Yournael van Cyberney: De boekhouders van de Indische letteren (1)
Het enige serieuze tijdschrift dat zich bezighoudt met de Nederlands-Indische, of Indisch-Nederlandse, of Nederlandse koloniale en postkoloniale dan wel Nederlandse prekoloniale, koloniale en postkoloniale letteren, dat heet Indische Letteren. Jammer dat ze zich zo hebben genoemd, want wanneer je gemakshalve spreekt over de ‘Indische letteren’ is het de luisteraar niet meteen duidelijk of je het hebt over het tijdschrift of over de paar duizend geschriften die daartoe kunnen worden gerekend. De verzamelnaam ‘Indische letteren’ voldoet overigens uitstekend in het onderlinge geharrewar van geleerden die zich bezighouden met literaire teksten die Indië én ‘het Indische’ vanaf de VOC-tijd tot op heden als onderwerp hebben. De oprichters van het tijdschrift hebben met de naamgeving de term ‘Indische letteren’ als het ware geclaimd, al zullen ze dat wel niet letterlijk doen, want zeiken doen deze aimabele lieden niet buiten hun vakgebied.
Een voorbeeld. Je bent abonnee en na een jaar wordt het weer eens tijd om je contributie ad. fl 40,– over te maken. Dat doe je dan netjes door storting van het bedrag op postbanknummer 1977068 t.n.v. penningmeester Werkgroep Indisch-Nederlandse Letterkunde te Alphen aan den Rijn. Nou, met dat postbanknummer gaat het nog wel, maar de tenaamstelling kan problemen geven. De bank stuurt je betalingsopdracht dan terug met de mededeling dat naam en gironummer niet met elkaar overeenstemmen. Het probleem zit-em in de naam ‘penningmeester Werkgroep etc’. En wij maar denken dat ze zich overal Indische letteren noemen.
Goed, je scheurt je betalingsopdracht door en wacht op een aanmaning… Die komt niet, nee, je krijgt een heel vriendelijk briefje, niet van de penningmeester zelf maar van zijn secretaresse, die je verzoekt het nog maar eens te proberen. Dat doe je dan. Waarom ook niet. Per slot valt er toch maar mooi elk kwartaal zo’n boekje van Indische Letteren in je brievenbus, met een behoorlijke houdbaarheidsdatum, de inhoud van driekwart van de nummers even daargelaten. Natuurlijk kent je bank die hele Indische Letteren niet, want wie in Nederland is er nou geïnteresseerd in de ‘Indische letteren’? Ik zou geen percentage kunnen geven op een Nederlandstalig leespubliek van zo’n 20 miljoen mensen over de hele wereld, maar enfin: toen mijn uitgever een flyer van de bloemlezing Oost-Indische inkt in het blad wilde hebben, kreeg hij te horen dat er 900 abonnees waren. Dat was in 1998. Laten we zeggen dat het blad met de multiculturele wind mee nu op 1000 abonnees zit. Dat is peanuts op 20 miljoen Nederlands lezenden maar ook weer niet niks.
Literaire tijdschriften zat, die dat aantal abonnees zouden willen hebben. U weet wel, die tijdschriften die het een kwartaal of vijf uithouden en er dan maar de brui aan geven. Die voor 1000 abonnees je zelfs een acceptgiro zouden willen sturen. Deed Indische Letteren ook een keer, na verscheidene vruchteloze pogingen van mij om die vier tientjes op hun giro gestort te krijgen. Ging lekker met dat acceptgirootje. Maar dit jaar zijn ze daar van afgestapt. Een acceptgiro aanmaken kost te veel geld. Kennelijk meer dan vriendelijke briefjes schrijven het nog maar eens te proberen. Kan ook een millenniumprobleem zijn, een psychologisch: Indië wordt immers vager en vager. Als je de naam Indonesië niet in je mond neemt, verstaat men je al bijna niet meer.
Wil je abonnee blijven, moet dus maar zien hoe je van je vier tientjes verlost raakt. Misschien kun je ze langs brengen, maar waar ligt Alphen aan den Rijn ook al weer? In de Vorstenlanden of zo? Probeer het maar eens, al is het voor de lol: maak vier tientjes over op dat gironummer en je verzeilt in een bijzondere dialoog met bank en orgaan. Zit je bij de Postgiro, dan schijnt het gemakkelijker te gaan. Maar ik, als nazaat van een koningsplanter bij de Postgiro?
Huh huh, ik als telg van een onwettige telg van een wettige Birnie-telg, eh, ik heb toch een zekere status op te houden, niet? Snuffel maar eens aan uw beeldscherm of aan het papier van uw print-out. Ruikt u de tabak? Komt van Oost-Java. Geurt de Java-koffie u tegemoet? Komt van Gunung Blau, zit in die fraaie AH-pakken van ‘s lands grootste grutter. Voorheen Goenoeng Blaoe ligt op het Idjen Plateau, kun je tegenwoordig naar toe zonder paard, dat scheelt weer rijlessen. Het gebied werd in cultuur gebracht door David Birnie, de grote broer van mijn grootvader Willem, die een broertje dood had aan vuile handen en voortdurend achter de vrouwen aanzat.
Wat een luie donder was dat zeg, die bliksemse grootpa van me. Was-ie maar gaan schrijven. Maar ja, als schrijver stelde je helemaal niks voor in dat Indië. Zo’n Paatje Daum stelde dus ook toén al niks voor, maar dit terzijde. Zou mijn grootvader hem eruit geschreven hebben? Met sappige anekdotes over gokken in Monaco en de liefde bedrijven in Parijs?
Ach! Indië was niks! Helemaal niks! Hè grootpa?
Broer David en Willem hadden één pa (voor zover is nagegaan) en die heette George Birnie. Deze overgrootvader van me rookte graag een sigaar met bankdirecteuren en had een broertje dood aan overheidsdienaren. Hoezo? Nou, zoals ex-rokers de grootste vijanden van rokers zijn, en ex-junks de grootste plaaggeesten van junks, en ex-hetero’s de grootste verachters van de andere sekse, zo was hij, onze Sjors, als voormalig overheidsdienaar de grootste vijand van het gouvernement. Niet openlijk natuurlijk, want er moesten vergunningen worden versierd, hoge ambtenaren dronken gevoerd en bewogen worden de ganzenveer in Oost-Indische inkt te dopen om hun handtekening onder het zoveelste landbouwcontract te krijgen.
Met het diploma van de bestuursacademie te Delft op zak was fabrikantenzoon George Birnie op 12 oktober 1852 uitgezeild met de ‘Gertrude’ voor een carrière bij het Binnenlands Bestuur op Java. Hij baalde er vast van dat hij niet ergens in de Vorstenlanden werd geplaatst. Met het onherbergzame Djember onder zijn toezicht kreeg hij als controleur op zekere dag bezoek van de resident van Besoeki. De resident zag dat er grote schade was aangericht door de ‘zwarte apen’, die in grote getale in de schaduw van vernielde bomen zaten. Hij beklaagde zich bij de controleur, die deze opmerking niet bijzonder gepast vond. Die avond schreef George Birnie in zijn als ambtenaar bij te houden dagboek dat ‘er sedert het bezoek van den resident geen apen meer in de gouvernementstuinen te zien waren.’
Geinig, zo’n overgrootvader. Niet voor de regering, want die achtte het hoogstgewenst de controleur over te plaatsen naar een ander district, met een verhoging van het traktement, dat wel. Maar nee, George Birnie zag er een verbanning in, nam ontslag en trok de planterslaarzen aan. Zeven jaar na zijn uitzeilen begon hij met het planten van tabak en tweemaal zeven jaar later was hij rijk. Olf Praamstra, docent Nederlands aan de VU in Amsterdam, drukte in zijn proefschrift over Busken Huet – zeg maar de man van de gevleugelde woorden de Indische melkkoe – brieven af van deze bij George Birnie om poen bedelende criticus, die chronisch omhoog zat met zijn noodlijdende krant. En hij, de rijke planter, spekte die krant dan, want je wist maar nooit uit welke hoek de revolutionaire Indonesische winden zouden komen waaien.
Verveel ik u? Neem dan een abonnement op Indische Letteren door overmaking van fl 40,– op postbanknummer 1977068 t.n.v. penningmeester Werkgroep Indisch-Nederlandse Letterkunde te Alphen aan den Rijn. En maak dan ook tegelijk even fl 12,50 vermeerderd met fl 3,20 portokosten over voor aflevering nr. 2, juni 1999, veertiende jaargang. Dat is een nummer vol geharrewar van geleerden zoals deze Olf Praamstra, die zich nasi rames vretend aan de djatifineertafel uitputten in het verzinnen van logische en onlogische argumenten bij hun pogingen enige duidelijkheid te verschaffen omtrent de afbakening van de Nederlands-Indische, of Indisch-Nederlandse, of Nederlandse koloniale en postkoloniale dan wel Nederlandse prekoloniale, koloniale en postkoloniale letteren. Met andere woorden: wie en wat horen er wel en wie en wat horen er niet bij de Indische Letteren. En: waar moeten die Indische letteren worden gesitueerd op de literaire kaart van Nederland en omstreken.
Tja, je ziet het al aan de onduidelijke naamgeving van deze onwettige tak der Nederlandse letteren, dat er veel onduidelijks tiert binnen het vakgebied. Aanleiding van deze aflevering van Indische Letteren was een lezingen- en discussiemiddag, gehouden op vrijdag 21 mei 1999, over het ‘eigen gebied’ van de ‘Indische letteren’. Aldus het redactionele commentaar, waarin ‘Indische letteren’ nu als verzamelnaam wordt gebruikt en niet als de naam van het blad zelf.
Is ‘Indische bellettrie’ dan misschien wat?
Nee, want dat zou weer uitsluiting van allerlei nevengenres tot gevolg hebben.
Ho!, ik loop hier op de zaken vooruit.
Wat deden de dame en heren daar op die middag in Leiden?
Discussiëren over de afbakening van de Indische literatuur.
Wat waren de discussiepunten?
- Moet de literatuur van de VOC-tijd tot de Indische letterkunde gerekend worden?
- Is ‘Indisch’ synoniem met ‘koloniaal’?
- Moet een auteur de koloniale samenleving uit eigen ervaring gekend hebben om tot de Indische letterkunde te worden gerekend?
- Welke argumenten zijn er om de Tweede Generatie Indische schrijvers bij het onderzoek te betrekken?
- Moeten alleen de klassieke genres (verhalend proza, poëzie, toneel) worden onderzocht of mogen aanklachten, kluchten, aantekeningen, autobiografieën, scheepsjournalen, berichten, opera’s, berijmde vertellingen, blijspelen, moppen, natuurbeschrijvingen, boeken in het Maleis, stripverhalen, brieven, typen en schetsen, verpoozingen, brieven in flessen (alleen van drenkelingen van en naar de Oost), dagboeken, driestuiverromans, feiten, biografieën, feuilletons, fragmenten, gedichten, damesromans, detectives, autobiografieën, geïllustreerde pulp, handboeken, sprookjes, humoresken, indrukken, jaarboeken, jeugdlectuur, journalen, krabbels, kritische pennekrassen, land- en zeetochten, levensschetsen, lotgevallen, memoires, ontboezemingen, ontmoetingen ter zee en te land, onvoltooide en onuitgegeven werken, overpeinzingen, platenboeken, reisverslagen, schetsjes, herinneringen, schotschriften, kampdagboeken, pornografische boekjes, soldatenzangen, geschied- en krijgskundige bijdragen, vertaalde werken (Pramoedya Ananta Toer bijvoorbeeld), taferelen, volksgeschriften, Javaanse mythen en sagen, telegrammen, versjes, waerachtige beschrijvingen, ideeën, zendelingenlectuur, boodschappenbriefjes en wat er al niet meer uit de bestofte koloniale boekenkist komt, óók serieus genomen worden?
In de reeds genoemde uitgave van Indische Letteren staan de bijdragen van de panelleden over het boetseerwerk aan het Indische corpus afgedrukt. Dat waren: Jacqueline Bel, Siegfried Huigen, Bert Paasman, Olf Praamstra, Gerard Termorshuizen en Peter van Zonneveld. Reggie Baay was discussievoorzitter en Liesbeth Dolk maakte aantekeningen. Overigens zijn allen, op Jacqueline Bel en Siegfried Huigen na, redactieleden van Indische Letteren.
Waarom is deze discussie zo interessant? Omdat er beslist wordt wie er nu, straks en later wél en wie er níet behandeld worden in de Indische letteren. Wie gepresenteerd wordt, heeft kans te worden genuttigd. Van wie niet gepresenteerd wordt, onverschillig mét of zonder ketjapsaus, wordt niet gesnoept. Een plek in de canon van de Indische letteren garandeert althans een klein en aandachtig publiek: mensen die om de een of andere reden bestelling hebben voor Indië, in haar lente, zomer en herfst. Ja, totdat de winter begint. Volgens de profeten onder ons hangt de sneeuw al in de lucht en menigeen meldt reeds nachtvorst. Want waar blijft de Derde Generatie, om daar maar weer eens op terug te komen.
Het logge, van bloemkoolintellect vergeven huis der ‘Nederlandse letteren’ toont overigens nauwelijks oog voor de halfverscholen toko van de ‘Indische letteren’. Literatuurgeschiedschrijvers met de wortels in de Gereformeerde polder zien dolend in de nevelen van de door een koopmansgeest doorweekte Amsterdamse grachtengordel maar geen kans het slaapverwekkende rijtje Multatuli, Couperus, Du Perron en Haasse – voor zover die al als ‘Indisch’ kunnen worden aangeduid – ook maar uit te breiden met de namen Maria Dermoût en Vincent Mahieu. En als ze al tot een poging in de richting van Indië of het Indische proberen te komen, nemen ze toch gewoon schrijvers als Springer, Ruebsamen en Van Dis, die voor de beslagen brillen van Hollandse literatuurwetenschappers althans een waarneembaar Europees perspectief bieden.
Aan uitbreiding van Nederlandse, Indische, Surinaamse en allerhande Etnische literatuur tot zoiets als de NederlandsTALIGE letteren zal men wel helemaal niet denken met die monsters van de CPNB in de buurt, die het liefst de hele reut in vette Euro’s aan de Amerikanen zouden verkopen, die op hun beurt de hele plank van Reynaert tot en met eh… Birney door de plee zouden trekken, opdat de lezer van het Amsterdamse en omliggende polder- en duinlandschap zich voortaan slechts zou verdiepen in Moby Kwik, Huckleberry Kwek en Jefferson Kwak.
Stellen de Nederlandse letteren al weinig voor op de kaart van Europa, zo bezien maken de Indische letteren al helemaal geen kans. Tenzij de koloniale en postkoloniale literaturen zich mondiaal verenigen. Hoewel…. Hier is een citaat uit een e-mail die mijn Nederlands-Amerikaanse vertaalster Wanda Boeke me stuurde:
Ik word zelf dol van de manier waarop men al dat academisch (nu vaak feministisch of multicultureel) gedoe bediscussiert – ook, ondertussen, schrijvers die literaire kritiek willen ondernemen en toch dezelfde methoden gebruiken. Dus, zelfs critici en/of schrijvers van het Caribisch gebied bijvoorbeeld zitten met een soort Eurostandaard dat doorschijnt. De eilanden worden ook volgens een haast achterstevoren chronologie van koloniale bezetting (dus eerst de Engelstalige, dan de Franse, dan de Spaanse en de Portugese, en nu mogen de Nederlandstalige eilanden) ‘herondekt’ door uitgevers en critici. Heb je ooit Kenneth Ramchand gelezen? In ieder geval was deze zeer onder de indruk dat er ook wat ‘literairs’ gebeurde op de ‘Nederlandstalige’ eilanden, waarvan hij zelf niets afwist. Kolonialisme dat op een ander niveau nog steeds de maat bepaalt.
Als de marge het lot is van de Nederlandse literatuur, dan moet dat toch zeker komen doordat de Indische en Surinaamse letterkunde niet voldoende onder de aandacht zijn gebracht. Ligt dat misschien ook aan de boekhouders van bijvoorbeeld de Indische Letteren? Het Yournael zal marginalisering niet als een beschikking van het lot aanvaarden en in de volgende nummers ruimschoots aandacht gaan besteden aan hoe men nu eigenlijk de meetlat hanteert bij de afbakening van de Indische letterkunde. De vraag wat wel en wat niet en waarom dan dát wel en waarom dan dát niet en wie wel en wie niet en waarom dan wel en waarom dan wel niet… Uw Cyberney behoort onder anderen tot de zogenaamde Tweede Generatie Indische schrijvers en zal niet in de laatste plaats bekijken welke plek in het Indisch literaire reservaat men deze Tweede Generatie toebedeelt. De stal of de beerput?
Het Yournael van Cyberney werd in april 2000 onder aanvoering van Alfred Birney gelanceerd en verscheen wekelijks tot aan de boekenweek in maart 2001. Ruim 60 afleverigen van Cyberney (Alfred Birney), Frans Lopulalan, Joyce Bloem, Maureen Birney, Widjajanti Dharmowijono, Guno Jones, Esther Captain en Anyes lieten zien dat er nog veel onbesproken was en is in de Nederlandse taal, juist door hen die een mengcultuur in zich dragen. Het Yournael van Cyberney & Co bracht artikelen en verhalen rond literatuur, kunst, cultuur, fotografie, emancipatie en uitgeverspolitiek in het labyrint van mengculturen in binnen- en buitenland. De bijdragen van Alfred Birney verschenen bewerkt en gebundeld met ander proza in een eenmalige uitgave als alternatief boekenweekgeschenk en tegelijk als feestbundel ter ere van het 25-jarig jubileum van Uitgeverij In de Knipscheer. Bestel het boek hier!


