To blog or not to blog
De redacteur van een jonge collega schrijfster wees haar laatst op allerlei blogs en sites van schrijvers en dichters. De man wil alles op de voet volgen, dus hij heeft daar een dagtaak aan, zoveel als er wordt uitgebracht aan boektitels. Hij kwam met complete lijsten aanzetten, zij zapte zich suf, het begon haar allemaal te duizelen. Ik weet niet of het een verborgen klacht was, maar echt blij klonk ze niet. Ik neem aan dat haar redacteur tijdgenoten noemde. Dat lijkt me niet bijster slim. Ten eerste kun je als schrijver maar beter niet weten hoeveel so called collega’s op de trom slaan, ten tweede kun je de auteur die je begeleidt beter met klassieken opzadelen van Shakespeare, Goethe, Joyce, Kafka, Proust, Beckett, Kawabata, Nabokov, Perec, Duras, Elsschot, Bordewijk enzovoort – van hen kun je tenminste iets leren, mits je het talent bezit te zien wat zij deden dat anderen niet deden.
Mijn collega schrijfster vertelde dat er wel mooie sites tussen zaten. Dat ze daar vanzelf langer bleef hangen. Kwestie van smaak natuurlijk. Maar toch: als ze te veel blogs en sites bezoekt, schijnt schrijven haar nogal zinloos toe. Nu komt het. Ze zegt dat ze ervan houdt als er een mooi fragment op een site valt te lezen, zodat je direct een beeld krijgt van hoe iemand schrijft en wat zijn of haar thematiek is. Oei, daar schrok ik even van. Ikzelf heb nauwelijks proza op mijn weblog staan dat mijn stijl en thematiek typeert! Hier en daar wat Indonesische en Engelse vertalingen, de een wat beter gelukt dan de ander, veel krantencolumns, wat recensies, blogstuff over van alles en nog wat, mijmeringen van mijn webheld Meneer B., het Yournael van Cyberney, waarmee mijn webavontuur anno 2000 is begonnen en slechts enkele prozafragmenten uit boeken. Mijn beste werk staat er bij lange na niet op, dus ik kan dit weblog moeilijk een portfolio noemen.
Dit doet me denken aan een internetdebat van twee jonge Amerikaanse schrijvers: de ene schrijver blogde zich suf om contact met zijn publiek te houden, de andere blogde helemaal niet omdat hij bang was dat de mensen een verkeerd beeld van zijn proza zouden krijgen. Immers: internetproza is natuurlijk nooit zo fijnzinnig als dat wat je in een boek publiceert. Ik heb het hier uiteraard over de serieuze schrijvers, dus zij die literatuur als een kunstvorm zien en niet als een (slecht) middel om snel beroemd en rijk te worden. Als de gedachte aan discrepantie tussen digitaal en gedrukt proza mij komt kwellen – dat is een paar keer per jaar – dan heb ik weleens de neiging om mijn hele blog off line te halen, waar ik soms ook gehoor aan geef. Na enkele weken zet ik de boel dan weer on line. Omdat er zijn mensen die erom vragen. Omdat ik de schrijftafel niet ontvluchten kan (want dat is bloggen voor mij). Omdat Google al mijn artikelen in cash heeft, dus de boel is toch te achterhalen. Er zijn wel trucs om dat te saboteren, maar dat kost tijd.
Mijn jonge collega schrijfster vindt dat al die blogs van, vooral jonge, dichters overlopen van namedropping en kalenders van podiumoptredens en meer van die show off stuff. Op zoek naar de rust van een mooi gedicht moet ze dan echt zoeken naar wat die schrijvers nou eigenlijk produceren. Er wordt veel op hun weblogs geschreeuwd, schrijfvriendjes worden bewierookt en schrijfvijanden worden afgeserveerd. Verder hebben ze zoveel optredens dat zij zich afvraagt waar ze de tijd vandaan halen om te schrijven. Ze zegt dat Tommy Wieringa hier eens een leuke column over schreef. Ze vindt zijn site overigens overzichtelijk en mooi. Maar ja, je zal niet snel op die website komen, tenzij je op zijn naam zoekt. Alleen bestsellerauteurs kunnen zich een dergelijke statische website veroorloven. Megasellerauteurs hebben helemaal geen website nodig. Een dynamische site houdt je naam levend. Veel verschuift naar het web, de grootste boekhandel van Nederland is geen fysieke maar een digitale. Het gevaar dat je lezers aantrekt die niet bij je passen, en lezers afstoot die dat wel doen, blijft bestaan. Maar dat heb je ook wanneer anderen over je schrijven. Ten slotte: wat je collega’s doen, dat zou je onverschillig moeten laten.


