Alfred Birney schrijver, webfreak, gitarist

alfred birney is uit het jaar van de kat

Auteur    Bibliografie    Boeken    Contact    TABs    Sitemap   


Yournael Jacatra VII – Nieuwe Indo’s in Depok, kikkers en leguanen

In verband met een ophanden zijnde excursie wordt de laatste conferentiedag geopend met een lezing over VOC-grafzerken in Jakarta. De Kepala Program Studi, het Indonesische studiehoofd die de lezing verzorgt, spreekt zoals ik dat vroeger aardige oudere Indo’s hoorde doen: zachtjes, met veel ja’s ertussen. Ik luister niet naar wat hij zegt, ik hoor alleen de muziek van zijn Nederlands.
     
Een heel ander geluid komt van een meneer die al 30 jaar in Londen woont. Een rijzige man, die zijn Nederlands op een Britse manier ten gehore brengt: met de handen uiteen op de katheder, de schouders naar achteren, spreekt hij monter de zaal toe. Geen lezing, nee, hij komt gewoon 20 minuten reclame maken voor de Britisch Library. Laat een ordner de zaal rondgaan met een overzicht van boeken, manuscripten en particuliere handschriften, die alle gaan over het Nederlands-Indonesisch conflict, dat dus nog altijd geen oorlog genoemd wordt.
     
De man, Jacob Harskamp, beweert dat zijn afdeling van de deftige bibliotheek nú al kan wedijveren met de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag en dat naar zijn verwachting de collectie van de Britisch Library die van de KB in de toekomst waarschijnlijk zelfs zal overtreffen! Komt u dus allen naar Londen wanneer u zich stort op die dramatische periode die leidde tot de onafhankelijkheid van Indonesië en het deficit van Nederland als wereldnatie.
     
Even testen in de koffiepauze: ‘Meneer Harskamp, mijn naam is Alfred Birney, en ik heb twee boeken geschreven die bij u op de plank thuishoren. Vogels rond een vrouw en De onschuld van een vis. Geeft u mij uw kaartje, dan laat ik ze u toesturen.’
     
‘Hoeft niet, die hebben we al. Maar eh… gesigneerde exemplaren voor in mijn privé-boekenkast zijn natuurlijk altijd welkom,’ zegt de Amsterdamse Londenaar breeduit grijnzend.

Tijd voor woede. Iemand genaamd Jugiarie Soegiarto, voor wie alle studenten een beetje bang schijnen te zijn, komt haar gal spuwen over het medium film, in het bijzonder de hantering van de camera vanuit Nederlands gezichtspunt. Hoe tal van vooroordelen en stereotyperingen in oude filmbeelden worden onderstreept, eenvoudig door de keuze van de cameramensen, de hand van de regisseur en door simpele censuur. Ze noemt een hele rits filmmakers, allen Nederlanders, en daartussen zit één Indo.
     
Wanneer ik Jugiarie in de lunchpauze vraag of de filmbeelden van die ene Indo misschien afweken van die van zijn totokcollega’s, krijg ik een ontwijkend antwoord. Misschien omdat ze mijn vraag niet positief kan bevestigen en zij tenslotte tegen een Indo-Belanda zit te praten.
     
‘Over Indo’s gesproken,’ zegt Jugiarie. ‘Weet je dat hier in Depok een hele wijk vol zit met mensen die zich Indo noemen? Terwijl er helemaal geen Indo tussen zit! Ze geven hun kinderen Hollandse voornamen zonder dat ze Nederlandse voorouders in de familie hebben. Dat doen ze alleen omdat ze in Depok wonen! Je weet: Depok was vroeger een Hollandse kolonie, waar veel Indo’s zaten. Nou, die lui die daar tegenwoordig wonen die noemen zich alleen daarom al Indo, terwijl ze net zo donker zijn als ik!’
     
‘Ik ben ook zo donker als jij.’
     
‘Ja, maar jij komt uit Nederland, jij hebt een Nederlandse moeder.’
     
‘Dus de kleur telt niet.’
     
‘Hier in Indonesië wel. Kijk maar naar de televisie. Acteurs, in films, in televisiereclames, presentatoren – het zijn allemaal Indo’s. Ze zijn allemaal licht van huidskleur.’
     
‘Is dat voldoende om Indo te zijn tegenwoordig?’
     
‘Wij noemen dat Indo. Het heeft feitelijk niets meer te maken met afkomst. Maar ze voelen zich wél meer dan de Indonesiër.’
     
‘Net als vroeger dus?’
     
‘Ja, net als vroeger. Ze gedragen zich net als Indo’s in de koloniale tijd. Je moet die meisjes uit die wijk horen in de bus. Zitten altijd bij elkaar en ze gooien expres Nederlandse woorden door hun Indonesisch, om te laten zien dat zij ánders zijn dan wij.’
     
‘Een soort omgekeerd petjôh dus?’
     
‘Zo zou je het kunnen noemen. Zoals jullie nu en dan wat Maleis door jullie Nederlands doen, zo doen zij nu en dan wat Nederlands door hun Bahasa.’
     
‘Maar aan wie spiegelen zij zich dan?’
     
‘Aan de Indo van vroeger. Ze hebben hier hun eigen kerk. Ze gaan bij elkaar op bezoek. Ze proberen iets in stand te houden dat er niet meer is.’
     
‘Een subcultuur in stand houden. Is dat erg?’
     
‘Het is aanstellerij.’

kampus depok indonesia

Het hoofd Culturele Zaken van de ambassade geeft die avond, wanneer de conferentie ten einde is, een cocktail buffet bij haar thuis in de wijk Kemang. Op de uitnodiging staat mijn achternaam in de oude spelling geschreven: Birnie. Misschien heeft het hoofd Culturele Zaken dat opzettelijk gedaan omdat ik haar naam op de dinnerparty ten huize van de ambassadeur even was vergeten. Of omdat ze onnadenkend vasthoudt aan de originele familienaam. Ik zelf schrijf namen niet zo snel fout, ben weer reuzegoed in het vergeten van namen, maar niet van gezichten, personen, wat zij zeggen, doen. En daarom schrijf ik, dames en heren.
     
Het eten dat de gastvrouw laat serveren is Europees. Dat is weer eens wat anders dan dat eentonige Indonesische eten in het hotel, al is het behoorlijk van kwaliteit. Onze gastvrouw heeft pasta laten maken, salades, en er ligt brood. De Indonesische bedienden zijn onzichtbaar, net als in de ambassadeurswoning en net als in het leeuwendeel van de koloniale letteren.
Ik raak in gesprek met Olf P., niet over zijn lezing maar over de Birnies in verband met zijn proefschrift over Busken Huet. Ik begin zijn droge humor te leren kennen.
     
Hij vraagt me of ik al op het Ijen Plateau ben geweest, dat door de oudste broer van mijn grootvader in cultuur is gebracht, en ik zeg nee. Hij legt me uit hoe je er het beste heen naar toe kunt gaan, waar je kunt slapen in een oud koloniaal hotel eer je omhooggaat enzovoort. Hij heeft de plek bezocht, met vrouw en kinderen.
     
Er komt iemand aanwaaien wiens houding lichtelijk anders is dan die van de overige gasten, die over het algemeen enige eruditie uitstralen. Ik raak met de jongeman in gesprek en hij blijkt een restaurateur te zijn. Hij is net aangekomen, heeft heerlijk geslapen in het vliegtuig omdat hij voor het eerst sinds een half jaar een nacht had zonder een baby aan zijn zijde. Hij is gekomen om onderzoek te plegen naar de toestand van allerlei cultureel erfgoed in diverse musea in Indonesië. Hij glundert wanneer hij zegt dat hij, en hij alleen, alles mag aanraken dat achter vitrines ligt: batik, wajangpoppen, beelden, noem maar op.
     
Ik loop met hem de tuin in om het zwembad van de gastvrouw te bewonderen. Het bad is omgeven met een schitterende flora, bijna surrealistisch zo midden in de helse stad Jakarta. Er zwemt een kikker in.
     
Op het gazon, ergens in een rustige hoek, zit de secretaris van de ambassadeur met enkele vrienden. Ik stel de restaurateur aan hem voor, want ik moet ertussenuit kunnen knijpen. Gerard T. is nog altijd ziek, hij zal goed moeten slapen omdat ons morgen een excursie wacht naar twee van de 1000 eilanden voor de kust van Jakarta. Onder het mom ‘samen uit, samen thuis’ blijf ik stand-by voor als hij een taxi laat komen.
     
De secretaris zegt dat hij nog geen kikker in zijn zwembad heeft gehad. Dat het waarschijnlijk geen kikker is geweest die ik zag, maar een pad. Hij vertelt dat hij ook nog nooit een tokèh heeft gehoord. Wel heeft zijn vrouw bij het weghalen van ongerechtigheden in haar gazon bijna eens per ongeluk de staart van een leguaan afgeknipt. Het beest joeg haar de stuipen op het lijf, maar inmiddels zijn ze nu wel gewend aan leguanen in de tuin.
     
‘We hebben allemaal een zwembad in de tuin,’ zegt de secretaris. ‘Anders is het hier niet uit te houden in Jakarta.’
     
Kan ik me voorstellen, al klinkt het oneerlijk. Hoe houden die miljoenen arme mensen het uit in hun minuscule krotten langs de autowegen? Kunnen die armelui houden van mensen die het hier in hun stadsvilla’s zo goed hebben? Er liggen evacuatieplannen klaar, voor als er weer ernstige rellen uitbreken en de volkswoede zich richt op blanken en Chinezen.
     
De secretaris maakt zich zorgen. Aanstonds zal een grote mate van zelfbestuur worden ingevoerd in Indonesië. Hij is bang dat allerlei patsers dictatortje zullen gaan spelen in hun ‘eigen gebiedjes’. Hij zegt het zonder dédain, hij meent het.
     
Elke discussie die je aangaat naar aanleiding van dit soort toestanden leidt tot het uitroepen van de democratie als ideale staatsvorm. De democratie is wellicht de intelligentste staatsvorm die er bestaat. Ook in een democratie heerst macht, een sterkere dan in welke dictatuur dan ook. Het is een geleide macht die zichzelf reproduceert zonder dat de machthebbers daar erg in hebben. Men vermoordt anderen zonder er weet van te hebben.

* * *

Het Yournael van Cyberney werd in april 2000 onder aanvoering van Alfred Birney gelanceerd en verscheen wekelijks tot aan de boekenweek in maart 2001. Ruim 60 afleverigen van Cyberney (Alfred Birney), Frans Lopulalan, Joyce Bloem, Maureen Birney, Widjajanti Dharmowijono, Guno Jones, Esther Captain en Anyes lieten zien dat er nog veel onbesproken was en is in de Nederlandse taal, juist door hen die een mengcultuur in zich dragen. Het Yournael van Cyberney & Co bracht artikelen en verhalen rond literatuur, kunst, cultuur, fotografie, emancipatie en uitgeverspolitiek in het labyrint van mengculturen in binnen- en buitenland. De bijdragen van Alfred Birney verschenen bewerkt en gebundeld met ander proza in een eenmalige uitgave als alternatief boekenweekgeschenk en tegelijk als feestbundel ter ere van het 25-jarig jubileum van Uitgeverij In de Knipscheer. Bestel het boek hier!