Yournael van Cyberney: De boekhouders van de Indische letteren (2) – Het corpus volgens Olf Praamstra
In zijn bijdrage aan het boetseerwerk van het corpus verwijst Praamstra naar de twee belangrijkste literatuurgeschiedenissen die er over de koloniale literatuur van Nederlands-Indië zijn geschreven. Dat zijn Troubled Pleasures (1996) van E.M. Beekman en de Oost-Indische Spiegel (1972) van Rob Nieuwenhuys. Hij kan moeilijk anders, want buiten deze werken zijn er geen serieuze te noemen. Hier ligt kennelijk een hoge drempel voor de literatuurhistorici. Het overzichtswerk van Nieuwenhuys is al meer dan een kwart eeuw oud, rammelt aan alle kanten, is tegelijk inspiratiebron en mikpunt van kritiek, maar niemand kan er omheen. Beekmans verse publicatie geeft een beperkter overzicht en zit vol met verwijzingen naar de Amerikaanse literatuur, waar de gemiddelde Nederlandse lezer met Nederlands-Indië als aandachtsveld weinig boodschap aan heeft. Beide werken, de Oost-Indische spiegel en Troubled pleasures, bestrijken de periode 1600 tot 1950. Dat – het tijdvak – is waar Olf Praamstra het in eerste instantie over wil hebben. In tweede instantie gaat zijn betoog over de persoonlijke ervaring van de schrijver binnen het door hem voorgestelde corpus van de koloniale literatuur.
Praamstra beweert dat een tegenwoordig onder historici gangbare opvatting zegt dat de geschiedenis van de kolonie Nederlands-Indië zich afspeelt in de periode tussen de ineenstorting van de VOC en het ontstaan van de Republiek Indonesië. Waarmee hij maar even het laatste standaardwerk over de Nederlandse aanwezigheid in Azië en de Indonesische Archipel (1595 – 1950), De waaier van het fortuin (1998) van J.J.P. de Jong terzijde schuift. Praamstra baseert zijn betoog op een artikel die hij in 1997 publiceerde in Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde: De omstreden bloei van de Indisch-Nederlandse letterkunde, een afbakening van het corpus. De Jongs Waaier van het fortuin was dus nog niet uit, maar Praamstra had intussen wel even kennis kunnen nemen van dat boek, waarin de geschiedenis die leidt tot het feitelijke koloniale tijdvak moeilijk daarvan kan worden losgezien. Kortom: de VOC stortte dan wel in, maar de prelude klonk toch zeker door van die twee vroege eeuwen binnen de gehele Indische suite.
Praamstra heeft echter geen boodschap aan bijvoorbeeld de werken van Van Linschoten, Bontekoe en Haafner, omdat Indië in die tijd een veel groter geheel besloeg. Hij wenst zich op het gebied te concentreren dat men Nederlands-Indië noemt en stelt voor de literatuurgeschiedschrijving te laten beginnen in 1800. Het eindpunt ervan geeft wat meer problemen. Omdat de Japanse bezetting in 1942 voorgoed een einde maakte aan de koloniale maatschappij zou Praamstra het liefst dáár de streep trekken. Maar ja, ook de ondergang van de kolonie tot en met de erkenning van Indonesië in 1949 zal er bij gerekend moeten worden. En dan: veel schrijvers hebben pas jaren nadat ze Indië verlieten van zich laten horen en dat gaat door tot de dag van vandaag.
Nou, goed, dan is het een kwestie van wachten op de dood van de laatste schrijver die Nederlands-Indië uit eigen ervaring heeft gekend, aldus Praamstra. Zullen ze fijn vinden (Paula Gomes, Rudy Kousbroek, Helga Ruebsamen, Yvonne Keuls, Wies van Groningen, Aya Zikken, Hella Haasse, Bouke Jagt, Loes Nobel, F. van den Bosch en nog zo wat namen) dat er iemand zit te popelen op de finale begrafenis, opdat Praamstra dan eindelijk zijn corpus in de oven kan bakken. Zal hem toch ettelijke bossen bloemen kosten, die Olf.
Praamstra benadrukt het gesloten karakter van de koloniale letteren: Indië als kolonie ontstond zo ongeveer met de invoering van het cultuurstelsel en stierf met de uitvoering van de dekolonisatie. Feitelijk zijn daarmee de koloniale letteren dood en is het dus hoog tijd om de balans op te maken. Bij het opmaken van de balans hanteert Praamstra als belangrijkste criterium de persoonlijke ervaring. Onno Zwier van Haren en W.J. Hofdijk hebben nooit een voet op Indische bodem gezet en zijn toch opgenomen door Rob Nieuwenhuys in zijn Oost-Indische Spiegel. Onzin, vindt Praamstra en hij hekelt het voorstel van Peter van Zonneveld, die in 1990 tijdens een symposium verklaarde dat wat hem betreft álles tot de Indisch-Nederlandse letterkunde hoort wat er in het Nederlands over Nederlands-Indië én Indonesië was geschreven en nog geschreven zal worden. Waar Praamstra het mausoleum als ultieme bibliotheek voor ogen heeft, daar droomt Van Zonneveld van de onsterfelijkheid.
Om zijn criterium van de persoonlijke ervaring wat meer kracht te geven, verwijst Praamstra naar Henk Maier. Die vond dat het gelijkstellen van Nederlands-Indië en Indonesië neerkwam op het negeren van het onderscheid tussen koloniale en postkoloniale literatuur. Toch voelde Maier wel iets voor verruiming van het begrip Indische letterkunde: zolang het onderwerp maar de koloniale samenleving in Nederlands-Indië is. Maier vraagt zich wél af of een schrijver werkelijk in Indië moet zijn geweest om erover te kunnen schrijven. Moet een schrijver in de dertiende eeuw zijn geweest om een ridderroman van formaat te kunnen schrijven. Moet hij op de maan zijn geweest om er een gedicht over te kunnen schrijven.
Kan wel zijn, maar als Frans Lopulalan een Molukse Elckerlyc zou schrijven, kan hij daarmee toch moeilijk tot de Middelnederlandse literatuur worden gerekend. Een acrostichon van Marion Bloem maakt haar nog geen representant van de Rederijkers. Wanneer Peter van Zonneveld de Javaanse brieven van mijn vriend Kees Ruys tot een bijdrage rekent van de Indisch-Nederlandse letterkunde, krijgt hij terecht kritiek van Praamstra. Omdat Indonesië daarin beschreven wordt zónder enige verwijzing naar het koloniale verleden, aldus Praamstra.
Praamstra gaat niet zo ver om de Tweede Generatie er wel te betrekken, ook al komen die geschriften van die groep voort uit de erfenissen van de koloniale samenleving, waar hij zo’n fascinatie voor aan den dag legt. Daarin verschilt hij van Nieuwenhuys, die in een toespraak gehouden in 1985 deze groep wél wilde meerekenen, juist vanwege die erfenis, al zag hij geen kans meer zijn Oost-Indische Spiegel tot en met die groep uit te breiden. Een mens wordt per slot een keer oud.
Een aardig lijkend voorbeeld van Praamstra voor zijn criterium persoonlijke ervaring haalt hij uit een reisverslag van Louis Couperus. Wanneer Couperus op een tradionele Arabische markt een aantal moderne naaimachines aantreft, schrijft hij dat die dingen hem vreemd aandoen. Ze detoneren bij zijn voorstelling van de Oriënt en wekken daarom zijn ergernis. Praamstra zegt dat als Couperus over die Arabische markt had geschreven zónder er geweest te zijn, hij zich niet had kunnen ergeren.
Een schrijver met talent draait overigens zijn hand niet om om met zulke trucs zijn romans geloofwaardig te maken. Een goede schrijver gaat zitten in de wereld die hij of zij beschrijft, beschikt over zoveel inlevingsvermogen, fantasie en techniek, dat het net is alsof hij of zij er werkelijk is geweest. Joâo Ubaldo Ribeiro beschrijft in zijn roman Viva o povo Brasileiro (1984) quasi uit de losse pols 400 jaar Brazilië: waar zijn romanfiguren hun stappen zetten, daar ruik je de aarde. Niet dat zo’n schrijver daarmee tot de klassieke Braziliaanse schrijvers zou moeten worden gerekend, maar geloofwaardigheid én authenticiteit zijn eerder afhankelijk van schrijfkunst dan van waar enige schrijver wel of niet heeft rondgelopen.
Jan ten Brink was maar een jaartje in Indië, en zijn Oost-Indische dames en heeren wordt zonder mokken tot de Indische letterkunde gerekend. Louis Couperus kreeg een groot deel van zijn stof overgeleverd van zijn zwager G. Valette, bij wie hij een poos logeerde en zonder wie hij wellicht nooit De stille kracht zou hebben kunnen schrijven. Als Onno Zwier van Haren en W.J. Hofdijk nu eens wél in Indië waren geweest, al was het maar voor even, dan zou dat dus voor Praamstra al reden genoeg zijn ze wél tot de Indische letterkunde te rekenen. Eigenaardig toch, dat hij hiermee het kijken naar een tekst op de tweede plaats stelt. Wanneer je de persoonlijke ervaring als belangrijk criterium neemt, dan zal die toch ook indringend in een tekst tot uiting moeten komen. Een schrijver kan nog zo veel hebben gezien en meegemaakt: schrijft hij of zij slecht, dan stelt die persoonlijke ervaring voor de lezer weinig voor.
Iets over de kunst van het ondergraven van de eigen stellingen: Praamstra neemt als voorbeeld de manier waarop Rudy Kousbroek de bekende roman Rubber (1931) van Madelon Székely-Lulofs verdedigt tegen de kritiek van Menno ter Braak. Ter Braak vond het een boek van niks; Kousbroek noemt het een hoogtepunt in de Indische letterkunde. Wat deze roman zo authentiek maakt is het observatietalent van de schrijfster, aldus Kousbroek. Hier is iemand aan het woord die zelf in Indië is geboren en getogen en die hoedanigheid gebruikt bij bij zijn beoordeling van boeken. Olf Praamstra zelf kent dat Indië op zijn beurt niet uit eigen ervaring en zal dus blind moeten varen op de teksten die anderen over de boeken binnen zijn aandachtsterrein schrijven. Op zo’n manier kán hij nauwelijks verder komen dan wat boekhouden. Dat is althans ook wat hij zelf aangeeft aan het eind van zijn betoog: Een eventuele herdruk van de Oost-Indische Spiegel zou [...] niet dikker, maar juist dunner worden. Waarom waagt hij zich niet zélf aan een serieus en overtuigd overzicht van zijn beoogde koloniale letteren?
In het eerder door hem gepubliceerde artikel in Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde legt Praamstra de bibliografie van Dorothée Buur, Persoonlijke documenten, Nederlands-Indië/Indonesië, keuze-bibliografie (1973) voor zich en neemt het snoeimes ter hand. Wat zij allemaal opsomt aan kinderboeken, jeugdlectuur, dagboeken, reisverhalen, memoires en brieven, dat mag van hem in de afvalcontainer. Tenzij zulk werk is gepubliceerd door een auteur die werk heeft geleverd dat behoort tot de voor hem typisch literaire genres: poëzie, verhalend proza en toneel, bedoeld voor volwassen lezers. Dus Couperus zijn reisverhalen mogen blijven, maar Het dagboek van W. Schermerhorn verdwijnt.
Wie zal daar rouwig om zijn? Maar de fraai beschreven herinneringen van Wim Walraven jr. aan zijn vader Wim Walraven zouden dan zeker ook het veld moeten ruimen. Praamstra wenst de nadruk op fictie en het Indische element en wenst verder geen briefjes in flessen van schipbreukelingen.
Na snoeiing van de bibliografie blijven er van de 2068 titels die Dorothée Buur heeft geselecteerd 1325 over. Praamstra zal met deze snoeiing stellig het literaire karakter van het geheel wat willen opvijzelen. Wellicht om een overzichtelijke koloniale letterkunde te kunnen presenteren uit een diepe wens dat zijn corpus serieus wordt opgenomen in de geschiedenis van de Nederlandse letteren? Daarin wordt de Indische letterkunde immers weinig serieus genomen, al is het maar vanwege de enorme hoeveelheid ‘onliterair materiaal’ die, zeg, het hele arsenaal verruwt. Met een klein overzicht van de koloniale literatuur zou Praamstra misschien wat kunnen potten breken in het gezelschap der grootboekhouders van de Nederlandse literatuur en wie weet droomt hij wel van een professoraat. Enfin, dromen is geoorloofd.
Nee, Praamstra zou de Indisch-Nederlandse literatuur, ook niet na snoeiing, een zelfstandig bestaan willen ontzeggen: De ervaring leert dat als de Indische letterkunde in de Nederlandse wordt geïncorporeerd, de meeste Indische auteurs buiten de boot vallen. Dat is onvermijdelijk, evenals dat het geval is met de meeste Nederlandse auteurs, als zij in een Europese literatuurgeschiedenis behandeld worden. Eén van de functies van de literatuurgeschiedenis, en niet de onbelangrijkste, is aandacht vragen voor auteurs die anders onherroepelijk in de vergetelheid zouden raken.
Zo eindigt Praamstra zijn artikel, dat als basis diende voor zijn verkorte lezing in het openbare debat met zijn vakgenoten. Het klinkt integer en tegelijk vreemd uit de mond van een kruidenier – misschien moet ik hem houthakker noemen – die de tuinschaar hanteert en de boeken van Van Linschoten tot, zeg, Haafner buiten wil sluiten, plus daarbij de hele naoorlogse Indische generatie. Waar de boeken uit de VOC-tijd en die van de naoorlogse generatie dan wél terecht moeten, schrijft hij niet in zijn om aandacht vragend betoog voor auteurs die anders in de vergetelheid zouden raken. Praamstra wenst een symphonie zonder inleiding en zonder finale, hij is er zo eentje die het liefst alleen de adagio’s beluistert. In bewerkte vorm, ook dat nog.
Toch is Praamstra duidelijk. En wie duidelijk is krijgt de wind mee dan wel van voren. Anderszijds hoor je hem niet expliciet over zoiets als literaire kwaliteit. Hij acht het voldoende de hele reut aan schetsjes en herinneringen buitenboord te gooien. Kwaliteitsverhoging zal hem dus niet direct voor ogen staan, slechts overzicht van wat je hier met recht zou kunnen: de Nederlandse koloniale letteren.
Bronnen:
De ergernis van Couperus, de Nederlands-Indische letterkunde en de persoonlijke ervaring. Olf Praamstra. Indische Letteren, 14e jrg, nr 2 juni 1999
De omstreden bloei van de Indisch-Nederlandse letterkunde. Een afbakening van het corpus. Olf Praamstra. Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde 113, 1997
Het Yournael van Cyberney werd in april 2000 onder aanvoering van Alfred Birney gelanceerd en verscheen wekelijks tot aan de boekenweek in maart 2001. Ruim 60 afleverigen van Cyberney (Alfred Birney), Frans Lopulalan, Joyce Bloem, Maureen Birney, Widjajanti Dharmowijono, Guno Jones, Esther Captain en Anyes lieten zien dat er nog veel onbesproken was en is in de Nederlandse taal, juist door hen die een mengcultuur in zich dragen. Het Yournael van Cyberney & Co bracht artikelen en verhalen rond literatuur, kunst, cultuur, fotografie, emancipatie en uitgeverspolitiek in het labyrint van mengculturen in binnen- en buitenland. De bijdragen van Alfred Birney verschenen bewerkt en gebundeld met ander proza in een eenmalige uitgave als alternatief boekenweekgeschenk en tegelijk als feestbundel ter ere van het 25-jarig jubileum van Uitgeverij In de Knipscheer. Bestel het boek hier!


