De Indische schrijversavond van afgelopen woensdagavond in het Mondiaal Centrum Haarlem was goed, gevarieerd en onderhoudend. Mijn chaperonne, een van een beroemde Franse regisseur geleende kosmopoliet die al overal op de wereld heeft gewoond, was prettig gezelschap: ze was er wel en ze was er niet. Mijn leesbril, visitekaartje, tekstrol en meer van dat spul dat je als schrijver mee moet nemen als het podium wacht, konden gemakkelijk in haar tas, zodat ik niet met van die uitpuilende zakken hoefde te lopen.
Ik had Frans Lopulalan gevraagd om ook te komen. Zijn uiterlijk verbaasde me toen we hem op het station van Haarlem troffen. Die hoed droeg hij jaren terug al, maar ditmaal zat er haar onder. Echt haar! Dus niet meer die geschoren kop a la James Moody maar nu reversed. Als je de koppen van Frans Lopulalan en James Moody niet kent, laat dan maar zitten, zo belangrijk is dit nou ook weer niet.
Ik had de uitgever al ge-sms’t (wat een spelling hè tegenwoordig, het is werkelijk niet te geloven – welke idioot in, zeg, China, zou het nog in zijn hoofd halen om zoiets als Nederlands te gaan studeren?) dat we er aankwamen (dus niet eraan kwamen), maar de man nam niet op en de telefoon op de uitgeverij bleek later onder een paar omgevallen dozen met boeken terecht te zijn gekomen, zodat Frans, mijn chaperonne en ik maar besloten te gaan lopen. Hierop waren wij voorbereid. Ik had een routekaart van Google Maps met uitgebreide routebeschrijving uitgeprint, terwijl Frans dezelfde beschrijving met ganzenveer had overgepend op een stuk perkament, dat een verre voorouder ten tijde van de VOC nog van een Belanda had gesnaaid voor hij die de kop afhakte om er soep van te trekken.
Zoals ik al zei heeft mijn chaperonne al overal op de wereld gewoond. Soms is dat lastig wanneer je naast haar over straat loopt. Want ze kijkt links en rechts naar allerlei mooie grachtenhuisjes waar ze eventueel wel een week of vijf zou willen vertoeven. Dus Frans en ik begonnen ook om ons heen kijken in dat Haarlemse gat van bijkans niks en niemendal. En zo misten we de afslag naar een steeg; mijn chaperonne wenst namelijk niet in een steeg te wonen. Om een lang verhaal kort te maken: na een dwaaltocht van een half uur wierpen we onze A4-tjes en perkamentrollen maar in een gracht en vroegen aan een paar autochtonen (Batavieren in H&M-kleding) de weg naar de Lange Herenvest. Daar aangekomen bleek onze uitgever net de auto te hebben gepakt om Peter van Dongen, die overigens heel mooi auto’s kan tekenen, van het station Haarlem af te halen. Lucky Peter van Dongen.
In het Mondiaal Centrum troffen we verder Glenn Pennock. Die waren we al zo’n jaar of twintig kwijt, dus dat werd elkaar omhelzen. Niet huilen, want wij zijn Indo’s en huilen doe je alleen bij een repatriëring. Glenn bleek tien jaar in Amerika te hebben gezeten, in Los Angeles natuurlijk, maar als gitarist… Nou dacht ik dat hij een pencak silat meester was die elk jaar op Madura in een kuil met giftige schorpioenen ging zitten mediteren, maar dat was in een vorig leven. In een leven dáár weer voor had hij het conservatorium doorlopen, dus hij was geen jochie die op zijn veertigste dacht: kom, ik ga nog maar eens wat gitaar proberen te spelen. En dat hebben we geweten. Hij speelde prachtig, helaas op een Taylor, met te veel gerinkel, hoogstwaarschijnlijk op Elixir snaren, maar een kniesoor die daar nog op let zodra Pennock zijn kunsten, en performance, vertoont.
Ik moest de avond openen met een kort interview over mijn jongste boek Rivier de Lossie. Het babbelen ging nog wel, maar toen ik een stuk moest voorlezen werd het toch hannesen met mijn leesbril en een microfoon zonder standaard. Ik had me ook helemaal niet voorbereid op voorlezen en bovendien heb ik er een bloedhekel aan. Ik lees mijn teksten alleen hardop tijdens het schrijfproces, om te horen of de muziek door de zinnen klinkt, maar ik vind dat het daar dan ook bij moet blijven.
Toen ik van het podium af was, werd nog een stukje film vertoond van Ernst Jansz, die op mijn boekpresentatie in Den Haag de runnin’ gag The Ferryman’s Daughter van Donovan zong, terwijl hij zichzelf begeleidde op de gitaar. De song haalde het einde niet, want de batterijen van de camera hadden het begeven. Er moet namelijk altijd wel iets misgaan. Maar goed, het was een leuke impressie en het was leuk om Ernst Jansz even te zien zingen, aangezien hij nu, als bandleider, was verhinderd in verband met de voorbereidingen van een tournee van Boudewijn de Groot.
Nu weet ik niet meer wie er na mij kwam: Glenn Pennock of Peter van Dongen, wiens strips allengs de wereld overgaan (het volgende land is Spanje, Indonesië is al geweest om maar wat te noemen). Van Dongen werkt gemiddeld zes jaar aan een stripverhaal en omdat mijn boeken vele versies kennen, zou de interviewer zich later afvragen of dat nou “typisch Indisch” is. Het antwoord luidt uiteraard nee, want er zijn ook Indo’s die hun boeken afraffelen tijdens tournees en snoepreisjes naar congressen, conferenties en dergelijke.
Ik sloot het eerste deel van de avond af met het voorlezen van een polemisch stuk over het naderende CPNB-feestje “Nederland Leest”. Maar ik was niet in vorm en hakkelde te veel naar mijn smaak. Ik had nota bene als voorbereiding het stuk de avond ervoor door mijn zoon aan mij laten voorlezen, zodat ik het terug kon horen. De manier van de muzikant, ja. Mijn zoon las het een stuk beter voor dan ik. Gelukkig staat het binnenkort afgedrukt in Archipel Magazine, compleet met enkele taalslordigheden, die Frans er voor het optreden had uitgehaald, terwijl hij een sjekkie rookte buiten, op een steenworp van het Spaarne.
Het Spaarne stroomt, het Spaarne stroomt voorbij… (mooi lied van Boudewijn de Groot en Lennaert Nijgh):
Na een indrukwekkend muzikaal intermezzo van Glenn Pennock – hij speelde vrolijk door in de pauze – werd een oude film (1988) vertoond van twee schrijvers met elkaar in gesprek: Frans Lopulalan en Ernst Jansz. Die film vormde de aanzet van een afsluitend podiumgesprek, waarvoor ook Frans Lopulalan het podium beklom. Yvon Muskita zat ook in de zaal, maar die wilde zich niet laten verleiden de troep te komen vergezellen.
Na afloop heb ik nog wat boeken gesigneerd. Het mooist was dat een Hollandse man aan kwam zetten met Lalu Ada Burung (2002), de Indonesische vertaling van Vogels rond een vrouw (1991). Hij had het boek in Solo op Java gekocht en zag zijn kans nu schoon er een krabbel in te krijgen.
Voordat we elk ons weegs gingen, vertelde Glenn me nog dat hij me destijds vanuit Amerika een zelfgemaakte kaart had gestuurd, compleet met een routebeschrijving naar waar hij zich bevond, voor mocht ik eens in de buurt zijn. Een kennis van hem had namelijk de aankondiging van mijn bloemlezing Oost-Indische inkt (1998) op het NOS Journaal gezien. De nieuwslezer had gesproken van “teksten vanaf Jan Huygen van Linschoten tot aan Glenn Pennock”.
Ja, ik vond het leuk om het boek te laten beginnen met een vis die in zijn eentje een VOC-schip tegenhoudt en het te laten eindigen met een stuk proza in een soort vissentaal met een eigen idioom. Geen hond die het ziet natuurlijk, maar dat is de lol van mijn schrijven: geheimpjes verstoppen.
Nooit geweten dat dat boek in het NOS Journaal aangekondigd is geweest. Zoiets gebeurt niet vaak. Mijn chaperonne herinnerde zich de uitzending ook nog. En vast die anderen ook, die me nog jarenlang hebben achtervolgd met het verwijt dat ik geen teksten van hun in het boek had opgenomen. Nu begrijp ik de frustratie van die schrijvers eindelijk. Ze hebben het NOS Journaal gemist!
Gut.
Wat erger is… Uitgeverij Contact heeft nooit die mooie kaart en uitnodiging van Glenn Pennock aan mij doorgestuurd…
Enfin, aan het werk nu. De deadline voor mijn volgende novelle ligt op 1 november.
Iedereen kent de beroemde beginzin Mijn vrouw is dood en al begraven van Marcellus Emants uit Een nagelaten bekentenis (1894). Een voortreffelijke eerste zin is nooit weg, maar staat niet garant voor een voortreffelijk boek. De tweede zin moet namelijk de verwachting van de eerste inlossen. De derde die van de voorgaande zinnen, enzovoort. Als je 2500 zinnen in een zinvolle volgorde achter elkaar hebt gezet, dan heb je een geslaagde novelle of korte roman geschreven. En niet als de eerste zin schittert en de rest bagger is.
De laatste tijd kijk ik tenminste één film per week uit op de televisie. Dat is veel voor mijn doen. Meestal doe ik het om bij te komen van de een of andere afspraak. The mind clearen. De programmamakers moeten zoveel mogelijk kijkers trekken, dus echt goede films zijn zeldzaam. Meestal zijn ze oud voor het grote publiek, zoals Panic (2000) van Henry Bromell. De film gaat over een huurmoordenaar. Ik schreef ooit een verhaal over een huurmoordenaar, dus het thema sprak me aan. Gaat het in mijn verhaal over fictie en werkelijkheid en vrouw versus man, in deze film gaat het tussen vader en zoon. De vader is namelijk de opdrachtgever, een control freak met duistere kanten. De moeder is the godmother maar blijft vrijwel buiten beeld. De zoon komt in gewetensconflict en gaat bij een psychiater te rade. Omdat zijn vader erachter komt, zet hij uitgerekend de psychiater van zijn zoon op de lijst van veroordeelden. De zoon raakt in een uiterst lastig parket. In flashbacks krijgen we te zien hoe vroeg de vader al is begonnen zijn zoon te leren schieten. Eerst op eekhoorns. Wanneer nu zijn eigen zoontje, pas zes, thuiskomt met het verhaal dat hij iets ergs heeft gedaan, samen met zijn grootvader – een eekhoorn doorgeschoten – neemt de huurmoordenaar een besluit. Het is moeilijk om geen begrip voor de vadermoord aan het slot van de film te krijgen.
U kent vast wel die vervelende Google-ads. Je kunt geen website bezoeken of je ziet ze wel verschijnen, die zogenaamd niet-opdringerige advertenties van Google. Moet je eens kijken wat ik met mijn blog heb gedaan! Ads all around! Waarom? Vertel ik straks. Het is onduidelijk met welk doel Google ooit is begonnen, er stonden al snel van die kleine advertenties heel onopvallend naast de zoekresultaten te wezen. Terwijl andere zoekmachines steeds moeilijker begonnen te doen over wat er wel en niet werd geïndexeerd, hing Google gewoon alle was buiten, zowel de schone als de vuile. Vond je niet wat je zocht, dan clickte je maar op zo’n ad. Google had ook een hele slimme zoekformule. Verder stopte Google een cookie in elke pc. Dat ding is geloof ik tot ergens in de jaren dertig “legaal”. Google houdt veel van uw surfgedrag bij. Google is spyware, heus, geloof me. Vandaar dat rondom deze post u vast wel ergens een advertentie ziet waar u in tijden van verveling op zou kunnen clicken. Nou is dit wel een vervelende post, niet? Er-rug vervelend, niet? Okay, ik heb een account bij dat enge bedrijf, dat grijnzend beide o’s van George Orwell in zijn naam heeft. Erg mijn best heb ik nooit gedaan om wat aan die domme ads te verdienen, maar… ik zag zojuist dat mijn teller richting de 100 dollar gaat! Dat wordt dokken voor Google! En dan houd ik op, want Google wordt mij veel te machtig. Ik haat monopolisten. Dus help me even van dat idiote account af en click op een ad. Je gaat er niet dood van, u komt gewoon op de een of andere site en ik krijg voor uw click een paar stuivers. Draait uw site ook ads? Laat maar achter, uw URL, en ik kom wel even clicken. Nou doei! En allemaal bedankt nog voor die mooie verjaardagskaarten (sommige waren echt heel mooi handmade), e-cards, sms’jes, telefoontjes etc. Ik vierde mijn verjaardag met tweelingbroer, zoon en vriendin in een klein restaurantje om de hoek, 57 meter lopen… Voor grote feesten moest het minimaal 27 graden zijn, anders is het zo koud op balkon. Okay, gaat u clicken?