Alfred Birney schrijver, webfreak, gitarist

alfred birney is uit het jaar van de kat

Auteur    Bibliografie    Boeken    Contact    TABs    Sitemap   


Yournael Jacatra IV – Rijst en poëzie

Ik ben nog altijd verbaasd over de enorme hoeveelheden warm eten die Indonesiërs ‘s morgens tot zich kunnen nemen. Een bordje nasi goreng als ontbijt kan ik nog wel aan – is ook wel een aardige Indische gewoonte – maar geen vol bord rijst met gepaneerde inktvis, tahoe goreng, garnalen met petehbonen, sajoer lodeh, telor asem, kroepoek, dendeng en wat dies meer zij.
     
Widjajanti is het gewend, al kiest ze beter haar gerechten bij elkaar dan sommige mensen om ons heen. Ikzelf neem een American breakfast, wat zoveel betekent als twee witte boterhammen met een omeletje en een kop koffie.
     
We gaan met ons vijven in twee taxi’s naar Depok, het beroemde plaatsje buiten Jakarta dat veel Indo’s herbergde in vroegere tijden en dat inmiddels aan de wereldstad is vastgegroeid. Daar, in Depok, ligt de Pakultas Sastra, de letterenfaculteit met de mooiste campus die ik ooit heb gezien. Gebouwen in laatkoloniale stijl omgeven met varens, palmen en loofbomen. Glooiende gazonnen. Achter de aula van de letterenfaculteit stroomt de Tjiliwoeng, de rivier die, in deze spelling, zoveel voedsel heeft gegeven aan verhalenvertellers uit de koloniale letteren.

De airco in de nok jaagt een koude wind door de hoge aula en dwingt je je colbert aan te houden. Er is één spreekgestoelte, waarop je vanaf je de halvemaanvormige stoelenrijen neerkijkt. Hier geen gedwaal langs tientallen zalen zoals in Iowa, waar je elkaar hooguit herkende aan de naamplaatjes die je op de borst droeg. Op dit symposium ook geen gedoe met drie eetzalen, met al dan niet door de organisatie betaalde maaltijden: er is hier één keuken en alle bezoekers eten gezamenlijk. Een rijk land als Amerika kent geen gezellige eetcultuur, al vreet een kwart van de bevolking zich veel te vet aan steaks, donuts en panpizza’s.

Het symposium wordt geopend door de ambassadeurs van Nederland en België. Beide heren beschikken over een humoristische spreekvaardigheid, die je je slechts aankweekt bij het afstruinen van de ene verplichte borrel na de andere. Het accent van de Nederlandse ambassadeur is identiek aan dat van Rudy Kousbroek, ook zijn humor lijkt op dat van deze treiterkous.
     
De secretaris van de ambassadeur en ik zijn naast elkaar komen te zitten. We zijn de enigen in de hele zaal die bijna voortdurend zitten te lachen over de beschaafde dronkemanstirade die de Nederlandse ambassadeur afsteekt. In zijn satirisch bedoelde bijdrage aan het symposium, dat vandaag in het teken staat van De Taal en Cultuur der Nederlanden, geeft de Nederlandse ambassadeur zijn persoonlijke studieadvies aan hen die het Bahasa Indonesia onder de knie willen krijgen. Leer eerst de woorden die gelijk zijn aan het Nederlands, dan heb je er al zo’n 2000. Daarna de woorden waarvan je alleen de klinkers moet veranderen om tot een andere betekenis te komen.
     
Voorbeeld van Cyberney: cèbok (waterschepje waarmee men zich reinigt na de ontlasting), còbek (holle wrijfsteen om kruiden fijn te wrijven).
     
Ik zou me kunnen voorstellen dat als zo’n man een boek schreef, hij meteen kon worden ingedeeld bij het ambtenarenproza van A. Alberts, F. Springer, A.M. Pino, H.J. Friedericy… allemaal schrijvers die een grote mensenkennis aan de dag leggen, die over een grote taalvaardigheid beschikken, die degelijke boeken schrijven maar altijd zelf op de achtergrond blijven. Ze schijnen niet te lijden aan neurosen, ze lijken allemaal gezond en in orde, ze produceren proza die de koningin zonder het schaamrood op de kaken in haar gouden koets kan lezen. Het is de diplomatiek gemaskeerde literaire middelmaat die heel even bekoort en dan vervelend wordt.
     
De ambassadeurs van Nederland en België schrijven geen literatuur, als hofnar buitengaets doen ze het goed. Ze steken elkaar de loef af met hun humoristische voordrachten en je krijgt heimwee naar ze wanneer een woordvoerder van de Taalunie zijn houterige tekst komt opdreunen.
     
Dan wordt opeens de conferentie opgeluisterd met een poëzieshow van de studenten van de vakgroep Nederlands. We krijgen een fraai uitgevoerd harmonicaboekje uitgereikt, waarop Nederlandse gedichten en Nederlandstalige songteksten staan afgedrukt. Perkament papier, hard zwart omslag met zilverkleurig opdruk. Rond het vouwboekje een met drie kralen versierd koord, zo stijlvol vergeleken met die onoverzichtelijke programmering op shabby stencils vol liefdeloosheid aan elkaar geniet in de kopieerkamer van de Universiteit van Iowa.
     
Is het waar dat de zin voor schoonheid toeneemt naarmate een land armer is?
     
Twee meisjes komen op en dragen eenvoudige poëzie voor van Toon Hermans en Rienk Ratsma. Een jongen voegt zich bij hen met een akoestische gitaar en ze zingen een populair liedje van Clouseau: Laat me niet alleen. Andere meisjes komen op en brengen moeilijker poëzie, van Hans Lodeizen, Paul van Ostaijen, Bernlef.

studenten

Halverwege de opvoering is het podium vol met meisjes, uniform gekleed in zwarte broek en T-shirt, en ze zingen een liedje van Marco Borsato. Ze gaan weer af, er verschijnt een duo, dan een trio enzovoort. Hun show, tot in de finesses ingestudeerd, steelt de harten van de conferentiegangers.
     
Als ik de jongens zie spelen op hun gitaren en de meisjes zachtjes zie wiegen bij het zingen, denk ik terug aan die Indische avondjes in de jaren zestig, hoe het toen zo gewoon was als er werd gezongen bij een gitaar. Daarom ervaar ik de voordracht van deze groep studenten als Indisch, niet als Indonesisch.
     
Ze zingen contemporaine Nederlandse liedjes, die over enkele jaren weer vergeten zullen zijn. Niet één Maleis liedje zit er bij, want hier staat de vakgroep Nederlands. Ook op muziek gezette poëzie laten ze horen. Maar waarom niet één gedicht van een Indische dichter? Of van een Indische dichter die Indonesiër werd: Resink bijvoorbeeld. Ik begrijp dat niet, op een symposium dat voor een belangrijk deel in het teken staat van de koloniale literatuur. Hier valt kennelijk nog veel missiewerk te verrichten.

Het eten wordt geserveerd. Een lange rij studenten gaat met het bord in de hand langs de tafels. Conferentiegangers krijgen voorrang. Als je geen voorrang neemt, dan komen studenten je verzoeken om voorrang te nemen. Het is onfatsoenlijk voorrang te weigeren, want jij bent hier te gast. Het eten is ook betaald, nogmaals: je bent hier te gast. In Indonesië gaat dat zo, in Amerika niet. In Indonesië zorg je voor elkaar; in Amerika zorg je voor jezelf. Dat betekent niet dat Indonesiërs lievere mensen zijn dan Amerikanen.
     
De hinderlijkste opmerking die ik ken van belanda’s die ooit Indonesië bezochten of er zelfs leefden, is: ‘Ik begrijp maar niet dat zulke lieve mensen in staat zijn om opeens zúlke gruwelijke dingen te doen!’
     
Lynchpartijen zijn gruwelijk en zullen inderdaad nooit die factor van westerse beschaving halen waarmee B-52 bommenwerpers in naam van God en het Witte Huis met hun carpet bombing een paar honderdduizend Irakese soldaten meters diep het woestijnzand in boren en het filmmateriaal in geheime archieven wordt gestopt zodat CNN die niet kan uitzenden.
     
Aardige, lieve, bruine mensen moeten aardig, lief en bruin zijn. Ook ik trouwens, want ook ik ben bruin. Indo’s horen niet meteen met de vuist op tafel te gaan slaan, want dat past niet in het beeld wat de Hollander van de Indo heeft. Wat wél in hun beeld past is de grilligheid die de Indo soms aan den dag weet te leggen. Zoals zomaar ineens verdwijnen.
     
Laat ik nou eens lekker aan dat beeld voldoen en de benen nemen. Want ik heb de hele nacht niet geslapen, mijn tijdklok is zodanig in de war dat ik soms opeens Engels begin te speken, en vanavond wacht mijn eerste optreden in de woning van de ambassadeur.

Een taxi zonder airco rijdt me in het chaotische verkeer terug naar de stad. Op de vluchtstrook langs de onafzienbare route staan venters in de brandende zon hun tijdschriften, snacks en drankjes te verkopen. Sommigen dragen geen hoeden maar hebben doeken om hun hoofd gewikkeld. Langs de wegen is geen plaats meer voor nóg een warung waar mensen hun uitzichtloze bestaan proberen te lenigen met het verkopen van hun producten of het repareren van bromfietsen, auto’s en televisies – nergens ligt rommel op straat, alles gaat in de recycling: kinderen maken speelgoed van colablikjes en proberen dat te verkopen aan passanten, oudere jongens en meisjes op bromfietsen dragen doeken voor hun monden, want de stank van uitlaatgassen is niet te harden.
     
Jakarta vreet je op. Nederland spuwt je uit. Wie mocht denken dat het vol is in Nederland, die hoeft maar een dagje door Jakarta te tuffen in een taxi waarin kakkerlakken wonen, omdat zelfs voor deze insecten geen plaats meer is in de honderdjarige Hollandse riolering, die ligt te verrotten onder de fundamenten van koele wolkenkrabbers.

* * *

Het Yournael van Cyberney werd in april 2000 onder aanvoering van Alfred Birney gelanceerd en verscheen wekelijks tot aan de boekenweek in maart 2001. Ruim 60 afleverigen van Cyberney (Alfred Birney), Frans Lopulalan, Joyce Bloem, Maureen Birney, Widjajanti Dharmowijono, Guno Jones, Esther Captain en Anyes lieten zien dat er nog veel onbesproken was en is in de Nederlandse taal, juist door hen die een mengcultuur in zich dragen. Het Yournael van Cyberney & Co bracht artikelen en verhalen rond literatuur, kunst, cultuur, fotografie, emancipatie en uitgeverspolitiek in het labyrint van mengculturen in binnen- en buitenland. De bijdragen van Alfred Birney verschenen bewerkt en gebundeld met ander proza in een eenmalige uitgave als alternatief boekenweekgeschenk en tegelijk als feestbundel ter ere van het 25-jarig jubileum van Uitgeverij In de Knipscheer. Bestel het boek hier!