Yournael Jacatra III – Conferentiegangers
Ik word wakker met het idee dat ik op maandagochtend zes uur Nederlandse tijd van huis ben weggegaan. Het is nu dinsdagavond zeven uur Indonesische tijd, in Nederland loopt de zomertijd nog, geen idee hoelang ik wakker ben geweest.
Enfin, ik heb een paar uur bijgeslapen, heb honger, verlaat mijn hotelkamer, ga de trappen af want de lift is zo klein als een doodskist. Ik loop de gang door naar het restaurant en zie door de ramen een man met een mij bekend voorkomende kop in zijn eentje aan een tafeltje zitten eten.
Dat moet één van die Boekhouders van de Indische Letteren zijn.
Ik zwaai hem toe, nogal schijnheilig want Cyberney is zijn vriendje niet. Evenwel, zo ver weg van patria ben je blij als je alvast één conferentieganger aantreft, al is dat dan een boekhouder van de Indische Letteren. Bovendien eet ik niet graag alleen in een restaurant.
De man, grijs en bebaard, kijkt me nogal verdwaasd om niet te zeggen idioot aan, denkt: wie is die gozer die daar zo naar me loopt te grijnzen?
Die gozer stelt zich voor als zijnde Alfred Birney, ook wel gespeld Birnie, Byrney, Byrny, Byrne, Berney, Burney, Burnie, MacBirnie, McBirnie, MacBerney en ga zo maar door; mijn alias is Cyberney, van Sie Birney en Cyber Ney, of van Sie, zich noemende ‘Birnie’, in reversie Birnie, zich noemende ‘Sie’ – het is wat met die namen bij die Indo’s, niet?, nou dag, hoe maak je het, wij hebben elkaar al eens gezien tijdens die middag in Leiden.
‘Ach ja, wij hebben ons toen aan elkaar voorgesteld!’
‘Nou nee, dat ook weer niet precies, we hebben elkaar zo’n beetje aangekeken, zo was het.’
‘Hoe dan ook! Zeg, kom erbij zitten, pak een bord, schep op wat je wilt, je kunt hier eten zoveel je wilt, de keuken is voortreffelijk, echt, ik was hier al eerder, mijn vriend Olf Praamstra zit ergens in een luxe hotel in het zuiden van de stad, nou ik zit liever gewoon in een gewoon hotel weetjewel, lekker middenin de stad, hier in Menteng is het zo schitterend, ja ik ben al een paar dagen eerder aangekomen, Olf en ik hebben een auto gehuurd en hebben twee dagen gereisd door West-Java, na een weekend in de buurt van Puncak, logeerden we ergens in Bogor, een verschrikkelijke nacht, het is de regenrijkste plek op aarde en het sterft er van de muggen, enfin, Olf kreeg een uurtje slaap, ik helemaal niks, maar mooi, erg mooi daar…’
De man oogt bij nader inzien jongensachtig en is verrassend dynamisch, ik verdenk hem er onmiddellijk van dat hij van mooie vrouwen houdt, wat geen schande is maar van hem helaas opeens een mens van vlees en bloed maakt, erg vervelend voor als ik hem nog eens wil gaan honen in mijn Yournael van Cyberney.
Wanneer ik eenmaal bij hem aanschuif met mijn bordje nasi, ikan en atjar, begint hij direct zijn cv op te ratelen, zijn publicaties te noemen, gaat dan in één adem door met allerlei wetenswaardigheden te melden over de stad, want docenten vergeten nogal eens uit hun rol te stappen.
Allengs ontwikkelt zich toch een dialoog en dat zal zich nog dagenlang voortzetten, overwegend aangenaam, soms kibbelend, vooral wanneer het gaat over die vermaledijde canonisatie van de Indische literatuur.
Die eerste avond maak ik na het eten een wandeling over straat, loop langs de warungs en stalletjes tot waar het luguber wordt en schimmig. De website van de ambassade, die ik bezocht voor mijn vertrek, raadt zulke avondwandelingen in je eentje af. Men ziet mij hier doorgaans gauw aan voor een Ambonees of Menadonees, wat dan ook, in elk geval iets Indonesisch – toch keer ik maar terug naar het hotel en zoek het zwembad op in de tuin achter het restaurant.
Het 25-meterbad is zo ondiep dat niemand erin verdrinken kan. Een klaterende kunstmatige waterval overstemt het gezoem van muggen, wat een nadeel is. Ik laat me onderuitzakken op een plastic stoeltje en adem de tropische lucht in, ik denk aan mijn vader, mijn grootmoeder, mijn overgrootvader… die heeft meer dan honderd jaar geleden hier in de buurt een huis bewoond aan het vermaarde Koningsplein. Een bezoek aan dat huis, mocht het er nog staan, interesseert me weinig. Slechts een tocht door de Oosthoek van Java, langs de plantages van mijn voorouders, is al dat mij trekt in Indonesië. Híer ben ik beroepshalve, toevallig, op uitnodiging van de ambassade. En toch denk ik aan mijn voorouders met een vreemde weemoed, terwijl een vleermuis in arabesken over het water scheert, onophoudelijk, onvermoeibaar. Ik krijg het gevoel hier voor heel lang te kunnen wonen, net als tijdens mijn verblijf twaalf jaar eerder in Surabaya, desnoods mijn hele leven, elke avond naar de rusteloze kolong kijken en wachten tot hij in duikvlucht eindelijk een insect van het water kan snoepen en ik tevreden kan gaan slapen.
Vanaf mijn bed volg ik een bokswedstrijd op de televisie, die ik met wat geknutsel aan de antenne aan de praat heb gekregen. Pencak-beoefenaren omlijsten een sigarettenreclame, het is bijna oneerbiedig. Er volgt een kung fu-film, ik val in slaap, wordt een uur later wakker gebeld door mijn tweelingbroer George, die beroepshalve in Cairo zit, ooit een tussenstation onderweg naar Nederlands-Indië.
Zijn wij in de verkeerde tijd geboren, George, of worden wij maar geplaagd door een genetisch ratjetoe aan geërfde herinneringen?
Ik slaap goed, hoor geen gebeden in de vroege ochtend. Toch pak ik mijn tas nog niet uit, ik voel me een gevangene in deze kamer met die blinde muur.
Op verzoek krijg ik in de middag een andere kamer toegewezen op de eerste etage aan de straatkant, zodat ik kan volstaan met twee trappen in plaats van tien, een tamelijk groot verschil in de warmte. Er staat een tweepersoonsbed in plaats van een stel eenpersoonsbedden. De doucheslang is lang genoeg om als sproeier boven de wc te gebruiken. Dat was in die andere kamer ook zo en ik vraag me af of men dat zo bewust heeft aangelegd, voor wie liever zijn kont wast dan zo’n beetje met pleepapier gaat zitten vegen.
Niets is perfect. De kamer heeft een smeedijzeren hek voor het balkon, waarschijnlijk tegen inbrekers. Het is er vol straatrumoer, mooi zo. Gerard T. wenst een rustige kamer, ik het tegendeel, ik wil voelen dat ik in een smerige overbevolkte stad zit, ik ben hier niet op vakantie.
Als je maar lang genoeg op je balkon zit en naar het voorbijrazende verkeer kijkt, naar de taxi’s, de bussen, de bemo’s, de bromfietsen, de straatventers met hun ingenieuze karren, de meisjes in schooluniform, de vele passanten op het trottoir, dan zie je in één uur het hele Jakartaanse leven aan je voorbijtrekken, een leven dat moordend is.
Het pandemonium overstemt de dagelijkse gebeden uit de moskeeën, maar dan alleen overdag, want in de vroege ochtend hoor ik het nu van de overkant komen, tweestemmig, exclusief het kraaien van schorre hanen met hun door de luchtverontreiniging aangetaste strotten.
Op mijn nieuwe kamer werkt de koelkast, er zijn geen mieren, ik krijg gezelschap van een jonge tjitjak die de lawaaierige airco opzoekt om er muggen te vangen. Iemand van de huishoudelijke dienst bezorgt me een dubbelstekker, zodat ik mijn laptop kan aansluiten. Maar ik zal er niet op werken, ik hanteer liever pen en papier op mijn stoel op het balkon, waar ik me als een gekooide aap verbaas over wat er dagelijks op de Jalan Teuku Cik Ditrio aan mijn oog voorbijtrekt. Ik ben geen reiziger, ik ben een toeschouwer. Zet me ergens neer en ik zie een verhaal.
Ik maak een fout voor iemand met een jetlag; ik val in de middag in slaap en zal deze hele week niet meer in mijn gewone doen raken.
Rond zeven uur tref ik Gerard T. in het restaurant. Ook andere conferentiegangers schuiven aan: een leraar Nederlands, gestationeerd in Maleisië. Een lerares Nederlands, wonend in Sydney. Een Chinees-Indonesische vrouw genaamd Widjajanti, die in Semarang het culturele leven gaande houdt.
Gerard T. ziet er ziek uit. Een verkoudheid opgelopen tijdens zijn uitstapje met collega Praamstra in een huurauto met airco, een soort luxe vrieswagen, wat niet gezond is als je veelvuldig uitstapt om het natuurschoon in de brandende zon te aanschouwen. Hij zal met zijn verkoudheid maar eens vroeg naar bed gaan. Ik geef hem paracetamol mee, na veel aandringen, want de man is op zijn minst eigenwijs te noemen, wat niet verbazingwekkend is voor iemand die jarenlang bezig is geweest de, overigens door mij verafschuwde, Paatje Daum een Verzameld Werk te bieden.
Er zijn zwemmers in het zwembad met de tropische tuin. De gekooide zangvogels slapen. De kolong laat zich niet zien. Het wordt eens tijd om me voor te bereiden op mijn lezingen.
Morgenochtend om negen uur, volgens de christelijke jaartelling op donderdag 26 oktober 2000, zal het driedaagse Symposium 30 jaar Studie Nederlands in Indonesië aan de Universitas Indonesia worden geopend. Twaalf uur later is mijn optreden in het huis van de ambassadeur gepland.
De siësta van zoëven zal me straffen, mijn jetlag gaande houden: ik blijf de hele nacht wakker liggen.
Het Yournael van Cyberney werd in april 2000 onder aanvoering van Alfred Birney gelanceerd en verscheen wekelijks tot aan de boekenweek in maart 2001. Ruim 60 afleverigen van Cyberney (Alfred Birney), Frans Lopulalan, Joyce Bloem, Maureen Birney, Widjajanti Dharmowijono, Guno Jones, Esther Captain en Anyes lieten zien dat er nog veel onbesproken was en is in de Nederlandse taal, juist door hen die een mengcultuur in zich dragen. Het Yournael van Cyberney & Co bracht artikelen en verhalen rond literatuur, kunst, cultuur, fotografie, emancipatie en uitgeverspolitiek in het labyrint van mengculturen in binnen- en buitenland. De bijdragen van Alfred Birney verschenen bewerkt en gebundeld met ander proza in een eenmalige uitgave als alternatief boekenweekgeschenk en tegelijk als feestbundel ter ere van het 25-jarig jubileum van Uitgeverij In de Knipscheer. Bestel het boek hier!


