horen nog van ons!

Blij dat ik niet in Nederland zit. Thailand is gewoon geweldig! Lekker weer, heerlijk snorkelen hier, de mensen zijn superaardig, ik begin me gewoonweg koloniaal te voelen, ha ha.

Wat maakt dit soort telefonische tekstberichten nou zo irritant? Waarom doen ze zo onsympathiek aan vergeleken met de ouderwetse ansichtkaart?

Ten eerste heeft dit soort sms’jes een langeneusgehalte: ik zit lekker hier in de zon, jij zit klote daar in dat regenachtige Holland. Ten tweede: wat moet je op dit soort berichten antwoorden? Je hebt de afzender immers al een prettige vakantie gewenst. Moet je dat dan wéér doen? Ten derde: het is zo gemakkelijk om een sms’je te sturen terwijl je op het strand ligt. Je hoeft dan niet naar de kiosk om een aardige ansichtkaart uit te zoeken. Je hoeft geen pen te zoeken en na te denken om wat leuks op de achterkant van de ansichtkaart te schrijven. Je hoeft niet in de rij op het postkantoor om een postzegel te kopen.

Met een ansichtkaart toon je méér dan een sms’je. Je laat iets zien van de omgeving waar je zit. Je toont dat je écht aan de mensen denkt die thuis zitten. De kaart die je stuurt is door jou aangeraakt, het is jouw handschrift en niet dat van een robot. Enzovoort. Je toont ook enig gevoel voor de juiste keuze van het communicatiemiddel waarvan je gebruik maakt. Wanneer stuur je een sms’je, wanneer een e-mail, wanneer een brief, wanneer pak je de telefoon, onder welke omstandigheden verzend je een telegram, wanneer ga je onaangekondigd in levende lijve bij iemand op bezoek?

Het volgende heb ik nog niet op mijn mobieltje ontvangen: Met diepe droefheid geven wij te kennen dat van ons is heengegaan… Maar dat zal ook nog wel gaan komen.

Kreeft

hat logo meneer b Mijn naam is meneer B. en ik eet geen kreeft. Het is niet zo dat ik uit principe geen kreeft eet. Ik bedacht het slechts toen ik vanmiddag een kolonie kreeften gadesloeg. Het was in een van die supermarkten in China Town, de bak stond op borsthoogte en de dieren kropen over elkaar heen in fris gehouden water. Het aantal verbaasde me, het moesten er wel vijftig zijn. Chinezen eten alles, dat is mij bekend, maar het eten van kreeft associeer ik eerder met het mediterrane leven. Ik was ooit dol op island hopping, ik at van alles aan de haventjes op de Griekse eilanden, maar géén kreeft. Dat ze levend worden gekookt kan een bezwaar van me zijn geweest. De onwil mijn onervarenheid te tonen met het eten van kreeft kan hebben meegespeeld. De dieren waren prijzig indertijd. Het was not done om kreeft te eten. Kreeft was iets voor de nouveau riche en overige aanstellers. Thans is het eten van kreeft bijna een volksaangelegenheid geworden. Er zijn mensen die vinden dat ze ‘alles’ moeten hebben geprobeerd voor ze sterven. Zoiets is natuurlijk onmogelijk. Zouden ze ‘alles’ vervangen met ‘zoveel mogelijk’, dan wekten ze althans de indruk over het leven te hebben nagedacht, ondanks een dergelijke armzalige levensinstelling. Ik zou op mijn beurt nooit het tegenovergestelde zeggen. Het lijkt me eerlijk gezegd wel lekker om me eens aan kreeft te wagen. Maar dan moet er wel iemand tegenover je zitten, in een jurk, ze jongleert met een muiltje op haar tenen onder een wiebelende tafel en verleidt je benen tot een tango onder tafel, enfin de zee klotst loom tegen de kaderand, er zijn lichtjes in de verte, alles bevindt zich in de verte, geen helderziende kan vooruit zonder turen in de verte. Ik kijk liever achterom.

Storm

Die eigenzinnige weerkundige in het Engelse, die luistert naar de naam Piers Corbyn (hoe spreken ze dat aan de overkant eigenlijk uit?), is behoorlijk uitgelachen de afgelopen dagen. Het KNMI zag namelijk geen enkel teken van zoiets als een naderende storm of ook maar een herfstwindje. Integendeel: de zon zou gaan schijnen en het weer zou bijkans lenteachtig aanvoelen. Nou zat ik vandaag op de fiets, maar het was beuken geblazen tegen die noordenwind in (de weerkaart gaf een zuidenwind aan). Met de wind in mijn rug hield ik met gemak de auto’s bij terwijl ik op mijn lompe stadsfiets de boulevard afsjeesde. Ik zag één zot op een kleine surfplank over de woeste golven scheren en verwachtte elk ogenblik dat de wind zijn kite zou grijpen om hem over het havenhoofd te slingeren. De wind voelde grillig aan, zo niet onheilspellend. Maar dat kon inbeelding zijn. Nu lees ik dat het eigenwijze, of zelfvoldane, KNMI inmiddels tóch met een waarschuwing is gekomen voor wegverkeer en scheepvaart. Niet dat dat iets bijzonders is voor de tijd van het jaar, zegt het KNMI er bij. Intussen zal die Piers Corbijn misschien bijna hopen dat er een enorme storm zal gaan razen over Nederland, dan kan hij een stap verder zetten in de bewijsvoering van zijn theorie die zegt dat zonnevlekken het weer op aarde beïnvloeden. De weersverwachting dus als politiek spel tussen de gevestigde orde (KNMI) en WeatherAction: zeg maar het Linux onder de meteorologen. We zullen zien. Of voelen. Blub?

Maanziek en zo

Het verkeer is niet agressief maar nerveus, mensen vergeten naar de lucht te kijken. Mijn zoon dacht dat het al volle maan was omdat de kids uit zijn klas zo opgewonden waren, maar nee: de maan is pas vol aanstaande zaterdag om 15:30 uur. Volgens de oude Chinezen begint de yang-energie af te nemen op het ogenblik van opperste volheid, vandaar dat een volle lijn in de I Tjing dan beweegt naar zijn tegenpool: yin. Zo werkt het ook met de maan: die gaat naar een nieuwe schijngestalte. Mensen reageren sterker op een toename van energie dan op iets dat zijn hoogtepunt heeft bereikt. Extra gevoelig voor volle maan-standen zijn chronisch zieken, want zij houden dan veel meer vocht vast. Hoe het zit met manisch depressieven en overige neuroten zou ik even niet weten. En wat te denken van de zee? Die heeft een bondgenootschap met de maan. Als die Engelse weerkundige Piers Corbyn gelijk krijgt met zijn voorspelling dat wij een megastorm te verduren zullen krijgen, dan zullen we wel zien of er sprake is van echte passie tussen het veel bezongen hemellichaam en the unfathomable sea according to Shelley.

Waar blijft de herfst?

hat logo meneer b Nou had ik vandaag mijn derdewereldcamera mee willen nemen toen ik op de fiets stapte, maar er speelde kennelijk te veel door mijn hoofd. Ik kan niet zeggen wat er allemaal speelde, het zal deels zeer interessant zijn geweest en deels volstrekt oninteressant. Kortom: zoals de dag was. Weinig wind, geen onaangename temperatuur, het verkeer rustig, om niet te zeggen beleefd, de automobilisten bijna bespottelijk hoffelijk. In de duinen zocht ik op een zeker punt naar een eekhoorn, die ik eerder in het voorjaar zag. Ik verwachtte niet dat het jonge knaagdier er nog zou rondhangen, de herinnering stuurde eenvoudig mijn verwachting, enfin, dat snapt u natuurlijk wel, u weet toch hoe het leven is, niet? Ik kan niet zeggen dat ik bijzonder veel zin had in fietsen, weinig zin had ik er ook niet in. Ik voelde me goed noch slecht, een bijzonderheid voor een luimig persoon als ik. Toen ik het geasfalteerde duin van de Scheveningseslag opreed, bedacht ik pas dat ik mijn derdewereldcamera niet bij me had (2.0 mega pixels, gekocht in Solo op Java, drie jaar terug toen daar al gadgets freaks al over 8.0 mega pixels repten.) De camera bleek uiteindelijk niet nodig. Van het beeld dat ik gisteren zag, was weinig over. Niks geen troosteloze afbraak van strandtenten, tractorsporen, anderhalve hond met eenzame wandelaar op het strand. Hier en daar wel wat kaalslag, maar nog altijd te veel van die afschuwelijke strandtenten die je een vrij zicht op zee belemmeren. Waar blijft de herfst?