Oude kameraden

gekko De Indische schrijversavond van afgelopen woensdagavond in het Mondiaal Centrum Haarlem was goed, gevarieerd en onderhoudend. Mijn chaperonne, een van een beroemde Franse regisseur geleende kosmopoliet die al overal op de wereld heeft gewoond, was prettig gezelschap: ze was er wel en ze was er niet. Mijn leesbril, visitekaartje, tekstrol en meer van dat spul dat je als schrijver mee moet nemen als het podium wacht, konden gemakkelijk in haar tas, zodat ik niet met van die uitpuilende zakken hoefde te lopen.

Ik had Frans Lopulalan gevraagd om ook te komen. Zijn uiterlijk verbaasde me toen we hem op het station van Haarlem troffen. Die hoed droeg hij jaren terug al, maar ditmaal zat er haar onder. Echt haar! Dus niet meer die geschoren kop a la James Moody maar nu reversed. Als je de koppen van Frans Lopulalan en James Moody niet kent, laat dan maar zitten, zo belangrijk is dit nou ook weer niet.

Ik had de uitgever al ge-sms’t (wat een spelling hè tegenwoordig, het is werkelijk niet te geloven – welke idioot in, zeg, China, zou het nog in zijn hoofd halen om zoiets als Nederlands te gaan studeren?) dat we er aankwamen (dus niet eraan kwamen), maar de man nam niet op en de telefoon op de uitgeverij bleek later onder een paar omgevallen dozen met boeken terecht te zijn gekomen, zodat Frans, mijn chaperonne en ik maar besloten te gaan lopen. Hierop waren wij voorbereid. Ik had een routekaart van Google Maps met uitgebreide routebeschrijving uitgeprint, terwijl Frans dezelfde beschrijving met ganzenveer had overgepend op een stuk perkament, dat een verre voorouder ten tijde van de VOC nog van een Belanda had gesnaaid voor hij die de kop afhakte om er soep van te trekken.

Zoals ik al zei heeft mijn chaperonne al overal op de wereld gewoond. Soms is dat lastig wanneer je naast haar over straat loopt. Want ze kijkt links en rechts naar allerlei mooie grachtenhuisjes waar ze eventueel wel een week of vijf zou willen vertoeven. Dus Frans en ik begonnen ook om ons heen kijken in dat Haarlemse gat van bijkans niks en niemendal. En zo misten we de afslag naar een steeg; mijn chaperonne wenst namelijk niet in een steeg te wonen. Om een lang verhaal kort te maken: na een dwaaltocht van een half uur wierpen we onze A4-tjes en perkamentrollen maar in een gracht en vroegen aan een paar autochtonen (Batavieren in H&M-kleding) de weg naar de Lange Herenvest. Daar aangekomen bleek onze uitgever net de auto te hebben gepakt om Peter van Dongen, die overigens heel mooi auto’s kan tekenen, van het station Haarlem af te halen. Lucky Peter van Dongen.

In het Mondiaal Centrum troffen we verder Glenn Pennock. Die waren we al zo’n jaar of twintig kwijt, dus dat werd elkaar omhelzen. Niet huilen, want wij zijn Indo’s en huilen doe je alleen bij een repatriëring. Glenn bleek tien jaar in Amerika te hebben gezeten, in Los Angeles natuurlijk, maar als gitarist… Nou dacht ik dat hij een pencak silat meester was die elk jaar op Madura in een kuil met giftige schorpioenen ging zitten mediteren, maar dat was in een vorig leven. In een leven dáár weer voor had hij het conservatorium doorlopen, dus hij was geen jochie die op zijn veertigste dacht: kom, ik ga nog maar eens wat gitaar proberen te spelen. En dat hebben we geweten. Hij speelde prachtig, helaas op een Taylor, met te veel gerinkel, hoogstwaarschijnlijk op Elixir snaren, maar een kniesoor die daar nog op let zodra Pennock zijn kunsten, en performance, vertoont.

Ik moest de avond openen met een kort interview over mijn jongste boek Rivier de Lossie. Het babbelen ging nog wel, maar toen ik een stuk moest voorlezen werd het toch hannesen met mijn leesbril en een microfoon zonder standaard. Ik had me ook helemaal niet voorbereid op voorlezen en bovendien heb ik er een bloedhekel aan. Ik lees mijn teksten alleen hardop tijdens het schrijfproces, om te horen of de muziek door de zinnen klinkt, maar ik vind dat het daar dan ook bij moet blijven.

Toen ik van het podium af was, werd nog een stukje film vertoond van Ernst Jansz, die op mijn boekpresentatie in Den Haag de runnin’ gag The Ferryman’s Daughter van Donovan zong, terwijl hij zichzelf begeleidde op de gitaar. De song haalde het einde niet, want de batterijen van de camera hadden het begeven. Er moet namelijk altijd wel iets misgaan. Maar goed, het was een leuke impressie en het was leuk om Ernst Jansz even te zien zingen, aangezien hij nu, als bandleider, was verhinderd in verband met de voorbereidingen van een tournee van Boudewijn de Groot.

Nu weet ik niet meer wie er na mij kwam: Glenn Pennock of Peter van Dongen, wiens strips allengs de wereld overgaan (het volgende land is Spanje, Indonesië is al geweest om maar wat te noemen). Van Dongen werkt gemiddeld zes jaar aan een stripverhaal en omdat mijn boeken vele versies kennen, zou de interviewer zich later afvragen of dat nou “typisch Indisch” is. Het antwoord luidt uiteraard nee, want er zijn ook Indo’s die hun boeken afraffelen tijdens tournees en snoepreisjes naar congressen, conferenties en dergelijke.

Ik sloot het eerste deel van de avond af met het voorlezen van een polemisch stuk over het naderende CPNB-feestje “Nederland Leest”. Maar ik was niet in vorm en hakkelde te veel naar mijn smaak. Ik had nota bene als voorbereiding het stuk de avond ervoor door mijn zoon aan mij laten voorlezen, zodat ik het terug kon horen. De manier van de muzikant, ja. Mijn zoon las het een stuk beter voor dan ik. Gelukkig staat het binnenkort afgedrukt in Archipel Magazine, compleet met enkele taalslordigheden, die Frans er voor het optreden had uitgehaald, terwijl hij een sjekkie rookte buiten, op een steenworp van het Spaarne.

Het Spaarne stroomt, het Spaarne stroomt voorbij… (mooi lied van Boudewijn de Groot en Lennaert Nijgh):

Na een indrukwekkend muzikaal intermezzo van Glenn Pennock – hij speelde vrolijk door in de pauze – werd een oude film (1988) vertoond van twee schrijvers met elkaar in gesprek: Frans Lopulalan en Ernst Jansz. Die film vormde de aanzet van een afsluitend podiumgesprek, waarvoor ook Frans Lopulalan het podium beklom. Yvon Muskita zat ook in de zaal, maar die wilde zich niet laten verleiden de troep te komen vergezellen.

Na afloop heb ik nog wat boeken gesigneerd. Het mooist was dat een Hollandse man aan kwam zetten met Lalu Ada Burung (2002), de Indonesische vertaling van Vogels rond een vrouw (1991). Hij had het boek in Solo op Java gekocht en zag zijn kans nu schoon er een krabbel in te krijgen.

Voordat we elk ons weegs gingen, vertelde Glenn me nog dat hij me destijds vanuit Amerika een zelfgemaakte kaart had gestuurd, compleet met een routebeschrijving naar waar hij zich bevond, voor mocht ik eens in de buurt zijn. Een kennis van hem had namelijk de aankondiging van mijn bloemlezing Oost-Indische inkt (1998) op het NOS Journaal gezien. De nieuwslezer had gesproken van “teksten vanaf Jan Huygen van Linschoten tot aan Glenn Pennock”.

Ja, ik vond het leuk om het boek te laten beginnen met een vis die in zijn eentje een VOC-schip tegenhoudt en het te laten eindigen met een stuk proza in een soort vissentaal met een eigen idioom. Geen hond die het ziet natuurlijk, maar dat is de lol van mijn schrijven: geheimpjes verstoppen.

Nooit geweten dat dat boek in het NOS Journaal aangekondigd is geweest. Zoiets gebeurt niet vaak. Mijn chaperonne herinnerde zich de uitzending ook nog. En vast die anderen ook, die me nog jarenlang hebben achtervolgd met het verwijt dat ik geen teksten van hun in het boek had opgenomen. Nu begrijp ik de frustratie van die schrijvers eindelijk. Ze hebben het NOS Journaal gemist!

Gut.

Wat erger is… Uitgeverij Contact heeft nooit die mooie kaart en uitnodiging van Glenn Pennock aan mij doorgestuurd…

Enfin, aan het werk nu. De deadline voor mijn volgende novelle ligt op 1 november.

De eerste zin

logo alfred birney weblog Iedereen kent de beroemde beginzin Mijn vrouw is dood en al begraven van Marcellus Emants uit Een nagelaten bekentenis (1894). Een voortreffelijke eerste zin is nooit weg, maar staat niet garant voor een voortreffelijk boek. De tweede zin moet namelijk de verwachting van de eerste inlossen. De derde die van de voorgaande zinnen, enzovoort. Als je 2500 zinnen in een zinvolle volgorde achter elkaar hebt gezet, dan heb je een geslaagde novelle of korte roman geschreven. En niet als de eerste zin schittert en de rest bagger is.

Ik heb het eigenlijk altijd obligaat geneuzel gevonden, dat inzoomen op de eerste zin van een literair boek. Het was echt voer voor gemankeerde schrijvers, pseudo-literatoren en meer van dat snobberig volk. Toch heeft dat geleuter over de eerste zin me nooit werkelijk koud gelaten, uiteraard, het hoort nu eenmaal bij het schrijversvak. Schrijven is namelijk een vak. Dat wist u natuurlijk al, al zou je het niet zeggen. Het gros van de boeken dat wordt verkocht is namelijk rotzooi. Bagger. Meuk. Zooi. Crap. Driemaal niks. Mijn zoon wordt intussen echt vrolijk van slechte zinnen. Ik geef hem namelijk bijles door slechte teksten en beroerde zinnen voor te lezen en die met hem te ontleden.

Ik was u nog een anekdote schuldig. Dus begin ik eerst maar over die obligate eerste zin te leuteren. Ik ben namelijk een zeikerd. Dat wist u natuurlijk al, dat hoort immers bij het schrijversvak. Weet u, eh… ik val zo min mogelijk mensen lastig met hinderlijke correcties. Zo’n zeikerd ben ik ook weer niet. Dus als iemand zegt “hoeveel kost dat”, dan verbeter ik die persoon niet. Ook niet als iemand schrijft dat “iets groter is als dat”. Of als iemand roept: “daar irriteer ik me aan”. Ze doen maar. Wat kan mij het schelen. Maar mijn zoon krijgt wél mijn gezeik over zich heen. Ja, figuurlijk, ik ben Reynaert niet hey. U denkt nu vast dat hij ook schrijver wil worden. Nou nee. Zo idioot is hij natuurlijk niet. Het vak Nederlands interesseert hem weinig. Tenzij ik de spot drijf met wat er allemaal gezegd en geschreven wordt. Dan ziet hij dat zijn eigen taalgebruik nog zo beroerd niet is.

We zitten aan de keukentafel en wachten totdat ik iets uit de oven kan halen. Of we hebben net gegeten. Zoiets. Het gebeurt altijd aan de keukentafel. Dáár wordt het meest geschaterd. Er liggen vaak wat boeken in de vensterbank. Recensie-exemplaren die ik opgestuurd krijg. Mijn zoon vraagt dan of “ze een beetje kunnen schrijven”. Dan pak ik een nieuw boek, waar ik nog geen blik in heb geworpen, en lees de eerste zin voor:

Heimwee en hoop, de klanken en etensgeuren van thuis, veel meer kan een migrant niet meenemen.

Mijn zoon laat de zin zwijgend tot zich doordringen. Om hem wat te helpen vraag ik:

“Heb jij weleens een klank van thuis meegenomen?”

Mijn zoon schiet in de lach.

“Heb jij ooit een etensgeur van thuis meegenomen, in je broekzak gestopt misschien?”

Mijn zoon lacht nog harder.

“Wat denk je: neem jij later heimwee mee als je op reis gaat, of krijg je dat heimwee gratis op de plaats van bestemming?”

Mijn zoon klapt dubbel van de lach.

“En die hoop… Nou, goed dan. Laten we die dan maar straks van thuis meenemen, zodat we niet samen onder de tram komen.”

Mijn zoon kronkelt over de vloer van het lachen. En blijft er bijna in wanneer ik zeg dat deze zin niet van een beginner komt, maar van iemand die al een waslijst aan publicaties op zijn naam heeft staan. Dat de tekst ongetwijfeld door een handvol proeflezers is bekeken, door een redacteur is nagezien en door een corrector is nagelopen. Helaas, de vaklui staan op straat. Ik hoef maar een boek te pakken, de eerste zin op te dreunen en er vervolgens met het ontleedmes langs te gaan. Het gaat er niet om wat je schrijft, zelfs niet hoe je schrijft, maar de boel moet wél kloppen.

Plotseling vraagt mijn zoon me: “Zeg, hoe staat het eigenlijk met jouw eerste zin in je nieuwe boek?”

“Eh… watte?”

Ik pak de drukproeven er even bij en lees de eerste zin voor. Die klopt. Maar hij is te lang, besluiten we. Amechtig bovendien, vind ik. Als ik hem in tweeën knip gaat hij er al een stuk op vooruit. Evenwel, de daaropvolgende zinnen kun je niet echt volgers noemen. Het tweede deel van de afgekeurde zin moet naar het einde van de alinea, dan heb je meteen een spanningsveld. Mee eens? Mijn zoon knikt. Zo moet het. En dan zit ik al in de slotfase: het boek gaat weldra in productie. Conclusie: niet de eerste zin moet goed zijn, maar de eerste alinea. En vervolgens… u weet wel.

Mijn zoon houdt zich de laatste tijd opmerkelijk intensief met eerste zinnen bezig. Hij kent er zelfs al eentje, ongevraagd, uit zijn hoofd:

Mijn vader stierf in de armen van mijn driejarige dochter.

Kijk, daar kun je mee aankomen. Deze zin is net zo eenvoudig als die beroemde van Marcellus Emants, maar dubbelzinniger. De informatie die je krijgt is duidelijk en wonderlijk tegelijk. Je wilt meteen weten wat er aan de hand is. Aan u de vraag: welk boek of welke novelle uit de moderne Nederlandstalige literatuur begint met deze zin?

Zomaar een film

hat logo meneer b De laatste tijd kijk ik tenminste één film per week uit op de televisie. Dat is veel voor mijn doen. Meestal doe ik het om bij te komen van de een of andere afspraak. The mind clearen. De programmamakers moeten zoveel mogelijk kijkers trekken, dus echt goede films zijn zeldzaam. Meestal zijn ze oud voor het grote publiek, zoals Panic (2000) van Henry Bromell. De film gaat over een huurmoordenaar. Ik schreef ooit een verhaal over een huurmoordenaar, dus het thema sprak me aan. Gaat het in mijn verhaal over fictie en werkelijkheid en vrouw versus man, in deze film gaat het tussen vader en zoon. De vader is namelijk de opdrachtgever, een control freak met duistere kanten. De moeder is the godmother maar blijft vrijwel buiten beeld. De zoon komt in gewetensconflict en gaat bij een psychiater te rade. Omdat zijn vader erachter komt, zet hij uitgerekend de psychiater van zijn zoon op de lijst van veroordeelden. De zoon raakt in een uiterst lastig parket. In flashbacks krijgen we te zien hoe vroeg de vader al is begonnen zijn zoon te leren schieten. Eerst op eekhoorns. Wanneer nu zijn eigen zoontje, pas zes, thuiskomt met het verhaal dat hij iets ergs heeft gedaan, samen met zijn grootvader – een eekhoorn doorgeschoten – neemt de huurmoordenaar een besluit. Het is moeilijk om geen begrip voor de vadermoord aan het slot van de film te krijgen.

Clickverzoek

logo AH U kent vast wel die vervelende Google-ads. Je kunt geen website bezoeken of je ziet ze wel verschijnen, die zogenaamd niet-opdringerige advertenties van Google. Moet je eens kijken wat ik met mijn blog heb gedaan! Ads all around! Waarom? Vertel ik straks. Het is onduidelijk met welk doel Google ooit is begonnen, er stonden al snel van die kleine advertenties heel onopvallend naast de zoekresultaten te wezen. Terwijl andere zoekmachines steeds moeilijker begonnen te doen over wat er wel en niet werd geïndexeerd, hing Google gewoon alle was buiten, zowel de schone als de vuile. Vond je niet wat je zocht, dan clickte je maar op zo’n ad. Google had ook een hele slimme zoekformule. Verder stopte Google een cookie in elke pc. Dat ding is geloof ik tot ergens in de jaren dertig “legaal”. Google houdt veel van uw surfgedrag bij. Google is spyware, heus, geloof me. Vandaar dat rondom deze post u vast wel ergens een advertentie ziet waar u in tijden van verveling op zou kunnen clicken. Nou is dit wel een vervelende post, niet? Er-rug vervelend, niet? Okay, ik heb een account bij dat enge bedrijf, dat grijnzend beide o’s van George Orwell in zijn naam heeft. Erg mijn best heb ik nooit gedaan om wat aan die domme ads te verdienen, maar… ik zag zojuist dat mijn teller richting de 100 dollar gaat! Dat wordt dokken voor Google! En dan houd ik op, want Google wordt mij veel te machtig. Ik haat monopolisten. Dus help me even van dat idiote account af en click op een ad. Je gaat er niet dood van, u komt gewoon op de een of andere site en ik krijg voor uw click een paar stuivers. Draait uw site ook ads? Laat maar achter, uw URL, en ik kom wel even clicken. Nou doei! En allemaal bedankt nog voor die mooie verjaardagskaarten (sommige waren echt heel mooi handmade), e-cards, sms’jes, telefoontjes etc. Ik vierde mijn verjaardag met tweelingbroer, zoon en vriendin in een klein restaurantje om de hoek, 57 meter lopen… Voor grote feesten moest het minimaal 27 graden zijn, anders is het zo koud op balkon. Okay, gaat u clicken?

Meelezen (1)

hat logo meneer b De boekenlijsten voor middelbare scholieren zijn om te huilen en lijken het niveau van de gemiddelde leerkracht weer te geven. Mijn zoon mag beginnen met dunne boeken, dus ik hielp hem met het uitkiezen van een paar novellen. Met De rat van Arras (1986) van Adriaan van Dis, Het dwaallicht (1946) van Willem Elsschot en Bint (1934) van F. Bordewijk heb ik allerlei miserabel werk buiten zijn leeslijst weten te houden. Uiteraard liggen die boeken al wekenlang te wachten, dus gisteravond gaf ik hem de opdracht de novelle van Adriaan van Dis in één uur uit te lezen. Mijn zoon keek me met grote ogen aan, maar klaarde de klus in 40 minuten. Omdat ik hem vragen over de novelle moet kunnen stellen, heb ik haar ook maar gelezen. Aardig geschreven, handig en met een goede timing, laagdrempelig maar niet platvloers en ook niet hinderlijk lichtvoetig. De novelle zit vol kruisverwijzingen naar Japanse kampen en moordpartijen in het zeventiende eeuwse Arras. De hoofdpersoon is trefzeker neergezet als getroebleerd wezen dat nooit de oorlog in Indonesië te boven is gekomen. De mooiste zin uit de novelle: ‘Ze meent dat je in Nederland meer begrip vindt voor een eerder leven in de zeventiende eeuw dan voor een verblijf in een Japans interneringskamp.’ Die is raak. Verder krijg je het idee dat de schrijver veel over astrologie weet. Totdat hij een uitglijder maakt bij huisnummer 47. ‘Vier plus zeven is elf, Neptunus.’ Fout. Dat moet Uranus zijn. Geen Neerlandicus die dat ziet natuurlijk.

Vakantielectuur

hat logo meneer b Mijn zoon wilde een paar boeken meenemen naar Parijs, maar mij leek dat één boek wel voldoende was. Zijn grootmoeder had me gesmeekt de jongen niet méér mee te geven dan een kleine rugzak met alleen de hoogstnoodzakelijke spullen. Ze vond zelfs één onderbroek per twee dagen wel genoeg, maar dat ging me wat ver. Sokken en ondergoed dienen elke dag te worden verschoond, wij houden er geen oude Hollandse gewoontes op na. Maar goed, ik wilde wel op het gewicht van de rugzak letten, dus liet ik mijn zoon één boek kiezen uit de volgende vertaalde titels: Samuel Beckett – Verhalen zomaar; Craig Strete – Doodsriten; Patrick Süskind – Het parfum; J.D. Salinger – De vanger in het koren; João Guimarães Rosa – Het uur en ogenblik van Augusto Matraga; en dan nog twee verzamelbundels: De toppen van Latijns-Amerika (met verhalen van Marquez, Llosa, Bastos etc.) en Reis om de wereld in 80 verhalen (een ratjetoe van schrijvers als Nabokov, Borges, Greene, waartussen heel verrassend een ultrakort verhaal van nota bene de dichter W.B. Yeats!). Mijn zoon houdt van Craig Strete, maar toen ik hem vertelde dat Süskinds roman in Frankrijk speelde leek hem dat ook wel wat. Salinger moest snel afhaken, net als Rosa en de twee verzamelbundels. Nou had ik mijn zoon een half jaar terug eens een bladzijde voorgelezen uit één van die zwartgallige tragikomische verhalen van Samuel Beckett. Die schrijver werd het dus. Mijn zoon heeft een zwak voor onschuldige randfiguren, voor wie de maatschappij te hard is. Een kijkje in de hoofden van dergelijke figuren kan zijn beeld wat verruimen. Het is wel nogal een sprong: van Donald Duck naar Samuel Beckett.

De slaapwandelaar

hat logo meneer b Mijn zoon heeft Neptunus in het eerste huis van zijn horoscoop en dat maakt hem wat dromerig. Hij is vergeetachtig, een eigenschap waar ik jaloers op nou moeten zijn met dat krankzinnige olifantengeheugen van me. Toen ik hem gisteravond per openbaar vervoer wegbracht naar zijn grootmoeder, bij wie hij zou overnachten, ontdekte hij halverwege de reis dat hij de oplader van zijn mobiele telefoon was vergeten. We stonden op het busplatform van Den Haag CS, in de omtrek waarvan ik ooit 16 jaar lang woonde en nu een labyrint van bouwputten de lucht vervuilen, in harmonie met de Utrechtse Baan, via welke dagelijks een paar honderdduizend auto’s de stad in- en weer uitgaan. Mijn zoon en ik maakten rechtsomkeert in zo’n afgrijselijk voertuig van Randstadrail, dat hopeloze project dat nog altijd kinderziektes vertoont, en haalden de oplader van zijn gsm op. Ik moest nog een vriend bezoeken en begeleidde hem naar de tramhalte, ik had geen tijd meer om hem naar zijn grootmoeder te brengen. Vanmiddag belde hij op vanuit Parijs, waar hij met zijn grootmoeder lekker op een terrasje aan de Seine zat. Hij belde me omdat hij naar zijn zeggen niet kon sms’en. Ik bevond me toevallig in zo’n telefoonwinkel en daar zeiden ze me dat met +31 voor elk Nederlands nummer het sms’en vanuit Parijs zou moeten gaan. Ik heb nog altijd geen sms gekregen, maar hij zal het wel goed maken met zijn Neptunus in het eerste huis. Ik bedoel: zulke mensen komen al dromend altijd wel op de goede plek terecht. Zijn grootmoeder kennende zal hij ook wel niet in een kinderachtig hotel verblijven. Lekker zappen in de avond op zijn hotelkamer, of lezen in het boek dat hij uit mijn kast heeft getrokken. Croissantjes in de ochtend als krachtvoer voor de vele culturele uitstapjes waar zijn grootmoeder hem op zal trakteren. De vrouw is een connaisseur. Ze zal hem vast heel veel vertellen en laten zien en hij zal ongetwijfeld heel veel vergeten. Op dat ene mooie meisje na, dat hem op zekere dag in een flits zal passeren.

SMS-bombardement

hat logo meneer b Ik werd gistermorgen gewekt door een sms-bombardement, maar ik sliep direct weer in. Later hoorde ik van mijn zoon dat hij naar beneden was geslopen en mijn mobieltje in mijn la had gestopt, zodat ik door kon slapen. Ondanks het lekkere weer, zeldzaam deze zomer, sliep ik zo lang mogelijk uit. Eenmaal wakker herinnerde ik me één eerder sms-bombardement. Dat kwam van een vriendin, die de oorzaak nooit heeft kunnen ophelderen. Tijdens het ontbijt vermeldde het display een totaal van 48 sms-jes. Ditmaal kwamen ze van een journalist, wiens mobieltje vaker abusievelijk met het mijne flirt. Wonderlijk dat het totaal van het vorige sms-bombardement ook 48 was, als ik het me goed herinner. Nou kan ik me voorstellen dat een mobieltje per ongeluk begint te bellen in iemand broekzak of handtas, ik ben al zo vaak de klos geweest met mijn voornaam bovenaan de lijsten. Maar hoe een mobieltje keer op keer een leeg sms-je verstuurt is mij een raadsel. De politie heeft het geheim in elk geval, zij bombardeert namelijk gestolen mobieltjes (en doet op die manier lustig mee aan de opwarming van de aarde), zodat de dief het gestolen goed niet gebruiken kan. Ik heb alle sms-jes stuk voor stuk handmatig moeten wissen. Er bestaat nog geen functietoets tegen sms-bombardementen. Telefoonaanbieders zijn immoreel, zij hebben geen belang bij een afname van volstrekt overbodig elektronisch verkeer. Het is afschuwelijk om in een wereld te moeten leven waarin communicatie steeds luider wordt en tegelijk minder om het lijf heeft.

Google’s blues in G

hat logo meneer b Ik kan me niet herinneren ooit middelpunt te zijn geweest van vaderdag. Afgelopen avond riep ik voor de lol naar boven wat of mijn zoon zo in gedachten had als cadeau voor vaderdag. Hij nam het helaas serieus en vroeg me wat ik wilde hebben. Nu had ik een probleem, want ik wil nooit iets hebben. Ik heb moeite cadeaus voor mezelf verzinnen. Nou ja, ik kan het wel, maar dan wordt het allemaal nogal prijzig. Een zeewaardig jacht lijkt me wel wat. Een onbewoond eiland in de Stille Zuidzee is ook niet te versmaden. Er moet dan wel een laptop bij die op zonne-energie draait. Een wat goedkoper cadeau kan ook wel: een penthouse met uitzicht op zee. Mijn zoon kan dat (nog) niet betalen, dus ik moest naar het low budget segment. Set snaren? Mwah, mijn gitaar is net bespannen met nieuwe snaren. Ze zijn nog niet eens fatsoenlijk op spanning. Een mondharmonica leek me wel aardig. Ik riep mijn bestelling naar boven. Antwoord: je hebt al een mondharmonica. Reply: ja, maar dat is een A, ik heb een G nodig. Volgde een uiteenzetting over het type dat ik bespeel: de blues harp. Goed, begrepen. Maar waar moest hij die dan kopen? Ik zei daar of daar of daar. Waarop ik moest gaan uitleggen hoe hij daar of daar of daar kon komen. Mijn zoon is wat dromerig. Hij moet naar de stad maar komt dan bij de zee uit. Zoiets. Ten leste heb ik hem maar naar Google Maps verwezen. Altijd maar Google, zei hij verveeld. Dat wordt dus een blues in G. Got it?

Chinees hoedje

hat logo meneer b Ik had mezelf voorgenomen te gaan fietsen, maar stond op als een dweil. Mijn zoon had een virus van school meegenomen, de helft van zijn klas was ziek. Het gaat om een ongesteldheid van drie dagen, volgens zijn klasgenoten. De frequentie van dit soort griepachtige verschijnselen lijkt synchroon te lopen met de klimaatsverandering. Lummelen achter mijn bureau gaat nog wel, maar vanmiddag verspilde ik nogal wat energie door een loodgieter te helpen die, volgens afspraak, met een tregakapje aan was komen zetten. De man probeerde via mijn huishoudtrap van niks het dak te beklimmen. Ik heb de huishoudtrap maar vastgehouden en de zooi opgeruimd die van het dak mijn badkamer in stoof. Ik rende herhaaldelijk de trappen op en af om te kijken of de loodgieter al beneden kwam en toen hij weg was stond loodgieter numero 2 voor de deur.
Men had ten kantore abusievelijk twee bonnen gemaakt. Voor dakreparaties sturen ze namelijk altijd twee loodgieters.
‘Zodat er eentje de trap kan vasthouden zeker?’
‘Precies.’
‘Zeg, hoe heet zo’n ding ook alweer dat boven zo’n afzuigpijp staat?’
‘O, dat is een Chinees hoedje.’
Twee loodgieters, twee benamingen. De zon loopt door Tweelingen. Christina was Tweelingen, ze zou vandaag 48 jaar zijn geworden. Ze is al 13 jaar dood en voordat ze stierf waren we al uit elkaar. Ik was ergens linksaf geslagen en wilde haar niet meenemen. Ik wou dat ik die tweede langspeelplaat van Kazimir Lux nog had. Hij zong een mooie uitvoering van I still miss someone.