Telefictie
Televisie is het leukst als het live gaat, maar dat durft men zelden, er kan veel fout gaan. Ook voorgebakken uitzendingen zijn zelden vlekkeloos, je ziet het al aankomen wanneer je je gaat melden op de plaats van afspraak. In mijn geval was dat heden middag om 16:45 uur bij Toko Toet aan de Beeklaan numero 376A te Den Haag. Met mijn geweldige timing kwam ik precies om kwart voor vijf aan fietsen. Dan moet, vind ik, de televisieploeg van de betreffende lokale zender natuurlijk meteen een shot nemen van hoe de schrijver aan komt fietsen op zijn blauwe Union en in zijn linnen jasje. Ik bedoel: als je zo te werk gaat, dan bespaar je tijd en kun je weer snel naar huis, of lekker naar de zee. (Ja, ik was liever naar de zee gegaan.)
Er stond natuurlijk helemaal geen filmploeg op me te wachten. Die televisielui werken net als uitgevers. Dit wil zeggen dat zij zichzelf een ruime vrijheid veroorloven in het overschrijden van tijdslimieten. Meantime moet jij natuurlijk wél op tijd zijn, anders kunnen zij de tijdlimiet niet overschrijden. Is that clear? Onthoud dit nou goed voor later, voor als u ook eens op de televisie moet. Enfin, ik sta daar zo’n beetje te hangen in de deuropening. Zegt een ander, hangende tegen een muurtje verderop (het was lekker warm buiten): ‘Zeg, ben je van TV West?’ Ik zeg: ‘Ja, maar voor heel even.’ De man kijkt me aan alsof hij kiespijn heeft en inderdaad, wanneer we aan de praat zijn geraakt blijkt hij onder een enorme kiespijn gebukt te gaan. Mijn gsm gaat af en de joviale meid die mij enkele malen eerder in de week van mijn fiets belde (ja dat kan, wordt straks duidelijk) meldde dat het team later zou komen.
‘O, maar waar ben jij dan?’ vraag ik.
‘Ik zit op kantoor,’ zegt ze.
‘O, dus wij zien elkaar helemaal niet!’ roep ik eh… teleurgesteld uit.
‘Nee!’
‘Ja, maar ik kom voor jou! Je denkt toch niet dat ik hier voor die sukkels met dat cameraatje ben gekomen.’
‘Ja nee ja eh ha ha ha! Zeg, maar ze komen er aan hoor, over een kwartiertje zijn ze er!’
‘Nou, dat wordt dan drie kwartier.’
‘Nee hoor, ze rijden net weg.’
‘Weet je het zeker? Rijden ze net weg?’
‘Ja, ze zeiden dat ze net weg reden.’
‘Ja, kijk, dat bedoel ik dus: ze zeiden dat…’
‘Okay, ja maar…’
‘Hoorde jij dat ze de wagen startten dan?’
‘Nee, het is een fluisterstille wagen.’
‘En waar stonden ze toen ze wegreden? Stonden ze in de parkeergarage, reden ze net de parkeergarage uit of tuften ze net de weg op?’
‘Ik neem aan dat ze net de weg op reden.’
‘Nou, dat wordt dan veertig minuten, maar dat maakt niet uit joh. Waar moeten ze vandaan komen?’
‘Van de Pasar Malam, daar hebben ze net met Siem Boon gesproken.’
‘O, ik dacht dat ze hier zouden beginnen en dan naar de Pasar Malam zouden gaan. Het is dus andersom! Wise people, het eten is veel beter hier.’
De man met kiespijn stelt me voor aan een man zonder kiespijn maar met zorgen aan zijn hoofd. Toko Toet is namelijk van hem. Hij zit nog net niet tegen een burn out aan, maar hij is wel erg capeh, moe dus, erg moe, hij is zo verschrikkelijk moe, hij zou wel eh… niet moe willen zijn. Ik geef hem een aantal tips, maar in korte vakanties gelooft hij niet. Het lijkt hem het beste om maar te gaan sporten. Dat vind ik ook en eh, zeg nu ik jou toch spreek: Toko Toet lag vroeger toch aan de Leyweg, is het niet zo? Ik moet dat weten, anders kraam ik straks allerlei onzin uit op de televisie. En je weet hoe Indische mensen zijn: die pakken dan pen en papier en sturen je ellenlange epistels met hoe het volgens hun ooit was. In koloniaal handschrift, je weet wel: met veel krullen en tierelantijnen.
Terwijl de vermoeide man me vertelt hoe het allemaal zat, gaat mijn gsm weer af.
‘Halloooooooooooo!’
‘Hey, hi there, hallo, hoe gaat ie achter je peeceetje?’
‘O goed hoor, zeg je begrijpt het wel hè?’
‘Yo ya hoor ik begrijp het, zeg hoe lang moet jij nog (hoe oud ben je, wat ga je vanavond doen, heb je een vriend, gaat ie vreemd die klootzak, hey ben je lekker) eigenlijk?’
‘Pffffff ik zit hier nog de hele avond joh, teevee hè? Maar ze komen eraan hoor, over een kwartiertje.’
‘Okay, over een kwartiertje, maar dat zei je net ook al (baby).’
‘Ja, ik bedoel ze komen over tien minuten, echt, tien minuten, nou goed laten het er elf zijn dan.’
‘All right (baby), don’t worry (baby), ik sta hier lekker te keuvelen met (een paar lekkere babes, ben je nou jaloers?) eh…’
‘Nou joh, anders neem je toch alvast wat.’
‘Welja joh, mooi weer toch?’
‘Ja, nou ik zit hier wel te puffen achter die pc maar ik mag niet klagen hoor, voor hetzelfde geld eh…’
‘Nou?’
‘Eh, o niks joh, ha ha ha! Het is goed joh, hey en zij is ook aardig hoor, echt ze is heel aardig, sorry dat ik er niet bij kan zijn, maar ze is echt aardig hoor.’
‘En wie zijn er nog meer bij dan?’
‘Nou zij dus, en dan de cameraman en Wim Willems.’
‘Okay, en wat doet Wim Willems?’
‘Wim Willems doet de presentatie.’
‘En zij dan?’
‘Zij voert de regie.’
‘En jij?’
‘Ik? Ik bel de hele dag in het rond, wel leuk hoor, ik had net nog een boer aan de lijn die ik niet, dus helemaal niet verstond, ha ha!’
‘Zat ie op de tractor of zo? Zoals ik steeds op de fiets zat als je belde?’
‘Nou, het was wél een soort tractorgeluid maar dat kwam toch écht uit zijn mond, ha ha.’
‘Hey, leuk baantje heb je (baby, zeg ik kap er nou mee hoor, melig gedoe, leidt toch nergens toe, je bent ook veel te jong voor me joh, ik wil trouwens onderhand wel het klooster in, er schijnen aardige in Thailand te staan, met massagekamers en zo, huh huh), echt, leuk baantje heb je, hey keep going hè, toedeloe!’
‘Joehoe! Toedels!’
Drie kwartier na het afgesproken tijdstip komt een busje aangereden. Iemand van de crew slingert zonder te kijken het portier open en een fietser weet het nog maar net te ontwijken. De fietser heeft geen zin om te stoppen om zijn verhaal te gaan halen, hij is wijs en ongetwijfeld blij dat hij nog leeft. Het drietal dat uit het busje komt gestrompeld, ziet eruit alsof ze door de gehaktmolen van de AIVD gehaald is, en anders wel onder een stapel flauwgevallen bejaarde Indo’s uit Australië op de Pasar Malam Besar vandaan heeft moeten kruipen. Moet dát mij komen interviewen? Is ick soo ende diep gesonck?
Nu komt het, let vooral op, in het bijzonder als u wel eens, of vaak, of altijd, televisie kijkt. Ik ga niet zeggen dat de televisie liegt, ik zeg alleen dat de dingen die u op de buis ziet niet altijd de dingen zijn zoals ze zijn. Dat wist u ongetwijfeld al en daarom kijkt u televisie, gewoon omdat u van fictie houdt. Okay, dus u begrijpt dat het mogelijk is dat straks op de televisie de presentator op MIJN fiets aan komt rijden terwijl IK in de toko zit te wachten. Dat shotje moest trouwens één of twee keer over. Wim Willems deed mijn fietsslot niet handig genoeg op slot, het was hem, kortom, aan te zien dat hij al een jaar of twintig niet op een fiets had gezeten. Zijn introbabbel was ook niet al te sterk, uitgeknepen als ie al was van een rondje over de Pasar Malam Besar. Ik vond zijn tweede opkomst sterk genoeg, voor zo ver ik dat kon beoordelen, ik zat namelijk binnen, maar wel dicht bij de open deur. Bij het mislukte shot was ik nog blijven zitten toen hij de toko binnenkwam en wij elkaar begroetten, maar nu dacht ik: kom ik sta eens op, dan maken we er even een real nice entrance van en dan kan die regisseur niet meer zeuren.
Ze bleek geen zeur en ondanks haar vermoeidheid was ze nog alert genoeg om de presentator tijdig af te kappen (regisseurs denken in blokjes, professoren als Wim Willems in colleges) en de boel zo te organiseren dat de sateh kambing op driekwart van de opnametijd werd geserveerd door een levensecht Indisch meisje uit het begin van de vorige eeuw (geen idee hoe ze dat voor elkaar kregen bij Toko Toet) enzovoort. Waar het nou eigenlijk allemaal over ging, dat ben ik onderhand al bijna vergeten. Ja, dat moet. Anders zie je later jezelf terug en zeg je aldoor: ‘Ja, nee hoor, laten ze dít staan en hebben ze dát eruit geknipt!’ Overigens wist ik niet eens waar het allemaal over zou gaan toen ik op de fiets aan was komen rijden. Die joviale meid aan de telefoon had gezegd dat ik één van mijn onvolprezen columns mee moest nemen, wat ik had gedaan, maar ter plekke zei de presentator dat het over mijn boeken moest gaan. Ik had dus mijn boeken mee moeten nemen. Maar als ik mijn boeken mee had genomen, dan zouden ze natuurlijk hebben gevraagd waarom ik mijn gitaar niet had meegenomen.
Enfin, uitzending aanstaande dinsdag. De boel gaat Google Video op, u hoort wel wanneer. Ik ga nu schrijven. Off line. The real stuff.
