Work in proces
Ik heb de afgelopen tijd aan een essay gewerkt, naar de aanwijzingen van een ervaren eindredacteur. De afgelopen dagen stonden in het licht van een naschrift, dat nu wel ongeveer klaar lijkt, maar het kan zijn dat er overbodige dingen in staan die er morgen uit moeten. De stof voor het essay vergaarde ik al tien jaar geleden, toen ik de koloniale Indische bellettrie in dook. Het boek heeft verschillende vormen gekend. Aanvankelijk was het een uit de hand gelopen en onvoltooide synthese tussen fictie, essay en literatuurgeschiedenis, een gedrocht dat, als ik verbeten doorging, zeker 250.000 woorden zou hebben geteld. Een uitgever vond het interessant, maar dan wel voor een clubje van honderd schriftgeleerden. Later hakte ik de boel in drie stukken. Een deel vormde de basis van een roman, een ander deel vindt zijn weg in verhalen en artikelen in tijdschriften en het derde deel ligt nu bijna voor me. Op 1 september stuur ik het naar mijn proeflezers, met de mededeling dat ik er absoluut niets meer aan zal doen. Dit is het product van overpeinzingen waar ik tien jaar mee heb gelopen en nu wil gaan vergeten. Het boek is overigens een studie naar beeldvorming van de Indo in drie boeken van drie beroemde Nederlandse auteurs – Multatuli, Couperus en Daum – en drie vergelijkbare werken van drie vergeten Indische schrijvers. Verder is het een pleidooi voor herziening van de Nederlandse literaire canon. Die strijd ga ik natuurlijk verliezen, maar dat geeft niet: het moest gezegd.


