Vogels rond een vrouw

alfred birney vogels rond een vrouw Alfred Birney
Vogels rond een vrouw

roman
Uitgeverij In de Knipscheer
Amsterdam 1991
Paperback 176 blz. 13 x 20 cm
omslagontwerp Henrik Barends
ISBN 90 6265 326 X NUGI 300
Herdrukt in Indische gezichten
Bestel: BolCom

Alfred Birney’s populairste roman over Indische kwesties, in de vorm van een modern spookverhaal. Ook de vertaling werd in Indonesië zeer goed ontvangen.

De derde roman van Alfred Birney zou een modern Indisch spookverhaal genoemd kunnen worden. Alan Noland, bijfiguur uit Birney’s vorige roman “Bewegingen van heimwee” (1989), is de oudste telg uit een Indisch gezin. Als kind raakt hij onder de indruk van het portret van zijn grootmoeder, van wie een duistere magische werking lijkt uit te gaan. Tijdens Alans volwassenwording treedt gaandeweg een positieve fascinering op voor deze Chinese vrouw. Hij gaat op zoek naar haar achtergrond en bezoekt haar graf op Java.

Dwars door het verhaal loopt de dominante lijn van de Indische vader, die met zijn onverwerkt oorlogsverleden tussen kleinzoon en grootmoeder in staat. Zo krijgt de speurtocht een tweevoudig karakter: hij leidt ook steeds weer naar de vader. Of is hij drievoudig en leidt hij uiteindelijk terug naar de zoeker?

Ik luister, ik lees en ik huiver. Dit is minstens literatuur die iets aan de kennis van onze geschiedenis toevoegt. – Vrij Nederland

Gaaf stilist, een onderhoudend verteller en bovendien een auteur die vindingrijk is in het bedenken van een compositie van een roman (…) een spookverhaal zoals tot op heden alleen Louis Couperus dat kon. – De Stem

Birney heeft hiermee opnieuw een knappe roman geschreven, een boek met een gloedvolle lading. – Noordhollands Dagblad

Deze roman herinnert de Indonesische lezers eraan hoe belangrijk het is wortels op te graven. Pikiran Rakyat

Fragment (1)

Misschien had ik haar bestaan al vermoed in mijn vroegste jaren, ergens op de achtergrond van die grillige schaduwwereld rond mijn ledikant. Want toen ik voor het eerst haar foto zag, was zij geen volslagen vreemde voor me. Ik voelde dat zij er al heel lang was, dat haar adem altijd in ons huis had gehangen, dat niet zij mijn leven binnen was gekomen, maar ik het hare.

Ik was stiekem de verboden slaapkamer van mijn ouders binnengegaan, niet uit zucht naar huiselijk avontuur, veeleer uit verlangen om dichter bij hen te geraken; ik wilde me koesteren aan de warmte van hun bed. Het was groot en er lag een gewatteerde goudkleurige deken overheen. Ik volgde met mijn vinger de stiksels die de vlakken in het vierkantspatroon deden opbollen. Ik vlijde mijn wang tegen de verschoten vacht waarop vlekken zaten en sloot mijn ogen. Toen ik ze weer opende, zag ik drie personen voor me. Ze hielden de wacht boven het voeteneinde. Ik richtte me op onder hun bestraffende blikken, die iets Indisch duisters hadden. Vanaf dat ogenblik was het onmogelijk dat magische drietal te negeren telkens wanneer ik de slaapkamer zou binnensluipen om de deken aan te raken, en later mijn vaders gitaar, zijn schrijfmachine.

Op het eerste gezicht domineerde grootvader in de lijst. Zijn foto was het grootst en hing in het midden. Zonder een spoor van ijdelheid te vertonen had hij in zijn ruimzittend wit kostuum, wellicht vlak voor zijn siësta, plaatsgenomen op de divan, waaromheen een lucht van Indische kruiden en smeersels moest hangen. In zijn rug twee gebloemde kussens, boven hem aan de muur een onduidelijke prent. Naast de divan een salontafel met een kanten kleedje erover gedrapeerd. Een pijp, een bril, een half leeggedronken glas water, een bord met een restje koek. Op de achtergrond een étagère met marmeren blad en een oliestelletje.

De hoek waaronder de foto was genomen dwong je om de gestalte van deze rijzige Indo-Europeaan van onderen naar boven te bekijken, in die volgorde: de grote donkere veterschoenen die schuin op de zolen uiteenweken en zo een gelijkbenige driehoek met het vloerkleed beschreven, de ene punt wijzend naar het portret van mijn vader links, de andere naar dat van mijn grootmoeder rechts in de lijst. Houterig staken zijn enkels uit de opgetrokken broekspijpen. De licht gespreide benen beschreven een magneetvorm in de holte waarvan zijn handen rustten, halve vuisten, de vingers gekromd. De broekriem ging vrijwel schuil onder de weldoorvoede buik en de brede stropdas gaf zijn bovenlichaam een gedrongen aanzien. Tussen de enigszins vermoeid afhangende schouders lag zijn hals verzonken in zijn overhemdsboord. Daarop, in ietwat vernauwd perspectief ten opzichte van de machtige voeten op de vloer, rustte de autoritaire kop. Een krachtige neus, een gecultiveerde korte grijze ringbaard. Grote oorschelpen zaten als Europese souvenirs op het gemillimeterde Madoerese ovaal geplakt. Onder donkere borstelige wenkbrauwen lagen de ogen die je met Indische strengheid dwongen hem aan te kijken.

Het portret van mijn vader had een relatief neutrale achtergrond: een armzalige muur, aan de ene kant licht en aan de andere kant donker, mogelijk door een verkeerde belichting of een onhandige manoeuvre in de doka. Jeugdig waren zijn gladgeschoren kin en bovenlip, zijn in een kuif naar achteren gekamd haar en een losse overhemdsboord. Ook hij keek recht in de lens, zodat zijn ogen je overal door de kamer volgden. De vorm van zijn gezicht was hoekiger dan dat van zijn ruim zestig jaar oudere verwekker, het ovaal fraai vertekend door een scherpgevormde kaaklijn. De wenkbrauwen waren fijner, de geloken ogen groter, maar vergelijkbaar was de doordringende blik, al leek die ook naar binnen gericht op een geheim dat hij nooit zou prijsgeven.

Naast hem, door het formaat van de foto boven hem uitstekend, zijn moeder. Een Chinese vrouw, de grijzende haren strak in een niet zichtbare cond‚ naar achteren gekamd. Ze droeg een witte kabaja die door waarschijnlijk een afdakje overschaduwd werd en zodoende bijna zwart leek. Een achtergrond was niet zichtbaar, maar haar torso had op een sokkel in een galerij van wijzen kunnen staan. Haar ogen deden je de streng omlijnde mond en de platte neus direct vergeten: ze keken niet alleen dwars door jou heen, maar doorboorden ook al het andere dat zich achter je bevond, zowel in tijd als in ruimte. Haar verschijning aan de muur overschaduwde uiteindelijk veruit die van beide mannen. Zij was van een geheel andere orde, iets hogers, iets onaards, iets wat met God, de hemel en de hel te maken had en wat je diep moest vrezen.

Later werd zij in vaders verhalen altijd mysterieus omwolkt, en kinderlijk vrij associërend leerde ik dat zij bevriend was met de nacht. Ze was niet zichtbaar, wel droombaar, haar magische aanwezigheid voelbaar. Ze waakte niet over mijn slaap, maar over mijn slapeloosheid, een toestand van verlamming met behoud van een ontvankelijk en kwetsbaar bewustzijn. Langdurig kon zij me van ergens in het donker aankijken en me dwingen stil te blijven en niet te huilen of te schreeuwen wanneer schaduwen de kamer vulden, die me deden snakken naar de dageraad.

Hoewel grootmoeder zich in de fotolijst naast vader bevond, moest zij zich in werkelijkheid achter hem bevinden. Via onhoorbare toefluisteringen door de lucht liet zij de harde bevelen uit zijn mond komen wanneer hij zijn sterke hand hief. Hij was de generaal op Nederlandse bodem, zij de koningin in haar Oostjavaans paleis. Hij was de afkondiger, zij het brein. Hij de magiër, zij de formule.