De zomer was kort, heet. De zomer is een herinnering nu. Mijn lichaam houdt van warmte, hitte zelfs, maar misschien is ook dat een herinnering straks. Ik was maar één keer op het strand, met mijn zoon en een vriendje van hem, en fietsend op de terugweg stortte ik in, kwam amper nog vooruit. Ik had me te druk gemaakt om het gedrag van de jongens op het strand. Ik heb er de fut niet meer voor op een stel van die snotneuzen te letten. Had ik mezelf overschat? Welnee. Een door mijn cardioloog verordonneerde fietstest gaf een afwijking aan de kransslagader te zien. Hij was ondanks de goede waarden in mijn bloed, altijd achterdochtig gebleven. Nu had hij eindelijk iets gevonden waarmee hij het team in het concurrerende ziekenhuis – want dat zijn ze hier in Holland: concurrenten – kon overtuigen van de noodzaak mij nogmaals op de behandeltafel terug te zien. Doet me deugd, al blijft het knarsetanden met dat getreuzel van ze, reden waarom veel Nederlanders hun heil in Belgische ziekenhuizen zoeken. Het is een kwestie van wachten nu: twee, drie, vier, vijf weken. Misschien zal ik dan een nieuw hoofdstuk aan een roman-in-wording hebben toegevoegd. Ik ben weer een beetje gaan geloven in fictie, ja. Nooit gedacht, nee. Waar ik niet in geloof, is een commercieel succes. Mijn ambitie is een andere. Helaas gedragen uitgevers zich aldoor vaker als speculanten, en hun redacteuren zich als managers. Het publiek begrijpt dat. Kunst moet lonen. Wie wil zulk publiek?