Mijn mobiele telefoon ging om een uur of half twee af. Hoewel ik ’s nachts aan het werk ben, zijn er toch zeer weinig mensen die mij in de stille uren tussen twaalf en vier storen. Niet uit respect voor de hogere kunsten, maar gewoon omdat men dan slaapt. Maar nu viert de meute weekend, wat ik eigenlijk ook wel zou willen. Omdat ik al veertien jaar mijn zoon elk weekend heb, heb ik al veertien jaar geen weekend meer vrij gehad. Overigens is dit iets dat ik me de laatste tijd pas ben gaan realiseren. Een groot deel van mijn carrière én vrije tijd heb ik opgeofferd voor de jongen en ik heb er geen spijt van. Toch lijkt me zo’n vrij weekend wel eens leuk. Aan de andere kant van de lijn zaten mensen in de heetste ogenblikken van een feestje, ik hoorde dat aan de toon van de stemmen, de hilariteit. Ik had de indruk dat de telefoon die buiten de wil van de eigenaar was gaan bellen, toebehoorde aan een vrouw. Haar stem klonk boven het gekakel van kippen en hanen uit. Ik herkende haar evenwel niet. Nieuwsgierigheid is mij bijna vreemd, maar ik zat me toevallig even te vervelen en probeerde te verstaan wat er werd gezegd. Bijster interessant of opwindend was het niet. Na een minuut of vijf hing ik maar op. Mijn display toonde een nummer, geen naam. Ik zapte mijn lijst vergeefs op de laatste drie cijfers af. Was het iemand die mij ooit belde en die ik nooit aan mijn lijst heb toegevoegd? Of was het iemand die ik persona non grata heb verklaard en uit mijn bestand heb gewist? Dit laatste is niet aan te raden, bedenk ik nu: je kunt beter de persoon in kwestie markeren. XXXnaamXXX. Zoiets.
Tagarchief: zoon
De föhn
Mijn zoon zag bij zijn moeder zijn Nokia in de wasmachine verdwijnen. Een paar schoolvrienden kwamen langs en begonnen tegen elkaar op te bieden over hoe vaak hun Nokia een wasbeurt had overleefd. Mijn zoon haalde zijn Nokia uit elkaar en zette er de föhn van zijn moeder op. Met succes, het mobieltje werkte weer. Het deed me denken aan de beginjaren van de thuiscomputer. Voor mijn uitgever moest ik eens vanwege bezuinigingen een keer mijn eigen boek invoeren. Dat ging op een inmiddels antiek geworden Apple. Het besturingssysteem zat op een externe flop en de inhoud van mijn boek werd weggeschreven op een andere flop. Je hoorde die twee floppen aldoor draaien, schrijven kreeg iets van broodbakken met dat geluid van een deegmolen. Het was een afschuwelijke manier van werken, want je zag alle codes en tekst zonder onderbrekingen aan elkaar geplakt. Ik weet niet of het hierdoor kwam dat het uiteindelijk mijn minste boek zou worden (Bewegingen van heimwee). Op een dag liep de boel vast. Ik belde mijn uitgever Jos Knipscheer. De man, altijd zeer begaan met en betrokken bij zijn auteurs, kwam in zijn Lada uit Amsterdam aantuffen, schroefde het toetsenbord open en haalde er allerlei ongerechtigheden uit, waarna het systeem weer werkte. Later bleek dat mijn voorgangster, Astrid Roemer, soep boven het toetsenbord had zitten eten, en morsen. Ze kende de truc met de föhn niet, of zat, als gewoonlijk, diep in haar werk. Misschien heeft ze iets geprobeerd met het uitblazen van sigarenrook? (Astrid Roemer kan erg cool sigaren roken.) Verder terug in de tijd had ik eens een feestje. Er vloeide bier en cola mijn Pioneer versterker binnen. De platenspeler werd niet meer versterkt, op zich geen probleem, ik pakte mijn gitaar en een ander zette de föhn op het apparaat. Hij heeft nog jarenlang trouw dienst gedaan. De föhn is dus een zeer nuttig apparaat, tenzij je hem voor je haar gebruikt.
Drinking rum and coca cola…
Zo begon een hit in de jaren vijftig. Een halve eeuw later kopt de een of andere internetkrant: Beetje koffie al schadelijk voor hartpatiënt. Dat had ik, met mijn helderziende blik, natuurlijk al lang voorzien. Vanaf de dag van mijn hartaanval – wat een geweldige ervaring was dat toch, ik kan het u écht aanraden – heb ik geen druppel koffie meer aangeraakt. Ik vreesde namelijk dat de lust voor koffie die voor nicotine zou opwekken, dus ik zwoer die hele zooi maar af. Pekingeend at ik ook niet meer, ik maakte nooit meer mijn beroemde kipkluifjes voor mijn zoon en ging over op het eten van konijnenvoer, die je tegenwoordig in allerlei gekleurde krulvariëteiten kunt kopen, nogal idioot, maar goed: de mens verveelt zich snel. Verder uiteraard vette vis: zalm, makreel, haring en tonijn. Die tonijn kan mijn rug op, ik doe het met die andere drie. Maar er klinken al weer geluiden dat die vette vis ook al helemaal niks is. Benieuwd wat het straks gaat worden. Meelwormen? Sprinkhanen? Spinnen? Brandnetelsoep? Rijstebrij met rozijnen? Inmiddels is uit onderzoek aan het Radboud Ziekenhuis (van twijfelachtige reputatie) gebleken dat twee tot vier kopjes koffie per dag al slecht kunnen zijn voor patiënten met angina pectoris. Een promovendus heeft bewezen (for what it’s worth) dat een kleine hoeveelheid cafeïne al voldoende is om een bepaald proces in het lichaam stil te leggen. Het proces in kwestie beperkt de schade en omvang van een hartinfarct. Het menselijk lichaam maakt adenosine aan. Die stof zorgt voor verwijding van de bloedvaten zodra het hart te weinig zuurstof krijgt. Dat heet: preconditionering. Cafeïne blijkt deze beschermende preconditionering helemaal uit te schakelen. Cafeïne zit niet alleen in koffie, maar ook onder andere in cola, thee en energiedrankjes. Laat dat nou net de drie dranken zijn die ik dagelijks tot me neem. Er is één troost: de inzichten van vandaag worden morgen weer net zo makkelijk ontkracht. Zelfs niet roken heeft totaal geen zin als je erfelijk belast bent. Tenslotte loopt iedere levende in gelijke mate kans om vroeg of laat te sterven. Dit is géén open deur. Simon Vestdijk beweerde eens in één van zijn briljante essays dat geen mens werkelijk gelooft ooit te zullen sterven. Sterven is iets dat anderen overkomt, niet jou. Denk daar maar eens een uurtje over na. Benen op de vensterbank, teevee uit, muziek uit, uurtje nadenken. Okay, flesje mineraalwater erbij.
Ascese en wereldse verlokking
Als ik de televisie uit mijn zoontjes kamer jat en beneden zet, dan ben ik ziek. Iets met griep of zo. Koortsig. Ik kan dan weinig anders doen dan heel stompzinnig televisie kijken. Ik had lang niet meer gekeken en verbaasde me over wat er zoal werd vertoond. Seks word je nog méér de strot door geduwd, als je snel wegzapt dan vliegen de kogels je om de oren. Verder ijdeltuiterij alom van praatprogrammaganzen. Ik moest de televisie trouwens opnieuw instellen, aangezien de plaatselijke aanbieder weer eens de boel heeft omgegooid. Marokkaanse televisie eraf, Surinaamse televisie erop, dat soort zotternij. Voor Al Jazeera moet worden betaald, laat staan voor Indonesische televisie, die zender alleen al kost 120 euro per jaar. Fijn geregeld voor ons 500.000 nazaten uit die contreie. Vanavond had ik schoon genoeg van die afgrijselijke televisie. Ik plukte Spring, Summer, Fall, Winter… and Spring (2003) van Kim Ki-Duk van de plank en ben eens lekker gaan genieten. Mijn zoon mocht het eerste tafereel meekijken, het was al laat, we gaan de film volgende week samen helemaal bekijken. De film gaat over het leven. Ik bedoel over de eeuwige herhaling van het leven. Over ascese en wereldse verlokking. Ik vergat er bijna mijn fysieke lamlendigheid door. De helft van mijn zoontjes klas heeft kou gevat na de extreem vroege zomer en de intrede van de herfst, dus het zal wel niet aan mij liggen. Ik ben wel al koortsvrij, anders had ik dit niet kunnen of ook maar willen schrijven.
Naschrift: ik zie aan de berichten op het internet dat er buikgriep heerst. Well, all right…
Van den web ende maan
Ik denk dat ik een beetje maanziek ben, ik verbaasde mezelf gisteren met mijn eigen onvoorspelbaarheid. Mijn veertienjarige zoon schrok zich het lazarus en wel zó dat hij aanbood me in de keuken te komen helpen. Nou wil die jongen al jarenlang bami leren maken, dus het werd eens tijd dat ie naar beneden kwam. Plus het werd tijd dat ie achter die ellendige pc vandaan kwam. Zijn MSN- YOUTUBE- en WHAT’S MORE- verslaving komt me onderhand de strot uit. Het is vakantie, maar ik zie nauwelijks leeftijdgenoten van hem op straat. Ze zitten allemaal maar achter die ellendige pc met elkaar te chatten. Zegt iemand iets onwelgevalligs, dan wordt de persoon in kwestie met één click van de muis geblokkeerd. Ik heb mijn zoon omstandig uitgelegd dat in real life mensen zo geen problemen oplossen. Dat in real life mensen altijd grilliger zijn dan jij voor mogelijk houdt. Kijk maar naar je vader. En geen discussie over what is real, hoor je me? Het scheelde niet veel of je vader had je het huis door geslagen. In real time, hoor je me? Jij gaat voortaan na elke drie kwartier een kwartier van die klote pc af, hoor je me? En jij speelt voortaan elke dag een half uur gitaar, hoor je me? Elke boerenlul kan een muis vasthouden, maar gitaarspelen is iets anders, dat moet je léren, hoor je me? En jij gaat vanaf morgen elke dag een uur de straat op, hoor je me? En zo ging ik nog een tijdje door. Zelfs een valiumpje en een ritje op de fiets brachten me niet tot bedaren. Klote maan. Het is voorbij middernacht en ik heb nóg altijd een rotbui. The moon sucks. Ik heb nergens zin in. Shit maan. Ik heb nog wel een kolossale spin het leven uitgejaagd, die bij mijn zoon in de gordijnen hing. Ook dat is allemaal de schuld van die maan.
Naschrift:
Naar aanleiding van enkele reacties per e-mail laat ik voor de zekerheid maar weten dat ik mijn zoon niet sla, laat staan hem het huis door sla. De ironie moet gezocht worden in: In real time, hoor je me? Het internet blijft een brak medium voor dit soort nuances. Overigens zetten ouders die hun kinderen mishandelen dat doorgaans niet op het internet. Tot slot: mijn zoon beoefent jiu jitsu, de edele kunst der zelfverdediging. Maakt u zich over hem vooral geen zorgen. En over mij ook niet.
Van den dweyl ende racefiets
Mijn tweelingbroer, met zijn hilarische cyberhumor, stuurde me een e-card met custom made racefiets. Hij ziet er nog sneller uit dan de mijne, maar ja, misschien was ik een beetje te optimistisch geweest na die testrit op mijn racefiets afgelopen zaterdagmiddag in het warme weer? Ik heb wat dweildagen achter de rug: dagen waarop men zich als een dweil voelt (wij gaan er gemakshalve vanuit dat wij, mensen, zo ongeveer wel weten hoe een dweil zich voelt: zoals hij, nog niet helemaal uitgewrongen, eruitziet. Gisteren, op de Dag van de Arbeid – stelt in Nederland weinig voor, anders dan in de rest van de wereld – voelde ik me niet op en top maar ik vond dat mijn zoon er eens uit moest, anders hangt die jongen de godganse dag maar achter zijn pc en gameconsoles. Het kostte wat meer energie, ik moest herhaaldelijk achterom kijken om te zien waar hij bleef, mijn zoon heeft namelijk de beleefdheid heel lang achter een stel zondagsfietsers aan te blijven rijden totdat hem eens een doorgang wordt gegund, terwijl ikzelf gewoon dwars door zo’n kudde heen fiets. Bij de watertoren voelde ik al dat ik Wassenaar niet zou halen, we sloegen linksaf en mijn zoon stelde vragen over teken, eekhoorns en uitlaatgassen en verbeterde twee van mijn zinnen (hij moest van mij meer dan fatsoenlijk Nederlands leren spreken en dat zal ik nu weten ook, ha!). Op de boulevard kreeg hij zijn patatje pinda. De jongen wist zich opeens niet meer te herinneren wat een golfbreker was en aangezien het vloed was moest ik met hem het zand door zeulen om hem althans een onder water liggende golfbreker te wijzen. De zee was vreemd, rusteloos door de naderende volle maan. Wonderlijk, die zonnebadende mensen dezer dagen. Ik stelde voor om bij de Egyptische visboer in onze buurt zalm te gaan halen. Ertegenover ligt een Turkse supermarkt met uitstekende groenten. Maar bij aankomst bleek die gesloten, ik was vergeten dat het dinsdag was. En toen stortte ik in. Soort deadline, die supermarkt. Het duizelde me bij de visboer. Ik werd chagrijnig, wilde naar huis. Op de radio raaskalde de één of andere deskundige over hooikoorts, astma, allergieën, pollen, fijn stof en stuifmeel in de lucht, maar hij zei niets over hartpatiënten. Die zijn er in vele soorten en maten, ik denk dat ik bij de lichtgewichten hoor. Toch vrees ik beter af te zijn met een normaal dagnachtritme, zodat ik in de ochtend met mijn oude fietsmaatjes mee kan. Maar wanneer moet ik dan schrijven met die dagelijkse herrie om me heen? Ik haat de dag. Mensen maken zulk afschuwelijk lawaai.
Communicatie
Nou begin ik net een beetje aan de warmte te wennen, krijg je zo’n dag met bewolking boven de stad. Ik had mijn racefietskleren klaargelegd, ze zien er nogal mallotig uit als je ze lang niet hebt gedragen. Nu heb ik geen zin om te fietsen. Ik heb trouwens werk af te maken, zo slecht komt me deze dag niet uit. Gisteren was ik met mijn zoon de duinen wezen verkennen en tot mijn verbazing had de jongen moeite me bij te houden. Zijn zadel stond te laag, wat een medeoorzaak was. Ik dacht dat ik een steeksleutel nodig had, maar eenmaal thuis bleek het een clicksysteem, waarmee mountainbikes tegenwoordig zijn uitgerust. Toch reed ik op een zware stadsfiets met maar drie versnellingen, dus hij had me moeten bijhouden. Ikzelf had gewoon een goede dag. Hij zou eigenlijk voortaan elke zondag met me mee moeten. Ik vind niet dat hij hard moet leren fietsen maar wél regelmatiger van die pc af moet. Als ik niet oplet, zit hij de hele zondag achter die pc te chatten en te gamen met zijn cyberkornuiten van over de hele wereld. Ik krijg hem bijna niet aan het gitaarspelen. Hij luistert niet naar muziek, wat ik hem ook allemaal laat horen. De muziekcultuur is duidelijk ingehaald door de gamecultuur. Muziek is teruggebracht tot ringtones. Ik ben benieuwd waar de literatuur naar toe gaat. In dikke boeken geloof ik niet meer. Ze worden wel gekocht maar er is geen tijd meer om ze te lezen. Mensen nemen niet eens de tijd meer een e-mail fatsoenlijk met een aanhef te beginnen. Enfin, communicatie teruggebracht tot telegramstijl. Ik zal wel zeuren. Communicatie was per slot nooit het sterkste punt van de mens.
K1J07E21xtra
Nou had ik het idee braaf te hebben meegedaan aan griepepidemie K1J07E21 (kwartaal 1, jaar 7, eeuw 21) en nóg zijn de griepgoden niet tevreden. In samenwerking met de weergoden is denkelijk besloten als toetje een buikgriepje te serveren. Aanvankelijk verkeerde ik nog in de veronderstelling iets verkeerds te hebben gegeten. Ik was namelijk vruchteloos op zoek geweest naar zalm en teruggekeerd met van die flinterdunne lamsfilets, die je maar 3 minuten hoef te bakken. Ik eet zelden aardappelen met een stukje vlees en wat groenten, kortom de standaard Hollandse pot, en dacht dat ik vanwege deze maaltijd de hele avond meer op de wc-bril zat dan op de sofa, waar ik me overigens kostelijk vermaak met het boek dat ik moet bespreken. Maar vanmiddag kreeg ik een sms-je van mijn zoon, die meldde dat hij ‘alweer ziek’ was maar waarschijnlijk vrijdag wel weer zou komen. We hebben al jarenlang de gewoonte tegelijk ziek te zijn, beter gezegd: de goden hebben het zo geregeld dat mijn zoon en ik synchroon lopen. Als aardigheidje.
Chinees nieuwjaar knort me tegemoet
Ik had een halve afspraak in de stad met de ex-hoofdredacteur van een krant, maar versliep me grandioos vandaag. Ik zag een gemiste oproep op mijn mobiel, belde de man op, sprak wat in zijn voicemail en at een boterham met aardbeienjam. Die aardbeienjam is bedoeld als afwisseling op de kersenjam die ik bij elk ontbijt tot mij neem. Ik ben overigens een poosje aan de gemberjam geweest, maar toen rookte ik nog. Ik vind gemberjam echt iets voor rokers. Kersenjam vind ik iets voor dames, maar op één of andere manier past het ook wel bij een schrijver. Ik hoop dat u begrijpt wat ik bedoel. Is dat niet het geval, wéét dan dat ik zelf ook niet helemaal weet wat ik nou precies bedoel.
De dag was ook wel eigenaardig. Ik had het gevoel naar de stad te moeten vanwege die halve afspraak en besloot om dan maar de Chinese nieuwjaarsviering bij te wonen. Mijn zoon, gekluisterd aan zijn pc, wilde niet mee. Eenmaal buiten besloot ik om een grote omweg te maken, zodat ik, eenmaal in de stad gekomen, het einde van de Chinese optocht zou zien. Ik houd namelijk erg van achteraan lopen, ik weet niet waarom, maar als jongen liep ik tijdens schoolreisjes en zo meer graag achteraan.
Het was erg rustig aan de boulevard, misschien bevindt een kwart van Nederland zich in de Europese sneeuwgebieden terwijl een tweede kwart wat rondhangt in goedkope Afrikaanse toeristenoorden en de rest met griep ligt? Ik besloot langs de Scheveningse gevangenis naar de stad terug te fietsen en zag in een flits Helga Ruebsamen, die aan de verkeerde kant van de weg fietste. De laatste keer dat ik haar zag was rond 1990, Margaretha Ferguson leefde toen nog en Helga Ruebsamen reed in een oude Mercedes rond. Nu reed ze op een fiets, zwaar opgemaakt, ze lachte een beetje schaapachtig maar ik zal wel ernstig hebben gekeken, want fietsen is ernst. Ik bedoel: als ik fiets, dan fiets ik en dan ga ik niet uitgebreid naar passerende collega’s zwaaien. Schrijvers onder elkaar is toch al een ramp, een enkele uitzondering daargelaten.
Ik hing zo’n beetje achter een jong wezen op een mountainbike en kon niet uitmaken of het een meisje of een jongen was. Achter me hoorde ik iemand in mijn wiel puffen, al fietste ik niet hard. Mijn zoon zou later zeggen dat vandaag iedereen duf was. Zeker suf geblaft in het voorbije Hondenjaar.
De weg was lang, werkelijk, het Haagse Bos doemde akelig kaal op, de Laan van Nieuw-Oost-Indië was desolaat als de hel, alsof de Engelsen dat gebied zijn blijven bombarderen sinds de Tweede Wereldoorlog. Ik kocht een risolles bij mijn vroegere favoriete toko, die inmiddels van naam is veranderd, en fietste naar mijn oude wijk achter het CS, momenteel nauwelijks bereikbaar vanwege allerlei nieuwbouwactiviteiten, een soort speeltuin voor gewetenloze projectontwikkelaars en hardvochtige architecten.
Op de hoek van mijn oude straat at ik mijn risolles, gezeten op de bagagedrager van mijn trouwe fiets. Verderop stond een huurwoning aangeboden, waarvoor ik hoge ogen zou kunnen scoren en die ik nu wilde gaan bekijken. Maar zodra ik mijn oude straat in fietste vroeg ik me af: moet een mens ooit teruggaan naar waar hij vandaan kwam? Je gaat toch ook niet terug naar een ex-geliefde? De woning bleek onzichtbaar ook nog, want het hele portiek ging schuil achter een ondoorzichtige plastic bouwzeil, alsof er een week eerder een bomaanslag was gepleegd of er tenminste een kakkerlakkenplaag is bestreden.
De wijk was ooit de enige stationsbuurt die níet was verpauperd, maar toen woonden er nog schrijvers als ik. De wijk was ook ooit één van de moeilijkst bereikbare van de stad, nu waarschijnlijk van het hele land. Zelfs op de fiets kon ik het gebied niet aan de kant van het station verlaten. Ik moest hem aan de hand nemen. Ik ontmoette troosteloze gezichten in een grimasserende stationshal. Toen klonk het geweld van de Chinese optocht uit de stad, ik sprong op mijn zadel en ging er op af. Bij de Markthof zag ik nog net de staart van de stoet het Spui oversteken naar het plein.
Ik denk dat het de staart van de Hond was, het voorbije jaar. Vandaag is immers oudjaar en morgen nieuwjaar: het jaar van het Varken. Waarom wordt het niet om middernacht gevierd? Omdat dan de christenen en de moslims willen slapen? Ik had trouwens een Hondenjaar, na een nog verschrikkelijker Hanenjaar. Mag ik nu varkentjes gaan wassen?
Binnenshuis verhuizen
Ik heb mijn bureau verplaatst, maar het nieuwe uitzicht bevalt me niet. Terug wil ik niet, want het is koud bij het raam. Het is een langwerpig raam dat van de vloer tot het plafond loopt en waar dus geen cv-radiator geplaatst kan worden. De cv-radiator onder het andere raam is veel te klein om mijn woon- en werkkamer te verwarmen. Een bredere radiator zou volstaan, maar mijn verhuurder vindt dat niet nodig. Het huis is bijzonder dom gebouwd. Zo is er in de keuken een veel te grote cv-radiator geplaatst. Wat moet een mens nou helemaal met een cv-radiator in de keuken? Een keuken hoort helemaal niet warm te zijn, dat is niet goed voor het brood en andere waren die je niet direct in de koelkast legt. Ik weet niet wat me het minst bevalt: mijn nieuwe plek of het uitzicht. Ik denk het laatste. Op ooghoogte alle boeken die ik heb geschreven, waaraan ik heb meegeschreven en boeken waarin over mij wordt geschreven. Die boeken wil ik helemaal niet zien. Op drie planken daarboven de Indische bellettrie, waarin ik me ooit specialiseerde. Hoe krijg ik die zooi uit mijn kop als ik er aldoor naar kijken moet? Tussen die planken liggen ook nog stapels krantenpagina’s met mijn columns plus een stapel al dan niet uitgegeven manuscripten. Ik zit met mijn rug naar het raam. Dat is ook al niet goed. Draai ik mijn bureau, dan kijkt mijn SIR-poort weg van het accespoint. Ik ga wel op de kamer van mijn zoon zitten. Het is de leukste kamer van het huis, feng shui is er onnodig, de energie was al goed voordat ik hier mijn intrek kwam nemen. Toch, als ik terugkijk op mijn leven als schrijver, moet ik bekennen dat ik altijd en overal mijn werkkamer de schuld geef als ik niet tot schrijven kan komen.