Yournael Iowa (1) – Op pad met Bunga en Boeaja
Ergens stroomt een rivier en de maan is bijna vol. Er hangt iets in de lucht, de mensen zijn gejaagd, nee ik verbeeld me niks. Het reisbureau van de literaire organisatie met de onmogelijkste afkorting die je maar kunt bedenken, het NLPVF, is vergeten mijn vliegticket klaar te leggen bij de balie. Dan heeft Marion Bloem het toch maar slimmer geregeld: zij heeft haar vliegticket naar haar huisadres laten sturen.
Ik ben nerveus, ik lijd aan vliegangst en krijg zin om eens lekker te gaan schelden op het meisje achter de balie van het reisbureau. Bloem maant me tot rust: het is de schuld van het meisje niet.
Mijn tweelingbroer George is ook ter plaatse. Hij vliegt als IT-er de wereld rond, komt me uitzwaaien en me van reisadviezen en dollars voorzien.
‘Ga ik niet neerstorten, George?’
‘Nee man, je stort niet neer.’
‘Maar het is mogelijk, niet?’
Bloem is ongeduldig en wil alvast gaan inchecken. Ze wil voorkomen ik naast haar kom te zitten, want ze wil ongestoord kunnen werken aan haar roman. Ze werkt met deadlines. Ik ook, maar niet in een vliegtuig.
Het baliepersoneel op Schiphol is wat geïrriteerd vandaag. Zo zijn er twee vliegtuigen niet teruggekeerd uit Minneapolis, vanwege slecht weer. Dat is nou precies de luchthaven waar ik en mijn collega moeten overstappen.
Ik bel mijn contactpersoon van het NLPVF, wachtwoord voor Nederlands Literair Productie- en Vertaalfonds. Heerlijk om zijn geruststellende stem te horen, het zal wel voor elkaar komen met de vliegticket.
Nou, met dat ticket wel, maar verder gelooft Bloem er helemaal niks van. Bij de incheckbalie hebben ze fijn een streep door haar vliegticket gehaald. Die krijg ik later ook.
‘Ik ga naar huis,’ zeg ik, ‘ik neem het vliegtuig morgen wel.’
‘Nee,’ zegt Bloem, ‘jij gaat mee. Anders moet je morgen wéér om zes uur je bed uit.’
George heeft goed nieuws. Ze hebben een Boeing 767 gecharterd, een toestel met twee motoren.
‘Twéé maar?’
‘Ja, twee motoren. Maak je geen zorgen, zo’n 767 die haalt het nét.’
‘Of net niet, huh?’
‘Joh, dat ding vliegt gewoon wat lager en langzamer. Misschien hebben ze er wel een extra tank aan gehangen.’
‘Het is bijna volle maan. Veel verkeersongelukken en zo.’
‘Die gebeuren ook bij andere maanstanden.’
‘Ja, maar vooral bij VOLLE maan, George.’
Ik wil naar huis, ik wens deze vlucht te cancelen, maar dan moet ik me toch eerst bij de gate melden, anders weiger ik de vlucht. Nou vooruit dan maar.
Voorbij de paspoortcontrole zwaai ik erg lang naar George. Dan kan hij, indien ik neerstort, als eenling de rest van zijn leven aan dit memorabele ogenblik terugdenken: dat zijn tweelingbroer het altijd heeft geweten dat hij eerder dan hem zou gaan.
Ik meld me bij de gate, waar zo’n 900 mensen op de 767 wachten, een toestel met een capaciteit voor 300 passagiers.
Ik ben Bloem kwijtgeraakt, ik weet niet waar ze uithangt. Tegen de tijd dat we aan de beurt zijn voegt zich bij me. Zodra ze hoort dat we niet met het toestel mee kunnen, begint ze stampei te maken, roepende dat hier twee schrijvers staan die moeten gaan voorlezen in Iowa, hier staan twee belangrijke schrijvers, de Bunga en de Boeaja van de Indische letteren, hoort u?
Wij lezen toevallig lekker Van Dis, zie ik de dames achter de balie denken: die heeft tenminste manieren.
Bunga wendt zich woedend af, ik sjouw achter haar aan en kom ergens in het labyrint van Schiphol oog in oog te staan met een kostschooldirectrice achter een KLM-balie. Ha! Een kostschooldirectrice, een kreng van een wijf, daar ben ik dol op!
Bunga niet. Die vergeet wat ze mij eerder adviseerde toen ik wilde gaan schelden omdat mijn ticket er niet lag. Nu begint zijzelf te schelden. De directrice verstrakt, er-rug mooi dat. Bunga verstrakt ook, ook er-rug mooi. Tijd dus voor me om haar een zitplaats te wijzen.
‘Ga jij daar nou even zitten,’ zeg ik, ‘dan regel ik dat wel hier.’
‘Ja, gaat u daar maar even zitten,’ echoot de kostschooldirectrice tegen de Bunga van de Indische letteren, ‘dan regel ik alles wel even met meneer. Het is al zo’n chaos vandaag, ziet u.’
Hm, ze zegt ‘meneer’ maar bedoelt natuurlijk ‘jongen’. Kostschooltantes zijn dol op me, herkennen instinctief de ex-tehuisjongen in me, maken me het leven zuur dan wel zoet, afhankelijk van hoe de planeten staan. Volle maan, mal sehen…
Het kreng biedt ons een alternatieve vlucht via Chicago. Klinkt een stuk spannender dan Minneapolis. Alhoewel, die Chicago Blues uit de Amerikaanse muziekcultuur zit wél vol ellende. I woke up this morning… en toen ging alles mis.
Lord have mercey dan maar.
Bunga heeft zich intussen over haar manuscript gebogen. Ik laat haar met rust, ga op zoek naar een toilet, naar een sigarettenboer en een bak koffie. Om 10 over 1 is het inchecken voor Chicago geblazen. Bunga is gevlogen, met mijn tassen, en zal dus vast wel bij de gate staan.
Ik loop erheen, ga zelfs de detectorpoortjes door, laat Bunga’s echte naam omroepen, lezers stoppen betrapt haastig hun Haasse-lectuur weg, ik ga weer terug de poortjes door, bel Bunga’s oude 06-nummer, krijg haar man ergens in Maleisië aan de telefoon, terwijl Bunga op dat ogenblik van ergens in het labyrint het NLPVF belt om daar mijn 06-nummer op te vragen, dat uiteraard in gesprek is omdat de Bunga de Boeaja zoekt op het moment dat de Boeaja de Bunga zoekt.
Maan al vol? Graag. Dan kan ze gaan afnemen.
Chagrijnig van het gesjouw met mijn tassen meldt Bunga zich plotseling bij de incheckbalie. Ze zegt dat ze het nou wel heeft gehad met die tassen van me. Alsof ik haar heb gevraagd met die tassen op sjouw te gaan.
Bunga maakt zich zorgen. Ze heeft haar koffer namelijk laten inchecken bij de vlucht naar Minneapolis, toen die vlucht nog onzeker was. Ze zullen vast wel zijn vergeten die koffer op de alternatieve vlucht te zetten.
We kunnen aan boord, onze reserveplaatsen gaan opzoeken. Kunnen we vertrekken? Nee, de piloot van de ‘Classic’ Jumbo 747 meldt dat er nog even een bandje verwisseld moet worden. Horen classics niet in een museum thuis?
Bunga zit een paar plaatsen verder schuin voor me en ik zie haar bezig met correcties in haar manuscript, dat onder de titel Games4Girls de boekenweek moet gaan opsieren. Watch out, mister Rushdie, we’re gonna sing our own Indies Blues for you. In Dutch, don’t worry.
Bunga maakt correcties in haar manuscript, kijkt zelfs niet op of om bij het opstijgen van de ‘Classic’ met zijn nieuwe bandje. Cool. Ik kan niks in een vliegtuig, alleen maar voor me uitstaren. Geen film deugt. Het hysterische rookverbod in vliegtuigen neemt internationale vormen aan terwijl die machines zelf tonnen verbrande kerosine het luchtruim in spuiten, goed voor duizenden kankerlijders die ver beneden op de aarde rondkuieren. De nicotinekauwgom die mijn verslaving moet gaande houden is niet te vreten. Valium is effectiever, bestrijdt tegelijkertijd je vliegangst. Dosering: 5 mg. Kleur: geel. Mother’s little helper, naar een hit van de Stones uit de jaren zestig. Ik wacht op de monitor die in de filmpauzes de vluchtroute weergeeft. We gaan onderdoor IJsland, Groenland, dan omlaag het Michiganmeer over. Heel snel, heel langzaam. Het is nog ver naar de rivier, waar de cowboys wachten.

Schiphol Airport is een labyrint, Chicago Airport een jungle. Hollandse douaniers zijn mellow, Amerikaanse tough. Bunga wil niet met mij in dezelfde rij staan. Twee Indo’s bijeen, dat valt te veel op. Merkwaardige actie van haar, zéér Indisch, maar dan wel zoals we waren in de jaren zestig.
De douanier die ik langs moet, is zo te zien een Vietnamees. Wat zal zo’n man moeilijk doen als-ie een half Aziatische smoel voor zich ziet?
Nou, hij roept met schrille stem in napalm-Engels uit dat ik mijn formulier niet volledig heb ingevuld. Weet ik veel dat dat formulier ook nog een achterkant heeft. Ik heb het verdomme tot drie keer toe overgedaan op aanraden van de steward aan boord van de ‘Classic’, want die had al eens moeilijkheden gekregen om een doorhalinkje.
De volgende klant duwt me bijkans van de balie weg en ik ga terug, braaf achteraan in de rij staan. Eenmaal weer aan de beurt zegt de Vietnamese douanier: ‘Hé joh, waarom ging je nou achteraan in de rij staan? Ik zei toch dat je dáár moest gaan staan. Nou heb je moeten wachten! Had niet gehoeven, brother.’
Huh? Adoeh, zo’n fèn, je zou hem toch beuken met dat petjoh-Engels van hem, niet?
Intussen ben ik Bunga alweer kwijt, die kennelijk lijdt aan een ontsnappingsneurose. Ik vind haar bij de lopende band, waar ze op haar koffer wacht. Ze weet dat ze er helemaal voor niks op haar koffer wacht, dat die koffer niet zal komen, en het wachten op haar koffer zal een thema worden dat voor haar de helft van de conferentietijd in Iowa zal beheersen.
Het moet gezegd: KLM kan niet garanderen dat uw koffer tegelijk met uzelf aankomt op de plaats van bestemming. Ze hebben het in de kranten laten zetten en ze houden woord. Ze kunnen trouwens ook niet garanderen dat zo’n ‘Classic’ niet neerstort.
Bunga is een ervaren reiziger en ik vertrouw op haar neus voor de juiste route naar de juiste gate vanwaar ons vliegtuig naar Cedar Rapids zal vertrekken. Ja! Bunga weet de weg in de Chicago Jungle, je zou haar hier bijna een inlands meisje noemen.
In de wirwar van onlogisch geplaatste bordjes weet ze de train te vinden, een robot die ons naar de gate rijdt.
We komen terecht in een wachtruimte waar je voor veel dollars een overjarige sandwich kunt krijgen met een enorme beker hot chocolate. Bunga belt onze afhaler, Wanda Boeke, vertaalster in captivity of the Iowa State te Midwest, en meldt dat wij ten tweede male vertraging hebben ondervonden omdat we de aansluitende vlucht net hebben gemist, etc. Okay, succes, tot straks.
Bunga gaat over tot de orde van de dag. Schrijven. Ze moet op mijn oplettendheid vertrouwen, maar ik op mijn beurt vertrouw weer op haar ervaring en ga half zitten slapen. Nu is het zo, dat: 1) wij direct naast de gate zitten; 2) en er op een gegeven ogenblik iets in een Midwestigs accent wordt omgeroepen en 3) ik voor de lol tegen Bunga zeg: ‘Ik weet niet precies wat ze zeggen, maar volgens mij is het géén Engels.’
‘Nee, dat heb ik vroeger op school ook anders geleerd,’ meesmuilt Bunga.
Wanneer ik later zie dat onze instaptijd alweer een poosje is verstreken, vraag ik Bunga: ‘Eh… zal dat vliegtuig naar Cedar Rapids niet onderhand vertrekken?’
Bunga kijkt naar buiten en ziet tussen de vele toestellen dat éne naar de startbaan taxiën. Ze wendt zich hels tot de mensen achter de incheckbalie, zwarte mensen die een onverstoorbare houding proberen te cultiveren. Bunga eist dat ze dat vliegtuig terugroepen om ons, schrijvers, wellicht de laatsten der Mohikanen in de Indische letteren, alsnog in de gelegenheid te stellen in te stappen.
‘Mem, gaat u maar achteraan staan, wij hebben klanten aan onze balie staan.’
‘Zo! Ben ik dan geen klant soms?’
Dat is genieten. Die Bunga gedraagt zich als een echte ster. En ze onderschrijft intussen ook nog en passant het cliché van het Indische meisje met de grote smoel. En ik dat van de Indische jongen met zijn soedah, al.
Twee uur vertraging extra, door eigen schuld. Hadden we maar geen grapjes moeten maken over dat rare monotone provinciale accentje van die lui daar. Terwijl Bunga onze afhaler de wederom veranderde aankomsttijd doorbelt, bedank ik het baliepersoneel op mijn allervriendelijkst en spreek daarbij mijn hoop uit dat wij, kunstenmakers uit Indostan, het volgende vliegtuig naar Cedar Rapids niet weer zullen missen. Waarop onze namen worden speciaal omgeroepen, maar niet voordat die lui ons eerst (expres, volgens Bunga) naar de verkeerde gate downstairs hebben gestuurd, alwaar men ons vijf minuten voor tijd vertelt dat de vlucht ge-rescheduled is en wij weer terug moeten naar waar we het vliegtuig eerder misten.
Wanneer ik het enorme Chicago in de nacht beneden me zie, vergeet ik van vermoeidheid aan vliegangst en claustrofobie te lijden in de Cityhopper van American Eagle. Ik repeteer het toverwoord re-schedule 1000 keer en sta dan opeens op Iowa City Airport, waar ik in een oogwenk Bunga alweer kwijtraak.
Goddank wacht Wanda Boeke me op. Ze spreekt vloeiend Nederlands, ze rookt, ze is wakker, zet me in haar auto en nodigt me uit om toch vooral te roken na zo’n rookvrije reis van bijna 24 uur. Vervolgens blijft ze een uurlang weg om met Bunga naar een koffer te zoeken die allang en breed in Minneapolis ligt. Maar wat is een uur op een mensenleven. Ik geniet van mijn sigaretje en verbaas me over de omgeving, die me zo bekend voorkomt. Amerika is net als op de film, zegt men.
Klopt.
Het Yournael van Cyberney werd in april 2000 onder aanvoering van Alfred Birney gelanceerd en verscheen wekelijks tot aan de boekenweek in maart 2001. Ruim 60 afleverigen van Cyberney (Alfred Birney), Frans Lopulalan, Joyce Bloem, Maureen Birney, Widjajanti Dharmowijono, Guno Jones, Esther Captain en Anyes lieten zien dat er nog veel onbesproken was en is in de Nederlandse taal, juist door hen die een mengcultuur in zich dragen. Het Yournael van Cyberney & Co bracht artikelen en verhalen rond literatuur, kunst, cultuur, fotografie, emancipatie en uitgeverspolitiek in het labyrint van mengculturen in binnen- en buitenland. De bijdragen van Alfred Birney verschenen bewerkt en gebundeld met ander proza in een eenmalige uitgave als alternatief boekenweekgeschenk en tegelijk als feestbundel ter ere van het 25-jarig jubileum van Uitgeverij In de Knipscheer. Bestel het boek hier!


