Yournael Jacatra VIII – Van schildpadden, vissen en vogels
Bij nader inzien is op een balkon voor je uit zitten dromen misschien toch niet mijn liefste bezigheid of ledigheid. Zet me op een boot en ik ben gelukkig. Zo gingen ze vroeger ook naar Indië. Vast en zeker erfelijk meegekregen.
Alle congresgangers en studenten hebben zich verzameld aan de rede van Marina Ancol. Het weer is schitterend, na een paar regenachtige dagen. Er liggen twee boten, een grote en een kleine. Waar de loopplanken zich splitsen, staat een man, aan wiens voorkomen ik direct zie dat hij een Indo pur sang is.
Ik wil de loopplank op die naar de grote boot leidt, maar de oude Indo houdt me tegen.
‘Meneer, die boot is voor de studenten.’
‘Ja, daar wil ik juist bij.’
‘Voor de gasten hebben we een aparte boot, meneer.’
‘Ja, maar daar wil ik niet in.’
De oude Indo maakt een spijtig gebaar. Dan krijg ik hulp van een paar vriendjes: de secretaris van de ambassadeur en de bebaarde boekhouder van de Indische Letteren.
‘Ook wij zitten liever tussen de studenten, meneer!’
‘Is dat uw wens, heren?’
‘Jazeker.’
‘Geaccepteerd. Gaat uw gang.’
Terwijl applaus voor onze actie van boord klinkt, waar de studenten waarschijnlijk al een uur op vertrek zitten te wachten, flikkeren wij drietjes bijna de gammele loopplank af, het water in.

Varen. Ben je blij, dan is het mooi op de boeg. Varen. Ben je droevig, dan is het mooi op het achterplecht.
Aan boord is het een schoolreisje. De secretaris, de boekhouder en de schrijver gaan om de haverklap op de foto met een stel studenten.
De boottocht gaat naar Pulau Onrust, waar in vervlogen tijden gehavende VOC-schepen werden hersteld. We blijven er niet lang, misschien een half uur, het is er heet, we gaan weer aan boord en varen door, langs Pulau Kelor (voorheen Kerkof, zonder h) naar Pulau Bidadari (voorheen Purmerend). Geen idee waarom we het eiland met het kerkhof overslaan. Misschien is de zondag geen goede dag om er voet aan wal te zetten, ik weet het niet.
Rond het hete middaguur komen we aan op Pulau Bidadari. Er staan, zoals in jaren zestig in Nederland, glazen ranja klaar. Ik voel me een jochie en ik verdenk de secretaris en de boekhouder ervan zich ook zo te voelen.
Ik krijg gezelschap van een studente met de naam Nane. Ze viel me al op onderweg, omdat ze een boek zat te lezen. Het is zeldzaam om iemand in het openbaar een boek te zien lezen in Indonesië, zelfs onder studenten.
Ze heet eigenlijk Anneke, zoals mijn moeder. Op mijn vraag waarom ze een Nederlandse voornaam heeft, antwoordt ze dat haar grootvader een Nederlander was.
‘O, en wat was hij, die grootvader, wat deed hij?’
‘Ik weet niet. Iets bij KNIL.’
‘Officier bij het KNIL?’
‘Mijn familie vertelt niet veel over hem.’
‘Hm, komt wel meer voor,’ mompel ik.
‘Wat zegt u, meneer?’
‘Ik bedoel: onder Indo’s in Nederland wordt ook vaak gezwegen over voorouders.’
‘Waarom, meneer?’
Lastige vraag. Moet je het hele Indoschap gaan verklaren, wat al een klus is wanneer je, zeg, een Nederlandicus voor je hebt.
‘Waarom wordt bij jou thuis gezwegen over jouw grootvader, Nane?’
‘Dat weet ik niet.’
‘Ik weet het dus ook niet. Ik weet alleen dat er vaak wordt gezwegen over voorouders.’
‘Waarom, meneer?’
‘Hm. Nou, het is dan vaak zo, dat er kinderen kwamen zonder dat de ouders met elkaar waren getrouwd.’
‘Ah, ik begrijp het. Dus misschien waren mijn grootvader en grootmoeder niet met elkaar getrouwd?’
‘Misschien.’
‘Is dat erg?’
‘Ik vind van niet. Jij?’
‘No problem.’
‘Maar als jouw grootvader een Nederlander was, dan is jouw moeder eigenlijk een Indo.’
‘Nee, zij is geen Indo.’
Hier maak ik een fout. Herstel: ‘Als jouw grootvader met zijn vrouw was getrouwd, dan had jouw moeder zijn naam gedragen. En dan was zij een Indo geweest.’
‘Ja. En dan ik een Indokind.’
‘Ja, zo zit het.’
‘Veel van mijn vrienden en vriendinnen hebben Nederlandse voorouders. Maar die kennen zij niet.’
Ik doe er het zwijgen toe. Want ze herinnert me aan de geschiedenis van de Indo en meer dan ooit besef ik dat een Indo niets anders was dan een Euraziaat die toevallig door zijn of haar vader is erkend. Een halfbloed, zoals dat toen heette, met de status van een Europeaan. Een bevoorrecht wezen, voor een poos.
Het meisje dat naast me loopt door de tuinen van Bidadari, is evenveel Indo dan ik, als je de bloedband bekijkt. Je moet hier in Indonesië alleen niet de fout maken de Indo als een gemengdbloedig persoon te zien. Want dan kun je meer dan tien procent van Java als Indo bestempelen.
Het is ingewikkeld, ook door wat Jugiarie zei. Voor mij. Niet voor Nane. Zij is Indonesisch, met ook nog Chinees bloed in zich, net als ik. Waar komt het op aan? Op een dak boven je hoofd, te eten hebben, en de rest is luxe. Ik kom uit een rijk land, waar het leven koud is. Nane komt uit een arm land, waar het leven warm is. Ik denk dat het goed leven is in Indonesië. Zij denkt dat het goed leven is in Nederland.
Ik heb er geen zin in over deze dingen van gedachten te wisselen. Wil ze niet gaan pootjebaden? Hm. Ik trek mijn sandalen uit, stroop mijn broekspijpen op en wandel de zee in. Zij doet hetzelfde. Ik heb iemand beloofd om schelpen te zoeken, mocht ik ergens op een strand terechtkomen.
Nane heeft een scherp oog voor de mooiste schelpen. Ik vind er nauwelijks een die het aanzien waard is. Maar ze geeft me al die schelpen mee, een beetje lacherig, het heeft iets belachelijks voor haar om schelpen te zoeken en die mee te nemen naar Nederland.
Ze wijst me op een inktvis die ligt te slapen. Ze maakt een prikkende beweging naar het dier en het schiet weg. Dan ziet ze kleine visjes zwemmen en probeert die met de hand te vangen.

Ik ga zitten op de aanlegsteiger en drink van mijn fles aqua. Nane heeft een visje gevangen, ik houd de fles omhoog. Ze rent naar me toe en stopt het visje in de fles. Mineraalwater is niks voor een zeevisje. Ik vul de fles snel met zeewater, maar het is al te laat: het visje is stervende.
Nane krijgt hulp van Johnny, de gitarist die de meisjes op het podium en op de veranda begeleidde. Samen vangen ze een kleine zwarte vis met snorharen, zo te zien een meervalachtige.
Nou had ik gedacht met mijn catfish dinner in Iowa afscheid van die vis te hebben genomen en zit ik alsnog een besnord visje in een plastic fles gade te slaan. Johnny vangt er nog eentje en nu hebben we een stel van die kleine gitzwarte meervalachtige visjes.
Nane wil de visjes niet teruggooien in het water, ook niet het halfdode. Ze neemt de fles mee en zet die op een tafeltje waaromheen ik met haar en een paar andere studentes ga zitten.
We proberen te spreken over literatuur. De schrijver heet Kahlil Gibran, van wie Nane een boek leest. Libanees schrijver, mateloos populair onder jongeren in Indonesië. Waar schrijft hij over? Over de liefde.
Ik laat de studenten alleen, dwaal wat over het eiland. In de verte staan huizen op palen. Ik loop erheen en krijg gezelschap van een paar jongens die dagelijks de campus in Depok bewaken. Ze vertellen me dat het vakantiehuisjes zijn. Met een van hen loop ik een eindje de plankiers op om de vakantiehuisjes te bekijken.
Wanneer ik me omdraai, zie ik boven een groepje hoge bomen zwarte vogels vliegen. Geen raven, ze zijn veel groter, bijna arenden. De jongen vertelt me hoe ze heten, ik vergeet het, ik denk alleen terug aan 12 jaar geleden, toen ik een raaf zag vliegen boven het graf van mijn grootmoeder.
Ik loop terug naar de centrale uitspanning. Daar ontdek ik een klein bassin waarin twee enorme schildpadden zwemmen. Jonge schildpadjes zwemmen in een provisorische quarantainebak met een bodem van horrengaas.
Een van de reuzenschildpadden probeert aldoor bij de jongen te komen, nadert de quarantainebak van onderen en geeft het dan een zetje. Er is een ogenblik waarop ik beide reuzenschildpadden samen zie.
Nane, die bij me is komen staan, wil ze ook samen zien. We zien ze een voor een bovenkomen, met de kop half boven water ademhalen en dan weer ondergaan. Nane zal ze niet samen te zien krijgen. Ook niet de andere meisjes die nieuwsgierig een kijkje komen nemen.
‘Misschien krijg je ze samen te zien als je die twee zwarte visjes teruggeeft aan de zee,’ zeg ik tegen Nane.
Nee, die wil ze meenemen naar huis.
Ik zeg dat ze daar dood zullen gaan.
‘Er is genoeg vis in de zee,’ zegt ze droog.
We lunchen met bord op schoot. Ik kijk naar de handen van de studenten om me heen, naar hoe ze hun lepel beroeren bij het eten van de rijst, de tahoe en de kip. Ze hebben die Indische manier van eetbestek hanteren: de lepel is zowel een stuk eetgerei, waarmee ze lijken te spelen, als een verlengstuk van hun fraaie tanige vingers.
Na de lunch zoek ik de heren op aan een tafel onder een grote overkapping. Gerard T., Jaap Harskamp en vooral Olf Praamstra willen alles weten over die dekselse Birnies. Wanneer ik begin over mijn grootvader, de enfant terrible in de familie, geef ik ze een ander beeld dan het bekende dat ze hebben van die plantersfamilie uit Oost-Java. Al vertellende begin ik me onderhand af te vragen hoeveel kinderen die man eigenlijk op Java heeft achtergelaten.
Misschien zit er ergens een nichtje van me tussen de studenten en sta ik samen met haar op een foto te wachten op kura-kura timbul: het ogenblik dat de reuzenschildpad zijn teug van de buitenlucht komt nemen en dan weer kopje onder gaat in zijn lange, dromerige leven.
Het Yournael van Cyberney werd in april 2000 onder aanvoering van Alfred Birney gelanceerd en verscheen wekelijks tot aan de boekenweek in maart 2001. Ruim 60 afleverigen van Cyberney (Alfred Birney), Frans Lopulalan, Joyce Bloem, Maureen Birney, Widjajanti Dharmowijono, Guno Jones, Esther Captain en Anyes lieten zien dat er nog veel onbesproken was en is in de Nederlandse taal, juist door hen die een mengcultuur in zich dragen. Het Yournael van Cyberney & Co bracht artikelen en verhalen rond literatuur, kunst, cultuur, fotografie, emancipatie en uitgeverspolitiek in het labyrint van mengculturen in binnen- en buitenland. De bijdragen van Alfred Birney verschenen bewerkt en gebundeld met ander proza in een eenmalige uitgave als alternatief boekenweekgeschenk en tegelijk als feestbundel ter ere van het 25-jarig jubileum van Uitgeverij In de Knipscheer. Bestel het boek hier!


