Vondelingen
Op een sorteerband bij een afvalverwerkingsbedrijf in Utrecht kwam gisterochtend een babylijkje voorbij. Medewerkers haalden het tussen het puin vandaan, dat met tonnen uit vele delen van het land wordt aangevoerd. Het meisje haalde het leven niet, maar wel de krantenkoppen. Een bizar soort roem is dat. Ik denk niet dat haar publiek – een handjevol werklui, politieagenten, lijkschouwer en laboranten – haar een naam zal geven. Een nummer zal ze wel krijgen. Wat voor nummer? Hoe en waar zal ze worden begraven? Wie was zo wreed of in de war zich zo van haar te ontdoen? Harteloos maar nog altijd het minst slecht is je baby te vondeling leggen. Verzorgd afval, om zo te zeggen. Ik zag ze wel eens binnenkomen, die kleine baby’s, ze kwamen in auto’s, meestal weggehaald bij hun moeders. Ik bewoonde met 80 jongens en meisjes, in aparte vleugels, een kindertehuis in Voorschoten. Verscholen achter onze gebouwen lag het Sophiahuis met de zwevende glazen serre, waar de verzorgsters wel eens met de baby’s op de arm naar de vijver stonden te kijken. Soms sloop ik met een paar kornuiten naar het Sophiahuis en gluurden we tussen de gordijnspleten door naar de wiegjes. We hadden het te doen met die baby’s. Zodra ze peuter waren, vertrokken ze naar de meisjesvleugel. Ik heb jongens gekend die het hele traject hebben afgelegd, van het Sophiahuis tot en met de laatste zaal: de Drempel (naar de vrije wereld). Je herkende ze aan hun gelaatsuitdrukking. Honderden moeders en vaders boden nooit troost.


